Bijlage 3 Bestemmingsplan Kanaalpark Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan 8 (toelichting en regels)
Tekst van het document
de maximale gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken in het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, is 75 m², onverminderd van het bepaalde onder d; g. als de oppervlakte van het bouwperceel groter is dan 750 m² en de oppervlakte van het bouwperceel achter het bouwvlak groter is dan 200 m², dan is de maximale gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken in het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, 10% van de oppervlakte van het bouwperceel, tot in totaal 100 m², onverminderd van het bepaalde onder d; h. de maximale bouwhoogte is 3 meter; i. als met hellende dakvlakken wordt gebouwd, is de maximale goothoogte 3 meter, de maximale bouwhoogte 4,5 meter en de maximale dakhelling 50°; j. bijgebouwen en overkappingen met één hellend dakvlak mogen uitsluitend worden gebouwd als een aanbouw tegen de zij- en/of achterkant van het hoofdgebouw (aankapping); hierbij is de maximale goothoogte 3 meter, de maximale bouwhoogte 4,5 meter en moet het hoogste punt tegen de zij- en/of achterkant van het hoofdgebouw worden gesitueerd; k. dakterrassen zijn niet toegestaan. 87
4.2.4 Bouwwerken geen gebouwen of overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, mogen, met uitzondering van erfafscheidingen, uitsluitend binnen het bouwvlak en in het achtererfgebied worden gebouwd; b. het maximale bebouwingspercentage van het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, is 50%; c. de maximale gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken in het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, is 75 m², onverminderd van het bepaalde onder b; d. als de oppervlakte van het bouwperceel groter is dan 750 m² en de oppervlakte van het bouwperceel achter het bouwvlak groter is dan 200 m², dan is de maximale gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken in het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, 10% van de oppervlakte van het bouwperceel, tot in totaal 100 m², onverminderd van het bepaalde onder b; e. de maximale bouwhoogte van erfafscheidingen op en voor de voorgevelrooilijn is vanaf de voet gemeten 1 meter; f. de maximale bouwhoogte van erfafscheidingen achter de voorgevelrooilijn is vanaf de voet gemeten 2 meter; g. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 meter. 4.2.5 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing, bouwen a.
Voor het oprichten van bebouwing ter plaatse van de voor 'Wonen' aangewezen gronden geldt de voorwaardelijke verplichting dat dit alleen is toegestaan als de landschappelijke inpassing binnen de bestemming 'Natuur' op eigen terrein is uitgevoerd conform het "Landschappelijk Inpassingsplan Burg. Jhr. Von Heijdenlaan (ong.) Rosmalen", zoals opgenomen in Bijlage 1 behorende bij deze regels. 4.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van: a. b. c. d. e. 4.4
een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de sociale veiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; Afwijken van de bouwregels
4.4.1 Bijgebouwen en overkappingen a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.3 onder a voor een bijgebouw, of overkapping in het voorerfgebied, onder de volgende voorwaarden: 1. de maximale gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken in het voorerfgebied is 25 m²; 2. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven mag niet onevenredig worden aangetast; 3. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast. 4. als een bijgebouw of overkapping naast de zijgevellijn van het hoofdgebouw op hoekperceel wordt gebouwd, gelden ook de volgende voorwaarden: het bijgebouw of de overkapping moet worden gebouwd achter de denkbeeldige (verlengde) lijn die het snijpunt van de voorgevellijn en de zijgevellijn raakt en die ligt onder een hoek van 45° ten opzichte van de voorgevellijn maar die niet door het bouwvlak van het betreffende hoofdgebouw heen gaat; de voorgevel van een aangebouwd bijgebouw moet evenwijdig zijn aan de voorgevel van de hoofdbebouwing; de maximale breedte van een aangebouwd bijgebouw is 3 meter; er kunnen nadere eisen worden gesteld aan de minimale afstand van het bijgebouw tot de naar de openbare weg gekeerde zijdelingse perceelsgrens vanuit het belang van de stedenbouwkundige opzet van de omgeving, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden, bezonning en het uitzicht van de
naastgelegen erven. b. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.3 onder e, voor een kleiner onbebouwd deel van het achtererfgebied, onder de volgende voorwaarden: 1. het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, is kleiner dan 50 m²; 2. de oppervlakte van het hoofdgebouw is kleiner dan 40 m²; 3. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven mag niet onevenredig worden aangetast; 4. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast. 88
c.
