Bijlage 3 Ontwerp Zienswijzennota ontwerp Programma en planMER Duurzame Polder
Tekst van het document
Ontwerp Zienswijzennota voor het ontwerp Programma en het planMER Duurzame Polder, maart 2025
Inhoud 1.
Inleiding
4
1.1 Programma en planMER Duurzame Polder
4
1.2 De opbouw van de zienswijzennota
5
1.3 De vaststellingsprocedure
5
2.
6
Samenvatting
2.1 Procedureel
6
2.2 Wijzigingen ten opzichte van het ontwerp
6
3.
8
Beoordeling van de zienswijzen
3.1 Thematische reactie
10
3.1.1 Verschillen in afstandsnormen tussen de gemeenten
10
3.1.2 Nut en Noodzaak
11
3.1.3 Elektriciteit van zee
12
3.1.4 Visualisaties
12
3.1.5 Varianten voor wind
12
3.1.6 Gezondheid
13
3.1.7 Nieuwe inzichten rondom afstand, gezondheid en stikstof
15
3.1.8 Compensatie
16
3.1.9 Natuur
16
3.1.10 Water
17
3.1.11 Onderzoek en onderbouwing alternatieve locaties
18
3.1.12 Geschiktheid gebied voor andere functies
19
3.1.13 Waardevermindering woningen
19
3.1.14 Informatie, transparantie en participatie
20
3.1.15 Leesbaarheid
20
3.1.16 Restschade na buitengebruikstelling windturbines
20
3.1.17 Cultuurhistorisch erfgoed
21
3.1.18 Economische rentabiliteit
21
3.1.19 Horizonvervuiling
21
3.1.20 Financiële Participatie
22
3.1.21 Integraliteit
22
3.2 Reactie afzonderlijke zienswijzen organisaties
23
3.2.1 Zienswijze 138 en 150 - Provincie Noord-Brabant
23
3.2.2 Zienswijze 135 en 143 Waterschap Aa en Maas
25
3.2.3 Zienswijze 156 Brabant Water
26
3.2.4 Zienswijze 148 IVN Oss
27
3.2.5 Zienswijze 108 en 154 Brabants Landschap e.a.
29
3.2.6 Zienswijze 102 en 155 Agrarische Natuurvereniging D’n Beerse Overlaet
31
3.2.7 Zienswijze 104 en 147 Windcollectief Oss-Den Bosch B.V.
32
3.2.8 Zienswijze 12 en 145 Coöperatieve Vereniging Eijgen Polder Energie U.A.
35
3.2.9 Zienswijze 95 en 158 Vereniging Behoud Lithse Polder
37
3.2.10 Zienswijze 110 en 146 Gebiedsontwikkeling ‘s-Hertogenbosch-oost Beheer B.V e.a.
43
3.2.11 Zienswijze 21 Vereniging Groen inZicht
62
3.2.12 Zienswijze 4 IVN Den Bosch
90
3.3. Reactie afzonderlijke zienswijzen particulieren
102
3.3.1 Zienswijze 5
102
3.3.2 Zienswijze 6
105
3.3.3 Zienswijze 7
106
3.3.4 Zienswijze 8
106
3.3.5 Zienswijze 9 en 144
111
3.3.6 Zienswijze 10
113
3.3.7 Zienswijze 11
116
3.3.8 Zienswijze 37
118
3.3.9 Zienswijze 40
133
3.3.10 Zienswijze 42
133
3.3.11 Zienswijze 45
134
3.3.12 Zienswijze 46
141
3.3.13 Zienswijze 50
141
3.3.14 Zienswijze 52
142
3.3.15 Zienswijze 58
143
3.3.16 Zienswijze 59 en 151
162
3.3.17 Zienswijze 63
169
3.3.18 Zienswijze 65
169
3.3.19 Zienswijze 81
170
3.3.20 Zienswijze 88 en 90
175
3.3.21 Zienswijze 96
175
3.3.22 Zienswijze 98
178
3.3.23 Zienswijze 99
178
3.3.24 Zienswijze 101
179
3.3.25 Zienswijze 113 en 159
221
3.3.26 Zienswijze 115
222
3.3.27 Zienswijze 120
223
3.3.28 Zienswijze 122
225
3.3.29 Zienswijze 127
225
3.3.30 Zienswijze 128
226
3.3.31 Zienswijze 136
233
3.3.32 Zienswijze 142
233
3.3.33 Zienswijze 149
235
3.3.34 Zienswijze 153
235
3.3.35 Zienswijze 157
236
BIJLAGE
237
1.
Inleiding
1.1 Programma en planMER Duurzame Polder Het Programma biedt de colleges van de gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch een afwegingskader voor de realisatie van windturbines in de Duurzame Polder. Het heeft een globaal karakter, omdat er nog geen concrete initiatieven zijn. Het geeft nog geen directe toestemming voor het plaatsen van windturbines, maar geeft inzicht in de voorwaarden waaronder de colleges bereid zijn medewerking te verlenen aan een afwijking van het geldende omgevingsplan om windturbines in de Duurzame Polder te realiseren. Het Programma1 geeft aan in welk deel van de Duurzame Polder in ieder geval geen windturbines mogen komen. Het gebied dat is aangeduid als voorkeursalternatief, betreft een zone waarbinnen onder voorwaarden turbines geplaatst kunnen worden. In een volgende fase kunnen initiatiefnemers een vergunning aanvragen voor de daadwerkelijke realisatie van windturbines. In deze volgende fase vindt de afzonderlijke (ruimtelijke) afweging en toetsing aan wet- en regelgeving plaats. Het Programma biedt voor de gemeente ’s-Hertogenbosch ook een afwegingskader voor andere initiatieven binnen de Ontwikkelperspectieven (zie hoofdstuk 5 van het Programma) voor het gedeelte van de Duurzame Polder op haar grondgebied. Voor het Programma is een planMilieueffectrapport (MER) opgesteld. In de vergunningenfase moet een projectMER worden opgesteld.
Het ontwerp Programma en het planMER hebben van 16 december 2024 tot en met 27 januari 2025 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode kon iedereen een zienswijze naar voren brengen. In ’sHertogenbosch zijn in totaal honderdvijfendertig zienswijzen ingediend, waarvan vier zienswijzen buiten de termijn. Drie van deze vier zienswijzen zijn inhoudelijk gelijk aan andere zienswijzen en zijn daarmee inhoudelijk afgedekt door de inhoud van deze nota. De vierde zienswijze ziet alleen op uitvoeringsaspecten en wordt in het vervolgproces betrokken. In Oss zijn achttien zienswijzen ingediend. In totaal zijn er honderddrieenvijftig zienswijzen ingediend. De gemeenteraden van 's-Hertogenbosch en Oss hebben de Duurzame Polder eerder al aangewezen als geschikte locatie voor het grootschalig opwekken van windenergie. Bij het vaststellen van het Programma wordt deze beslissing als uitgangspunt genomen. Voor onder meer geluidhinder en slagschaduw gelden nog geen nationale normen, zodat hiervoor eigen, lokale normen zullen worden vastgesteld. Deze lokale normen worden niet in het Programma vastgesteld, maar zullen in een latere
In het Programma is in paragraaf 1.4 een lijst begrippen opgenomen met hun definities. Dezelfde begrippen worden gebruikt in deze nota.
1
fase worden vastgesteld. Bij het vaststellen van deze lokale normen zal worden uitgegaan van de op dat moment beschikbare, algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten. 1.2 De opbouw van de zienswijzennota In hoofdstuk 2 wordt een samenvatting gegeven van de inhoud van dit rapport. Wijzigingen die naar aanleiding van zienswijzen zijn gemaakt, zijn in paragraaf 2.2 opgesomd. In hoofdstuk 3 worden de zienswijzen behandeld. De zienswijzen zijn samengevat en per onderwerp van een reactie voorzien. Bij de behandeling van de zienswijzen wordt aangegeven als naar aanleiding van de betreffende zienswijze het Programma wordt gewijzigd. Voor de volledigheid wordt hierbij vermeld, dat de volledige ingediende zienswijzen bij de opstelling van de antwoorden zijn betrokken. De zienswijzen, zoals deze zijn ontvangen, worden in het kader van de (verdere) besluitvorming, ook volledig gepubliceerd (geanonimiseerd). 1.3. De vaststellingsprocedure Het Programma wordt door de colleges van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch en Oss vastgesteld. Voorafgaand aan de vaststelling worden volgens afspraken met de gemeenteraden het Voorkeursalternatief (voor het grondgebied van de Gemeente ’s-Hertogenbosch) en de Ontwikkelperspectieven ter instemming voorgelegd aan de Raad van ‘s-Hertogenbosch.
