CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Buitengebied, Maliskampsestraat 53_Bijlagen bij de regels

Gemeenteraad 4 juli 2023, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied, Maliskampsestraat 536.956 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Buitengebied, Maliskampsestraat 53

's-Hertogenbosch

bestemmingsplan

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

status:

NL.IMRO.0796.0002441-1201 NL.IMRO.0796.0002441-1301

12 mei 2020 december 2022

voorontwerp ontwerp

-

2

vastgesteld

Inhoudsopgave

Bijlagen bij de regels

5

Bijlage 1 Bijlage 2

6 15

Landschappelijk inpassingsplan Ontheffingsbeschikking Wet natuurbescherming

3

4

Bijlagen bij de regels

5

Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan

6

LANDSCHAPPELIJKE INVESTERING EN INPASSING MALISKAMPSESTRAAT 53 De gemeente ’s-Hertogenbosch ontwikkelt woningbouw op het (voormalige) agrarische bouwblok van de Maliskampsestraat 53 te Rosmalen. Het plangebied is onderdeel van de Hooge Heide. Hier staat de ontwikkeling van een kleinschalig landschap met natuur en landbouw centraal. De linten zijn van oudsher de plek voor bebouwing. In deze notitie wordt geadviseerd hoe om te gaan met de landschappelijke inpassing en landschappelijke investering die hierbij nodig en gewenst is. Naast de landschappelijke inpassing van het projectgebied aan de Maliskampsestraat wordt 1,10 hectare in het Eikenburgbos en 2,88 hectare in het Sprokkelboschveld omgevormd naar natuur (zie figuur 1), waarmee het omliggende Natuurnetwerk Brabant (NNB) wordt versterkt.

Sprokkelboschveld

Eikenburgbos MK53

Figuur 1: Plangebied Maliskampsestraat 53 (MK53; rood omlijnd) en natuurontwikkeling Eikenburgbos en Sprokkelboschveld (beide oranje omlijnd) met het Natuurnetwerk Brabant (NNB) in groen.

Landschap De drie gebieden zijn gesitueerd in het kampenlandschap van de Hooge Heide. Dit gebied kenmerkt zich door een kleinschalige verkaveling van landbouw met houtwallen, greppels, bosjes en lanen. De wegen kennen een historische ligging en hebben vaak een oude beplanting. Kenmerkend zijn de oude boerderijen, afgewisseld met latere bebouwing langs de linten. Landschappelijke inpassing en natuurontwikkeling Maliskampsestraat 53 Het projectgebied is gesitueerd aan de Maliskampsestraat 53 en omvat de locatie van een voormalig agrarisch bedrijfserf. Kenmerkend voor deze plek in het landschap is de ligging aan de kleine wetering en de Maliskampsestraat. Op het erf wordt de voormalige bedrijfswoning herbouwd en worden drie nieuwe woningen gerealiseerd, waarbij deze op een historische wijze op het erf worden geschikt. Dit erf zal landschappelijk worden ingepast, waarbij op het omliggende terrein natuur ontwikkeld zal worden (zie figuur 2).

Figuur 2: Inrichtingsschets Maliskampsestraat 53 (schets mei 2023)

Inpassing van het erf Het nieuwe erf zal op een groene manier ingepast worden, waarbij deze omzoomd wordt door een houtwal (1.222 m2; 5 meter breed aan de west-, zuid- en oostzijde; 3 meter breed aan de noordzijde; beheertype L01.02; zie figuur 3). Door de houtwal aan de noordzijde wordt tevens het directe zicht op de wijk aan de noordzijde van de Maliskampsestraat landschappelijk afgeschermd, waarbij de percelen via de openingen in de houtwal een eigen uniek uitzicht hebben over het landschap. Aan de zijde van de Maliskampsestraat maakt de houtwal plaats voor een haag (beuk), zodat de boederijwoning een gezicht heeft naar de Maliskampsestraat. Langs de Maliskampsestraat is een waardevolle boomstructuur aanwezig, welke behouden blijft. Dit betekent dat de huidige inrit benut moet worden.

Figuur 3: Profiel A-A maaiveldverlaging met aan de rechterzijde de houtwal rondom de bouwkavels en aan de linker zijde het voetpad met vogelbosjes, welke van de naast gelegen agrarische percelen wordt afgeschermd met een schapenraster.

Houtwal Houtwallen en houtsingels (L01.02) komen in heel Nederland voor en er zijn vele lokale varianten. Deze lijnvormige landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringende landschap. Houtwallen en houtsingels zijn bepalend voor het kleinschalige kampenlandschap op de zandgronden. Deze lijnvormige elementen vormen een belangrijk biotoop voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van belang ter oriëntatie voor vleermuizen en als verbindingszone voor fauna. Er zullen circa 1.222 stuks bosplantsoen worden aangeplant (plantafstand circa één meter bij één meter). De soorten (zomereik (Quercus robur), sporkehout (Frangula alnus), haagbeuk (Carpinus betulus), Spaanse aak (Acer Campenstre), winterlinde (Tilia cordata), éénstijlige meidoorn (Crataegus monogyna), vlier (Sambucus nigra), hazelaar (Corylus avallane), wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia) en Gelderse roos (Viburnum opulus)), met een mengverhouding van 10% van iedere soort) zullen willekeurig gemengd worden in groepen tot drie stuks per soort met hoofdzakelijk tweejarig naaktwortelig bosplantsoen in de lengte maat 60-100 centimeter. De soorten worden handmatig individueel en groepsgewijs gemengd geplant in verband met onderlinge concurrentie en het creëren van structuurverschillen.

Daarnaast zorgt het handmatig aanplanten ook voor een meer natuurlijke uitstraling dan een machinale aanplant. Haag De haag (lengte 22 meter) wordt aangeplant met bosplantsoen van haagbeuk (Carpinus betulus; 220 stuks) en krijgt een breedte van circa 1 meter. Hiervoor wordt tweejarig naaktwortelig bosplantsoen in de lengte maat 60-100 centimeter gebruikt, welke in een (versprongen) dubbele rij van tien stuks per strekkende meter aangeplant zullen worden. Landschappelijke compensatie Ter compensatie van het toevoegen van bebouwing aan het buitengebied zal het omliggende gebied als natuur worden ingericht. Langs de Kleine Wetering is ruimte gereserveerd voor een natuurvriendelijke oever (zie figuur 4; met twee opties: a flauwe oever en b plas-dras over) en wordt op de onderhoudsstrook van een wandelpad gemaakt (570 meter). Ook zal er een poel (Beheertype L01.01; wateroppervlak 188 m2; zie figuur 5) worden aangelegd op het terrein. Deze poel past qua functie in een stelsel van poelen die ook rond de Groote Wetering aanwezig is. Door de koppeling met de ecologische verbindingszone Groote Wetering zal de poel een stapsteen vormen voor diverse soorten amfibieën en insecten.

