CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Vaststelling bestemmingsplan Van Rijckevorselweg

Gemeenteraad 28 maart 2023, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 429.798 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Gemeente ‘s-Hertogenbosch Bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ Vaststelling

Maart 2023

Gemeente ‘s-Hertogenbosch Bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ Vaststelling

Inhoud: - Toelichting - Regels - Verbeelding

werknummer: 622.139.80 datum: december 2022 bestand: J:\622\139\80\3.Projectresultaat\ Procedureoverzicht Fase

Datum

Ontwerp

December 2022

Vaststelling

Maart 2023

Onherroepelijk

KuiperCompagnons BV Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Architectuur, Landschap Rotterdam

Gemeente ‘s-Hertogenbosch Bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ Toelichting

Maart 2023

Inhoudsopgave van de toelichting

1

Inleiding

1

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Aanleiding en doel van het plan Bij het plan behorende stukken Ligging en begrenzing plangebied Voorgaand bestemmingsplan Leeswijzer

1 1 1 2 3

2

Planbeschrijving

4

2.1

Gewenste ontwikkeling 2.1.1 Huidige situatie 2.1.2 Toekomstige situatie 2.2 Juridische aspecten 2.2.1 Inleiding 2.2.2 Bestemmingsmethodiek 2.2.3 Regels 2.2.4 Geometrische plaatsbepaling / verbeelding

4 4 4 6 6 7 7 8

3

Beleidskader

9

3.1

3.4

Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ 3.2.2 Logistieke Agenda provincie Brabant 2.0 (2013) 3.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Buitengebied Maasdonk 3.3.2 Bomenbeleidsplan 3.3.3 Visie Bomen, Water en Groen 's Hertogenbosch 2021 3.3.4 Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021 3.3.5 Landschapsinvesteringsregeling (LIR) Conclusie

9 9 9 10 10 11 11 13 13 15 15 16 17 17

4

Natuur en landschap

18

4.1

Kader 4.1.1 Soorten 4.1.2 Natura 2000 4.1.1 Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden Onderzoek 4.2.1 Soortenbescherming 4.2.2 Gebiedsbescherming Conclusie

18 18 19 19 20 20 21 21

3.2

3.3

4.2

4.3

5

Water

22

5.1

5.2 5.3

Kader 5.1.1 Europees en Rijksbeleid 5.1.2 Beleid waterbeheerder 5.1.3 Beleid gemeente Onderzoek Conclusie

22 22 23 24 26 28

6

Archeologie en cultuurhistorie

29

6.1 6.2 6.3

Kader Onderzoek Conclusie

29 29 29

7

Milieu

30

7.1 7.2 7.3

Algemeen M.e.r.-beoordeling Mobiliteit 7.3.1 Ontsluiting en verkeersgeneratie 7.3.2 Parkeren 7.4 Bodemkwaliteit 7.4.1 Kader 7.4.2 Onderzoek en conclusie 7.5 Geluid 7.5.1 Kader 7.5.2 Onderzoek en conclusie 7.6 Luchtkwaliteit 7.6.1 Kader 7.6.2 Onderzoek 7.6.3 Conclusie 7.7 Milieuzonering 7.7.1 Kader 7.7.2 Onderzoek 7.7.3 Conclusie 7.8 Externe veiligheid 7.8.1 Kader 7.8.2 Onderzoek 7.8.3 Conclusie 7.9 Geurhinder 7.10 Duurzaamheid 7.10.1 Kader 7.10.2 Afweging en conclusie 7.11 Gezondheid 7.11.1 Kader 7.11.2 Afweging en conclusie

30 30 30 30 31 32 32 32 33 33 33 34 34 35 37 37 37 37 38 38 38 38 39 40 40 40 44 44 44 45

8

Uitvoerbaarheid

46

8.1

Economische uitvoerbaarheid

46

8.2 8.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Handhavingsaspecten

46 46

9

Procedure

47

9.1 9.2 9.3

Voorbereidingsfase Ontwerpfase Vaststellingsfase

47 47 47

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1:

Berekening landschapsinvesteringsregeling, 25 augustus 2022

Bijlage 2:

Natuurtoets, Antea Group, 5 december 2022

Bijlage 3:

Nader onderzoek natuur, Antea Group, 9 februari 2023

Bijlage 4:

Stikstofberekening, Antea Group, 14 februari 2023

Bijlage 5:

Quickscan Archeologie, Antea Group, 25 augustus 2022

Bijlage 6:

EV beschouwing, Antea Group, 5 december 2022

Bijlage 7:

Watertoets, Antea Group, 10 februari 2023

Bijlage 8:

Historisch bodemonderzoek, Antea Group, 14 oktober 2022

Bijlage 9:

Onderzoek luchtkwaliteit Heesch West, KuiperCompagnons, 30 april 2021

Bijlage 10: Nota zienswijzen

1

1

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel van het plan De gemeenschappelijke regeling (GR) Heesch West wenst een nieuw bestemmingsplan op te stellen voor een perceel aan de Van Rijckevorselweg 4 te Vinkel. Op het perceel was tot voor kort een intensieve veehouderij gevestigd. Het perceel is door de GR aangekocht ten behoeve van stikstofruimte voor het bedrijventerrein Heesch West. De bedrijfsactiviteiten op de locatie worden beëindigd en de bestaande bedrijfsbebouwing zal worden gesloopt. Het bedrijf Gloudemans Transporten Vinkel BV, een veetransportbedrijf met wasplaats, zal zich op het vrijkomende perceel vestigen. Om het plan te kunnen realiseren is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. Het voorliggende bestemmingsplan vormt een nieuw planologisch kader voor de ontwikkeling.