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.3 onder i en h voor een bouwhoogte tot 5,5 meter, onder de volgende voorwaarden: 1. het bijgebouw of de overkapping ligt naast en tussen hoofdgebouwen; 2. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven mag niet onevenredig worden aangetast; 3. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast. d. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.3 onder k voor een dakterras op een bijgebouw of een overkapping, onder de volgende voorwaarden: 1. de woonkamer ligt op de eerste verdieping; 2. de privacy van de naastgelegen erven mag niet onevenredig worden aangetast. 4.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.4 onder a voor een bouwwerk, geen gebouw of een overkapping zijnde, in het voorerfgebied, onder de volgende voorwaarden: 1. de maximale gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken in het voorerfgebied is 25 m²; 2. de maximale bouwhoogte is 3 meter; 3. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven mag niet onevenredig worden aangetast; 4. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast. b.
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.4 onder e voor een hogere erfafscheiding, onder de volgende voorwaarden: 1. de maximale bouwhoogte van een erfafscheiding op en/of voor de voorgevelrooilijn is vanaf de voet gemeten 1,5 meter; 2. de maximale bouwhoogte van een erfafscheiding achter de voorgevelrooilijn is vanaf de voet gemeten 2,5 meter; 3. de erfafscheiding heeft een open, pergola-achtige constructie. 4.5
Specifieke gebruiksregels
4.5.1 Strijdig gebruik Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval begrepen: a. aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten die publieksaantrekkend zijn; b. kamerbewoning. 4.5.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing, gebruik a. Voor het gebruik van gronden, gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, ter plaatse van de voor 'Wonen' aangewezen gronden, geldt de voorwaardelijke verplichting dat, uiterlijk 1 jaar na verlening van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ten behoeve van een woning, wonen alleen is toegestaan als op eigen terrein, binnen de bestemming 'Natuur', de landschappelijke inpassing is uitgevoerd, duurzaam beheerd en in stand wordt gelaten, conform het "Landschappelijk Inpassingsplan Burg. Jhr. Von Heijdenlaan (ong.) Rosmalen" zoals opgenomen in Bijlage 1 behorende bij deze regels . 4.5.3 Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit Een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit als bedoeld in 4.1 onder b moet voldoen aan de volgende voorwaarden: a. de beroeps- of bedrijfsactiviteit moet ondergeschikt zijn aan de woonfunctie: maximaal 35% van de vloeroppervlakte van de woning en de bijgebouwen samen mag voor de beroeps- of bedrijfsactiviteit worden gebruikt, tot in totaal 50 m2; b. de beroeps- of bedrijfsactiviteit moet naar aard, omvang en uitstraling passen in de woonomgeving; c.
de beroeps- of bedrijfsactiviteit mag niet vergunningplichtig zijn volgens artikel 2.1 lid 1 sub e van de Wabo en niet meldingplichtig volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer; d. degene die de beroeps- of bedrijfsactiviteit uitoefent, moet bewoner van de woning zijn; e. horeca en detailhandel zijn niet toegestaan, met uitzondering van beperkte detailhandel als ondergeschikte functie van de beroep- of bedrijfsactiviteit en onder de voorwaarde dat te koop aangeboden goederen en/of producten een relatie hebben met de beroeps- of bedrijfsactiviteit. 4.6 Afwijken van de gebruiksregels a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.5.1 voor het gebruik van ruimten binnen de woning en bijgebouwen voor een publieksaantrekkende beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis, onder de voorwaarden als bepaald in 4.5.3 en onder de voorwaarde dat het 89
gebruik niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeers- en parkeersituatie. b. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.5.3 onder c voor het gebruik van ruimten binnen de woning en bijgebouwen voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit die meldingplichtig is volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer, onder de voorwaarde dat de beroeps- of bedrijfsactiviteit naar aard, omvang en uitstraling past in de woonomgeving: bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de afwijking moet vaststaan dat een goed woon- en leefklimaat op omliggende woonpercelen gegarandeerd is.