Optie B: plas-dras oever

Optie A: Flauwe oever (1:3)

Figuur 4: profiel C-C langs Kleine Wetering

Figuur 5: profiel B-B met poel en elzen-gagel singels

Het overige terrein (circa 12.750 m2) zal een inrichting krijgen als nat natuurgebied met een natuurbeheertype kruiden- en faunarijkgrasland (N12.02). Door het gebied te deels verlagen en daarmee te vernatten wordt voorkomen dat het gebruikt zal worden als tuin (zie figuur 5). Door middel van greppels (zie figuur 5 en 3) welke beplant worden met elzen (Alnus glutinosa; 2 stuks per strekkende meter) en gagel (Myrica gale; 2 stuks per strekkende meter) worden de oude kavelstructuren hersteld (565 m2). Deze elzen worden als hakhout (beheertype L01.03) beheerd waardoor deze half transparant zullen zijn. Gagel blijft relatief laag. In het grasland zullen enkele bossages (vogelbosjes; L01.02; 643 m2) en een 8-tal landschapsbomen gerealiseerd worden. De bossages zullen bestaan uit struiksoorten (wilde appel (Malus sylvestris), hondsroos (Rosa canina), tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata), sleedoorn (Prunus spinosa) en Gelderse roos (Viburnum opulus)) welke aangeplant worden als bosplantsoen (één stuk per m2, willekeurig gemend met groepen van één tot drie stuks per soort, met een mengverhouding van 20% van iedere soort). Voor de landschapsbomen worden 3 soorten (schietwilg (Salix alba; 3 stuks), Zwarte els (Alnus glutinosa; 3 stuk), zachte berk (Betula pubescens; 2 stuks) in de maat 18-20 aangeplant. Beheer Eigendom ligt nu bij de gemeente. Voorgesteld wordt dit zo te laten.

Beheer moet nader worden uitgewerkt zodat het gebiedje in de toekomst goed kan blijven functioneren. De eerste jaren na de inrichting en oplevering van de houtwal, bossages en elzensingels zal er ieder groeiseizoen worden gecontroleerd of er niet teveel concurrentie uitgaat van de aanwezige begroeiing. Eventuele (onkruid)bestrijding zal, vanwege de plantafstand, plaatselijk worden uitgevoerd met een bosmaaier. Na afloop van het 2e groeiseizoen zal er plantsoen worden ingeboet wanneer er grotere aaneengesloten oppervlakten van het plantsoen is uitgevallen. De reden van de uitval zal worden vastgesteld alvorens er wordt overgegaan tot inboet. Na aanplant kunnen de houtwal, de bossages en de elzensingels zich natuurlijk ontwikkelen, waarbij tenminste 75% van de oppervlakte van het element wordt beheerd als hakhout en periodiek (gefaseerd, éénmaal per 6-21 jaar) wordt afgezet (alleen in de periode tussen 1 oktober en 15 maart, waarbij overhangede takken het gehele jaar teruggesnoeid kunnen worden). Voor de houtwal en de bossages mag het snoeihout in het element verwerkt worden, bij de elzensingels en de beukenhaag mag dat niet. De haag zal twee maal per jaar gesnoeid moeten worden (één maal voor 21 juni en één maal in september / oktober). Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.

Het beheer van de poel bestaat voornamelijk uit het voorkomen van eutrofiëring en verlanding. De oevers van de plassen zullen iedere 2 jaar voor de helft worden gemaaid. Het slib dat zich door eutrofiëring ophoopt in de plassen zullen eens per 8-10 jaar gefaseerd worden verwijderd middels baggeren. Recreatie Ingezet wordt om dit plan te benutten om recreatieve verbindingen te verbeteren. De locatie op de overgang van Maliskamp naar de natuurgebieden rondom de Groote en Kleine Wetering draagt bij aan een verbetering van het wandelnetwerk. Natuurontwikkeling Eikenburgbos In het Eikenburgbos wordt 1,10 hectare landbouw omgevormd naar natuur. Dit gebied was tot halverwege de vorige eeuw onderdeel van het Eikenburgbos, waarna dit deel in gebruik geweest is als akker- en grasland. In dit gebied is een (amfibieën-) poel aanwezig welke zal worden uitgebreid en er zal een bos aangeplant worden (zie figuur 6). In een eerder fase zijn de randen van dit perceel al voorzien van houtwallen en is er een wandelpad aangelegd. Deze elementen worden nu ook bestemd als natuur. Met deze bosontwikkeling wordt het historische bossysteem hersteld.

Figuur 6: Inrichtingsschets Eikenburgbos

Poel De bestaande poel (beheertype L01.01) zal worden uitgediept en vergroot tot een oppervlakte van circa 790 m2. Deze poel zal door de koppeling met het watersysteem van de Kleine Wetering en daarmee de ecologische verbindingszone Groote Wetering een stapsteen vormen voor diverse soorten amfibieën en insecten.

Het beheer van de poel bestaat voornamelijk uit het voorkomen van eutrofiëring en verlanding. De oevers van de plassen zullen iedere 2 jaar voor de helft worden gemaaid. Het slib dat zich door eutrofiëring ophoopt in de plassen zullen eens per 8-10 jaar gefaseerd worden verwijderd middels baggeren. Bosaanplant Circa 7.400 m2 hectare van het perceel zal worden aangeplant met bosplantsoen. op basis van het natuurbeheertype N14.03 Haagbeuken- en essenbos. Haagbeuken- en essenbos wordt gedomineerd door diverse boomsoorten zoals haagbeuk, gewone es, esdoorn en gladde iep. Het betreft rijke bossen op klei- of leemgrond en/of op bodems waar aanrijking plaatsvindt met basen door periodiek hoge grondwaterstanden buiten de invloed van beek of rivier. Vegetatiekundig behoren de bossen tot het Haagbeukenverbond, Iepenrijke Eiken-Essenverbond en Verbond van Els en Es. De bijbehorende struwelen maken ook onderdeel uit van dit type. Het bostype is vaak rijk in structuur en kent een opvallende voorjaarsflora. Het beheertype is bij veel variatie in structuur rijk aan fauna en flora. Open plekken worden vaak gedomineerd door ruigtekruiden. In struwelen zijn vlier en doornstruiken aanwezig. Er zullen circa 7.400 stuks bosplantsoen worden aangeplant (plantafstand circa één meter bij één meter).