1.2

Bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ bestaat uit bestemmingen en regels. De bestemming van de gronden is geometrisch bepaald1 door middel van lijnen, coderingen en arceringen. In de bestemmingen zijn regels ten aanzien van het bouwen en het gebruik opgenomen. Het plan gaat vergezeld van deze toelichting. In de toelichting worden de keuzes die zijn gemaakt bij het opstellen van de geometrische plaatsbepaling en de regels verantwoord en verduidelijkt. Vervolgens wordt hierin de uitvoerbaarheid van het plan aangetoond.

1.3

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de Van Rijckevorselweg 4 in Vinkel, ten zuiden van de afrit 51 Nuland (Rijksweg A59). De Van Rijckevorselweg is de doorgaande weg tussen de kernen Nuland en Vinkel. Het plangebied grenst aan de noordoostzijde aan de Van Rijckevorselweg, verder wordt het plangebied omsloten door agrarische percelen. De exacte ligging van het plangebied is weergegeven op de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding. De globale ligging van het plangebied is op afbeelding 1.1 weergegeven.

1

Geografische coördinaten volgens het Rijksdriehoekstelsel bepalen de ligging van een bestemming. Met gebruikmaking van de coördinaten kan exact de plaats van een object in een gebied worden bepaald.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

2

Afbeelding 1.1: Globale ligging plangebied

1.4

Voorgaand bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied vigeert, totdat het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied Maasdonk 2012’ dat op 31 januari 2013 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Maasdonk is vastgesteld. Op grond van het vigerende bestemmingsplan kent het plangebied de enkelbestemmingen ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’, zie afbeelding 1.2. Hierbinnen is voor het plangebied de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ opgenomen. Daarnaast geldt de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’.

Afbeelding 1.2: uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (het plangebied is rood omkaderd)

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

3

Strijdigheid met het bestemmingsplan De gewenste ontwikkeling is niet passend binnen het voorgenoemde bestemmingsplan. Binnen de huidige agrarische bestemming is het voorziene bedrijf niet toegestaan. Om de ontwikkeling toch mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. 1.5

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van de beoogde ontwikkeling gegeven en wordt ingegaan op de bestaande situatie. Ook wordt de wijze van bestemmen nader toegelicht. Vervolgens wordt de beoogde ontwikkeling in hoofdstuk 3 getoetst aan het beleid van het Rijk, provincie en de gemeente Lansingerland. In de hoofdstukken 4, 5 en 6 wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten ‘Natuur en landschap’, ‘Water’ en ‘Archeologie en cultuurhistorie’. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op diverse sectorale milieuaspecten. In hoofdstuk 8 wordt ingegaan op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan. In hoofdstuk 9 wordt tot slot de bestemmingsplanprocedure beschreven.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

4

2

Planbeschrijving

2.1

Gewenste ontwikkeling

2.1.1 Huidige situatie Op het perceel was tot voor kort een intensieve veehouderij gevestigd. Het perceel is door de GR aangekocht ten behoeve van stikstofruimte voor het bedrijventerrein Heesch West. De bedrijfsactiviteiten op de locatie worden beëindigd en de bestaande bedrijfsbebouwing zal worden gesloopt.

Afbeelding 2.1: Impressie bestaande situatie

2.1.2 Toekomstige situatie Het bedrijf Gloudemans Transporten Vinkel BV, een veetransportbedrijf met wasplaats, zal zich op het vrijkomende perceel vestigen. Het betreft een agrarisch technisch hulpbedrijf. Dit bedrijf is nu gevestigd binnen het plangebied voor het bestemmingsplan Heesch West maar moet hier weg vanwege de nieuwe bedrijvigheid op deze locatie. Op het perceel zal een bedrijfshal worden gebouwd met daarin een wasplaats voor vrachtwagens en een kantoorruimte. Er zal géén sprake zijn van dieren op de locatie. Uitgangspunten inrichting perceel Voor wat betreft maatvoering en afmetingen is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan, waarbij het agrarisch bouwvlak wordt verwijderd en tevens rekening wordt gehouden met de landschappelijke inpassing van de bebouwing. De ontwikkeling gaat uit van: • 5.000 m2 bouwvlak met de bestemming ‘Bedrijf’. Hierin dienen de woning, het bedrijfsgebouw en het bijgebouw te zijn gelegen. • Totaal maximaal 1.000 m2 bebouwing (bedrijfsbebouwing, bijgebouw en woning). • Voor de bedrijfsbebouwing geldt een nokhoogte 11 meter, een goothoogte 6,6 meter en deze dient 5 meter uit de perceelgrens te liggen. De plaatsing daarvan dient aan de noordzijde van het kavel plaats te vinden, zodat de bedrijfsactiviteiten beperkt blijven tot

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

5

•

•

•

•

het midden en zuidelijke deel van het perceel. Deze positionering draagt bij aan het voorkomen van mogelijke hinder ten opzichte van nummer 2. Met de vormgeving van het gebouw (lang en diep) wordt aansluiting gezocht bij de bestaande (agrarische) bebouwing in de omgeving. Door zowel de positionering als vormgeving van het gebouw blijft een zo groot mogelijk deel van het perceel beschikbaar voor het manoeuvreren en parkeren van de vrachtwagens. Voor de bedrijfswoning geldt dat deze maximaal 750 m3 mag bedragen en hiervoor geldt tevens een nokhoogte van 11 meter en een goothoogte van 6,6 meter. Bijgebouwen zijn toegestaan tot een gezamenlijk oppervlak van maximaal 100 m2 en met een nokhoogte van 6,6 meter en een goothoogte van 3,3 meter. parkeerplaatsen dienen in voldoende mate op eigen terrein te worden gesitueerd. De auto- en fietsparkeerplaatsen voor werknemers en bezoekers bij voorkeur achter de boomgaard en voor de bedrijfsbebouwing. De benodigde 2 parkeerplaatsen voor de bedrijfswoning dienen bereikbaar te zijn via dezelfde inrit met een oriëntatie op de bedrijfswoning De veetransportwagens kunnen zowel in de loods als op het achterterrein worden geparkeerd.