In Oss wordt het Voorkeursalternatief (voor het grondgebied van de Gemeente Oss) voorafgaand aan de vaststelling van het Programma ter instemming voorgelegd aan de Raad van Oss. Met de vaststelling van het Programma komt er een einde aan de planfase voor de Duurzame Polder. In de projectfase kunnen initiatiefnemers concrete initiatieven uitwerken en vergunningen aanvragen. Bij de beoordeling van deze initiatieven toetsen de colleges aan de randvoorwaarden, zoals opgenomen in het ontwerp Programma.
2.
Samenvatting
2.1 Procedureel In dit document zijn alleen samenvattingen van alle ingediende zienswijzen opgenomen. De gemeenten kennen aan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer een groter belang toe dan aan het belang van openbaarmaking van herleidbare persoonsgegevens. Daarom is een zakelijke en niet tot personen te herleiden samenvatting van alle ingediende zienswijzen opgenomen. 2.2 Wijzigingen ten opzichte van het ontwerp Naar aanleiding van de ontvangen zienswijzen die in deze nota worden beantwoord, worden de volgende aanpassingen en aanvullingen in het Programma doorgevoerd. •
In hoofdstuk 3 (Voorkeursalternatief) zal in paragraaf 3.7 (Afweging) aandacht worden besteed aan het “Maatschappelijk Verantwoord Alternatief" dat door Windcollectief Oss-Den Bosch is ingediend als inspraakreactie op een eerder concept van het ontwerp Programma en dat een alternatieve opstelling voorstelt op het grondgebied van gemeente Oss. Het Windcollectief heeft daarbij samengewerkt met agrariërs, en natuurbeherende en beschermende organisaties. Toegelicht zal worden dat dit voorstel niet is overgenomen in het Voorkeursalternatief, maar wel is meegenomen in de afweging.
•
Als bijlage 2 van het Programma (energieopbrengstberekening Oss) is abusievelijk een verouderde versie gepubliceerd. Bij het opstellen van het ontwerp Programma en het planMER is gebruik gemaakt van de actuele en juiste versie van 28 augustus 2024. Bij het Programma zal alsnog de juiste versie van dit rapport worden gevoegd. Het heeft geen gevolgen voor de afweging en het gekozen Voorkeursalternatief.
•
In paragraaf 2.1 (gemeente ’s-Hertogenbosch) zal in paragraaf 2.1.3 (visie op gebiedsontwikkeling) onder het kopje “wonen en recreatieve beleving” worden opgenomen: “Er wordt geen ruimte geboden voor woningbouw aangrenzend aan de Groote Wielen, behalve voor de al eerder aangewezen locatie van de Bunders voor landschappelijk wonen”. De belangen van grondeigenaren in dit gebied waren bij het opstellen van het ontwerp Programma bekend en zijn in de afweging betrokken.
•
In paragraaf 4.4 Natuur wordt de zin: “Daarbij is uitgangspunt dat de inrichting van natuurgebieden en de start van het beheer vooraf dienen te gaan aan de realisatie van de Windturbines”, vervangen door: “Daarbij is uitgangspunt dat de inrichting van Compensatie-
gebieden en de start van beheer vooraf dient te gaan aan de realisatie van de Windturbines.” Daarnaast worden ambtshalve twee aanpassingen en aanvullingen in het Programma doorgevoerd: •
In paragraaf 3.7 wordt bij uitgangspunt vi ambtshalve een passage gewijzigd. De tekst: “...gezien de ligging van de weidevogelgebieden en het Ganzen- en Smientengebied binnen de Duurzame Polder zal realisatie van het voor de Opwekdoelstelling ’s-Hertogenbosch en de Restopgave Oss noodzakelijke aantal Windturbines hoe dan ook leiden tot een aantasting van Natuurwaarden. De Gemeenten zijn van mening dat het belang bij realisering van de Opwekdoelstelling ’s-Hertogenbosch en de Restopgave Oss deze aantasting rechtvaardigt, op voorwaarde dat de wettelijke vereiste Mitigatie en/of Compensatie wordt uitgevoerd” wordt gewijzigd in: “..gezien de ligging van de weidevogelgebieden en het Ganzen- en Smientengebied binnen de Duurzame Polder zal realisatie van het voor de Opwekdoelstelling ’s-Hertogenbosch en de Restopgave Oss noodzakelijke aantal Windturbines hoe dan ook leiden tot een aantasting van Natuurwaarden. De Gemeenten zijn van mening dat realisering van de Opwekdoelstelling ’s-Hertogenbosch en de Restopgave Oss zwaar weegt. Aantasting van natuurwaarden is alleen binnen de wettelijke kaders mogelijk.”
•
In hoofdstuk 5 (Integraliteit gemeente ‘s-Hertogenbosch) wordt in paragrafen 5.4.1 (inleiding) en 5.4.3 (Thema’s integrale planuitwerking) een verwijzing opgenomen naar deel C van de Visie energielandschap het Handelingsperspectief. In die Visie zijn in paragraaf 2.2 (Handelingsperspectief: waar moet een initiatief aan voldoen?) ontwerpuitgangspunten benoemd die van toepassing zijn op de integrale planuitwerking voor de Duurzame Polder.
Par. 5.1 ontwerp Programma, toevoeging onderstreept: De Gemeente ’s-Hertogenbosch heeft het uitgangspunt van een integrale gebiedsontwikkeling vastgesteld in de Visie Energielandschap – primair in par. 3.4 en 3.5 van de Visie (deel A). Dat is het toetsingskader voor integrale gebiedsontwikkeling en betekent o.a. dat het ontwikkelen van duurzame…” Par. 5.4.1 ontwerp Programma, toevoeging onderstreept: Hierbij gelden de ontwikkelperspectieven en het Handelingsperspectief als opgenomen in par. 2.2 van de Visie energielandschap deel C, als uitgangspunt.
3.
Beoordeling van de zienswijzen
Onderstaande tabel bevat een overzicht van de ingekomen zienswijzen. Een aantal zienswijzen is zowel bij ’s-Hertogenbosch als bij Oss ingediend en is daarmee dubbel opgenomen. Naam
Nr.
Zienswijzen ingediend in ‘s-Hertogenbosch Zienswijzen inwoners
1-3
Zienswijze IVN ’s-Hertogenbosch
4
Zienswijzen inwoners
5 11
Zienswijze Coöperatieve Vereniging Eijgen Polder Energie U.A.
12
Zienswijzen inwoners
13 20
Zienswijze Vereniging Groen inZicht
21
Zienswijzen inwoners
22 101
Zienswijze Agrarische Natuurvereniging D’n Beerse Overlaet
102
Zienswijze inwoner
103
Zienswijze Windcollectief Oss-Den Bosch BV
104
Zienswijzen inwoners
105 107
Zienswijze Brabant Landschap en Brabantse Milieufederatie
108
Zienswijze inwoner
109
Zienswijze Gebiedsontwikkeling 's-Hertogenbosch-oost C.V. e.a.
110
Zienswijzen inwoners
111 120
Zienswijze Stichting Strijdbaar voor Leefbaarheid
121
Zienswijze Hanegraaf GWF BV
122
Zienswijzen inwoners
123 134
Zienswijze Dagelijks Bestuur van Waterschap Aa en Maas
135
Zienswijze inwoner
136
Zienswijze Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant
138
Zienswijzen inwoners buiten termijn
137, 139 141
Zienswijzen ingediend in Oss Zienswijze inwoner
142
Zienswijze Dagelijks Bestuur van Waterschap Aa en Maas
143
Zienswijze inwoner
144
Zienswijze Coöperatieve Vereniging Eijgen Polder Energie U.A.
145
Zienswijze Gebiedsontwikkeling s-Hertogenbosch-oost Beheer B.V e.a.
146
Zienswijze Windcollectief Oss-Den Bosch B.V.