De boomsoorten (zomereik (Quercus robur; 25%), ruwe berk (Betula pendula; 25%), zomerlinde (Tilia platyphyllos; 25%), haagbeuk (Carpinus betulus; 20%) en es (Fraxinus excelsior; 5%)) zullen worden aangeplant in groepen van 25 stuks per soort, hoofdzakelijk met tweejarig naaktwortelig bosplantsoen in de lengte maat 60-100 centimeter. Er worden tevens struiksoorten (wegedoorn (Rhamnus cathartica; 20%), tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata; 20%), sleedoorn (Prunus spinosa; 20%), hondsroos (Rosa canina; 20%) en geoorde wilg (Salix aurita; 20%) ingebracht in groepen van vijf tot tien stuks per soort. De soorten worden handmatig individueel- en groepsgewijs gemengd geplant in verband met onderlinge concurrentie en het creëren van structuurverschillen. Daarnaast zorgt het handmatig aanplanten ook voor een meer natuurlijke uitstraling dan een machinale aanplant. Tijdens de aanplant worden ook plekken bewust niet ingeplant (zogenaamde lege plekken) waardoor er lokaal langdurig pleksgewijs lichte plekken in het bos zullen blijven. Voor wat betreft de struikvormers, die onderdeel zijn van de hierboven genoemde 8.500 stuks wordt tevens gestreefd naar afwisseling. Voor deze aanplant wordt uitgegaan van 500 stuks in circa 50 groepen. Deze struiken worden in het bos, maar vooral ook in de randen geplant, met een plantafstand in de groepen van circa één meter.

De eerste jaren na de inrichting en oplevering van het nieuwe bos, zal er ieder groeiseizoen worden gecontroleerd of er niet teveel concurrentie uitgaat van de aanwezige begroeiing. Eventuele (onkruid)bestrijding zal, vanwege de plantafstand, plaatselijk worden uitgevoerd met een bosmaaier. Na afloop van het 2e groeiseizoen zal er plantsoen worden ingeboet wanneer er grotere aaneengesloten oppervlakten van het plantsoen is uitgevallen. De reden van de uitval zal worden vastgesteld alvorens er wordt overgegaan tot inboet. Na aanplant kan het bos en de bosrand zich natuurlijk ontwikkelen, maar wordt in de bosrand, waar nodig (bij een te grote concurrentie om licht voor de lichtbehoevende struiksoorten), begeleidt door een gefaseerd afzetbeheer of het selectief dunnen van opgaande bomen. De bosrand wordt om de 5 jaar gemaaid om verruiging tegen te gaan. Door de verschillen in de opzet van het bos en groeiverschillen tussen soorten ontstaat een structuurrijk bos. Het beheer zal minimaal zijn en plaatsvinden in het kader van het verder ontwikkelen van bosranden en, waar nodig, structuurverbeterende maatregelen, zoals ringen van bomen. Beheer omliggend terrein Rondom de poel blijft een deel grasland aanwezig welke als onderdeel van het gemeentelijk maaibeheer één maal per jaar gemaaid zal worden.

Natuurontwikkeling Sprokkelboschveld Op het Sprokkelboschveld aan de T.M. Kortenhorstlaan wordt 2,88 hectare nieuwe natuur ontwikkeld (zie figuur 7). De locatie kenmerkt zich door een bijzonder reliëf met aardkundige en cultuurhistorische waarde. Het is onderdeel van een akkerrandwal en duidt mogelijk op een breuk in de ondergrond. Doordat de locatie aansluitend op het Natuurnetwerk Brabant is gesitueerd, zorgt de herinrichting voor de natuurlijke afronding in dit deel van het Natuurnetwerk. Hierdoor wordt bijgedragen aan het landschappelijke en ecologisch functioneren van de locatie en samenhang in het NNB. Tevens sluit dit gebied aan op het naast gelegen levensbomenbos. Circa 1,07 hectare wordt omgevormd naar het natuurbeheertype N12.05 Kruiden- en faunarijke akker en 0,97 hectare wordt omgevormd naar N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. In een eerder fase zijn er poelen en een wandelpad aangelegd. Deze elementen worden nu ook bestemd als natuur. Het plangebied is op dit moment al omzoomd door wandelpaden en bestaat uit struinnatuur. De wandelpaden sluiten aan op het omliggende padennetwerk. Kruiden- en faunarijke akker Het zuidelijke deel van het gebied wordt omgevormd tot een Kruiden- en faunarijke akker. Kruiden- en faunarijke akkers, bestaan meestal uit akkers met ijle kruid- of grasachtige vegetaties die zich tussen de verbouwde gewassen bevinden.

Het beheertype Kruiden- en faunarijke akker omvat kruidenrijke zomen, akkerranden of complete akkers, waarbinnen het aandeel grasachtigen zeer beperk is. Het hoofdgewas wordt ruim gezaaid of gepoot, waardoor er voldoende open plekken (pioniermilieus) aanwezig zijn, waar zich eenjarigen kunnen vestigen. De openheid van de akkergewassen en de daarbinnen voorkomende eenjarigen biedt ideale mogelijkheden voor insecten, muizen en akkervogels. Door na oogst delen braak te laten liggen biedt het ook in het winterhalfjaar kans aan veel soorten. Kruiden- en faunarijk grasland De delen ten noorden van de akker worden omgevormd naar een Kruiden- en faunarijk grasland. Dit type wordt bij een goede kwaliteit gekenmerkt door variatie in structuur (ruigte en plaatselijk struweel, hogere en lage vegetatie) en een kruidenrijke graslandbegroeiing die rijk is aan kleine fauna. Gradiënten binnen (grond)waterpeil en voedselrijkdom zorgen voor diverse vegetatietypen. Het type is onder andere van belang voor vlinders en andere insecten, vogels en kleine zoogdieren. In beginsel wordt dit grasland gerealiseerd door een verschralingsbeheer. Indien nodig wordt een bloemrijk mengsel (door de bestaande grasmat) ingezaaid. Om te verschralen wordt gestart met één keer per jaar maaien in combinatie met nabeweiding. Het eindbeheer bestaat vooral uit beweiden.

