Bijlage 4 Paraplubestemmingsplan Woningsplitsing, verkameren en parkeren
Tekst van het document
In voorkomende gevallen moet verder bij het aanvragen van een nieuw bouwplan binnen de bestaande planologische mogelijkheden een bodemonderzoek worden uitgevoerd. De voorliggende herziening brengt hier geen verandering in. 4.8.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het plan.
27
4.9
Water
4.9.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Dat wordt gedaan middels een watertoets. De resultaten uit de watertoets landen vervolgens in een waterparagraaf. 4.9.2 Onderzoek Een watertoets is een verplicht onderdeel van elk ruimtelijk plan. In de watertoets wordt onder andere ingegaan op de manier hoe wordt omgegaan met afval-, hemel-, oppervlakte- en grondwater. Dit plan voorziet in vergelijking met het huidige planologische regime niet in meer bebouwingsmogelijkheden, het toevoegen van verharding anderszins of bodemingrepen die het infiltratievermogen van de bodem beïnvloeden. Daarom is verder onderzoek naar het aspect water niet noodzakelijk. Bij concrete initiatieven is het mogelijk wel van belang om een watertoets uit te voeren. 4.9.3 Conclusie Het aspect water zorgt niet voor belemmeringen.
4.10
Archeologie
4.10.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet in de overgangsperiode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van "de verstoorder betaalt" uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.10.2 Onderzoek Het gemeentelijk archeologiebeleid is binnen een groot deel van het plangebied vertaald in dubbelbestemmingen, die aangeven binnen welke zones, in welke gevallen en onder welke voorwaarden archeologisch onderzoek moet worden verricht.
Met dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het oprichten van bebouwing of het uitvoeren van andere bodemroerende werkzaamheden. Bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen worden daarentegen nader ingekaderd. Hiermee is voldoende aannemelijk gemaakt dat dit plan niet op directe wijze voorziet in ontwikkelingen die eventueel binnen het plangebied aanwezig archeologische waarden aantasten. Bij concrete initiatieven die (mede) zijn toegestaan op grond van dit plan dient mogelijkerwijs te worden getoetst of er een aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden zou kunnen optreden. De bestaande kaders blijven daarbij ongewijzigd van toepassing.
28
4.10.3 Conclusie Het aspect archeologie zorgt niet voor belemmeringen.
4.11
Cultuurhistorie
4.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.11.2 Onderzoek Met dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het oprichten van bebouwing. Bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen worden daarentegen nader ingekaderd. Er worden tevens geen nieuwe rechtstreekse gebruiksmogelijkheden geboden. Hiermee is voldoende aannemelijk gemaakt dat dit plan niet op directe wijze voorziet in ontwikkelingen die eventueel binnen het plangebied aanwezig cultuurhistorische waarden aantasten.
Bij concrete initiatieven die (mede) zijn toegestaan op grond van dit plan dient mogelijkerwijs te worden getoetst of er een aantasting van eventueel aanwezige cultuurhistorische waarden zou kunnen optreden. De eventueel geldende kaders, zoals dubbelbestemmingen, blijven onverkort van toepassing. 4.11.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie zorgt niet voor belemmeringen.
4.12
M.e.r.-plicht
Het bevoegd gezag moet ook bij relatief kleinschalige plannen of projecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine plannen of projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden is het opstellen van een milieueffectrapport (MER) dan nodig. Met dit bestemmingsplan worden geen m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten mogelijk gemaakt. Immers wordt uitsluitend voorzien in een nadere inkadering van reeds bestaande planologische mogelijkheden. Daarom is een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.
29
30
Hoofdstuk 5 Juridische planopzet In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1
Inleiding
De Wro en het Bro bepalen uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met regels en een toelichting daarop. De juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan zijn de verbeelding en de regels. Er is één landelijke voorziening waar alle ruimtelijke plannen voor iedereen volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Daarvoor moeten alle bestemmingsplannen voldoen aan landelijk vastgestelde standaarden. Dit is de 'Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012)'. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: De toelichting Een planbeschrijving, beleidsverantwoording en een toets aan de relevante milieuhygiënische en ruimtelijke aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten. De regels Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan. Samen met de verbeelding vormen de regels het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De regels worden in paragraaf 5.3 nader beschreven. De verbeelding Op de verbeelding kunnen bestemmingen en aanduidingen worden weergegeven, die de werkingsgebieden van de regels bepalen. In paragraaf 5.2 wordt de opzet van de verbeelding nader beschreven.