90
Artikel 5
Leiding - Hoogspanningsverbinding
5.1 Bestemmingsomschrijving De voor Leiding - Hoogspanningsverbinding aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, de instandhouding en bescherming van bovengrondse hoofdtransportleidingen. 5.2 Bouwregels Binnen deze dubbelbestemming mogen gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals hoogspanningsmasten, ten behoeve van deze dubbelbestemming worden gebouwd. Voor de hoogspanningsmasten geldt dat de maximale hoogte niet meer dan 65 meter mag bedragen. 5.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de bovengrondse hoofdtransportleiding, afwijken van het bepaalde in lid 5.2 en toestaan dat de in de basisbestemming genoemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd, mits vooraf advies wordt ingewonnen van de leidingbeheerder/directeur van het energiebedrijf. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden op de tot Leiding - Hoogspanningsverbinding bestemde grond, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren, die de veiligheid kunnen schaden of de continuïteit van de energievoorziening in gevaar kunnen brengen: 1.
het aanbrengen van hoogopgaande beplanting of bomen; 2. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur hoger dan 2,5 meter; 3. het opslaan van materialen of stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen opleveren; 4. het ophogen en egaliseren, bodemverlaging of afgraven of anderszins wijzigen in maaiveld -en weghoogte; b. Het onder 5.4 a vervatte verbod geldt niet voor de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden: 1. welke betreffen het normale onderhoud en beheer van de hoogspanningsverbinding; 2. die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn. c. De werken en werkzaamheden als bedoeld onder 5.4 a zijn slechts toelaatbaar indien door die werken en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de belangen van de hoogspanningsverbinding en/of energievoorziening ontstaat of kan ontstaan. d. Advisering 1. Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld onder 5.4 a wordt het advies ingewonnen van de leidingbeheerder.
91
Artikel 6
Waarde - Archeologie 1
6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en te verwachten archeologische waarden. 6.2 Bouwregels Voor het bouwen geldt dat binnen deze dubbelbestemming geen bouwwerkzaamheden zijn toegestaan, met een grondoppervlakte groter dan 50 m² en dieper dan 0,50 meter beneden maaiveld. 6.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2 voor bouwwerkzaamheden groter dan 50 m² en dieper dan 0,50 m, onder de volgende voorwaarden: a. er moet een door deskundigen opgesteld rapport worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd; b. als uit het rapport onder a blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de bouwwerkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting tot het laten begeleiden door een erkend archeoloog van de bouwwerkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring; c.
een rapport onder a is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het bepaalde onder b is overeenkomstig van toepassing. 6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden of het slopen van een bouwwerk 6.4.1 Vergunningplicht a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: 1. grondwerkzaamheden groter dan 50 m² en dieper dan 0,50 meter beneden maaiveld, zoals afgraven, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage; 2. graven, dempen dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; 3. aanleggen van leidingen dieper dan 0,50 meter beneden maaiveld; 4. slopen van bouwwerken en/of funderingen; 5. alle overige bodemverstorende werkzaamheden die de archeologische waarden kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein. b. Het verbod onder a geldt niet voor werken of werkzaamheden: 1. die het normale onderhoud en beheer van de leiding betreffen; 2. die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn; 3.
die mogen worden uitgevoerd op grond van een geldige vergunning. 4. die door deskundigen worden verricht in het kader van archeologisch onderzoek als bedoeld onder e. c. Het verbod onder a geldt niet als op grond van de Erfgoedwet, de Monumentenwet of de Monumentenverordening een vergunning is vereist of als overige bepalingen van de Monumentenwet van toepassing zijn op grond van een aanwijzing als archeologisch monument. d. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. e. Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend, nadat een door deskundigen opgesteld rapport 92
overlegd wordt, waarin de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd. f. Als uit het rapport onder e blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de bouwwerkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een erkend archeoloog. g. Een rapport onder e is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het bepaalde onder f is overeenkomstig van toepassing. 6.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door deze bestemming te laten vervallen als uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig of niet langer aanwezig zijn.
