CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3- RSW

Commissie OMGEVING 20 april 2021, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Regionale Energiestrategie 1.011.960 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Figuur 4.3: Marktrijp en logisch. Bron: "Warm aanbevolen – naar een CO2 arme verwarming van de gebouwde omgeving” 2018.

De indeling geeft een momentopname van de marktrijpheid van technieken en is met name waardevol in de selectie van technieken voor startwijken. In de Transitievisie Warmte kijkt de gemeente echter vooruit tot 2050. Daarmee is het van belang om vooruit te kijken: ●

Wanneer komt welke techniek beschikbaar?

●

Hoe zit het met beschikbaarheid van bronnen in de tijd?

Binnen het Programma Aardgasvrije Wijken worden door middel van subsidie van de onrendabele top verschillende nieuwe technieken voor het eerst op grotere schaal toegepast, wat een ontwikkeling van deze markten kan betekenen. Een voorbeeld van een bron die op het moment beschikbaar is, maar die op termijn naar verwachting grotendeels uitgefaseerd wordt voor de gebouwde omgeving is biomassa. Wanneer biomassa als primaire bron wordt ingezet om een warmtenet te voeden als “transitieoplossing”, dient er wel een perspectief te zijn op een vervangende bron op lange termijn.

DWTM19020 – Regionale Structuur Warmte RES Noordoost Brabant 29

Figuur 4.4: projectie van verwachte ontwikkelingen

Advies: ● ● ●

Geef nieuwe technieken waar relevant een plek in de fasering TVW. Houd in de fasering rekening met de beschikbaarheid van een bron op de lange termijn, maak een plan toekomstbestendig. Zet “Transitiebronnen” alleen in wanneer er een duidelijk alternatief in beeld is op lange termijn.

4.2.3 Laagste maatschappelijke kosten In de keuze tussen verschillende mogelijke technieken voor aardgasvrije buurten dienen maatschappelijke kosten leidend te zijn, zo staat in het Klimaatakkoord. Afwijken hiervan is mogelijk maar dient in de Transitievisie Warmte beargumenteerd te worden. Redenen om af te wijken kunnen zijn dat vanuit het kostenperspectief van betrokken partijen bepaalde varianten onhaalbaar worden: ●

Investeringskosten voor gebouweigenaren zijn te hoog: individuele bewoners en (commerciële) verhuurders kunnen niet mee met de oplossing.

●

Investeringen voor collectieve oplossing zijn te hoog, waardoor er geen commercieel rendabel systeem geëxploiteerd kan worden.

●

De energiekosten voor eindgebruikers zijn te hoog, waardoor bewoners niet mee willen met de oplossingen.

●

Ook kunnen er lokaal andere afwegingen relevant zijn, waarom afgeweken wordt van het principe van de laagste maatschappelijke kosten, bijvoorbeeld sociale aspecten.

Advies: ●

Selecteer oplossingen op basis van laagste maatschappelijke kosten, maak hierbij wel een goede afweging met betrekking tot realiseerbaarheid van de gekozen oplossing.

4.2.4 Gemeente heeft regierol voor collectieve systemen Bij ontwikkeling van collectieve systemen wordt met de term “cherry picking” het fenomeen aangeduid dat bij de aanleg van een systeem een relatief klein, maar zeer rendabel aan te sluiten deel van het vastgoed in een wijk wordt aangesloten. Hierdoor is de businesscase aantrekkelijk en kan het systeem

DWTM19020 – Regionale Structuur Warmte RES Noordoost Brabant 30

makkelijker ontwikkeld worden. Het maatschappelijk belang is echter om een zo groot mogelijk gebied te bedienen, wanneer een collectief systeem hier de laagste maatschappelijke kosten heeft. Om bij de aanleg van infrastructuur het maatschappelijk belang te dienen zijn de volgende afwegingen van belang: ●

Beschouw ontwikkeling van een collectief systeem in het brede plaatje van de stad, de afweging van maatschappelijke kosten dient dan ook “buurtoverstijgend” te zijn. Dat wil zeggen: wanneer maatschappelijke kosten voor een collectieve oplossing op lokaal niveau wellicht hoger zijn dan een andere techniek, kan dit evenwel nog steeds betekenen dat dit de meest logische oplossing is gezien de ontwikkeling in omliggende wijken.