Landschappelijke inpassing Op basis van bestaand beleid (zie hoofdstuk 3) en het voornemen het bedrijf te verplaatsen naar de Van Rijckevorselweg 4, is een voorstel gemaakt waarin zowel de landschappelijke inpassing en de situering en vormgeving van de nieuwe bebouwing is meegenomen, zie afbeelding 2.2. Als landschappelijke inpassing wordt de bestaande houtwal aan de noordzijde ingepast en wordt deze verbreed met een nieuwe houtwal van circa 5 meter. De oostzijde c.q. achterzijde van het bedrijfsgebouw wordt eveneens voorzien van een houtwal waardoor deze deels aan het zicht wordt onttrokken. Ter hoogte van de houtwal aan de achterzijde van het terrein wordt een poel aangelegd die kan worden ingezet voor de opvang van hemelwater. De infiltratievoorziening loopt ook door aan de zuidzijde van de bedrijfsbestemming om ook aan die zijde een goede afwatering te geleiden en tevens de begrenzing tussen bedrijfsperceel en agrarisch gebied in het landschap te verankeren. Eventueel overtollig regenwater kan achter op het agrarische perceel worden opgevangen. Aan de voorzijde van het perceel is een boomgaard voorzien omkaderd door haag. Naast het inpassen van de bestaande bomen worden nieuwe (fruit)bomen voorgesteld. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke maatregelen wordt geborgd via een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit plan.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

6

Afbeelding 2.2: Inrichtingsschets inclusief landschappelijke inpassing

De bestaande inrit voor zowel de woning als het bedrijfsgebouw wordt gehandhaafd. Achter deze boomgaard is het auto- en fietsparkeren voor werknemers en bezoekers van het bedrijf gesitueerd als parkeerkoffer, eveneens omsloten door een haag. De bestaande diepte van de achtertuin dient minstens behouden te blijven om zo ook de aanwezige loofbomen te kunnen behouden. De zuidzijde van het perceel is eveneens voorzien van een houtwal die een wat open en minder dicht beplant karakter heeft. Voor de aanleg van deze houtwal dient de bestaande coniferenhaag te worden verwijderd. De houtwal aan weerszijden van het perceel, de boomgaard aan de voorzijde en de poel aan de achterzijde hebben een oppervlakte van 2.228 m2, waarmee wordt voldaan aan de minimale landschappelijke inpassing van 20%. Het resterende deel van het perceel kan als weide, eventueel met eventueel met enkele solitaire bomen, worden ingericht. 2.2

Juridische aspecten

2.2.1 Inleiding Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld conform de gemeentelijke standaard, met inachtneming van de bepalingen die zijn opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) en het coderingssysteem Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de regels en verbeelding van voorliggend plan zijn opgebouwd.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

7

2.2.2 Bestemmingsmethodiek Voor het opstellen van het bestemmingsplan is een gedetailleerde methodiek toegepast waarbij zoveel mogelijk is aangesloten op het vigerende bestemmingsplan Buitengebied. 2.2.3 Regels De regels bestaan uit vier hoofdstukken: • Inleidende regels (hoofdstuk 1) • Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) • Algemene regels (hoofdstuk 3) • Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende artikelen. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard, dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel ’Wijze van meten‘ opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hierna volgt een toelichting per artikel. Agrarisch met waarden - landschapswaarden Voor agrarische gronden en bedrijven op gronden waar ook landschapswaarden van toepassing zijn is deze bestemming opgenomen. Voor de invulling van deze bestemming is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan voor de locatie.

Het doel van de bestemming is agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening met behoud, herstel en versterking van cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Binnen deze bestemming is geen bouwvlak aanwezig en mogen dus geen gebouwen worden opgericht. Bedrijf Binnen deze bestemming is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf'' een agrarisch technisch hulpbedrijf in de vorm van een veetransportbedrijf daaraan naar aard en omvang ondergeschikte, bijbehorende wasplaats is toegestaan. Het maximaal bebouwd oppervlak binnen deze bestemming bedraagt 1.000 m2. Per bestemmingsvlak is ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ één bedrijfswoning toegestaan. Groen Een deel van het plangebied is voorzien van de bestemming ‘Groen’, waardoor de groene invulling van de openbare ruimte wordt geborgd. Binnen deze bestemming zijn behalve groenvoorzieningen ook waterpartijen (inclusief waterbergende en infiltrerende voorzieningen) en speelvoorzieningen toegestaan. De bouwmogelijkheden zijn beperkt.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

8

Hoofdstuk 3 Algemene regels In hoofdstuk 3 worden enkele algemene regels gegeven, zoals de anti-dubbeltelregel. Ook worden algemene gebruiksregels gegeven. Daarnaast worden enkele algemene afwijkings- en wijzigingsregels gegeven die de flexibiliteit van het plan vergroten. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald. 2.2.4 Geometrische plaatsbepaling / verbeelding Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een ondergrond uit de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RDcoördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend.

Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar. De gegevens zijn digitaal raadpleegbaar. Via de digitale portal waarop het plan wordt gepubliceerd kan, door te klikken op een bepaalde locatie, de bijbehorende bestemmingsregeling worden opgeroepen.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

9

3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Ook in de toekomst moet Nederland een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden en economisch kunnen floreren. Daarom is het van belang om inzicht te hebben in de opgaven waar Nederland voor staat. De druk op de ruimte, de leefomgeving, vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen. Ook internationale ontwikkelingen, de invloed van technologie en de groeiende verschillen tussen regio's vragen om snellere, creatieve en integrale afwegingen. Het klimaat verandert en er moet zorgvuldiger worden omgaan met energiebronnen en grondstoffen. Ook daaruit vloeien nieuwe opgaven. In aanloop naar de Omgevingswet is er één rijksvisie op de leefomgeving opgesteld: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De eerste Nationale Omgevingsvisie is in september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt op nationaal niveau de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR) en de strategische ruimtelijke delen van het verkeers- en vervoerplan, het nationale waterplan, de natuurvisie en het milieubeleidsplan. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de NOVI als nationale visie onder de Omgevingswet. Toetsing Voorliggend projectgebied wordt niet specifiek benoemd in de NOVI.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Rijk legt met het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Het SVIR (beleid) is opgegaan in de NOVI. De uitwerking ervan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt van kracht zodra de Omgevingswet in werking treedt. Het BKL wordt dus uitgewerkt in regelgeving op basis van het beleid dat in de NOVI staat. Toetsing Binnen het plangebied komen geen nationale ruimtelijke belangen voor. Het Barro vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. Nieuwe ladder Duurzame Verstedelijking Op 1 juli 2017 is de Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd.