Kruiden- en faunarijke graslanden zijn vegetaties van vrij voedselrijke omstandigheden, maar de productiviteit kan sterk verschillen. De intensiteit van het beheer moet worden afgestemd op de vegetatieproductie. Doorgaans wordt met seizoensbeweiden volstaan, waarbij de dichtheid kan variëren (tot circa 1,5 GVE/ha). De graslanden worden doorgaans niet bemest. Om verzuring tegen te gaan kan, bij uitzondering, ruige stalmest of bekalking toegepast worden. Beheer omliggend terrein Rondom het terrein is een poel en een wandelpad aanwezig welke onderdeel zijn van het gemeentelijk onderhoudsbestek. De bermen worden één maal per jaar gemaaid. Centraal in de Kruiden- en Faunarijke akker is een houtwal aanwezig. Deze zal ééns per zes tot 21 jaar worden afgezet.

Figuur 7: Inrichtingsschets Sprokkelboschveld

Bijlage 2 Ontheffingsbeschikking Wet natuurbescherming

15

BESLUIT Onderwerp Op 20 mei 2020 hebben wij van de gGemeente ‘s-Hertogenbosch een aanvraag ontvangen voor een ontheffing voor het overtreden van verboden ten aanzien van beschermde soorten, dit als gevolg van het slopen van de woning en de nieuwbouw van vier woningen aan de Maliskampsestraat 53, 5248 NR te Rosmalen, in de gemeente ’s-Hertogenbosch. Besluit Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant besluiten, gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in deze ontheffing, I. aan Gemeente ’s-Hertogenbosch, Markt 1, 5211 JV te ’s-Hertogenbosch, de gevraagde ontheffing te verlenen, op grond van artikel 3.3, eerste lid, en artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, van de bepalingen als bedoeld in: • artikel 3.1, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, voor de: o huimus (Passer domesticus); • artikel 3.5, tweede en vierde lid, van de Wet natuurbescherming, voor de: o gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), voor de periode tot en met 1 maart 2022; II. dat de beschrijving van de activiteiten in de aanvraag, voor zover deze betrekking heeft op de soorten als bedoeld onder I, deel uitmaken van deze ontheffing; III.

aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die zijn opgenomen onder onderdeel ‘voorschriften’, en ook dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van de deze ontheffing: • Bijlage 1: overzichtstekening van het project • Bijlage 2: Locatie van de tijdelijke voorzieningen • Bijlage 3: meldingsformulier start werkzaamheden (zie voorschrift 1)

Rechtsmiddelen Bezwaar Als u het niet eens bent met dit besluit en u door dit besluit rechtstreeks in uw belang wordt getroffen bestaat de mogelijkheid om schriftelijk bezwaar in te dienen. De termijn van zes weken vangt aan met ingang van de dag na toezending van dit besluit. U kunt het bezwaarschrift richten aan: Het College van Gedeputeerde Staten t.a.v. het secretariaat van de Hoor- en Adviescommissie Postbus 90151 5200 MC ’s-Hertogenbosch Het bezwaar moet zijn ondertekend en moet ten minste bevatten: a. naam en adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht; d. de gronden van het bezwaar. Wij vragen u om op de linkerbovenhoek van de envelop het woord “bezwaarschrift” te vermelden. Het secretariaat van de hoor- en adviescommissie is bereikbaar op telefoonnummer (073) 6808 304 en via bezwaar@brabant.nl. ODBN, Kenmerk

29 november 2020 Z/121676

Pagina 2 van 15

Voorlopige voorziening Het indienen van een bezwaarschrift heeft geen schorsende werking. Dat betekent dat het besluit blijft gelden in de tijd dat uw bezwaarschrift in behandeling is. Als u dit niet wilt, bijvoorbeeld omdat het besluit onherstelbare gevolgen voor u heeft, dan kunt u een schriftelijk verzoek om voorlopige voorziening indienen. U kunt in dat geval de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant vragen een voorlopige voorziening te treffen. Dit kan alleen als u binnen de termijn een bezwaarschrift heeft ingediend. Voorwaarde om een dergelijke voorlopige voorziening te vragen is, dat er sprake is van een spoedeisend belang. Het adres van de rechtbank is Postbus 90125, 5200 MA 's-Hertogenbosch. Voor de behandeling van een verzoek om voorlopige voorziening moet u griffierecht betalen. Wanneer u zo'n verzoek heeft ingediend, ontvangt u bericht van de rechtbank over de betaling van het griffierecht. Beschikt u over een elektronische handtekening (DigiD), dan kunt u uw verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ook digitaal bij de Rechtbank Oost-Brabant indienen. Kijk voor de voorwaarden op http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht.

ODBN, Kenmerk

29 november 2020 Z/121676

Pagina 3 van 15

INHOUDSOPGAVE Besluit ....................................................................................................................................................... 2 Voorschriften............................................................................................................................................ 5 Procedurele overwegingen ...................................................................................................................... 7 Inhoudelijke overwegingen ...................................................................................................................... 8 1. Wettelijk kader - Wet natuurbescherming ................................................................................................. 8 1.1 Beschermingsregimes ............................................................................................................................. 8 1.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant...................................................................................... 8 2. Toetsing effecten ruimtelijke ingreep ......................................................................................................... 9 2.1 Aangevraagde activiteiten ......................................................................................................................

9 2.2 Onderzoek soorten .................................................................................................................................. 9 2.3 Mogelijke effecten op beschermde soorten ............................................................................................ 9 2.4 Alternatievenafweging ........................................................................................................................... 9 2.5 Belang van de aanvraag ....................................................................................................................... 10 2.6 Mitigerende maatregelen en staat van instandhouding ...................................................................... 10 3. Conclusie ................................................................................................................................................... 12

Bijlage 1. Overzichtstekening van de planlocatie ................................................................................... 13 Bijlage 2. Locatie van de mitigerende maatregelen ............................................................................... 14 Bijlage 3. Meldingsformulier start handelingen beschermde soorten .................................................. 15