147
Zienswijze IVN Oss
148
Zienswijze inwoner
149
Zienswijze Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant
150
Zienswijze inwoner
151
Zienswijze inwoner
152
Zienswijze inwoner
153
Zienswijze Brabants Landschap en Brabantse Milieufederatie
154
Zienswijze Agrarische Natuurvereniging D’n Beerse Overlaet
155
Zienswijze Brabant Water
156
Zienswijze inwoner
157
Zienswijze Vereniging Behoud Lithse Polder
158
Zienswijze inwoner
159
In de zienswijzen komen sommige onderwerpen meerdere keren terug. Een aantal van deze onderwerpen wordt in dit hoofdstuk weergegeven in thema’s en vervolgens van een reactie voorzien. Bij de beoordeling van de afzonderlijke zienswijzen is waar nodig verwezen naar de antwoorden bij de thema’s. 3.1 Thematische reactie In deze paragraaf zijn veelvoorkomende thema’s uit de zienswijzen behandeld. Dit betreft in ieder geval de gelijkluidende zienswijzen 13 t/m 20, 22, 24 t/m 40, 42 t/m 44, 46 t/m 48, 50, 51, 53 t/m 57, 60 t/m 64, 66 t/m 76, 78 t/m 80, 82 t/m 87, 89, 91 t/m 94, 97, 100, 103, 105, 107, 109, 111, 112, 114, 116 t/m 118, 121, 123 t/m 126, 129 t/m 134, 136. Daarnaast wordt in deze paragraaf ook antwoord gegeven op bepaalde onderdelen (veelvoorkomende thema’s) van andere zienswijzen (particulieren en organisaties). In de beantwoording van zienswijzen van organisaties (paragraaf 3.2) wordt bij een aantal onderdelen daarom verwezen naar deze paragraaf. Als bijlage bij deze zienswijzennota is een tabel toegevoegd. In deze tabel kunnen particuliere indieners lezen welke onderdelen van hun zienswijzen in de thematische beantwoording zijn behandeld. In de kolommen staan de paragrafen aangeduid, in de rijen het nummer van de zienswijze. Indieners hebben dit nummer eerder al ontvangen.
Wanneer een cel gekleurd is betekent dit dat de zienswijze van de indiener onder het desbetreffende thematische antwoord is behandeld. Op een aantal zienswijzen van particulieren met niet veel voorkomende argumenten, is afzonderlijk gereageerd in de zienswijzennota (paragraaf 3.3). In de tabel in de bijlage is voor die zienswijzen, waar van toepassing, in kolom 2 het specifieke paragraafnummer van 3.3 opgenomen. 3.1.1 Verschillen in afstandsnormen tussen de gemeenten Er is sprake van (rechts)ongelijkheid doordat de afstandsnormen per gemeente verschillen, zodat bewoners in beide gemeenten op verschillende manieren blootgesteld worden aan de effecten van windturbines. Reactie Dat de normen van elkaar verschillen betekent niet dat er sprake is van rechtsongelijkheid. Elke gemeente heeft zijn eigen bevoegdheid in het vaststellen van een afstandsnorm. In de gemeente Oss is ervoor gekozen een minimale afstand van 2 kilometer tot de bebouwde kom van woonkernen te hanteren. De gemeente ’s-Hertogenbosch heeft ervoor gekozen een minimumafstand van 1 km tot de
bebouwde kom van woonkernen te hanteren. De afstandsnormen hebben geen directe relatie met de aan te houden milieunormen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Deze milieunormen zijn voor de gehele Duurzame Polder gelijk. 3.1.2 Nut en Noodzaak De keuze voor 16 Bossche windturbines moet onderbouwd worden vanuit een nut en noodzaak achtergrond. Er is geen link meer met de Regionale Energie Strategie en eerdergenoemde gemeentebesluiten. Er zijn efficiëntere manieren om in de energiebehoefte te voorzien, die minder negatieve omgevingsgevolgen meebrengen, zoals zonnepanelen op daken en kernenergie. Indieners stellen daarnaast een aantal vragen bij de RES-opgave:
•
Waarom moet meer dan RES-opgave worden opgewekt?
•
Welke gegevens zijn hierbij als grondslag gebruikt?
•
Hoeveel extra energie wordt er opgewekt?
•
Waarom is de Raad hierover laat en onvolledig geïnformeerd?
•
Wat is de relatie tussen extra opwek en de ambitie voor klimaatneutraliteit in 2045 in plaats van 2050? Is het mogelijk om klimaatneutraal te zijn in 2045 zonder extra opwek?
Reactie De gemeente ’s-Hertogenbosch wil klimaatneutraal worden, in respectievelijk 2045. Om dit te bereiken moet de gemeente 's-Hertogenbosch omschakelen naar duurzame energie. Naast deze gemeentelijke ambitie is in de Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 Noordoost Brabantook vastgelegd dat in de regio 1,6 TWh duurzame energie opgewekt moet worden. De gemeente ’s-Hertogenbosch pakt, vanwege de eigen klimaatambities, door op de opgelegde opgave uit de RES en wil die versnellen. De gemeente doet dus méér dan de minimale RES-opgave 1.0 om die klimaatneutraliteit in respectievelijk 2045 en 2050 te bereiken. De gemeente kiest ervoor om de opgave en de versnelling te realiseren met windenergie in de Duurzame Polder, te weten 16 windturbines op grondgebied van ’s-Hertogenbosch voor 2030. Deze afspraak is opgenomen in het Bestuursakkoord van de gemeente van mei 2022. De gemeenteraad heeft deze afspraak op 31 mei 2022 met een raadsbesluit bevestigd. De rijksoverheid onderzoekt de mogelijkheid om kernenergie toe te passen. De realisering van een kerncentrale is echter niet voor 2030 uitvoerbaar, daarom is het niet realistisch om voor de invulling van de energiedoelstelling voor 2030 op deze techniek te rekenen. Ook is het niet mogelijk om de energiedoelstelling volledig met zon op dak in te vullen.
Daarom is in het Klimaatakkoord afgesproken, dat we ook op land grootschalig zonne- en windenergie gaan opwekken.
3.1.3 Elektriciteit van zee De wetenschap dat de overheid grootschalig inzet op elektriciteit van zee voor het hele land is tegenstrijdig met de ambities van de gemeenten ‘s-Hertogenbosch en Oss om zelf in hun elektriciteitsbehoefte te voorzien. Reactie In het (nationale) Klimaatakkoord zijn twee doelstellingen afgesproken: in 2030 wordt 49 TWh wind op zee en 35 TWh duurzame energie op land met wind en zon opgewekt. Daarmee is de ontwikkeling van dit windpark op land niet tegenstrijdig met de ontwikkeling van grootschalige windparken op zee, maar vullen deze elkaar aan om de energiedoelstelling voor 2030 te halen. We hebben beide ontwikkelingen nodig om aan onze energievraag te kunnen voldoen. De opwek alleen op zee is niet afdoende om aan de energievraag in de toekomst te kunnen voldoen. 3.1.4 Visualisaties De visualisaties in het planMER geven een te eenzijdig en rooskleurig beeld. De door Groen inZicht gemaakte visualisaties moeten worden meegenomen in het planMER. Reactie Begin 2024 heeft Groen InZicht visualisaties gepubliceerd met het beeld van windturbines vanuit de kern van de wijk De Groote Wielen. In het planMER staan visualisaties van beelden van het landschap vanaf de randen van het stedelijk gebied. Bij het maken van deze beelden is gebruik gemaakt van hetzelfde model, maar met andere instellingen.
Groen InZicht heeft hierbij een gezichtshoek van 40 graden gehanteerd. Deze gezichtshoek past bij een stedelijke omgeving. In het planMER staan visualisaties van beelden van het landschap vanaf de randen van het stedelijk gebied. Er is een gezichtshoek van 95 graden toegepast om het effect van plaatsing van turbines op het hele landschap in beeld te brengen. Door het inzoomen en focussen ontstaat een ander perspectief. Dat is een keuze en betekent niet dat een visualisatie onjuist is. De visualisaties in het planMER geven een adequaat beeld van het landschappelijk effect. Er is geen aanleiding om andere visualisaties toe te voegen. 3.1.5 Varianten voor wind Beide gemeenten kiezen voor 100% wind in de Duurzame Polder. Hierdoor realiseren ze hun klimaatdoelen niet op windstille dagen. Er moeten varianten voor zon en/of wind worden opgesteld.