●

De gemeente heeft een regierol, waarbij het bereiken van een zo volledig mogelijke dekking in het gebied belangrijk is en cherry picking kan worden voorkomen.

●

Wanneer er zich een “aantrekkelijke” kans voordoet vanwege een lokaal zeer hoge warmtevraagdichtheid is het in maatschappelijk belang om te onderzoeken in hoeverre het systeem (rendabel) kan worden uitgebreid naar minder rendabele delen.

Advies: ●

Gemeente neemt regierol om een zo groot mogelijke dekking te realiseren in een gebied waar collectieve oplossingen de laagste maatschappelijke kosten hebben.

4.2.5 Beperk impact op elektriciteitsvraag De meeste oplossingen van aardgasvrije warmte maken voor een deel gebruik van elektriciteit. Dit kan variëren van een zeer lage hoeveelheid elektriciteit voor distributie-energie, of juist een wat hoger gebruik door warmtepompen. In het geval van directe omzetting van elektriciteit naar warmte en productie van groene waterstof is de elektriciteitsvraag zeer hoog. Elektriciteitsverbruik voor warmteoplossingen vergroot de opgave voor grootschalige duurzame elektriciteitsopwekking in de regio. Het is daarom verstandig om maximaal gebruik te maken van (natuurlijk) aanwezige bronnen zoals geothermie, oppervlaktewater, lucht, bodemwarmte, zonthermie en restwarmtebronnen en zo min mogelijk gebruik te maken van technieken met een hoge elektriciteitsvraag zoals groene waterstof.

Advies: ●

Beperk gebruik van elektra-intensieve warmteoplossingen

4.2.6 Schaarste en duurzaamheid van bronnen Inzet biomassa en biogas Biogas zal op veel plekken een kosteneffectieve oplossing zijn. Echter na 2030 wordt een grote vraag naar biogas verwacht vanuit sectoren zoals industrie, waar weinig andere mogelijke energiebronnen zijn. De Routekaart Groen Gas van het Ministerie van EZK geeft als strategie voor de gebouwde omgeving aan: de reductie van de gasvraag op woningniveau en de overschakeling alternatieve warmte-opties waar die goedkoper zijn. De Routekaart sluit aan bij het Klimaatakkoord, om de inzet van groen gas in de gebouwde omgeving te beperken tot die situaties waarin geen alternatief mogelijk is (bijvoorbeeld oude binnensteden of plattelandsgebieden met beperkte alternatieven).

Advies: ● ●

Beperk gebruik van biogas tot dat deel van de gebouwvoorraad, waar niet goed te isoleren is en collectieve HT-netwerken niet mogelijk zijn. Gebruik vaste biomassa alleen als transitieoplossing en alleen wanneer deze lokaal beschikbaar is.

DWTM19020 – Regionale Structuur Warmte RES Noordoost Brabant 31

HT-warmtenetten In zijn algemeenheid zijn hoge-temperatuur bronnen schaars en/of elektriciteitsintensief. Bij het gebruik van deze bronnen moet daarom goed gekeken worden voor welke delen van de gemeente dit het beste kan worden ingezet.

Advies: ●

Beperk gebruik van HT-warmte tot het deel van de gebouwde omgeving waar minder goed te isoleren is

DWTM19020 – Regionale Structuur Warmte RES Noordoost Brabant 32

5 Infrastructuur In de regio Noordoost Brabant wordt het grootste deel van de warmtevraag nog ingevuld door aardgas. De huidige infrastructuur in Noordoost Brabant in beheer van Enexis Netbeheer 26 bestaat uit gas- en elektriciteitsnet. Dit gas- en elektriciteitsnet in genoemd gebied, telt ongeveer 562.000 aansluitingen, waarvan circa 296.000 elektriciteitsaansluitingen en 266.000 gasaansluitingen. Dit laat al zien, dat warmtenetten in Noordoost-Brabant nog zeer weinig worden toegepast.