31
5.2
Plansystematiek
Het voorliggende 'paraplubestemmingsplan' is een overkoepelend bestemmingsplan, dat dient als aanvulling op en gedeeltelijke vervanging van de vigerende ruimtelijke plannen. Het plangebied van dit bestemmingsplan is gemeentedekkend: de regels gelden in principe voor het gehele gemeentelijke grondgebied. Uitgezonderd zijn uitsluitend die delen van het gemeentelijk grondgebied, waar ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan een beheersverordening van toepassing is. Het bestemmingsplan geldt in aanvulling op de overige geldende ruimtelijke plannen. Deze plannen met de bijbehorende bestemmingen, aanduidingen, bouw- en gebruiksregels, bouwvlakken etc. blijven in principe onverkort van toepassing. Op een aantal onderdelen worden de planregels echter aangevuld, dan wel vervangen, op de manier zoals hierna in par. 5.3 wordt toegelicht.
5.3
Toelichting op de regels
De regels in het paraplubestemmingsplan zijn conform de SVBP2012 als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk omvat een aantal voor het plan van belang zijnde begripsbepalingen (artikel 1). Deze worden, conform de schakelbepaling in artikel 2.2 van toepassing verklaard op alle onderliggende bestemmingsplannen en overige ruimtelijke plannen. Voor zover een bepaald begrip in een bestaand plan reeds voorkomt, wordt dit vervangen door de begripsbepaling in het paraplubestemmingsplan. Daarnaast bevat dit hoofdstuk een algemene van toepassing verklaring (artikel 2.1). Dit paraplubestemmingsplan dient als aanvulling op en gedeeltelijke vervanging van de regels van de voor het plangebied vigerende bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen. Alle regels uit deze onderliggende plannen blijven dus voor het overige van kracht. Dit is in artikel 2.1 expliciet aangegeven. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit artikel is aangegeven welke regels van de onderliggende ruimtelijke plannen juridisch wijzigen, of welke bepalingen aan de betreffende plannen worden toegevoegd. In artikel 3 en 4 zijn achtereenvolgens een parkeerbepaling en nadere gebruiksregels voor het 'wonen' opgenomen. In de parkeerreling is het toepassingsbereik aangegeven en is aangegeven in welke gevallen aan het gemeentelijk parkeerbeleid moet worden getoetst.
Dit betreft een dynamische verwijzing naar het actuele parkeerbeleid, dat geldt op het moment van een concrete vergunningaanvraag. Voor de binnenstad, die met een gebiedsaanduiding op de verbeelding is begrensd, geldt een uitzondering. Ten aanzien van het wonen is de omschrijving van het begrip 'wonen', in combinatie met de begripsbepalingen in het plan, opgenomen. Verder is opgenomen dat als strijdig gebruik worden aangemerkt: gebruik van aan- en/of bijgebouwen als zelfstandige woning; gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor inwoning; kamerverhuur; woningsplitsing buiten de zone 'binnenstad'. Voor legale bestaande of vergunde situaties gelden deze verboden niet. Voor woningsplitsing en kamerverhuur is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Voor de inhoudelijke toelichting op deze regels wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze toelichting. Hoofdstuk 3: algemene regels In dit hoofdstuk is de voor ieder plan verplichte anti-dubbeltelregel opgenomen. Deze is voor alle ruimtelijke plannen verplicht volgens de SVBP 2012.
32
Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor alle bestemmingsplannen verplicht op te nemen overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik, alsmede de citeertitel van het plan.
33
34
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in een nieuw bouwplan, zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. Daarom is de gemeenteraad niet verplicht om voor het wettelijk kostenverhaal een exploitatieplan vast te stellen in de zin van artikel 6.12, eerste lid, Wro. Kostenverhaal is daarmee niet aan de orde. Het bestemmingsplan is economisch uitvoerbaar.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties zijn in kennis gesteld van dit bestemmingsplan.
35
6.2.2 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Met de kennisgeving van de ter inzage legging van het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan is de formele procedure voor de vaststelling van start gegaan. Als onderdeel van deze procedure wordt het ontwerp van dit bestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegen voor het inbrengen van zienswijzen. Gelijktijdig met de plaatsing van de kennisgeving wordt het ontwerpbestemmingsplan langs elektronische weg toegezonden aan de reeds betrokken gemeenten, provincie, waterschappen en uitvoeringsdiensten van het Rijk.
36
Regels
37
38
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1
Begrippen
1.1 Plan Het bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan Woningsplitsing, verkameren en parkeren met identificatienummer NL.IMRO.0796.0002512-1401 van de gemeente 's-Hertogenbosch. 1.2 Bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels. 1.3 Aanbouw Een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.4 Aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5 Aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6 Bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.7 Bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.8 Bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
39
1.9 Bijgebouw Een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Een bijgebouw kan zijn een aangebouwd bijgebouw in de vorm van een aanbouw of een uitbouw, dan wel een vrijstaand bijgebouw. 1.10 Hoofdgebouw Gebouw, of gedeelte daarvan, dat door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.11 Huishouden Een persoon, of groep personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert. Indien het huishouden uit 2 of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid. Kamerverhuur valt niet onder het begrip 'huishouden'. 1.12 Inwoning Medegebruik door maximaal twee personen door bewoning van (een) kamer(s), die onderdeel uitmaakt/uitmaken van een woning, die door een ander huishouden in gebruik is.