Reactie Zoals in het ontwerp Programma op pagina 24 wordt aangeduid is in het besluit van 7 juli 2020 van de Raad van ’s-Hertogenbosch ingestemd met de Visie energielandschap, waarin de Rosmalense en Nulandse polder zijn aangewezen voor grootschalige opwek van windenergie. In het Bestuursakkoord van ’s-Hertogenbosch (2022) is gekozen voor alleen windenergie in de Duurzame Polder. Voor gemeente Oss volgt dezelfde keuze voor enkel windenergie uit het Raadsbesluit van 28 januari 2021. Voor opwek met zon-op-dak of zonneweides is voor dit gebied niet gekozen. Op basis van dit bestuurlijke uitgangspunt zijn in het planMER voor Duurzame Polder uitsluitend alternatieven uitgewerkt voor energieopwek met wind. Er is geen aanleiding om alternatieven met zonne-energie toe te voegen. Het balanceren van vraag en aanbod van energie gebeurt daarnaast door het toepassen van systeemoplossingen op regionaal, nationaal en internationaal niveau en is niet slechts een gemeentelijke aangelegenheid. Dit betekent dat windstille dagen niet van significante invloed zijn. 3.1.6 Gezondheid Verschillende indieners uiten hun zorg over de effecten van windturbines op de gezondheid.
Als specifieke aandachtspunten worden genoemd infrasoon en laagfrequent geluid, afbladdering van windturbinebladeren (met name het vrijkomen van de stof Bisfenol A en andere microplastics), slagschaduw en de effecten van nachtverlichting. Reactie In hoofdstuk 7.5 van het planMER is uitgebreid ingegaan op de gevolgen van plaatsing van windturbines voor een gezonde leefomgeving, waaronder gevolgen voor de gezondheid (inclusief externe veiligheid en luchtkwaliteit), geluidbelasting, laagfrequent geluid, cumulatie van geluid en slagschaduw. Hierbij is ook de Gezondheidskundige beoordeling van de GGD betrokken (bijlage XX van het planMER). De gemeenten zijn van mening dat de gezondheidsrisico's op het strategische niveau van het planMER voldoende zijn onderzocht. Op projectniveau worden deze risico's nader onderzocht. In de onderzoeken en bij het bepalen van de op de lokale situatie toegesneden normen wordt altijd uitgegaan van de meest recente wetgeving en de beschikbare, algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten. 3.1.6.1 Geluid, laagfrequent geluid en infrasoon geluid Verschillende indieners hebben zorgen geuit en vragen gesteld over de geluidsbelasting van windturbines. De volgende zorgen komen hierbij aan bod: •
Laagfrequent en infrasoon geluid zijn niet voldoende meegenomen in het planMER.
•
De geluidsnorm van 47 dB Lden is te hoog en komt niet overeen met het ontwerpbesluit windturbines leefomgeving waarin een norm van 45 dB Lden wordt genoemd.
Reactie Laagfrequent en infrasoon geluid zijn in het planMER beschouwd in paragraaf 7.5.3. De gemeenten zijn van mening dat het planMER voor deze onderdelen voldoende informatie bevat om het Programma te kunnen vaststellen. Er wordt bij de vergunningverlening en/of project-MER uitgegaan van de meest recente wetgeving en de beschikbare, algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten. In het ontwerpbesluit windturbines leefomgeving is een streefwaarde van 45 dB Lden voorgesteld, en een maximale waarde van 47 dB Lden. Op dit moment geldt deze norm nog niet. In het planMER zijn daarom de geluidbelasting en het aantal geluidgehinderden voor verschillende geluidsniveaus onderzocht (paragraaf 7.5.2 planMER). In het geval er nog geen landelijke geluidsnormen zijn vastgesteld, zullen de gemeenten op de lokale situatie toegesneden geluidsnormen vaststellen. Dit dient te gebeuren voorafgaand aan de vergunningverlening. Voor het geval er niet tijdig landelijke geluidsnormen worden vastgesteld, is in het Programma opgenomen dat de gemeenten bij de vergunningverlening voor de woningen zullen aansluiten bij een streefwaarde van45 dB Lden.
Daarnaast is opgenomen dat een geluidsbelasting van maximaal 47 dB Lden is toegestaan als Initiatiefnemers kunnen onderbouwen dat het onmogelijk is bij handhaving van de streefwaarde van45 dB Lden de Opwekdoelstelling ’s-Hertogenbosch en/of de Restopgave Oss te halen. 3.1.6.2 Afbladdering en Bisfenol A Veel indieners hebben zorgen geuit over de potentiële afbladdering van de windturbinebladen (slijtage van wieken van een windturbine). Hierbij heerst vooral de vrees voor het vrijkomen van de stof Bisfenol A (BPA) en microplastics. Dit zou tot negatieve gezondheidseffecten kunnen leiden. Ook zijn er zorgen dat deze stoffen in de natuur, waaronder het drinkwaterwingebied, terechtkomen. Reactie In het planMER worden de gevolgen van de verspreiding van schadelijke stoffen (waaronder Bisfenol A) beschreven in paragraaf 7.5.1 en de effecten van windturbines op water (waaronder ook beschermde drinkwaterwingebieden) in paragraaf 7.2.2. Op basis van de resultaten van een proefberekening (bijlage XI bij het planMER) wordt geconcludeerd dat slijtage van windturbinebladen geen significante invloed heeft op de luchtkwaliteit. De gemeenten hebben geen redenen te twijfelen aan de juistheid van dit onderzoek en gaan ervan uit dat deze conclusie ook geldt voor de bodem- en
waterkwaliteit omdat de emissies via de lucht worden verspreid. In het vervolgtraject zullen de gemeenten steeds uitgaan van de beschikbare, algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over dit onderwerp. 3.1.6.3 Slagschaduw Verschillende indieners hebben zorgen geuit over de aanwezigheid en de gevolgen van slagschaduw op de omgeving. Reactie De gemeenten erkennen dat de slagschaduw van windturbines hinder kan opleveren, wat een effect kan hebben op het welzijn van bewoners. Bij de normering wordt hiermee rekening gehouden. In het planMER zijn de slagschaduw-effecten (worst-case) in beeld gebracht. Pas in de vergunningsfase kunnen de daadwerkelijk te verwachten effecten beoordeeld worden. Daarbij moet worden voldaan aan de dan geldende wettelijke normen. 3.1.6.4 Nachtverlichting Verschillende indieners uiten zorgen over lichthinder ten gevolge van de nachtverlichting van de windturbines. Reactie Obstakelverlichting heeft tot doel te voorkomen dat een luchtvaartuig tegen een windturbine kan vliegen. In de vergunningsfase zal in overleg met de Inspectie Leefomgeving en Transport worden beoordeeld of het gebruik van naderingsdetectie mogelijk is om de hinder van de obstakelverlichting te beperken.
In de vergunningsfase zal op basis van de concrete aanvraag/aanvragen worden beoordeeld of realisering van de betreffende windturbines zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woongenot. Deze beoordeling is nu nog niet mogelijk, omdat de daadwerkelijke locatie van de windturbines nog niet bekend is. 3.1.7 Nieuwe inzichten rondom afstand, gezondheid en stikstof Er moet in het planMER nadrukkelijk rekening gehouden worden met nieuwe inzichten: bijvoorbeeld nieuwe afstands-/geluidsnormen windturbines, nieuw landelijk en Europees beleid en de recente uitspraken van de Raad van State met betrekking tot gezondheidseffecten en stikstof.
Reactie In het planMER zijn nieuwe inzichten, landelijke (ontwerp)afstandsnormen en uitspraken van de Raad van State meegenomen. De recente uitspraken van de Raad van State over interne saldering hebben geen directe gevolgen voor de inhoud van het planMER. In de fase van de vergunningaanvraag zal nader onderzocht worden wat de effecten zijn op beschermde natuur. Het uitvoeren van een stikstofberekening is hier onderdeel van. 3.1.8 Compensatie In het planMER wordt gesproken over compensatie bij negatieve milieueffecten. Er wordt niet gesproken over de wijze waarop die wordt vastgesteld, voor wie deze bedoeld is en door wie deze betaald wordt. Reactie Het is van belang een onderscheid te maken tussen compensatie bij negatieve milieueffecten en eventuele nadeelcompensatie. Met compensatie bij negatieve milieueffecten wordt bedoeld dat wanneer een negatief milieueffect optreedt, dit effect gecompenseerd kan worden, bijvoorbeeld door de realisatie van nieuwe natuurwaarden. In het ontwerp Programma, in het planMER en de onderliggende onderzoeken zijn de mogelijke gevolgen voor milieu, natuur en leefomgeving beschreven en is aangeduid dat – als significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten – deze moeten worden gemitigeerd of gecompenseerd. Het Programma bindt de gemeenten om nauwlettend toe te zien op deze aspecten bij de toetsing van toekomstige vergunningaanvragen.