De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

10

of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Toetsing aan de Ladder houdt in dat een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Voorliggend bestemmingsplan maakt een nieuwe bedrijfsbestemming mogelijk, met een bebouwd oppervlak van maximaal 1.000 m2 (exclusief de bestaande bedrijfswoning). De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Dus of het ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan het geldende bestemmingsplan toestaat. Wel is het zo dat ook moet worden bekeken of het plan, in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging met wezenlijke ruimtelijke effecten. In dit geval voorziet het bestemmingsplan in een wijziging van een agrarisch bedrijf (veehouderij) naar een agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf (veetransportbedrijf). Het plan voorziet dus in een functiewijziging. Het perceel kent echter in het vigerende bestemmingsplan een agrarische bestemming, waarbinnen (agrarische) bedrijfsuitoefening is toegestaan.

Ook is het perceel al een bouwvlak opgenomen, dat vrijwel geheel mag worden bebouwd. De strijdigheid van de ontwikkeling met het bestemmingsplan zit alleen in het toestaan van agrarisch technisch hulpbedrijven en het beëindigen van de intensieve veehouderij. Er is geen sprake van een nieuw beslag op de ruimte. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. 3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ De Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2023 in werking treedt, bundelt de regels voor de fysieke leefomgeving. Vooruitlopend hierop heeft de provincie Noord-Brabant alvast een provinciale Omgevingsvisie opgesteld. De Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' is vastgesteld op 14 december 2018. De visie spreekt over een 'diepe' manier van kijken, een 'ronde' manier van kijken en een 'brede' manier van kijken, om zodoende aan de voorkant alle belangen te betrekken om uiteindelijk meer snelheid en kwaliteit te leveren. De visie geeft ook expliciet aan dat de verantwoordelijkheid voor het fysieke domein veel meer verschuift naar de gemeenten. De provincie stuurt alleen nog op hoofdlijnen, stimuleert beweging en maakt (wenselijke) ontwikkelingen mogelijk. Er is één basisopgave (werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit) met als één van de vier hoofdopgaven voor 2050: "Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal". Ook wil de provincie in 2050 energieneutraal zijn, en klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.

De provincie wil tevens dat het stedelijk netwerk van Brabant in 2050 functioneert als één samenhangend duurzaam en concurrerend netwerk van steden en dorpen als onderdeel van de Noord-

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

11

West Europese metropool. Tot slot is één van de vier hoofdopgaven dat Brabant in 2050 top kennis- en innovatieregio in Europa is. Visie op werklocaties De provincie Noord-Brabant zet in op het toekomstbestendig maken van de werklocaties in Brabant. Het (kwalitatief) 'up-to-date' houden van de bestaande werklocaties is van vitaal belang voor een concurrerende economie, innovatie, werkgelegenheid, zorgvuldig ruimtegebruik en realisatie van vergroenings- en duurzaamheidsambities. Op bedrijventerreinen liggen grote opgaven en kansen in het kader van klimaatadaptatie, energietransitie (zoals het gebruik van restwarmte, energieopwekking) en slimme mobiliteit. Uitbreiding van het areaal bedrijventerreinen wordt vraaggericht opgepakt, vanuit een kwalitatieve insteek. De ruimtevraag is vooral gekoppeld aan de groei van (zeer) grootschalige logistiek. Gezien de schaal en de impact van deze ontwikkelingen op het landschap, en mogelijke tijdelijkheid van de ruimtebehoefte van deze doelgroep, hecht de provincie aan een integrale aanpak waarbij de opgaven voor klimaat, energietransitie, bereikbaarheid, circulaire verstedelijking en de kwaliteit van het landschap vanaf het begin van het planproces worden meegenomen. Toetsing Het plangebied is aangekocht door de GR ten behoeve van stikstofruimte voor het bedrijventerrein Heesch West.

De intensieve veehouderij zal verdwijnen en hiervoor in de plaats zal een vee/varkenstransportbedrijf zich op het vrijkomende perceel vestigen. Hiermee sluit het plan aan op de wenselijke realisatie van het bedrijventerrein en de concrete vraag vanuit het vee/varkenstransportbedrijf. 3.2.2 Logistieke Agenda provincie Brabant 2.0 (2013) De Logistieke Agenda Brabant is opgesteld in 2013. De Brabantse logistieke sector heeft sindsdien verschillende ontwikkelingen doorgemaakt. Hij groeide aanzienlijk, ook door de komst van grote distributiecentra. Actuele ontwikkelingen en nieuwe behoeften van ondernemers waren reden voor de Taskforce om de Logistieke Agenda te herijken. Noord-Brabant is dankzij haar strategische ligging tussen de zeehavens van Rotterdam en Antwerpen en het Europese achterland een logistieke regio van formaat. Dit trekt veel nieuwe (inter)nationale bedrijvigheid. Ongeveer de helft van alle nieuwe distributiecentra vestigt zich in Brabant. Van oudsher is Brabant een regio waar veel hightech, agrofood en chemische producten worden geproduceerd en vervolgens geexporteerd. De logistieke sector in Brabant is groot geworden dankzij deze klanten. Logistiek is van groot economisch belang voor de provincie. Om de logistieke koppositie te behouden mag niet stel worden gezeten.