5.1 Geschiktheid collectieve oplossingen Een warmtenet is een interessante infrastructurele toepassing voor het leveren van duurzame warmte, omdat verschillende soorten bronnen op een centraal punt warmte kunnen leveren aan een warmtenet. De warmte wordt met water door een buizensysteem geleverd aan woningen en gebouwen. Van echte grootschalige warmtenetten in Noordoost Brabant is nog geen sprake, wel zijn er enkele kleinere private warmtenetten bij utiliteits- en hoogbouw. Waar collectieve warmteoplossingen gekozen kunnen worden en waar individuele oplossingen meer aan de orde zijn is afhankelijk van de dichtheid van de warmtevraag. Als woningen dicht genoeg bij elkaar liggen is een collectieve oplossing mogelijk. Ook het gevraagde temperatuurniveau is hierin van belang: is HT/MT warmte nodig of kan volstaan worden met LT of ZLT warmte? De gevraagde temperatuur hangt samen met de karakteristieken van de panden en in hoeverre die te isoleren zijn. Onderstaande Figuur 5.2 geeft de gebieden aan, waarin het mogelijk is om collectieve oplossingen toe te passen.

Figuur 5.1: Gebieden voor collectieve warmte-infrastructuur

HT/MT warmtenetten (oranje gebieden) In oranje zijn die gebieden weergegeven, die een voldoende hoge bebouwingsgraad hebben voor een collectief warmtenet en geschikt zijn voor midden of hoge temperatuur. Dit zijn clusters met een Woningequivalent > 2000. Een woningequivalent (WEQ) is de hoeveelheid energie die jaarlijks nodig is om een gemiddeld huis in Nederland te verwarmen (27 GJ / jaar). Gebouwen ouder dan bouwjaar 1960 zijn in het algemeen onvoldoende te isoleren om LT warmte te kunnen gebruiken.

26

Enexis Netbeheer open data; https://energienet.enexis.nl/index3.html

DWTM19020 – Regionale Structuur Warmte RES Noordoost Brabant 33

LT en ZLT warmtenetten (groene gebieden) In groen zijn de gebieden weergegeven, die een voldoende hoge bebouwingsgraad hebben voor een collectief warmtenet en waarbij de gebouwen voldoende te isoleren zijn om LT warmte te kunnen gebruiken. Gebouwen nieuwer dan bouwjaar 1960 zijn in het algemeen voldoende te isoleren om LT warmte te kunnen gebruiken. Elk bouwcluster van woningequivalenten is geschikt voor collectieve levering van LT warmte vanuit TEO. Om LT en ZLT-warmtenetten rendabel te kunnen exploiteren is de afstand tussen bron en distributienet maximaal 500 tot 1000 meter (afhankelijk van de brontemperatuur).

Lokale clusters (rode gebieden) In rood zijn de gebieden weergegeven, die een voldoende hoge bebouwingsgraad hebben voor belevering door een collectief WKO-systeem, HT- LT restwarmte of biomassa. Elk bouwcluster van minimaal tussen de 200 en 2000 woningequivalenten is hiervoor geschikt. De leeftijd van deze bebouwing en daarmee het gevraagde temperatuurniveau is hier niet weergegeven, omdat in deze kleinere kernen geen homogene bebouwing is (in tegenstelling tot de meer eenvormige stadswijken).

Individuele oplossingen Voor alle overige (witte) gebieden zijn individuele oplossingen aan de orde. Minimaal 14% (de omvang van de witte gebieden) van de totale warmtevraag zal individueel ingevuld worden. Dit percentage varieert uiteraard per gemeente.