Hoofdstuk 10 van het planMER gaat dieper in op mogelijke vormen van compensatie. In de volgende fase zullen concrete maatregelen voor mitigatie en compensatie worden beschreven en beoordeeld. 3.1.9 Natuur Verschillende indieners uiten zorgen over potentiële ecologische schade en verstoring van de natuur. Hierbij komen de volgende thema’s veelvoudig aan bod: •
Zorgen over (beschermde) weidevogels, wintergasten en vleermuizen, en;
•
Verstoring van Natuur Netwerk Brabant- (hierna NNB) en Natura-2000 Gebieden.
Reactie De zorg voor de gevolgen van windturbines voor de natuur is integraal onderdeel van de realisatie van het project. In het ontwerp Programma, het planMER en de onderliggende onderzoeken zijn mogelijke significante negatieve effecten, op hoofdlijnen, beschreven voor milieu, natuur, leefomgeving en landschap. Het Programma bindt de colleges om nauwlettend toe te zien op de gevolgen bij de toekomstige vergunningaanvragen. Het is niet zinvol om de gevolgen op Programmaniveau en in het planMER meer concreet te onderzoeken. Dit gebeurt in de vergunningenfase. Dan pas is bekend waar de windturbines exact geplaatst worden en wat de effecten daarvan zijn voor de natuur. Ten aanzien van weidevogels en wintergasten zijn volgens de uitgevoerde onderzoeken inderdaad effecten te verwachten. In het projectMER/de vergunningsfase zal moeten worden onderzocht wat de daadwerkelijke effecten zullen zijn. Indien er effecten zijn, moeten die conform de wet- en regelgeving worden gemitigeerd en/of gecompenseerd. Ook ten aanzien van de NNB- en Natura-2000 gebieden zijn volgens de uitgevoerde onderzoeken effecten te verwachten. Er wordt primair verwezen naar paragraaf 4.4 van het Programma.
In het project-MER/de vergunningsfase zal met een nieuwe passende beoordeling moeten worden onderzocht of er daadwerkelijk negatieve gevolgen zullen zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen van de NNB- en Natura 2000-gebieden. 3.1.10 Water Verschillende indieners hebben zorgen geuit over de effecten van het project de Duurzame Polder op beschermde watergebieden. Hierbij kwamen de volgende opmerkingen aan bod: •
De aanwezigheid van het waterwingebied in de polder is niet (voldoende) onderzocht;
•
De aanwezigheid van het grondwaterbeschermingsgebied in de polder is niet (voldoende) onderzocht;
•
Er is niet genoeg rekening gehouden met effect van de plaatsing van windturbines op waterberging in de polder;
•
Er is niet genoeg rekening gehouden met de aanwezigheid van KRW-Wateren.
Reactie Waterwingebied
Het waterwingebied is een wettelijk beschermd gebied omdat hier drinkwater wordt gewonnen. Deze bescherming volgt uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Er mogen in dit gebied geen werkzaamheden in of op de bodem plaatsvinden. Dit betekent dat hier geen windturbines geplaatst mogen worden. Deze randvoorwaarde is meegenomen in de overwegingen voor alle alternatieven (paragraaf 7.2.2 planMER). Het voorkeursalternatief overlapt dan ook niet met het waterwingebied (paragraaf 14.3.2 planMER). Grondwaterbeschermingsgebied Het grondwaterbeschermingsgebied is een ‘schil’ rondom het waterwingebied met als doel de kwaliteit van grondwater binnen het waterwingebied te beschermen. Hier mogen alleen onder strikte voorwaarden activiteiten in de bodem worden uitgevoerd. Dit is meegenomen in het planMER en de beoordeling van de daarin opgenomen alternatieven (Paragrafen 0.3.2 en 7.2.2). Waterberging In paragraaf 7.2.3 van het planMER wordt de invloed van de plaatsing van windturbines op waterberging onderzocht. In de polder zijn (provinciale) reserveringsgebieden voor waterberging aanwezig. Wanneer een windturbine geplaatst wordt, is er een toename in verhard oppervlak. Dit betekent dat er minder bodemoppervlak beschikbaar is voor waterberging. Deze reserveringsgebieden zijn echter nog niet definitief aangewezen om een waterbergingsopgave op te lossen.
Dit aspect is meegenomen in het onderzoek naar de verschillende alternatieven en de beoordeling van het voorkeursalternatief (paragraaf 14.3.2 planMER). KRW-wateren In paragraaf 14.4 van het planMER is aangegeven dat in de uitwerking van concrete projecten rekening moet worden gehouden met de eventuele effecten op de kwaliteit van KRW-wateren. In de vergunningsfase zal beoordeeld worden welke effecten windturbines zullen hebben, welke chemische parameters relevant zijn en welke maatregelen nodig zijn. 3.1.11 Onderzoek en onderbouwing alternatieve locaties De locatiekeuze voor de polder als locatie is onvoldoende onderbouwd. Alternatieve locaties zijn onvoldoende onderzocht. Reactie In paragraaf 1.1.5 van het planMER is de keuze voor de Duurzame Polder als locatie voor grootschalige opwek van windenergie gemotiveerd. Gezien ook het advies van de Commissie voor de
milieueffectrapportage van 10 maart 2025 is dit onderdeel van het planMER aangevuld met een oplegnotitie die als bijlage bij het Programma is gevoegd. 3.1.12 Geschiktheid gebied voor andere functies Door een grootschalig windturbinepark wordt het gebied nagenoeg ongeschikt voor andere functies zoals woningbouw en laagvlieggebied voor Defensie. Radarverstoring is nadelig voor de nationale veiligheid. Reactie Het gebied heeft een primair agrarisch karakter. Dit betekent dat woningbouw hier niet is toegestaan. Bij de afweging van alle betrokken belangen is rekening gehouden met het laagvlieggebied en de radarinstallaties van Defensie (zie paragraaf 3.2.4 en paragraaf 3.7, onder iv, van het Programma). De gemeenten hebben in de afweging meegenomen dat het belang bij realisatie van de windturbines rechtvaardigt dat een gedeelte van de Duurzame Polder niet meer kan worden gebruikt als laagvlieggebied. Er is aan het planMER een modelberekening toegevoegd over de mogelijke radarverstoring. In de fase van vergunningverlening zal de mogelijke radarverstoring nader onderzocht moeten worden. Bij de uitwerking van hun plannen dienen initiatiefnemers de op het gebied van radarverstoring relevante regels in acht te nemen. 3.1.13 Waardevermindering woningen Een aantal indieners geeft aan dat naar verwachting de waarde van hun woning zal dalen door het project De Duurzame Polder.
Hierbij wordt ook gevraagd om potentiële compensatie voor deze waardedaling. Reactie Het (al dan niet) toekennen van compensatie voor eventueel waardeverlies van woningen komt in een latere fase aan de orde. Het Programma staat de realisering van windturbines nog niet toe. Dat gebeurt pas bij verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het omgevingsplan. Nadeelcompensatieverzoeken worden door een onafhankelijke adviseur beoordeeld, waarbij wordt meegewogen in hoeverre de ontwikkeling voorzienbaar was. Bij het bepalen van de schade wordt rekening gehouden met het normale maatschappelijke risico.
3.1.14 Informatie, transparantie en participatie Verschillende indieners geven aan niet genoeg geïnformeerd te zijn, niet genoeg inbreng gehad te hebben of dat er niet naar de inbreng geluisterd is. Reactie Het open plan- en omgevingsparticipatieproces is een belangrijk uitgangspunt voor het project Duurzame Polder. De gemeenten zijn zich ervan bewust dat er zorgen zijn en dat de impact van dit project aanzienlijk is. De gemeenten hebben begrip voor deze zorgen. De gemeenten houden daar zoveel mogelijk rekening mee in het Programma. De gemeenten vinden het van groot belang dat iedereen in de omgeving van het project kan meedenken en meewerken aan de planvorming. Om die reden is een uitgebreid informatie-, participatie- en consultatietraject uitgevoerd en hebben organisaties meegewerkt aan diverse ateliers in het kader van ontwerpend onderzoek, zoals beschreven in hoofdstuk 7 van het Programma. De gemeenten betreuren het als indieners desondanks het gevoel hebben niet te zijn gehoord. 3.1.15 Leesbaarheid Een aantal indieners geeft aan de afbeeldingen en tabellen in het planMER door de resolutie lastig te kunnen lezen. Reactie Het planMER, inclusief afbeeldingen en tabellen, is goed leesbaar te raadplegen in de bijlagen bij het Gemeenteblad van 's-Hertogenbosch van 13 december 2024 en het Gemeenteblad van Oss van 16 december 2024.