Toetsing Voorgenomen ontwikkeling betreft het hergebruik van een voormalig agrarisch bouwvlak door de vestiging van een agrarisch technisch hulpbedrijf. De vestiging van het bedrijf draagt daarnaast bij aan het versterken en het behoud van de logistieke topsector binnen de regio. 3.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Naast één omgevingsvisie moet de provincie vanuit de Omgevingswet straks ook één omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen, zoals de provinciale milieuverordening, de verordening natuurbescherming en de

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

12

verordening ruimte. De omgevingsverordening bevat straks alle provinciale regels op het gebied van de fysieke leefomgeving. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een interim omgevingsverordening vastgesteld, geconsolideerd 1 oktober 2022. De omgevingsverordening treedt naar verwachting, gelijk met de Omgevingswet, op 1 juli 2022 in werking. Voor de provinciale inzet is het werken vanuit het samenspel met diep, rond en breed kijken vertrekpunt. Dit vraagt om een provincie die gemakkelijk van rol kan wisselen en die gericht is op het verbinden van belangen: private belangen, gebiedsbelangen en het publieke belang. Daarbij hanteert de provincie vijf kernwaarden voor haar denken en handelen. De provincie zet in op: 1. meerwaardecreatie 2. technische en sociale innovatie 3. kwaliteit boven kwantiteit 4. een continue verbetering van de leefomgeving 5. proactief en preventief handelen boven gevolgbeperking en herstel De provincie hanteert bij nieuwe bestemmingsplannen een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 3.5). Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie.

Een bestemmingsplan kan volgens artikel 3.73 de vestiging van een niet-agrarische functie in landelijk gebied mogelijk maken als: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing (IOV) plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Toetsing Voor het plangebied zijn naast de algemene 'rechtstreeks werkende regels voor activiteiten', ook regels voor gebiedsaanduidingen van toepassing. Het plangebied is hierbij op de verschillende kaarten behorende bij de interim omgevingsverordening Noord-Brabant aangeduid als: • (gemengd) landelijk gebied en stalderingsgebied;

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

13

•

en binnen het thema waterkwantiteit als normvrijgebied voor waterschappen, normen voor wateroverlast en reservering waterberging.

Het planvoornemen betreft de ontwikkeling van een vee/varkenstransportbedrijf op een voormalig agrarisch perceel. Met de ontwikkeling verdwijnt de intensieve veehouderij. Het planvoornemen raakt hierbij aan drie belangrijke onderwerpen binnen de Interim omgevingsverordening, namelijk zorgvuldig ruimtegebruik, duurzame verstedelijking en kwaliteitsverbetering landschap. Het planvoornemen dient te worden getoetst aan artikel 3.73 omdat er een vestiging van een nietagrarische functie mogelijk wordt gemaakt. De vestiging is uitsluitend bedoeld voor kleinschalige, bedrijfsmatige activiteiten die goed passen in een gemengde omgeving en die geen onevenredige hinder naar de omgeving veroorzaken. Er is geen omvang opgenomen van het bouwperceel. De provincie verwacht van gemeenten dat zij daarvoor beleid ontwikkelen in de ontwikkelingsrichting die zij opstellen. Voorheen gold een omvang van 5000 m2. Bij de bepaling van de oppervlakte van de bedrijfsbestemming voor onderhavig plan is het agrarisch bouwvlak als uitgangspunt genomen, waarbij de oppervlakte voor bedrijvigheid juist is verkleind ten opzichte van het bestaande agrarische bouwvlak. Tegelijkertijd biedt de gekozen oppervlakte voldoende ruimte voor de bedrijfsvoering van het te vestigen bedrijf.

De oppervlakte van de bedrijfsbestemming is tevens in het kader van het informeel vooroverleg afgestemd met de provincie en akkoord bevonden. Het planvoornemen is dan ook niet in strijd met artikel 3.73 uit de IOV. In de begripsbepaling is opgenomen er bij 'vestiging op een locatie waar ingevolge het geldende bestemmingsplan geen bebouwing of bedrijfsfunctie is toegestaan' sprake is van nieuwvesting. Binnen het plangebied is reeds bebouwing toegestaan, waardoor de ontwikkeling niet aan te merken is als nieuwvesting. Conform lid 1 van artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik kan dan ook worden gesteld dat ontwikkeld wordt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Dit in ogenschouw genomen dat worden geconcludeerd dat het planvoornemen in lijn is met het provinciaal beleid, gezien er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Het planvoornemen voorziet niet in verdere verstedelijking van het landelijk gebied, worden potentiële negatieve effecten op leef- en milieukwaliteit voorkomen en in een kwaliteitsverbetering van het landschap voorzien door de landschappelijke inpassing. 3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Buitengebied Maasdonk Ten tijde van het opstellen van de structuurvisie van de gemeente 's-Hertogenbosch in 2014 (zie paragraaf 5.3.1) was het gedeelte van het plangebied dat nu in de gemeente 's-Hertogenbosch ligt, nog onderdeel van de toenmalige gemeente Maasdonk. In de Structuurvisie Buitengebied Maasdonk (vastgesteld op 16 december 2009) is een visie gegeven op een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan voor het buitengebied. De gemeente hanteert bij functieverandering van het perceel versterking van de ruimtelijke kwaliteit als uitgangspunt. Dat betekent dat er ontwerprichtlijnen worden gesteld aan onder andere de sloop van gebouwen, vormverkleining van het perceel en aan de landschappelijke inpassing. In de Structuurvisie Buitengebied Maasdonk is het perceel gelegen in het gebied dat, conform de landschappelijke zonering, is aangeduid als ‘beekdallaagte en broekgebied’. Kenmerkend voor