ODBN, Kenmerk

29 november 2020 Z/121676

Pagina 4 van 15

VOORSCHRIFTEN Algemene voorschriften 1. De ontheffinghouder dient, zodra de datum waarop de werkzaamheden aanvangen bekend is, doch uiterlijk 2 weken voor aanvang van de activiteiten, het bijgevoegde meldingsformulier volledig in te vullen en naar ons op te sturen. 2. De ontheffinghouder dient onmiddellijk contact met ons op te nemen via info@odbn.nl indien bij het uitvoeren van de activiteiten andere beschermde soorten dan de genoemde worden aangetroffen, of andere handelingen als bedoeld in onderdeel I en II van het besluit noodzakelijk zijn. 3. Deze ontheffing kan uitsluitend gebruikt worden door (medewerkers van) de ontheffinghouder of haar rechtsopvolgers of in opdracht van de ontheffinghouder handelende (rechts-)personen. De ontheffinghouder of haar rechtsopvolgers blijven daarbij verantwoordelijk en aansprakelijk voor de juiste naleving van de aan deze ontheffing verbonden voorschriften. 4. De in voorschrift 3 genoemde (rechts-)personen dienen op de hoogte te zijn van de inhoud en het doel van deze ontheffing en de daaraan verbonden voorschriften, zodanig dat zij daar ook invulling en uitvoering aan kunnen geven. 5. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient een (digitaal) afschrift van deze ontheffing op de locatie van de werkzaamheden aanwezig te zijn en op eerste verzoek te worden getoond aan de daartoe bevoegde toezichthouder of opsporingsambtenaar. 6.

De ontheffinghouder dient, met inachtneming van de hier genoemde voorschriften, de mitigerende maatregelen uit te voeren zoals beschreven in de aanvraag, (hoofdstuk 6) en de aanvullende gegevens van 29 oktober 2020. 7. De activiteiten en hier genoemde voorschriften dienen te worden uitgevoerd onder begeleiding van een ecologisch deskundige1 op het gebied van de soorten waarvoor ontheffing is verleend.

Specifieke voorschriften 8. Alle handelingen en bevindingen dienen door de ecoloog te worden bijgehouden in een logboek. Ook dienen er duidelijke foto’s van de werkzaamheden en de geplaatste voorzieningen te worden opgenomen in het logboek. Dit logboek dient op verzoek van een toezichthouder direct te worden overhandigd. 9. De ontheffinghouder dient een ecologisch werkprotocol op te stellen op basis van de aanvraag en de hier genoemde voorschriften. Alle betrokken partijen, met name ook de uitvoerenden op de initiatieflocatie, dienen, voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden, van de inhoud van het werkprotocol op de hoogte gesteld te worden en dienen dit aantoonbaar na te leven. In dit ecologisch werkprotocol dienen ook de naam en het telefoonnummer van de ecologische deskundige, betrokken bij het project, te worden toegevoegd. 10. Dit ecologisch werkprotocol dient ter informatie aan ons te worden toegezonden uiterlijk twee weken voor aanvang van de werkzaamheden, via info@odbn.nl, onder vermelding van het zaaknummer. 11. De adressen van de woningen waar de tijdelijke mitigatie voor de huismus aan wordt opgehangen, dienen te worden opgenomen in het ecologisch werkprotocol. Er dient ook te

1

Zie toelichting op: https://www.brabant.nl/applicaties/producten/wet natuurbescherming ontheffing beschermde soorten 16411

ODBN, Kenmerk

29 november 2020 Z/121676

Pagina 5 van 15

worden vermeld wanneer deze voorzieningen zijn geplaatst. De mitigatie dient te voldoen aan de gestelde eisen van het kennisdocument huismus (BIJ12, 2017). 12. De permanente mitigatie voor de gewone dwergvleermuis dient verdeeld te worden over de windrichtingen oost, west en zuid, waarbij er twee kasten in zuidelijke gevels geplaatst dienen te worden. Dit voorschrift is opgenomen om te waarborgen dat de kasten verschillende microklimaten bevatten, waardoor de kans op acceptatie groter is. 13. De tijdelijke voorzieningen dienen in stand te blijven totdat de permanente voorzieningen zijn gerealiseerd en beschikbaar zijn, waarbij rekening dient te worden gehouden met de gewenningsperiode. Daarnaast mogen de tijdelijke voorzieningen pas verwijderd worden op het moment dat deze niet in gebruik zijn door beschermde soorten, dit buiten de meest kwetsbare periodes en de winterperiode. De tijdelijke voorzieningen mogen enkel verwijderd worden onder begeleiding van een ecologisch deskundige. 14. De te slopen woning dienen ten minste 3 dagen voorafgaand aan de werkzaamheden, bij een avondtemperatuur van minimaal 10°C, ongeschikt gemaakt te worden. Dit dient te gebeuren in het actieve seizoen van vleermuizen, globaal lopend van 1 april tot 1 november, en buiten de kwetsbare periodes (zie hiervoor het betreffende kennisdocument van BIJ12).

Hierbij dient ook rekening gehouden te worden met het broedseizoen van de huismus. Een deskundige dient het geschikte moment van te bepalen. Na het ongeschikt maken dient na tenminste 3 dagen een controle uitgevoerd te worden of de vleermuizen daadwerkelijk vertrokken zijn en er geen huismussen meer aanwezig zijn. Gestart kan pas worden na de expliciete toestemming van de ecoloog. De controleronde dient te worden uitgevoerd onder de weerscondities zoals gesteld worden in het vleermuisprotocol 2017 en kennisdocument van de huismus (BIJ12).

ODBN, Kenmerk

29 november 2020 Z/121676

Pagina 6 van 15

PROCEDURELE OVERWEGINGEN Aanvraag Op 20 mei 2020 hebben wij van de Gemeente ’s-Hertogenbosch een aanvraag om een ontheffing krachtens artikel 3.3, eerste lid en artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) ontvangen voor het slopen van de woning en de nieuwebouw van vier woningen aan de Maliskampsestraat 53, 5248 NR te Rosmalen, in de gemeente ’s-Hertogenbosch. De aanvraag is op 29 oktober 2020 aangevuld. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag en het activiteitenplan. De aanvraag is geregistreerd onder nummer Z/121676. Gedragscode Er wordt geen gebruik gemaakt van een gedragscode. Bevoegd gezag Omdat de activiteit wordt verricht in de provincie Noord-Brabant zijn Gedeputeerde Staten (verder: GS) op grond van artikel 1.3 van de Wnb bevoegd om op de aanvraag te beslissen. Als dit aan de orde is betrekken wij tevens de gevolgen van de activiteit voor de soorten buiten onze provinciegrens bij ons besluit. Reguliere voorbereidingsprocedure In deze procedure wordt de reguliere voorbereidingsprocedure overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht toegepast. Ontvankelijkheid Voor de aspecten van de aanvraag waarvoor een ontheffing vanuit de Wnb is vereist hebben wij beoordeeld of de aanvraag volledig is en voldoende gegevens bevat.

Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van die aspecten waarvoor een ontheffing is gevraagd. Overige regelgeving Bij de beoordeling van deze aanvraag zijn andere aspecten dan gerelateerd aan soortenbescherming op grond van de Wnb en de daarbij behorende regelgeving niet betrokken. Een toestemming op basis van andere wet- en regelgeving kan daarom aan de orde zijn, onder andere voor ruimtelijke ordening of bouwen.

ODBN, Kenmerk

29 november 2020 Z/121676

Pagina 7 van 15

INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN

1. Wettelijk kader - Wet natuurbescherming

1.1 Beschermingsregimes Op basis van de Wet natuurbescherming zijn er drie beschermingsregimes. Het eerste regime geldt voor vogels op grond van de Vogelrichtlijn. Artikelen 3.1, 3.2 en 3.4 van de Wnb hebben betrekking op verschillende verbodsbepalingen voor vogelsoorten, waarvoor GS ontheffing kunnen verlenen. Artikelen 3.3 en 3.4 geven de voorwaarden voor het kunnen verlenen van de ontheffing. Het tweede beschermingsregime geldt voor planten en dieren op basis van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn. Artikelen 3.5 en 3.6 van de Wnb hebben betrekking op verschillende verbodsbepalingen voor deze plant- en diersoorten, waarvoor GS ontheffing kunnen verlenen. De artikelen 3.8 en 3.9 geven de voorwaarden voor het kunnen verlenen van een ontheffing. Het derde regime beschrijft de bepalingen voor andere (nationaal beschermde) soorten. Artikel 3.10 van de Wnb heeft betrekking op verschillende verbodsbepalingen voor deze plant- en diersoorten en geeft de voorwaarden waaronder GS ontheffing kunnen verlenen. Voor alle soorten geldt in alle gevallen de algemene zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb). Het gaat dan zowel om beschermd als onbeschermde dier- en plantensoorten. De zorgplicht geldt ongeacht of er een vrijstelling geldt of een ontheffing is verleend.

Hierin wordt bepaald dat eenieder zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, schade aan deze soorten dient te voorkomen. In artikel 5.4 van de Wnb zijn gronden opgenomen waarop een verleende ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd. De ontheffing kan in elk geval worden ingetrokken als blijkt dat de ontheffinghouder zich niet houdt aan de voorschriften. 1.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten hebben ten aanzien van soortbescherming aanvullende kaders vastgesteld. Deze zijn neergelegd in paragraaf 2.6.1 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Voor bepaalde soorten en handelingen zijn vrijstellingen opgenomen.

ODBN, Kenmerk

29 november 2020 Z/121676

Pagina 8 van 15

2. Toetsing effecten ruimtelijke ingreep

2.1 Aangevraagde activiteiten De aangevraagde activiteiten betreffen: - slopen van de bestaande woning; - verwijderen aanwezige beplanting; - bouwrijp maken van het perceel; - realiseren van vier nieuwbouwwoningen; - herontwikkelen van de buitenruimte. Een uitgebreide omschrijving van de activiteiten is opgenomen in de aanvraag. 2.2 Onderzoek soorten Op 24 mei 2019 heeft er een quickscan naar beschermde soorten plaatsgevonden. Hieruit bleek dat het plangebied in potentie geschikt is voor de huismus, gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen. Het nader onderzoek naar huismus en gierzwaluw is uitgevoerd in 2019 op basis van de betrekkende kennisdocumenten (BIJ12, 2017). Het onderzoek naar vleermuizen is wat betreft de gewone dwergvleermuis en overige gebouwbewonende vleermuizen niet geheel conform vleermuisprotocol 2017 uitgevoerd. Het tweede onderzoek naar paarverblijfplaatsen is te vroeg gestart, waardoor de totale duur van het onderzoek slechts 45 minuten conform protocol is uitgevoerd in plaats van 2 uur. De afwijking van het protocol leidt er niet toe dat paarverblijfplaatsen zijn gemist, omdat er tijdens het eerste veldbezoek al een zwermend baltsend mannetje is waargenomen. Tijdens dit bezoek is de exacte locatie niet ontdekt en daardoor is er tijdens het tweede onderzoeksmoment eerder gestart om de gewone dwergvleermuis mogelijk te zien uitvliegen.

Tijdens dit bezoek bleek het individu vanaf het begin al sociaal roepend aanwezig te zijn rondom de woning, waardoor tijdens het tweede bezoek, dat korter heeft geduurd, wel een verblijfplaats vastgesteld is. Er is geen massawinteronderzoek uitgevoerd voor de gewone dwergvleermuis, omdat de woning niet geschikt is. 2.3 Mogelijke effecten op beschermde soorten In het plangebied zijn 4 huismusnesten aanwezig onder het dak van de woning. Daarnaast gebruiken de huismussen de beplanting naast het projectgebied. Dit is essentieel onderdeel van het leefgebied van de huismussen. In het plangebied is ook een paarverblijf van de gewone dwergvleermuis aanwezig. De locatie is onbekend, maar het paarverblijf bevindt zich in de woning. De aanvrager geeft aan dat door het uitvoeren van de activiteiten: • vier nesten van de huismus; en • één paarverblijf van de gewone dwergvleermuis, worden beschadigd of vernield en of vleermuizen worden verstoord. Dit is een overtreding van de bepaling(en) zoals bedoeld in artikel 3.1 tweede lid en artikel 3.5 tweede en vierde lid van de Wnb. 2.4 Alternatievenafweging Het project is locatie gebonden. Nieuwbouw kan elders gerealiseerd worden maar het pand is in ernstig verouderde staat waardoor grootschalige renovatie of sloop genoodzaakt is. Door de woningbouwopgave (Nota Wonen 2012 en Woonagenda 2017/2018) is besloten het pand te slopen en ODBN, Kenmerk