3.1.16 Restschade na buitengebruikstelling windturbines Een aantal indieners uit zorgen over ecologische schade bij afbraak van de windturbines en opslag van de afgebroken turbineonderdelen. Reactie Volgens provinciale regels dienen na 25 jaar de windturbines te worden verwijderd. Er moet financiële zekerheid worden gesteld dat de windturbines worden verwijderd en dat de vóór verlening van de vergunning bestaande toestand wordt hersteld. Initiatiefnemers moeten bij hun vergunningaanvraag een plan indienen voor deze afbouw, met het oog op minimale ecologische schade.
3.1.17 Cultuurhistorisch erfgoed Indieners wijzen erop dat cultuurhistorische waarde in de polder tenietgaat door het plaatsen van windturbines. Reactie De gemeenten Oss en 's-Hertogenbosch zien cultuurhistorie als één van de belangrijke beleidsprincipes, met name voor het buitengebied. In het MER wordt beschreven of de inrichtingsvarianten effecten hebben op de bestaande cultuurhistorische waarden. Ook effecten op niet beschermde cultuurhistorische waarden als historisch groen, verkavelingsstructuren en zandwegen zijn onderzocht (zie paragraaf 4.2.2 van het planMER). Diverse cultuurhistorische eenheden in het plangebied zijn in kaart gebracht, waaronder de Beerse Overlaat, vier eendenkooien, de Maasdijk, de Roode Wetering en de Hertogswetering. In paragraaf 7.1.4 zijn de effecten op cultuurhistorische waarden onderzocht bij de inpassing van de windturbines. Cultuurhistorische elementen kunnen negatief beïnvloed worden door de plaatsing van windturbines. In paragraaf 10.2.2 worden de mogelijke mitigerende maatregelen en aandachtspunten voor het aspect cultuurhistorische waarden beschreven. De negatieve effecten zijn te mitigeren door de situering of plaatsing van de turbines. 3.1.18 Economische rentabiliteit Een aantal indieners geeft aan dat windturbines economisch niet winstgevend of rendabel zijn. Ze wijzen daarbij op de afhankelijkheid van windturbines van subsidies.
Reactie De gemeenten hebben geen redenen te twijfelen aan de financiële uitvoerbaarheid van het project en wijzen op het belang van windenergie voor de energietransitie. 3.1.19 Horizonvervuiling Een aantal indieners geeft aan dat de plaatsing van windturbines leidt tot horizonvervuiling.
Reactie Het is duidelijk dat windturbines impact zullen hebben op het landschap en de leefomgeving. Dit belang is meegenomen in de integrale belangenafweging. Om de impact op het landschap te beperken is een aantal randvoorwaarden opgenomen in hoofdstuk 4 van het Programma, waaraan toekomstige plannen getoetst zullen worden. 3.1.20 Financiële Participatie Verschillende indieners geven aan dat het Programma niet voldoende ingaat op financiële participatie en lokaal eigendom. Reactie Financiële participatie vormt een belangrijk onderdeel van het project. De gemeenten vinden het van belang dat diegene die lasten ondervinden, hier ook lusten van kunnen krijgen. De voorwaarden voor financiële participatie van de omgeving zijn per gemeente uitgewerkt in paragraaf 4.1 van het ontwerp Programma. 3.1.21 Integraliteit Verschillende indieners geven aan dat het planMER onvoldoende aandacht geeft aan de integraliteit van de opgave in de Duurzame Polder. Er wordt gesteld dat het bouwen van de windturbines en de financiële interesses van de initiatiefnemers leidend lijken te zijn. Reactie De gemeenten erkennen het belang van een integrale beoordeling. Bij de uitwerking van de energieopgave voor Duurzame Polder wordt rekening gehouden met diverse waarden en belangen. De duurzame energieopgave vormt de basis voor planvorming en de MER-procedure.
Er wordt integraal gekeken naar aspecten zoals natuur, wonen, klimaatadaptatie, landbouw, recreatie en cultuurhistorie, waarbij ontwerpend onderzoek leidt tot integrale gebiedsbeelden (alternatieven). Deze beelden zijn onderzocht en vergeleken in het planMER, met input van belangenorganisaties. Het planMER behandelt onder 8.10 het thema integraliteit, dat bestaat uit vier aspecten: het koppelen van mitigatiemaatregelen, het benutten van meekoppelkansen tussen thema's zoals klimaatadaptatie, het verbinden van thema's voor gebiedsontwikkeling en het realiseren van meerwaarde in het gebied. Daarnaast zijn de ruimtelijke principes van gebiedsontwikkeling in
hoofdstuk 12 en 12 van het planMER beschreven en beschouwd.3.1.22 Afstand tot woningen en bedrijven binnen de polder Verschillende indieners vragen zich af waarom voor de bewoners van de dorpskernen een minimale afstand van één of twee kilometer aangehouden wordt en voor bewoners van het buitengebied niet. Ze geven hierbij aan dat er sprake is van rechtsongelijkheid omdat de effecten op de gezondheid van bewoners van het buitengebied minder zwaar zouden wegen dan de gezondheidseffecten op bewoners van de kernen. Reactie De gemeenten vinden een minimale afstand tot de dorpen belangrijk om het aantal omwonenden dat hinder kan ondervinden, sterk te beperken. Voor de woningen in het buitengebied kunnen niet dezelfde minimale afstanden worden aangehouden, omdat er dan geen ruimte meer overblijft voor windturbines. Dit betekent niet dat de gemeenten de gezondheid van bewoners van het buitengebied minder belangrijk vinden. Bij de beoordeling van een concreet initiatief zullen de gemeenten dit belang meenemen. Bij de beoordeling of realisering van een windturbine in de directe nabijheid van een woning in het buitengebied aanvaardbaar is, zullen de gemeenten aansluiten bij de geldende landelijke normen (zie ook paragraaf 4.3 van het Programma).
Voor geluidhinder, schaduwhinder, veiligheidsrisico's en lichtschittering zullen de gemeenten lokale normen hanteren zolang er geen nieuwe landelijke normen zijn. De gemeenten gaan uit van de beschikbare algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten. Conclusie van deze zienswijzenonderdelen Deze zienswijzenonderdelen zijn, gelet op bovenstaande, ongegrond en geven geen aanleiding tot aanpassing van het Programma en/of planMER. 3.2 Reactie afzonderlijke zienswijzen organisaties 3.2.1 Zienswijze 138 en 150 - Provincie Noord-Brabant 1. Ganzen, smienten en weidevogels. Geadviseerd wordt nog eens goed te kijken naar de motivering waarom niet wordt gekozen voor het alternatief dat de natuur het meest beschermt. Een mitigatie- en compensatieplan biedt mogelijkheden en perspectief om zowel het windpark te realiseren als de weidevogelpopulatie en andere natuurwaarden te behouden en te versterken. Dit plan dient op voorhand te worden uitgevoerd en moet borgen dat er een aaneengesloten oppervlakte met rust- en foerageergebied ter compensatie beschikbaar is van minimaal dezelfde grootte als het bestaande gebied.
Reactie Het Programma bevat een integrale belangenafweging op hoofdlijnen. Het belang bij behoud van de natuur weegt zwaar, maar er zijn ook andere belangen waaraan de gemeenten een groot gewicht toekennen. Er wordt verwezen naar de motivering in paragraaf 3.7 van het Programma. Dit betekent dat hier niet wordt gekozen voor het alternatief dat de natuur het meest beschermt. De realisatie van het noodzakelijke aantal windturbines zal hoe dan ook leiden tot een aantasting van natuurwaarden. De eventuele schade dient volgens de wettelijke eisen gemitigeerd en/of gecompenseerd te worden. In dit verband wijzen op de randvoorwaarden die in hoofdstuk 4 van het Programma zijn opgenomen. De gemeenten wijzen verder erop dat niet eerder met het opstellen en uitvoeren van een mitigatieen compensatieplan kan worden gestart, dan nadat concrete initiatieven kenbaar zijn gemaakt. Op dat moment kan concreet worden beoordeeld welke mitigatie- en compensatiemaatregelen nodig zijn. 2. Aardkundige waarden De mate waarin sprake is van een effect op het Peelrandbreukstelsel is afhankelijk van de exacte positionering van de windturbines ten opzichte van de breuk. Verzocht wordt de Peelrandbreuk op te nemen in het Programma. Reactie Hoofdstuk 3 van het Programma bevat een korte samenvatting van alle betrokken belangen. Daarbij is onder meer aandacht besteed aan het planMER.