93
Artikel 7
Waarde - Archeologie 2
7.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Archeologie 2 aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en te verwachten archeologische waarden van de gronden. 7.2 Bouwregels Binnen deze dubbelbestemming zijn geen bouwwerkzaamheden toegestaan, die een grondoppervlakte betreffen groter dan 100 m² en meer dan 0,50 meter beneden maaiveld. 7.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 7.2 en toestaan dat onder het maaiveld gebouwd, mits: a. een door deskundigen opgesteld rapport overlegd wordt, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de bouwwerkzaamheden betrekking hebben, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd; b. indien uit het onder 7.3 sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden door de bouwwerkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3.
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een erkend archeoloog. c. het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het onder 7.3 sub b bepaalde met betrekking tot de mogelijkheid van opleggen van voorwaarden is van overeenkomstige toepassing. 7.4 Specifieke gebruiksregels Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken of in gebruik te geven of te laten voor een doel of op een wijze strijdig met deze bestemming. 7.5 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag wijkt met een omgevingsvergunning af van het bepaalde onder 7.4 indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd. 7.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van slopen van een bouwwerk 7.6.1 Vergunningplicht a. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden, geen bouwwerkzaamheden, uit te voeren of te laten uitvoeren: 1.
grondwerkzaamheden, groter dan 100 m² en dieper dan 0,50 meter onder het maaiveld zoals afgraven, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleg van drainage; 2. graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; 3. aanleggen van leidingen dieper dan 0,50 meter onder maaiveld; 4. alle overige bodemverstorende werkzaamheden die de archeologische waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein. 94
b. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bouwwerken en funderingen te slopen. 7.6.2 Uitzonderingen vergunningplicht Het onder 7.6.1 opgenomen verbod geldt niet: a. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. voor werken en werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek als hierna bedoeld onder 7.6.4, mits verricht door een deskundige; d. ingeval op grond van de Monumentenwet en Monumentenverordening een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet van toepassing zijn op grond van een aanwijzing als archeologisch monument. 7.6.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 7.6.4 Onderzoeksplicht en voorwaarden omgevingsvergunning a. Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend, nadat een door deskundigen opgesteld rapport overlegd wordt, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de werkzaamheden betrekking hebben, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd.
Indien uit dit rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden door de werkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een erkend archeoloog. b. Het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het hiervoor. bepaalde met betrekking tot de mogelijkheid van opleggen van voorwaarden is van overeenkomstige toepassing. 7.7 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin dat deze bestemming komt te vervallen, indien als gevolg van nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.
95
Artikel 8
Waarde - Groenblauwe mantel
8.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Groenblauwe mantel' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de gronden. 8.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden of slopen van een bouwwerk Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden, geen bouwwerkzaamheden, uit te voeren of te laten uitvoeren: 1. grondwerkzaamheden, zoals afgraven, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleg van drainage; 2. graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; 8.3 Uitzonderingen vergunningsplicht Het onder 8.2 opgenomen verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; 8.4 Toetsingscriteria Een omgevingsvergunning als genoemd onder lid 8.2 kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het heersende watersysteem en ecologische en landschappelijke waarden van de gronden.
96
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 9
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
97
Artikel 10
Algemene bouwregels
a. Bij de toepassing van de bouwregels in dit plan worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen niet meer bedraagt dan 1 meter. b. Bouwwerken die op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan met een daartoe verleende vergunning binnen het plangebied aanwezig of opgericht zijn of kunnen worden opgericht maar die in strijd zijn met dit bestemmingsplan, worden geacht aan dit bestemmingsplan te voldoen. c. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen staat vast dat voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd, overeenkomstig de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de Nota Parkeernormering 2016; d. Als de beleidsregels als bedoeld onder c wijzigen, wordt met die wijziging rekening gehouden
98
Artikel 11
Algemene gebruiksregels
a. Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken of in gebruik te geven of te laten gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met de bestemmingen van dit plan. b. Het gebruik van gronden en gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de bestemmingen in dit plan is uitsluitend toegestaan als voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd en gehandhaafd, overeenkomstig de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de Nota Parkeernormering 2021. c. Als de beleidsregels als bedoeld onder b wijzigen, wordt met die wijziging rekening gehouden.
99