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

14

de landschappelijke onderlegger voor dit gebied is het gegeven dat het een lage enclave betreft gelegen in het overgangsgebied van komgebied naar dekzand en beekdalen. Hier zijn lager en natter gedeeltes omgeven van dekzandgebied. De bodem kan worden getypeerd als vlakvaaggrond en beekeerdgrond met hoge grondwaterstand. In het gebied liggen naast agrarische percelen, landbouwgronden, kleine bospercelen en houtwallen. De waterstanden zijn relatief hoog en bestonden oorspronkelijk uit kleine beekjes. Kavelgrenzen en beken waren oorspronkelijk ook voorzien van boomsingels. Het kleinschalige landschap is nog herkenbaar, bestaande uit microreliëf gerelateerde blokverkavelingen en op afstand van de beekdallaagte smallere slagenverkaveling. Richtlijnen Landschap: De structuurvisie schrijft een aantal richtlijnen voor waaraan getoetst/voldaan dient te worden wanneer er ontwikkelingen op bestaande percelen zijn voorzien. Voor het landschap wordt ingezet op het behoud van de relatief kleinschalige openheid met coulissen en het enclavekarakter met openheid binnen de dekzandruggen.

Ook wordt ingezet op het behoud van de kleine bospercelen, herstel en behoud laanbeplantingen en herstel/versterking van elzensingels op de kavelgrenzen Richtlijnen kavel: Voor de ontwikkeling van het kavel wordt ingezet op het respecteren van de onregelmatige blokkavels en slagen en wordt een gescheiden of gezamenlijke ontsluiting woning en bedrijfsbebouwing voorgesteld. Voor het bouwvlak dient qua omvang aansluiting te worden gezocht binnen de bestaande verkavelingsstructuur en wordt deze bij voorkeur verkleind. Het hoofdgebouw georienteerd te zijn op de weg. Gebouwen dienen in onderlinge samenhang te worden gesitueerd, georiënteerd in de lengte van de bestaande kavels. Voor de inrichting van het erf wordt voorgesteld om het voorste gedeelte met de woning in te richten met voor- en moestuin, boomgaarden en 1 tot 3 grote erfbomen (paardenkastanjes, notenbomen, eiken, beuken, essen). Minimaal 20% van het bestemmingsvlak dient te zijn ingericht voor landschappelijke inrichting, waar hagen (sleedoorn, meidoorn) en boomsingels op de kavelgrens worden voorgeschreven. Voor de erfbeplanting worden eiken, elzen, wilgen, essen en (veld)esdoorn voorgesteld. Richtlijnen bebouwing: Voor de bedrijfsbebouwing geldt dat deze achter en ondergeschikt is aan de oude boerderij of woning. De hoogte is 2 lagen plus kap.

Voor wat betreft de vorm worden enkelvoudige of geschakelde hoofdvormen, bouwmassa refererend aan beeldbepalende bebouwing in de omgeving voorgeschreven en dient er sprake te zijn van een asymmetrische opzet van het hoofdgebouw en de langsgevel. Voor de woonbebouwing geldt dat deze qua ligging een duidelijke eigen sfeer uitstraalt, ruim vóór de bedrijfsbebouwing en haaks op of evenwijdig aan de weg ligt. De hoogte is eveneens 2 lagen plus kap met een vorm waarbij een geschakelde plattegrond is toegestaan. Bijgebouwen zijn achter en ondergeschikt aan de woning. Voor wat betreft detaillering, deze dient afgestemd te zijn op de gebiedseigen bebouwingskarakteristiek. Voor kleurgebruik worden donkere aardetinten voor gevels (rood, bruin) en daken (bruin, grijs) voorgeschreven, eventueel naar voorkeur bakstenen gevels. Ten slotte dient materiaalgebruik aan te sluiten op streekeigen materiaalgebruik van de (directe) omgeving, met aandacht voor toekomst gerichte technologieën (zoals zonnepanelen).

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

15

Voorstel ruimtelijke en landschappelijke inpassing van het perceel: Op basis van het bestaand beleid en het voornemen het bedrijf te verplaatsen naar Van Rijckevorselweg 4 is een voorstel gemaakt voor de landschappelijke inpassing en de situering en vormgeving van de nieuwe bebouwing. Deze landschappelijke inrichting is nader toegelicht in paragaaf 2.1.2. De bijbehorende inrichtingstekening is geborgd in de regels van het bestemmingsplan. De landschappelijke inrichting bestaat onder meer uit een houtwal aan weerszijden van het perceel, de boomgaard aan de voorzijde en de poel aan de achterzijde. Deze elementen hebben een oppervlakte van 2.228 m2, waarmee wordt voldaan aan de minimale landschappelijke inpassing van 20%. Het resterende deel van het perceel kan als weide eventueel met eventueel met enkele solitaire bomen worden ingericht. Zie hiervoor ook de Landschapsinvesteringsregeling (LIR) die nader wordt toegelicht in paragraaf 3.3.4. De ontwikkeling past daarnaast binnen de voorwaarden voor functieverandering uit de structuurvisie. Het planvoornemen is niet in strijd met de kaders uit de structuurvisie. 3.3.2 Bomenbeleidsplan Het Bomenbeleidsplan 's-Hertogenbosch is door de gemeenteraad vastgesteld op 29 september 2017. Bij de ruimtelijke procedure vindt een afweging plaats ten aanzien van verschillende functies waaronder groen.