1.13 Kamerverhuur / verkameren Het al dan niet bedrijfsmatig verhuren of aanbieden van kamers binnen een woning, niet zijnde inwoning, waarbij kamers geen zelfstandige woonruimte vormen door het ontbreken van wezenlijke voorzieningen zoals een eigen kook- en/of wasgelegenheid en/of toilet. 1.14 Mantelzorg Intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond. 1.15 Splitsen van een woning Het verbouwen van een woning tot twee of meer woningen, dan wel het zodanig inrichten, gebruiken of laten gebruiken van een deel van de woning dat feitelijk twee of meer woningen ontstaan. 1.16 Wonen Het gehuisvest zijn in een woning. 1.17 Woning Een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, al dan niet in combinatie met inwoning door maximaal twee personen. Een woning heeft een eigen toegang en de bewoner(s) kan/kunnen deze bewonen, zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woning.
1.18 Zelfstandige woonruimte Zie definitie 'woning'.
40
Artikel 2
Van toepassing verklaring
2.1 Toepassingsbereik Met dit plan worden alle bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen van de gemeente 's-Hertogenbosch binnen het plangebied van dit plan, die op het moment van inwerkingtreding van dit plan zijn vastgesteld, herzien op de wijze zoals beschreven in artikel 2.2 en in Hoofdstuk 2. Voor het overige blijven de vigerende bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen onverminderd en ongewijzigd van toepassing. 2.2 Van toepassing verklaring begrippen De in artikel 1.3 tot en met 1.18 opgenomen begrippen worden in alle onderliggende plannen als bedoeld in artikel 2.1 van toepassing verklaard. Voor zover een begrip reeds in een onderliggend bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan voorkomt, wordt dit vervangen door het begrip in dit plan.
41
42
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3
Parkeerbepalingen
3.1 Toepassingsbereik a. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.1, gelden de navolgend opgenomen regels in aanvulling op c.q. in plaats van de regels van de in artikel 2.1 bedoelde plannen voor wat betreft het aspect 'parkeren', en blijven de overige regels uit de onderliggende plannen ongewijzigd. b. De gronden zoals aangewezen in de verschillende bestemmingen in de in artikel 2.1 bedoelde plannen mogen slechts worden bebouwd onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. 3.2 Bouwregels a. Bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen wordt aan de hand van de Nota Parkeernormering 2021 van de gemeente 's-Hertogenbosch bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, aan de hand van die nieuwe beleidsregels wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. b. Het bepaalde onder a. geldt onverkort bij de toepassing van een in de in artikel 2.1 bedoelde plannen opgenomen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid, dan wel uitwerkingsplicht; c. In afwijking van het bepaalde onder a. en b. blijven de parkeernormen van kracht voor zover in de in artikel 2.1 bedoelde plannen een specifieke parkeernorm in de planregels is voorgeschreven.
Hieronder wordt niet begrepen een regeling voor parkeernormen met behulp van een verwijzing naar de Nota Parkeernormering 2021 van de gemeente 's-Hertogenbosch dan wel een andere algemene beleidsregel. 3.3 Uitzondering binnenstad In afwijking van het bepaalde in lid 3.1 en 3.2 geldt ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - binnenstad' de volgende regel: er worden in verband met de realisering van de ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - binnenstad' geldende bestemmingen geen extra parkeerplaatsen geëist boven het aantal binnen deze bestemmingen aanwezige parkeerplaatsen op het moment van inwerkingtreding van het plan, die dienen te worden gehandhaafd.
43
Artikel 4 4.1
Woonbepalingen
Bouwregels
4.1.1 Woningsplitsing a. Het is verboden een woning te splitsen in meerdere woningen. b. Het bepaalde onder a is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - binnenstad'. 4.1.2 Zelfstandige woonruimte in aan- en/of bijgebouwen a. Het is verboden een aan- en/of bijgebouw om te bouwen tot één of meer zelfstandige woningen. b. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op in overeenstemming met het voorheen geldende plan reeds gerealiseerde zelfstandige woningen in aan- en/of bijgebouwen of op een daarvoor verleende vergunning. 4.2
Gebruiksregels
4.2.1 Bestemmingsomschrijving 'wonen' a. Daar waar in de in artikel 2.1 bedoelde plannen conform een bestemmingsomschrijving 'wonen' is toegestaan, komt deze omschrijving als volgt te luiden: 1. wonen in de vorm van woningen, niet zijnde woonwagens, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit. b. Daar waar in de in artikel 2.1 bedoelde plannen conform een bestemmingsomschrijving 'bijzondere woonvoorzieningen' zijn opgenomen, wordt de toevoeging 'bijzondere woonvoorzieningen' geschrapt. c. Het bepaalde onder b is niet van toepassing op, in overeenstemming met het voorheen geldende plan, reeds gerealiseerde bijzondere woonvoorzieningen of op een daarvoor verleende vergunning. 4.2.2 Zelfstandige woonruimte in aan- en/of bijgebouwen, inwoning in vrijstaande bijgebouwen a. Tot een met het plan strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van aan- en/of bijgebouwen als zelfstandige woning en het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor inwoning. Mantelzorg valt hier niet onder. b. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op in overeenstemming met het voorheen geldende plan reeds gerealiseerde zelfstandige woningen in aan- en/of bijgebouwen of op een daarvoor verleende vergunning. c.