5.2 Ontwikkeling warmteinfrastructuur Voor de toekomstige ontwikkeling van warmte-infrastructuur zijn twee zaken van belang: 1) Lokale afwegingen Als er in een wijk of buurt een voldoende grote warmtevraag is, die collectief kan worden ingevuld met lokale bronnen zal de hiervoor benodigde infrastructuur ontwikkeld worden. Deze afweging maken de gemeenten in hun Transitievisies Warmte. Het is daarbij relevant te letten op de volgende aspecten: a. Schaalniveau: leidt samenvoeging van buurten tot de benodigde warmtevraag of een betere businesscase? b. Cascadering: het is vaak efficiënter om de hoge temperatuur warmtebronnen eerst in te zetten voor andere gebruikers, die de hoge temperatuur nodig hebben en daarna aan te wenden voor de gebouwde omgeving. c. Toekomstbestendigheid: is koppeling van een warmtenet mogelijk aan een ander net, om uitwisseling van warmte mogelijk te maken of zijn er meerdere warmtebronnen aan een netwerk te binden om daarmee een robuuster netwerk te creëren? Het kan een strategische keuze zijn om nu een HT-warmtenet aan te leggen voor de gebouwde omgeving eventueel gekoppeld aan industrie, om daarna in stappen naar een MTwarmtenet te gaan (door o.a. isolatie van woningen). 2) Samenwerking bij grotere bronnen Op dit moment zijn er in de regio weinig voor de hand liggende grote bronnen van (rest-)warmte.

De resultaten van het SCAN-onderzoek zullen inzicht geven in de beschikbaarheid van geothermie. Afhankelijk van de uitkomsten zullen er mogelijkheden ontstaan voor grote dan wel kleinere, lokale warmtenetten. Het is raadzaam om in de RES in samenwerking tussen gemeenten en mogelijke gebruikers een strategie te ontwikkelen voor het gebruik van de bronnen, de ontwikkeling van de infrastructuur, mogelijke cascadering en koppeling van netten. Ook de financiering van de netten zou hier onderdeel van moeten zijn.

5.3 Gevolgen voor gas- en elektriciteitsnet De warmtetransitie is erop gericht om van aardgas als bron af te gaan en over te stappen op een duurzame warmtebron. Totdat er een geschikte bron is gevonden, die per wijk kan verschillen, wordt het aardgasnet vooralsnog gewoon behouden en onderhouden. Een aardgasvrije warmtevoorziening hoeft

DWTM19020 – Regionale Structuur Warmte RES Noordoost Brabant 34

niet te betekenen dat het huidige aardgasnet niet meer toepasbaar is. Als er gekozen wordt voor duurzaam gas, zoals groengas uit biomassavergisting en/of waterstof, dan zal het aardgasnet hiervoor geschikt worden gemaakt. Momenteel wordt nog niet op grote schaal duurzaam gas gebruikt in Noordoost Brabant. Uit nader onderzoek zal blijken waar er behoefte is om deze oplossing in te gaan zetten en wanneer dit mogelijk wordt. Overschakelen naar duurzame warmte betekent, afhankelijk van de toegepaste duurzame warmtebron, meestal ook een toename in het gebruik van elektrische (hulp)energie. Bijvoorbeeld om warmte uit oppervlaktewater of lucht verder te verwarmen tot de gewenste temperatuur, is vaak een elektrische warmtepomp nodig. Afhankelijk van de gekozen bronnen en technieken, schat Enexis in, dat de elektriciteitsvraag (in TJ) ten gevolge van de duurzame warmtetransitie met gemiddeld 33% toeneemt. Als de gehele warmtevraag gedekt kan worden met duurzame warmtebronnen moet gemiddeld genomen een derde van deze warmteproductie komen uit elektriciteit. Dit betekent een forse toename van de belasting op het elektriciteitsnet. Op sommige plekken in de regio zal de warmtevraag uit volledig elektrische oplossingen (met individuele warmtepompen bijvoorbeeld) komen, hetgeen betekent dat de belasting op het net op deze locaties nog hoger zal zijn.