29 november 2020 Z/121676

Pagina 9 van 15

vier nieuwe woningen te realiseren. Wat betreft de planning worden de werkzaamheden gestart in de minst kritische periode van de aanwezige (beschermde) soorten. Met de inrichting van de werkzaamheden wordt rekening gehouden met de aanwezig diersoorten. Wat betreft de gewone dwergvleermuis zou het beter zijn om de spouwmuren weer geschikt te maken als verblijfplaats. Dit is echter niet mogelijk. De nieuwe woningen die worden gebouwd worden zeer goed geïsoleerd volgens de geldende eisen uit het Bouwbesluit (2012). Dit houdt in dat de gehele muren worden gevuld met isolatiemateriaal. Het niet isoleren van de spouwmuren is niet toegestaan, omdat dan niet meer wordt voldaan aan de eisen van het bouwbesluit. Doordat het isolatie materiaal de gehele spouw vult blijft er geen ruimte over voor vleermuizen. Daarom is gekozen voor inmetselkasten, omdat deze in de spouwmuur zelf worden aangebracht en daarom het klimaat vergelijkbaar is met die van een spouwmuur. De inbouwkasten zijn daarnaast gemaakt van Woodstone Multiplex. Dit heeft vergelijkbare structuur als de bakstenen in een spouwmuur. Een aanvullende reden dat inmetselkasten worden toegepast, is dat deze (grotendeels) voorkomen dat er een koudebrug ontstaat tussen binnen- en buitenmuur. Dit is wel het geval bij het deels weglaten van isolatiemateriaal, indien de spouw zelf geschikt zou worden gemaakt voor vleermuizen.

Het plangebied wordt ook ingericht met veel groen, zodat er veel foerageermogelijkheden aanwezig zijn voor de huismus en vleermuizen. De werkwijze wordt zo uitgevoerd dat er zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de beschermde soorten. Er is geen werkwijze mogelijk die meer rekening houdt met de soorten. Gezien het bovenstaande is ons gebleken dat er geen redelijke alternatieven mogelijk zijn, die zouden leiden tot een kwalitatief gelijkwaardig resultaat. De alternatievenafweging is hiermee dan ook voldoende onderbouwd. 2.5 Belang van de aanvraag De ontheffing is gevraagd op grond van de belangen ‘de volksgezondheid of openbare veiligheid’ en ‘de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’ zoals genoemd in artikel 3.3, vierde lid, onder b en 3.8, vijfde lid, onder b van de Wnb. Het aanwezige pand is verouderd en vervallen. In de huidige staat wordt deze woning op termijn onbewoonbaar. De woning is gebouwd in 1966 en slecht geïsoleerd. Slecht geïsoleerde woningen kunnen leiden tot gezondheidsklachten, doordat deze woningen vaak vochtig worden.

Mensen die in een (te) vochtige woning wonen hebben een verhoogd risico op het ontstaan van astma, verergering van astma, luchtwegklachten en luchtweginfecties (RIVM, 2012). Om de gezond- en veiligheid voor (toekomstige) bewoners te waarborgen dient hier óf groot onderhoud te worden uitgevoerd óf nieuwbouw te realiseren. Bij beide opties worden de nesten en verblijfplaatsen van de huismus en gewone dwergvleermuis verwijdert. Het pand ongemoeid laten is geen optie omdat dit dan op den duur gekraakt wordt terwijl dit pand onbewoonbaar en onveilig is. Gelet op de naar voren gebrachte omstandigheden zijn wij van oordeel dat de belangen voldoende onderbouwd zijn om de ontheffing te kunnen verlenen. 2.6 Mitigerende maatregelen en staat van instandhouding In het activiteitenplan (hoofdstuk 6) en de aanvullende gegevens van 29 oktober 2020 is beschreven welke maatregelen worden genomen om de effecten voor de gewone dwergvleermuis en huismus zoveel mogelijk te voorkomen. ODBN, Kenmerk

29 november 2020 Z/121676

Pagina 10 van 15

In grote lijnen gaat het om de volgende maatregelen voor de gewone dwergvleermuis: • Op 24 maart 2020 zijn er vier vleermuiskasten opgehangen van het type VK Ws 01 van Vivaro Pro. Deze kasten zijn aan bomen gehangen. In deze situatie is het toegestaan om de kasten aan bomen te plaatsen, omdat er geen andere alternatieven mogelijk zijn. De locaties hiervan staan weergegeven in bijlage 2; • Als permanente mitigatie worden vier inbouwstenen van het type VL-01 of VL-04 van Vivaro Pro in de vier nieuwbouwwoningen geplaatst. Deze dienen zoveel mogelijk zongericht georiënteerd te zijn; • 2-3 dagen voor de werkzaamheden wordt de woning ongeschikt gemaakt door de dakpannen en het houtwerk voorzichtig te verwijderen. Daarnaast wordt de spouwmuur aan de buitenkant opengemaakt, zodat er tocht ontstaat. In grote lijnen gaat het om de volgende maatregelen voor de huismus: • Als tijdelijke mitigatie worden er 8 kasten van het type HMP1 van Faunaprojecten opgehangen aan woningen ten noorden van het plangebied. De kasten worden op maximaal 200 meter van het plangebied geplaats. Er worden maximaal 2 kasten per woning geplaatst. Ze worden ten minste 50 cm uit elkaar geplaatst en minimaal 3 meter hoog. De gevels waaraan de huismuskasten worden opgehangen zijn georiënteerd naar het noorden of oosten en zijn niet grote delen van de dag door de zon beschenen.

De kasten worden in november/december 2020 opgehangen; • Als permanten mitigatie worden 8 inbouwstenen van het type HMP2 van Faunaprojecten geplaatst in de nieuwbouw. Er worden twee stenen per woning geplaatst op de oostelijke of noordelijke gevels. De stenen worden onder de dakrand of zo dicht mogelijk onder de dakrand geplaatst op minimaal drie meter hoogte. • Buiten het broedseizoen van de huismus wordt de woning ongeschikt gemaakt voor de huismus door de dakpannen en het houtwerk voorzichtig te verwijderen. • Langs de woningen worden groenstructuren aangelegd. De groenstructuren rondom de woningen komen in beheer van de gemeente; De voorgestelde maatregelen zijn in grote lijnen voldoende. Wij nemen in aanvulling op deze maatregelen extra voorschriften op. Het betreft de volgende aanvullende mitigerende maatregelen: • De adressen van de woningen waar de tijdelijke mitigatie voor de huismus aan wordt opgehangen, dienen te worden opgenomen in het ecologisch werkprotocol. Er dient ook te worden vermeld wanneer deze voorzieningen zijn geplaatst. De mitigatie dient te voldoen aan de gestelde eisen van het kennisdocument huismus (BIJ12, 2017). • De permanente mitigatie voor de gewone dwergvleermuis dient verdeeld te worden over de windrichtingen oost, west en zuid, waarbij er twee kasten in zuidelijke gevels geplaatst dienen te worden.