Het bepaalde onder a is niet van toepassing op in overeenstemming met het voorheen geldende plan reeds gerealiseerde inwoning in vrijstaande bijgebouwen of op een daarvoor verleende vergunning. 4.2.3 Kamerverhuur a. Tot een met het plan strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in ieder geval gerekend kamerverhuur. b. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op in overeenstemming met het voorheen geldende plan reeds gerealiseerde kamerverhuur of op een daarvoor verleende vergunning. 4.2.4 Woningsplitsing a. Tot een met het plan strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in ieder geval gerekend het splitsen van een woning. b. Het bepaalde onder a is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - binnenstad'. c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op in overeenstemming met het voorheen geldende plan reeds gerealiseerde woningsplitsing of op een daarvoor verleende vergunning. 4.3
Afwijken van de regels
4.3.1 Woningsplitsing a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1.1, onder a en 4.2.4, onder a. voor het toestaan van woningsplitsing, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. de te splitsen woning is niet gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - buitengebied'; 2. door de splitsing worden maximaal 2 woningen toegevoegd; 3. aangetoond is dat voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is, conform het bepaalde in artikel 3; 4. de splitsing mag geen onaanvaardbare inbreuk maken op het woon- en leefklimaat van omwonenden met betrekking tot de aard van de omgeving, de leefbaarheid in de omgeving, de sociale veiligheid en
44
de milieu-hygiënische situatie; 5. aangetoond is dat na splitsing sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de gesplitste woningen met betrekking tot de woonkwaliteit voor bewoners en de milieu-hygiënische situatie; 6. er mogen geen onevenredige belemmeringen voor in de omgeving aanwezige functies optreden; 7. de splitsing leidt niet tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit en/of cultuurhistorische waarden op en in de omgeving van de betreffende locatie; 8. er heeft een zorgvuldige omgevingsdialoog plaatsgevonden; b. of wordt voldaan aan het gestelde onder a. sub 4 tot en met 9, wordt getoetst aan de "Beleidsregels woningsplitsing en verkameren 's-Hertogenbosch 2023", met dien verstande dat, indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, aan de hand van die nieuwe beleidsregels wordt bepaald of aan de betreffende voorwaarden wordt voldaan. 4.3.2 Kamerverhuur / verkameren a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.3, onder a. voor het toestaan van kamerverhuur, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. kamerverhuur vindt niet plaats ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - buitengebied'; 2. kamerverhuur vindt ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - kernwinkelgebied' niet op de begane grond plaats; 3.
door het verkameren ontstaan er maximaal 4 kamers; 4. aangetoond is dat voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is, conform het bepaalde in artikel 3; 5. de kamerverhuur mag geen onaanvaardbare inbreuk maken op het woon- en leefklimaat van omwonenden met betrekking tot de aard van de omgeving, de leefbaarheid in de omgeving, de sociale veiligheid en de milieu-hygiënische situatie; 6. aangetoond is dat kamerverhuur leidt tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de te realiseren kamers met betrekking tot de woonkwaliteit voor bewoners en de milieu-hygiënische situatie; 7. er mogen geen onevenredige belemmeringen voor in de omgeving aanwezige functies optreden; 8. kamerverhuur leidt niet tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit en/of cultuurhistorische waarden op en in de omgeving van de betreffende locatie; 9. er heeft een zorgvuldige omgevingsdialoog plaatsgevonden; b. of wordt voldaan aan het gestelde onder a. sub 3 tot en met 8, wordt getoetst aan de "Beleidsregels woningsplitsing en verkameren 's-Hertogenbosch 2023", met dien verstande dat, indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, aan de hand van die nieuwe beleidsregels wordt bepaald of aan de betreffende voorwaarden wordt voldaan.
45
46
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 5
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
47
48
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 6
Overgangsrecht
6.1 Overgangsrecht bouwwerken Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 6.2 Overgangsrecht gebruik Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
49
Artikel 7
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan Woningsplitsing, verkameren en parkeren.
50