De Peelrandbreuk is beschreven in het planMER (zie afbeelding 7.3) en is meegenomen bij de integrale belangenafweging. In de vergunningsfase kan beter worden beoordeeld welke effecten windturbines zullen hebben op het Peelrandbreukstelsel. Hiervoor is opname van de ligging van de Peelrandbreuk in het Programma niet nodig. 3. Cultuurhistorie Voor het grondgebied van de gemeente Oss is niets opgenomen over de betekenis van het cultuurhistorisch waardevolle gebied tussen ‘s-Hertogenbosch en Grave.
Reactie De op het grondgebied van Oss aanwezige cultuurhistorische waarden zijn beschreven in het planMER en zijn meegenomen bij de integrale belangenafweging. In de vergunningsfase zal rekening moeten worden gehouden met deze waarden. Conclusie Deze zienswijze is, gelet op bovenstaande, ongegrond en geeft geen aanleiding tot aanpassing van het Programma en/of planMER. 3.2.2 Zienswijze 135 en 143 Waterschap Aa en Maas 1. KRW-opgaven Er ontbreekt een onderbouwing van de effecten op de Kaderrichtlijn Water doelstellingen. Om mogelijke effecten op de waterkwaliteit te kunnen monitoren, is een nulmeting nodig naar de aanwezigheid van relevante chemische parameters, zoals Bisfenol-A. Reactie In paragraaf 14.4 van het planMER is aangegeven dat in de uitwerking van concrete projecten rekening moet worden gehouden met de eventuele effecten op de kwaliteit van KRW-wateren. In de vergunningsfase kan beter worden beoordeeld welke effecten windturbines zullen hebben, welke chemische parameters relevant zijn en welke maatregelen nodig zijn. De gemeenten waarderen de suggestie van het waterschap voor een nulmeting en stellen voor dit in het vervolgtraject mee te nemen. De gemeenten zullen met het waterschap in overleg treden of en wanneer een onderzoek uitgevoerd kan worden dat leidt tot meetbare uitkomsten op een moment kort voor realisatie. 2.
Gesprek over maatregelen De initiatiefnemer moet vroegtijdig in gesprek met het waterschap over mitigerende en compenserende maatregelen voor de ecologische verbindingszone, de doelsoorten (waaronder weidevogels) en wijzigingen aan oppervlaktewater. Bij maatregelen die een hydrologisch effect hebben of beogen, moet het peilbesluit in acht worden genomen. Reactie De gemeenten onderschrijven dat de initiatiefnemer vroegtijdig in gesprek moet met het waterschap. Het Programma is niet het geschikte document om te beschrijven hoe dit gesprek moet plaatsvinden.
Niettemin zijn in het Programma wel toetsingscriteria en koppelkansen opgenomen om initiatiefnemers hierin te sturen. 4. Zoneringen water Op de kaarten in het planMER ontbreken het profiel van vrije ruimte van oppervlaktewateren, de ligging van primaire en overige waterkeringen, de aanduiding van het reserveringsgebied waterberging, beschermd gebied, attentiegebied, invloedsgebied en wijstgebied. Reactie In paragraaf 7.4.3 van het planMER is aandacht besteed aan de effecten op waterkeringsveiligheid. In par 7.2.3 zijn de effecten op de reserveringsgebieden voor waterberging opgenomen. In paragraaf 4.2.4 zijn alle waterkeringen in het gebied aangegeven op kaart. Voor de integrale belangenafweging in het Programma is het aangeven van de genoemde zoneringen niet nodig. Deze zoneringen zullen in de vergunningsfase expliciet worden meegenomen. 5. Grote modderkruiper In het planMER is niet onderbouwd waarom negatieve effecten op de grote modderkruiper tijdens de gebruiksfase van windturbines zijn uitgesloten. Reactie In de vergunningenfase kunnen de eventuele effecten van windturbines op de grote modderkruiper beter worden beoordeeld. Conclusie Deze zienswijze is, gelet op bovenstaande, ongegrond en geeft geen aanleiding tot aanpassing van het Programma en/of planMER. 3.2.3 Zienswijze 156 Brabant Water 1.
Waterleiding Aandacht wordt gevraagd voor de waterleiding tussen het waterproductiebedrijf in Lith tot OssNoord.
Reactie De ligging van de drinkwaterleiding is bekend. Met deze leiding wordt rekening gehouden. Conclusie Deze zienswijze is, gelet op bovenstaande, ongegrond en geeft geen aanleiding tot aanpassing van het Programma en/of planMER. 3.2.4 Zienswijze 148 IVN Oss 1. Bestuurlijke grondslag Het voorgestelde VKA is niet gebaseerd op een zorgvuldig proces. Een beleidsmatige onderbouwing voor molens in de Duurzame Polder ontbreekt. Het provinciaal beleid is gericht op de bescherming van weide- en akkervogelgebieden. Het VKA is niet te rijmen met dit beleid. Ook de bestuursrechtelijke basis ontbreekt, omdat Oss ten tijde van het raadsbesluit niet het bevoegde gezag was. Reactie De beleidsmatige onderbouwing van de realisering van windturbines in de Duurzame Polder is neergelegd in de Gebiedsvisie Vitaal Buitengebied van 7 oktober 2021. Daarbij is aangesloten bij het besluit van de raad van de gemeente Oss van 28 januari 2021. In dat besluit is de Duurzame Polder geschikt geacht en aangewezen voor het grootschalig opwekken van windenergie. Het VKA past binnen het provinciale beleid zoals vastgelegd in de Brabantse Omgevingsvisie. De provincie onderschrijft het grote maatschappelijke belang van de energietransitie voor Brabant. De Duurzame Polder is een kansrijke plek om een substantiële bijdrage te leveren aan deze energietransitie.
Bij het bepalen van de daadwerkelijke locaties van de windturbines zal rekening worden gehouden met de beschermde weide- en akkervogelgebieden. Het raadsbesluit van 28 januari 2021 is tot stand gekomen na een gezamenlijke verkenning van de gemeenten Oss en Den Bosch en de provincie Noord-Brabant van de mogelijkheden voor grootschalige opwekking van duurzame energie. Dit besluit kan ten grondslag worden gelegd aan het Programma. Dit besluit vormt niet het voornemen en de kennisgeving van de participatie voor de vaststelling van het Programma (stap 1 als bedoeld in de bestuursovereenkomst). Voor het nemen van het raadsbesluit is de bevoegdheidstoedeling als bedoeld in de bestuursovereenkomst niet relevant. De gemeenteraad is bevoegd binnen haar grondgebied gebieden aan te wijzen voor het grootschalig opwekken van windenergie. De bevoegdheid als bedoeld in de bestuursovereenkomst
heeft betrekking op de coördinatiebevoegdheid en de bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning. 2. Flora, fauna en landschap onvoldoende meegewogen De schade voor flora, fauna en landschap is niet in beeld gebracht en er is geen integrale belangenafweging geweest. De vraagtekens rondom aantal en opstelling zijn geen reden om de schade aan de natuur niet te bepalen. Het VKA houdt onvoldoende rekening met de unieke landschappelijke kwaliteiten. De locatiekeuze voor een windpark in de Duurzame Polder is onvoldoende onderbouwd. Het VKA is onvoldoende gebaseerd op (wetenschappelijke) inzichten en kennis. Er ontbreekt een afdoende kader voor de uitwerking van het VKA (voorwaarden voor mitigatie en compensatie). Reactie Het natuurbelang is in de integrale belangenafweging meegenomen en is zwaarwegend in de verdere uitwerking. In dit verband wordt verwezen naar de randvoorwaarden, zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van het Programma. In deze randvoorwaarden is onder andere opgenomen dat de in de Duurzame Polder aanwezige populatie weidevogels behouden moet blijven. Het Programma strekt niet verder dan het aanwijzen van een zoekgebied voor de plaatsing van windturbines. Het is aan initiatiefnemers met een voorstel te komen dat past binnen de natuurregelgeving en de opgenomen randvoorwaarden.