Het is daarom belangrijk dat de effecten op het E-net door de inzet van duurzame bronnen als warmtebron Enexis in de gelegenheid wordt gesteld om een netwerk-impactanalyse te maken opdat investeringen in het elektriciteitsnet tijdig uitgevoerd kunnen worden. 27

27

BRON ENEXIS NETBEHEER

DWTM19020 – Regionale Structuur Warmte RES Noordoost Brabant 35

6 Procesvoorstel naar een RES 2.0 6.1 Stakeholders en afstemming met andere RES-regio’s Bij het opstellen van de RSW is overleg geweest met woningcorporaties, Omgevingsdienst, waterschappen en netbeheerder Enexis. Met woningcorporaties is de energiebesparingsdoelstelling besproken in de klankbordgroep van de RES, de Omgevingsdienst heeft bijgedragen aan de validatie van data voor o.a. restwarmte. Waterschappen en Enexis hebben in de werkgroep warmte hun bijdrage geleverd. De gemeenten zullen bij het opstellen van hun Transitie Visie Warmte gesprekken gaan voeren met (vertegenwoordigers) van huiseigenaren, MKB en mogelijke warmteleveranciers, daarom worden zij niet op RES niveau gevoerd . Er is overleg geweest met de aangrenzende regio´s Hart van Brabant (HvB), Noord- en MiddenLimburg (NML), Regio Arnhem Nijmegen (RAN) en Metropoolregio Eindhoven (MRE). Rivierenland heeft nog geen RSW. De RSW is in al deze regio’s nog in ontwikkeling. Gemeenten uit de verschillende regio’s met potentiële warmtebronnen die mogelijk gedeeld kunnen worden, zijn met elkaar in contact gebracht. Een aantal stakeholders buiten de gebouwde omgeving is in dit stadium ook nog niet betrokken. In het Klimaatakkoord is een separate tafel voor industrie belegd. Deze is op een aantal facetten relevant: als potentiële bron van restwarmte en als gebruiker van proceswarmte.

Er is ook een separate tafel voor de landbouw. Relevant hierbij is met name de warmtevraag vanuit de glastuinbouw de beschikbaarheid van biomassa uit land- en tuinbouw en veehouderij en de mogelijkheden voor energiebesparing bij bedrijven. Voor de toekomst kunnen deze partijen een rol spelen, afhankelijk van de vraag of er grote regionale bronnen gevonden worden. Dit staat beschreven onder 6.1.2.

6.1.1 Proces regionale samenwerking en Transitievisies Warmte De ontwikkeling van de RSW zal in stappen plaatsvinden, op basis van voortschrijdend inzicht; een iteratief proces. Zoals omschreven zijn er op dit moment voor de gebouwde omgeving geen regionale bronnen die een verdelingsvraagstuk vormen tussen gemeenten. Gemeenten zullen in hun TVW’s een bronnenstrategie maken, gebaseerd op lokale bronnen. Toch is er samenhang tussen TVW’s en RES en zijn er wel stappen te definiëren die vanuit de RES gezamenlijk kunnen worden gezet.

Samenhang RES en Transitievisies Warmte Monitoringsfunctie Vanuit het landelijk programma RES is voorzien, dat in 2021 de eerste herziening van de RSW binnen de RES zal plaatsvinden, op basis van de eerste inzichten uit de Transitievisies Warmte. De TVW’s tellen als het ware op tot een volgende versie van de RSW / RES. Een kanttekening hierbij: gemeenten zullen in hun TVW’s van 2021 vooral kijken naar bronnen en technieken die voor de hand liggen op de korte termijn. Het is de vraag in hoeverre de TVW’s in 2021 al duidelijkheid gaan geven voor na 2030. Ook dit is een iteratief proces. Om deze eerste revisie van de RSW in te vullen zijn vanuit de RES NOB onderstaande vraagstukken relevant om te monitoren, die ook in de leidende principes benoemd staan: 1)

Energiebesparing in relatie tot de totale warmtevraag

In de RES NOB wordt een algemeen regionaal energiebesparingsdoel onderbouwd. De totale regionale warmtevraag is hiervan afhankelijk. In de TVW’s geven de gemeenten inzicht in de energiebesparingsdoelen die zij van de regionale doelstelling afleiden en de manier waarop zij de komende jaren hieraan zullen gaan werken. De RES monitort dit. 2)

Extra elektriciteitsbehoefte als gevolg van keuzes in warmtebronnen

De keuze voor de inzet van warmtebronnen in TVW’s en wijkwarmteplannen, heeft gevolgen voor de benodigde opwekkingscapaciteit van elektriciteit op RES-niveau. Ook heeft dit gevolgen voor de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk. De RES zal de extra elektriciteitsvraag monitoren.