De gemeente stelt daarbij voorwaarden ten aanzien van groen. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij beleidsuitgangspunten uit het Bomenbeleidsplan, zoals het zoveel mogelijk behouden van bomen, het verplanten van bomen en herplant en compensatie van groen. Afspraken over velling, herplant en compensatie wordt bij het plan vastgelegd zodat hierbij aangesloten kan worden bij de uiteindelijke vergunningprocedure. Het kan zowel om behoud als om ontwikkeling van nieuw groen gaan. Bij de ontwikkeling moeten bomen direct in beeld zijn. Hiervoor wordt een bomeninventarisatie uitgevoerd. Hierbij worden alle bomen in beeld gebracht en op waarde beoordeeld. De inventarisatie wordt gebruikt bij het ontwerpproces. De gemeente toetst hierbij de wijze waarop rekening wordt gehouden met de bomen. Op de ‘Waardevolle bomenstructuurkaart’ staat de Van Rijckevorselweg als waardevolle boomstructuur aangeduid. Er zijn verder geen monumentale bomen of andere waardevolle bomen op de kaart aangeduid die op het plangebied betrekking hebben. Het planvoornemen is niet van invloed op de bestaande bomen aan de Van Rijckevorselweg of andere bomen in de directe omgeving. Het planvoornemen geeft hiermee invulling het gemeentelijk boombeleid. 3.3.3 Visie Bomen, Water en Groen 's Hertogenbosch 2021 De Bossche Omgevingsvisie is een integrale visie op de fysieke leefomgeving.

Hierin staan de ruimtelijke ambities voor de ontwikkeling van 's-Hertogenbosch en de prioriteiten en keuzes die daarvoor nodig zijn. De visie 's-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig is integraal onderdeel van deze Bossche Omgevingsvisie. Met de visie onderschrijft de gemeente de grote waarde van groen en water in de gemeente, met als streven een gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving in 2050. Daarvoor zijn normen en richtlijnen opgeteld voor de leidende thema's groen, water en biodiversiteit. De gemeente nodigt bedrijven en burgers uit om zelf met initiatief te komen en samen de weg in te slaan naar een duurzaam 's-Hertogenbosch. Daarnaast zijn in de bijbehorende

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

16

verordening Bomen, water en groen 's-Hertogenbosch 2021 voorschriften opgenomen waarmee rekening wordt gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven. Zo worden bij nieuwe ontwikkelingen en projecten kaders gesteld aan de uitvoering om de aanleg van groen en natuurinclusief bouwen te stimuleren. Een van deze onderdelen is en puntensysteem voor de aanleg van voldoende groen in straten, pleinen en op gebouwen. Ook dient bij iedere nieuwe ontwikkeling waterberging gerealiseerd te worden, bij voorkeur in het groen, en wordt bij nieuwe ontwikkelingen een substantieel aandeel aan groen gewaarborgd via een wijkspecifieke norm. Paragraaf 5.3.5 gaat nader in op de verordening. 3.3.4 Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021 Om de gevolgen van klimaatverandering voor ’s-Hertogenbosch te beperken is een verordening opgesteld voor bomen, het verwerken van hemelwater en grondwater en het aanleggen en beheren van groen. Met de regels in deze verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van de stad, wijken en dorpen in juridisch opzicht geborgd. Op deze manier is voor iedereen duidelijk wat wel en niet mag en hoe de gemeente daarop toeziet.

Water Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen door extreme neerslag toe, maar ook de kans op langdurige periodes van droogte. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het onder meer van belang dat voldoende waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd. Daarom is in de verordening onder meer de verplichting opgenomen voor perceeleigenaren om hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarbij een hemelwatervoorziening met een bepaalde capaciteit moet worden gerealiseerd. Indien een ontwikkeling voorziet in meer dan 500 m2 oppervlakteverharding, moet een hemelwatervoorziening worden gerealiseerd die minimaal 60 mm hemelwater per m2 toename verhard oppervlak of vernieuwd bestaand verhard oppervlak kan verwerken. Dat kan bijvoorbeeld door een (of meerdere) centrale watervoorziening(en). Groen Om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving is een groennorm vastgesteld. Per gebied is een ondergrens van het percentage groen aangegeven. Voor het gebiedstype 'bedrijventerreinen' geldt een norm van 10%. Bij een project met 500 vierkante meter of meer aan nieuwe verharding voor 10 procent groen gezorgd worden.

Het uitgangspunt is dat indien niet wordt voldaan aan de groennorm het plan, het project, de ontwikkeling, het initiatief of de activiteit wordt aangepast totdat er wel kan worden voldaan. De uitwerking van deze groenscore is zowel kwantitatief in hoeveelheid groen (m2) als kwalitatief in de mate van biodiversiteit. Toetsing aan de groennorm wordt gedaan aan de hand van een nieuw instrument; de groenscore. Met de groenscore wordt getoetst of er voldoende groene elementen in het plan worden meegenomen. Een plan of project wordt onder meer beoordeeld op het oppervlak aan groen boven de gestelde norm voor de betreffende locatie, behoud van bestaand groen en bomen, beplanting van gebiedseigen en inheemse soorten, natuurinclusief bouwen (o.a. groene gevels) en andere voorzieningen voor faunasoorten. Ook het plaatsen van drachtbomen zorgt voor punten.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

17

Bomen en houtopstanden De verordening geeft aan welke regels de gemeente hanteert voor het vellen van houtopstanden (bomen), het verwerken van hemelwater en grondwater en het aanleggen en beheren van groen. De regels voor bomen en water zijn gebaseerd op de gemeentelijke regels die voorheen golden. Voor groen is een groennorm opgesteld. Bomen dragen bij aan een betere wateropvang, leveren schaduw, een hogere luchtvochtigheid en dragen daarmee bij aan verkoeling. Ook dragen bomen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving en zijn bepaalde houtopstanden waardevol voor onze leefomgeving. Daarom zijn in deze verordening regels opgenomen om bepaalde categorieën houtopstanden te beschermen. Volgens de Groene kaart, zoals genoemd in de Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021, zijn er binnen het plangebied geen belangrijke structuren of monumentale bomen te vinden. Op het aspect water en groen wordt dieper ingegaan in paragraaf 5.2 en de bij deze toelichting opgenomen watertoets (bijlage 7). 3.3.5 Landschapsinvesteringsregeling (LIR) De gemeente ‘s-Hertogenbosch heeft specifiek beleid voor vrijkomende agrarische bedrijven (VAB) in het buitengebied. In dit beleid worden eisen gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied, waaronder de grootte van de kavels en het bebouwd oppervlak.