In de vergunningsfase kan beter worden beoordeeld welke effecten de windturbines zullen hebben en welke mitigatie en compensatie nodig is en hoeveel. Ook het landschapsbelang is meegenomen in de integrale belangenafweging. In de randvoorwaarden, zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van het Programma, is onder meer opgenomen dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de structuren van het landschap in de Duurzame Polder. Naar aanleiding van het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage is het planMER op het punt van de locatiekeuze aangevuld. In verband met het abstractieniveau van het Programma vinden de gemeenten een verdere uitwerking van de varianten op het aspect natuur niet zinvol. Uit het planMER volgt welke natuurwaarden aanwezig zijn en welke beperkingen deze waarden opleveren voor de plaatsing van windturbines. Een gedetailleerder onderzoek zal niet leiden tot de aanwijzing van een ander zoekgebied. Een beoordeling welke opstelling past binnen natuurregelgeving en welke natuurcompensatie hiervoor nodig is, zal in een volgende fase worden gedaan. Hiervoor zal een (project-)MER worden opgesteld dat meer diepgang zal hebben.
Conclusie Deze zienswijze is, gelet op bovenstaande, ongegrond en geeft geen aanleiding tot aanpassing van het Programma en/of planMER. 3.2.5 Zienswijze 108 en 154 Brabants Landschap e.a. 1. Samenwerking met grondeigenaren en bescherming van weide- en akkervogels Er zijn kansen voor jarenlange bescherming van weide- en akkervogels, maatwerk en borging van de samenwerking met grondeigenaren en initiatiefnemers. Deze kansen ontbreken in het ontwerp Programma, waardoor risico’s ontstaan voor zowel de samenwerking als de bescherming van weideen akkervogels in het gebied. Reactie De gemeenten onderschrijven dat er kansen zijn voor jarenlange bescherming van weide- en akkervogels en borging van de samenwerking met de grondeigenaren. In het vervolgtraject zal zorgvuldig worden omgegaan met de weide- en akkervogels in het gebied. Er wordt in dit verband verwezen naar de randvoorwaarden zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van het Programma. De gemeenten zijn van mening dat de gemeenten in de belangenafweging en bij het formuleren van de randvoorwaarden voldoende gewicht hebben toegekend aan het natuurbelang. Op dit moment kan het gevraagde perspectief voor grondeigenaren nog niet worden gegeven, omdat de concrete locatie van de windturbines nog niet bekend is. De gemeenten nodigen indieners uit om deel te nemen aan het vervolgtraject. 2.
Maatschappelijk Verantwoord Alternatief (MVA) In het planMER ontbreekt een beoordeling van het MVA. Reactie In het MER is gekozen voor thematische varianten om beter inzicht te krijgen in de verschillende, in het gebied aanwezige belangen. Dit inzicht geeft de mogelijkheid tot een betere integrale belangenafweging te komen. Het MVA is een interessant alternatief, maar bij het opstellen van dit alternatief zijn niet alle relevante belangen betrokken. Zo is geen rekening gehouden met de belangen van Defensie bij gebruik van de Duurzame Polder als laagvliegroute. Ook voldoet dit alternatief niet aan het uitgangspunt dat in de Duurzame Polder alleen plaats is voor de restopgave van Oss. Dit betekent dat een beoordeling van
het MVA voor het Programma weinig meerwaarde heeft. Voor de volledigheid zijn de milieueffecten van het MVA beoordeeld en wordt het MVA expliciet meegenomen in het Programma. 3. Verplaatsing leefgebied weidevogels Een verplaatsing is slechts beperkt mogelijk en hiervoor is draagkracht nodig binnen het gebied en van grondeigenaren. Compensatie achteraf kan niet, zodat nu actie moet worden ondernomen. Men kan ervoor kiezen meer dan het wettelijke minimum te investeren. Reactie De gemeenten onderkennen dat voor verplaatsing van leefgebied van weidevogels draagkracht binnen het gebied en medewerking van grondeigenaren nodig is. Het is aan initiatiefnemers een plan in te dienen dat hiermee rekening houdt. Er kan niet eerder met het opstellen en uitvoeren van een mitigatie- en compensatieplan worden gestart, dan nadat concrete initiatieven kenbaar zijn gemaakt. Op dat moment kan ook beter worden beoordeeld welke mitigatie- en compensatiemaatregelen nodig zijn. 4. Eén Duurzame Polder Er lijken twee projecten te ontstaan (verschillende afstandscriteria ten opzichte van woonkernen, weging natuur ten opzichte van primair landbouwgebied en haalbaarheid van een project). Natuur, vogels en soorten kennen geen gemeentegrenzen. Afstemming tussen de initiatieven in Oss en ’sHertogenbosch is essentieel, bijvoorbeeld door één integrale projectMER te maken.
Reactie In het ontwerp Programma en het planMER is de Duurzame Polder als één geheel beschouwd en beoordeeld. De gemeenten zijn het met indiener eens dat de natuur zich niet houdt aan gemeentegrenzen en dat effecten van de windturbines verder kunnen reiken dan de gemeente op wiens grond zij worden geplaatst. In de fase ven vergunningverlening zal de omvang van het projectMER worden bepaald. Bij twee projecten zal rekening moeten worden gehouden met de samenhang tussen de projecten en de cumulatieve effecten voor de natuur. Dit betekent dat afstemming nodig zal blijven over maatregelen en compensatie. In paragraaf 4.3 van het Programma zijn hiervoor randvoorwaarden opgenomen.
5. Perspectief Het ontwerp Programma biedt boeren te weinig perspectief. De doelen natuurinclusieve windenergie, natuurbehoud en de landbouwtransitie moeten gelijkwaardig een plaats krijgen. Zonder perspectief komen de investeringsmogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer en landbouwtransitie onder druk te staan. Reactie In hoofdstuk 5, de daarmee samenhangende Ontwikkelperspectieven in de bijlage (’sHertogenbosch), en in hoofdstuk 6 (Oss) zijn voor de boeren diverse globale perspectieven in het Programma opgenomen. Het is aan initiatiefnemers een plan in te dienen dat rekening houdt met de natuur en met een verantwoorde landbouwtransitie. Op dit moment kan een concreter perspectief voor grondeigenaren nog niet worden gegeven, omdat de concrete locatie van de windturbines nog niet bekend is. Conclusie Deze zienswijze is, gelet op bovenstaande, ongegrond en geeft geen aanleiding tot aanpassing van het Programma en/of planMER. 3.2.6 Zienswijze 102 en 155 Agrarische Natuurvereniging D’n Beerse Overlaet 1. Opwekopgave Verzocht wordt voor het Osse grondgebied verder te kijken dan 2030. Dit biedt kansen voor meer opwek binnen de Duurzame Polder. Reactie Met de ontwikkeling van de plannen voor de Duurzame Polder realiseert de gemeente Oss haar restopgave die voortvloeit uit de RES 1.0. Het Programma richt zich daarmee op de uitwerking van de opwekdoelstelling richting 2030.
De doelstellingen voor de periode na 2030 zijn op dit moment nog niet concreet uitgewerkt. Voor de opgave na 2030 moet nog worden verkend hoe (energiemix), waar (locaties) en wanneer (i.v.m. gevolgen voor klimaat) deze opgave wordt ingevuld. 2. Maatschappelijk Verantwoord Alternatief (MVA) In het planMER ontbreekt een beoordeling van het MVA.
Reactie In het MER is gekozen voor thematische varianten om beter inzicht te krijgen in de verschillende, in het gebied aanwezige belangen. Dit inzicht geeft de mogelijkheid tot een betere integrale belangenafweging te komen. Het MVA is een interessant alternatief, maar bij het opstellen van dit alternatief zijn niet alle relevante belangen betrokken. Zo is geen rekening gehouden met de belangen van Defensie bij gebruik van de Duurzame Polder als laagvliegroute. Ook voldoet dit alternatief niet aan het uitgangspunt dat in de Duurzame Polder alleen plaats is voor de restopgave van Oss. Dit betekent dat een beoordeling van het MVA voor het Programma weinig meerwaarde heeft. Voor de volledigheid zijn de milieueffecten van het MVA beoordeeld en wordt het MVA expliciet meegenomen in het Programma. 3. Natuur)compensatie Verzocht wordt natuurcompensatie niet over gemeentegrenzen te verschuiven en het Programma op dit punt zodanig aan te passen dat het aansluit bij de afspraken uit de Bestuursovereenkomst. Reactie Het Programma gaat – in overeenstemming met de afspraken in de Bestuursovereenkomst – ervan uit dat compensatie plaatsvindt op het grondgebied van de gemeente waar de aantasting van natuurwaarden zich voordoet. Compensatie op het grondgebied van de andere gemeente kan alleen in nauw overleg met die andere gemeente.