DWTM19020 – Regionale Structuur Warmte RES Noordoost Brabant 36

3)

Monitoring van verdeling en benutting warmtebronnen

Dit is met name relevant wanneer grotere gemeentelijke bronnen in beeld komen (zie “Regionale samenwerking”). Voor de monitoring zal de RES aansluiting zoeken bij de provinciale monitoring. Leidende principes voor TVW (optioneel) De leidende principes benoemd in het afwegingskader worden door de gemeenten gebruikt voor de bronnenstrategie in de TVW.

Regionale samenwerking 1) Inzicht krijgen in de potentie en ontsluiting van regionale bronnen (2021 en verder) Uit de Transitievisies warmte zal waarschijnlijk blijken, dat gemeenten een aantal duurzame bronnen wellicht gezamenlijk zullen kunnen verkennen:

Stroomgebiedsbenadering voor aquathermie In een stroomgebiedsbenadering werken gemeenten in een stroomgebied van watergangen samen om eventueel gezamenlijk vervolgonderzoek te kunnen uitzetten (synergievoordeel in plaats van iedere gemeente zijn eigen studie), interferentie tijdig te bemerken en hierover afspraken te maken en eventuele (proef)projecten samen af te stemmen. Met de RAN, NML en Rivierenland deelt de regio NOB de Maas. Met de regio MRE deelt de regio NOB de Aa, de Dommel en de Zuid Willemsvaart. De Waterschappen en Rijkswaterstaat zijn hierin een belangrijke partner

Biogas De regio NOB heeft een grote potentie voor de ontwikkeling van groen gas, Ongeacht in welke sector dit wordt ingezet, is een nadere verkenning van hoe dit potentieel te benutten aan te raden. In de regio’s MRE en NML wordt gesproken over vergelijkbare verkenningen. De provincie is een belangrijke partner om vervolgonderzoek te initiëren.

Geothermie Voor een aantal gemeenten kan een nadere verkenning van geothermie nu wellicht al interessant zijn. Het SCAN onderzoek naar geothermie zal duidelijkheid geven of geothermie bovengemeentelijk beschikbaar is. De provincie is een belangrijke partner om dit verder vorm te geven. Ook in de MRE wil men mogelijk vervolgonderzoek naar geothermie doen, waardoor er wellicht samenwerkingskansen liggen.

Zonthermie Voor gemeenten waar weinig andere duurzame bronnen beschikbaar zijn, kan het gezamenlijk verkennen van de mogelijkheden voor zonthermie relevant zijn. Ook in andere regio’s met vergelijkbare bronnensituatie speelt dit, waardoor uitwisseling van kennis mogelijk is. 2) Regionale warmtetafel inrichten (2022) Als er grote regionale bronnen (geothermie of restwarmte) beschikbaar zijn kan het nodig zijn om: ● Nadere regionale afspraken te maken over welke gebruiker welke bron kan benutten. ●

Samen te werken bij het ontwikkelen van warmtebronnen. Welke stappen kunnen gezet worden om het potentieel te ontwikkelen (bijvoorbeeld proefboringen, experimenten, financiering, netwerk)?

Op het moment dat dit aan de orde is, is aan te bevelen een regionale warmtetafel in te stellen met (vertegenwoordigers van) partijen die een warmtevraag hebben en partijen die een rol kunnen vervullen om deze vraag in te vullen (beheerders van bronnen, leveranciers en netbeheerders). Deze tafel kan een regionale warmtestrategie gaan ontwikkelen.

Provinciale ondersteuning De provincie Noord Brabant biedt de gemeenten ondersteuning met het provinciaal warmtebronnenregister, een adviseur warmte per regio en het Expertiseteam Warmte 28 28

https://www.energiewerkplaatsbrabant.nl/thema/expertiseteam+warmte+noord-brabant/1827711.aspx?t=Samenleren-in-de-warmtetransitie

DWTM19020 – Regionale Structuur Warmte RES Noordoost Brabant 37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9968353/1