Belangrijk onderdeel is de Landschapsinvesteringsregeling (LIR), die van toepassing is op elke transformatie van een agrarische functie naar een andere functie. Hierbij geldt dat bij elke ontwikkeling 20% van de bestemmingswinst moet worden geïnvesteerd in het landschap. Dit dient zoveel mogelijk op het perceel zelf of in de directe omgeving te worden ingepast. Dit kan in de vorm van sloop van opstallen, aanleg van natuur of een financiële bijdrage in het gemeentelijk groenfonds. Ook kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld aan de vormgeving van de bebouwing, bijvoorbeeld door middel van een beeldkwaliteitsplan. Een erfinrichtingsplan/beplantingsplan is verplicht. Een berekening wat betreft de landschapsinvesteringsregeling is uitgevoerd door de gemeente. De conclusie hieruit is dat de waarde van de geplande kwaliteitsverbetering voldoende is. De berekening is opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting. 3.4

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen het rijksbeleid, provinciaal beleid en regionaal beleid. Gelet op het bovenstaande wordt de voorliggende ontwikkeling passend geacht binnen de kaders van het ruimtelijk beleid.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

18

4

Natuur en landschap

4.1

Kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van planten- en diersoorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN.

4.1.1 Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl.

Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen:

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

19

• •

de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Vlaardingen is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb).

Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. 4.1.2 Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. 4.1.1 Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid).

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

20

4.2

Onderzoek

4.2.1 Soortenbescherming Onderzoeksbureau Antea Group heeft een natuurtoets uitgevoerd. Hieronder worden de conclusies van dit onderzoek beschreven. Het volledig rapport is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied: • Bunzing (mogelijk verblijfplaats); • Wezel (mogelijk verblijfplaats); • Steenmarter (mogelijk verblijfplaats); • Vleermuizen (mogelijk verblijfplaatsen); • Huismus (nesten aanwezig, aantal onbekend); • Steenuil (mogelijk nestlocatie); • Algemene broedvogels (zeer waarschijnlijk nestplaatsen). Als gevolg van bovenstaand onderzoek is nader onderzoek uitgevoerd (bijlage 3). De resultaten van het nader onderzoek zijn hieronder uiteengezet. Op basis van de resultaten van het nader onderzoek kan de aanwezigheid van de steenuil, steenmarter, bunzing en wezel worden uitgesloten. Voor deze soorten zijn vervolgstappen niet aan de orde. Huismussen en vleermuizen zijn wel aangetroffen tijdens het nader onderzoek. Tevens zijn enkele overige relevante waarnemingen gedaan. Bij het nader onderzoek zijn dertien nestplaatsen van de huismus vastgesteld.

Daarnaast vormt de begroeiing in het plangebied, die de huismus rust- en schuilplaatsen biedt, een essentieel onderdeel van de functionele leefomgeving van de soort. Als gevolg van het planvoornemen wordt de bebouwing en het groen verwijderd. Hierdoor worden verbodsbepalingen uit de Wnb overtreden (artikel 3.1, lid 2). Een ontheffingsaanvraag bij het bevoegd gezag is noodzakelijk om het planvoornemen uit te kunnen voeren. Hiervoor dient een activiteitenplan te worden opgesteld waarin mitigerende en compenserende maatregelen voor de soort zijn opgenomen. Nestlocaties van huismussen zijn goed te compenseren waardoor de verwachting is dat een ontheffing wordt verleend en het plan uitvoerbaar is. In het plangebied is één zomerverblijfplaats en zijn twee paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aanwezig. Als gevolg van het voornemen wordt alle bebouwing (en daarmee de drie verblijfplaatsen) verwijderd. Dit is in overtreding met de verbodsbepalingen uit de Wnb (artikel 3.5, lid 2 en 4). Een ontheffingsaanvraag bij het bevoegd gezag is noodzakelijk om het planvoornemen uit te kunnen voeren. Hiervoor dient een activiteitenplan te worden opgesteld waarin mitigerende en compenserende maatregelen voor de soort zijn opgenomen.

Zomer- en paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis zijn goed te compenseren waardoor de verwachting is dat een ontheffing wordt verleend en het plan uitvoerbaar is. In het plangebied zijn nestplaatsen van algemene broedvogels aangetroffen. Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

21

3.1). Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door werkzaamheden niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met juli) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet Natuurbescherming aan de orde. 4.2.2 Gebiedsbescherming In het plangebied is geen Natura 2000-gebied aanwezig. In de omgeving liggen wel Natura 2000gebieden. Mogelijk is sprake van een invloed op deze omliggende Natura 2000 gebieden door stikstofdepositie. Om hier duidelijkheid over te geven is een AERIUS-berekening uitgevoerd (bijlage 4). Uit deze stikstofberekening blijkt dat het voornemen in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van enig Natura 2000-gebied. Significante gevolgen voor de habitattypen in Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie zijn daarmee uitgesloten. Het aspect stikstof staat verdere besluitvorming daarom niet in de weg. Er bevindt zich geen NNN binnen het plangebied, wel ligt NNN-gebied binnen de invloedsfeer van het plan. Het voornemen heeft geen negatief effect op dit NNN-gebied. Er is van directe en indirecte aantasting van de NNN dan ook geen sprake. Vanuit dit oogpunt zijn er voor NNN geen belemmeringen. 4.3

Conclusie Voor de uitvoering van de beoogde ingreep dient een activiteitenplan te worden opgesteld en is een ontheffing nodig van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Deze ontheffing kan worden verleend indien er voldoende mitigerende en compenserende worden genomen. Het aspect ecologie staat de uitvoerbaarheid van het plan daarmee niet in de weg.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Vaststelling

22

5

Water

5.1

Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet.

5.1.1 Europees en Rijksbeleid Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS).

Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen krijgen een nieuwe bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten krijgen verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12436381/1