Dit voorschrift is opgenomen om te waarborgen dat de kasten verschillende microklimaten bevatten, waardoor de kans op acceptatie groter is. • De tijdelijke voorzieningen dienen in stand te blijven totdat de permanente voorzieningen zijn gerealiseerd en beschikbaar zijn, waarbij rekening dient te worden gehouden met de gewenningsperiode. Daarnaast mogen de tijdelijke voorzieningen pas verwijderd worden op het moment dat deze niet in gebruik zijn door beschermde soorten, dit buiten de meest kwetsbare periodes en de winterperiode. De tijdelijke voorzieningen mogen enkel verwijderd worden onder begeleiding van een ecologisch deskundige. • De te slopen woning dienen ten minste 3 dagen voorafgaand aan de werkzaamheden, bij een avondtemperatuur van minimaal 10°C, ongeschikt gemaakt te worden. Dit dient te gebeuren in het actieve seizoen van vleermuizen, globaal lopend van 1 april tot 1 november, en buiten de kwetsbare periodes (zie hiervoor het betreffende kennisdocument van BIJ12). Hierbij dient ook rekening gehouden te worden met het broedseizoen van de huismus. Een deskundige dient het geschikte moment van te ODBN, Kenmerk

29 november 2020 Z/121676

Pagina 11 van 15

bepalen. Na het ongeschikt maken dient na tenminste 3 dagen een controle uitgevoerd te worden of de vleermuizen daadwerkelijk vertrokken zijn en er geen huismussen meer aanwezig zijn. Gestart kan pas worden na de expliciete toestemming van de ecoloog. De controleronde dient te worden uitgevoerd onder de weerscondities zoals gesteld worden in het vleermuisprotocol 2017 en kennisdocument van de huismus (BIJ12). Door het nemen van mitigerende maatregelen en de inrichting van het gebied na afloop van de werkzaamheden komt de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis en de huismus niet in het geding door het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden.

3. Conclusie Gelet op het voorgaande verlenen wij gevraagde ontheffing. De ontheffing wordt slechts voor de in het besluit genoemde soorten en beschreven activiteiten verleend. Deze ontheffing geldt alleen voor de activiteiten die conform de aanvraag worden uitgevoerd, voor zover in deze ontheffing zelf niet anders is aangegeven. Aan deze ontheffing zijn voorschriften verbonden.

ODBN, Kenmerk

29 november 2020 Z/121676

Pagina 12 van 15

BIJLAGE 1. OVERZICHTSTEKENING VAN DE PLANLOCATIE

Figuur 1. Locatie Maliskampsestraat 53 te Rosmalen. De activiteiten vinden plaats binnen het omcirkelde gebied.

ODBN, Kenmerk

29 november 2020 Z/121676

Pagina 13 van 15

BIJLAGE 2. LOCATIE VAN DE TIJDELIJKE VOORZIENINGEN

Figuur 2. Locatie van de tijdelijke voorzieningen voor de gewone dwergvleermuis.

ODBN, Kenmerk

29 november 2020 Z/121676

Pagina 14 van 15

KENNISGEVING WET NATUURBESCHERMING, Gemeente ‘s-Hertogenbosch, Maliskampsestraat 53, 5248 NR te Rosmalen, Z/121676 Beschikking Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant maken bekend dat zij op 29 november 2020 een ontheffing ingevolge artikel 3.3, eerste lid, en artikel 3.8, eerste lid van de Wet natuurbescherming hebben verleend (kenmerk: Z/121676) aan Gemeente ’s-Hertogenbosch, Markt 1, 5211 JV te ‘sHertogenbosch voor de sloop van de woning en het realiseren van vier nieuwe woningen, voor de locatie Maliskampsestraat 53, 5248 NR te Rosmalen in de gemeente ‘s-Hertogenbosch. De ontheffing is geldig voor de periode tot en met 1 maart 2022. De aanvraag, het besluit en de bijbehorende stukken liggen vanaf 30 november 2020 tot en met 11 januari 2021 6 weken ter inzage bij de Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN), telefoonnummer (088) 749 0000. Voor inzage in de bijbehorende stukken dient een afspraak gemaakt te worden. Het besluit is digitaal op te vragen via e-mail info@odbn.nl of te vinden op de website www.brabant.nl/loket/vergunningen-meldingen-en-ontheffingen. Bezwaar Belanghebbenden kunnen tot en met 11 januari 2021 ten aanzien van deze beschikking schriftelijk bezwaar in dienen.

Het bezwaarschrift moet zijn voorzien van een handtekening, de naam en adres van de indiener, de dagtekening, ons kenmerk van het besluit, een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is en de gronden van het bezwaar. Het bezwaarschrift moet worden gericht aan het college van Gedeputeerde Staten van NoordBrabant, t.a.v. het secretariaat van de Hoor- en adviescommissie, Postbus 90151, 5200 MC ’s-Hertogenbosch. Wij verzoeken u om op de linkerbovenhoek van de envelop het woord ‘bezwaarschrift’ te vermelden. Het secretariaat van de Hoor- en adviescommissie is bereikbaar op telefoonnummer (073) 680 83 04, faxnummer (073) 680 76 16 en e-mailadres bezwaar@brabant.nl. Wij wijzen u erop, dat het op dit moment nog niet mogelijk is om bezwaarschriften per e-mail in te dienen, omdat dan de wettelijk voorgeschreven handtekening op het bezwaarschrift ontbreekt. Bovenstaand besluit treedt in werking, ook al wordt een bezwaarschrift ingediend. Het is daarom mogelijk om gelijktijdig met of na het indienen van een bezwaarschrift een ‘voorlopige voorziening’ te vragen bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant, Postbus 90125, 5200 MA 'sHertogenbosch. Een voorlopige voorziening is het nemen van een tijdelijke maatregel, bijvoorbeeld het schorsen van het besluit gedurende de tijd die nodig is om het bezwaar te behandelen.

Voorwaarde om een dergelijke voorlopige voorziening te kunnen vragen is dat er sprake is van een spoedeisend belang. Voor het vragen van een voorlopige voorziening is griffierecht verschuldigd. De Rechtbank OostBrabant is bereikbaar op telefoonnummer (073) 620 2020. Aan deze procedure is het kenmerk Z/121676 gekoppeld. Wij verzoeken u bij correspondentie dit kenmerk te vermelden. 's-Hertogenbosch, november 2020

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12940940/1