Bijlage 2 Toelichting majeure financiele dossiers
Tekst van het document
Bijlage 2: Toelichting majeure financiële dossiers 1.
Gevolgen coronacrisis op langere termijn
De coronacrisis gaat op lange termijn ongetwijfeld sporen nalaten. De economische krimp over 2020 was de grootste sinds de tweede wereldoorlog, en door het voortduren van de tweede lockdown in de eerste maanden van 2021 is de kans op het eerder voorspelde economisch herstel in 2021 onzeker. Samenhangend met de economische gevolgen zullen er ook op sociaal vlak gevolgen zijn. Er zal naar verwachting meer vraag komen naar bijzondere bijstand, een hoger beroep worden gedaan op maatschappelijke ondersteuning etc. De uitkomst van de kabinetsformatie zal bepalend zijn voor de verdere aanpak door het Rijk van deze crisis. Zo zal de ene partij wellicht het terugbrengen van de schuldpositie als prioriteit zien, terwijl andere partijen de crisis juist aan willen grijpen om andere problemen op te lossen en daar zelfs nog meer geld voor vrij willen maken. Wat de uitkomst van de formatie ook zal zijn, dit zal gevolgen hebben voor de financiële positie van gemeenten. Afhankelijk van de ontwikkelingen in de detailhandel en de horeca zal het toerisme naar verwachting weer opkrabbelen, de toerismebelasting dus ook. Voor precario-opbrengsten is het afwachten. De parkeerinkomsten hangen natuurlijk voor een deel af van toerisme, maar het is niet ondenkbaar dat meer thuiswerken en minder winkelen effect gaan hebben op deze opbrengsten.
In het meest pessimistische scenario gaat het al snel overeen paar miljoen euro nadeel, in het meest gunstige geval komt alles weer op het oude niveau, zowel kosten als opbrengsten. 2.
Extra middelen voor gemeenten op Rijksniveau
De VNG stelt over gemeentelijke financiën het volgende: “Veel gemeenten kampen met ernstige financiële problemen en de huidige interbestuurlijke verhoudingen werken beklemmend in plaats van ondersteunend. De tekorten, die voortkomen uit keuzes van eerdere kabinetten, tasten de autonomie en de slagkracht van gemeenten aan om bij te dragen aan de oplossingen die Nederland nodig heeft om sterker uit de crisis te komen. De taken en middelen van gemeenten zijn niet in balans en onderzoek na onderzoek wijst uit dat er structurele oplossingen nodig zijn. Het herstellen van de financiële positie van gemeenten op deze al langlopende dossiers is een belangrijke voorwaarde om verder te kunnen op andere terreinen. Onderliggend aan dit spoor is voor de financiën van gemeenten het onderzoek naar de tekorten in de Jeugdzorg belangrijk, maar het gaat dan ook over het artikel-2onderzoek naar het Klimaatakkoord, de opschalingskorting, de herijking van het gemeentefonds, het abonnementstarief, de normeringsystematiek (trap-op/trap-af) en een groter lokaal belastinggebied.” Als gemeente onderschrijven wij dit standpunt. Een aantal van de door de VNG genoemde onderwerpen behandelen wij hier apart, van de overige kunnen we alleen zeggen dat alle bijstellingen ‘naar boven’ door het Rijk een positieve invloed hebben. 3.
Herijking gemeentefonds
De eerste uitkomsten van de herijking van het gemeentefonds laten voor ’s-Hertogenbosch een kleine stijging van de Rijksbijdrage per inwoner zien. Dit is echter nog met grote onzekerheid omgeven. Ten eerste zijn de cijfers gebaseerd op 2017, deze moeten dus nog geactualiseerd worden. Het effect hiervan zal normaal gesproken niet zo groot zijn, alleen de teruggang in het aantal bijstandsgerechtigden wat we zien in deze jaren zal onze uitkering negatief beïnvloeden. Hoeveel dat is kan nu nog niet berekend worden. De grootste discussie zal echter komen over de nadeelgemeenten, in het bijzonder die in Noord-Nederland. Daar heeft de nieuwe verdeling zeer veel invloed, sommige gemeenten gaan daar per inwoner meer dan € 100 op achteruit. Niet voor niets vraagt het ministerie aan het ROB ook specifiek naar de gevolgen voor deze gemeenten te kijken. De insteek van de gemeenten richting het ministerie en het nieuw te vormen kabinet zal sowieso moeten liggen op het vergroten van het gemeentefonds, omdat gemeenten de laatste jaren geconfronteerd zijn met grote tegenvallers.
Het is niet waarschijnlijk dat de mutatie op het gemeentefonds als gevolg van de herijking hoger zal worden dan de eerste berekeningen, wat een maximale verhoging van € 750.000 tot gevolg heeft. Mochten uitgangspunten herzien worden dan kan het voordeel zo maar omslaan in een nadeel. Hoe groot dat is kan nu niet gezegd worden, maar meer dan € 750.000 negatief is op dit moment onwaarschijnlijk. 4.
Opschalingskorting
In het verleden stuurde het Rijk aan op samenvoeging van gemeentes om ze meer schaalgrootte te geven en weerbaarder te maken voor bijvoorbeeld de uitvoering van de decentralisaties. Dit zou volgens het Rijk dan ook betekenen dat er minder kosten door gemeenten gemaakt worden. Deze opschalingskorting is in mindering gebracht op de algemeen uitkering en loopt tot en met 2025 op. Het Rijk voert inmiddels geen actief beleid meer om gemeenten samen te voegen, maar de opschalingskorting is blijven staan. Deze opschalingskorting is een van de onderwerpen die door de VNG met het nieuw te vormen kabinet besproken zal worden, met als doel deze korting van tafel te krijgen. Mocht dat gebeuren dan heeft dit een positief effect op onze meerjarenbegroting. Wij hebben de opschalingskorting namelijk al verwerkt. Het voordeel zou dan oplopen van € 0,9 miljoen in 2022 tot € 3,2 miljoen in 2024. Indien het rijk niets verandert aan de opschalingskorting zal het maximale nadeel de laatste tranche in 2025 zijn, € 1,2 miljoen. 5.
Sociaal & Zorgfonds
De reserve Sociaal & Zorgfonds zetten we in als buffer om lokaal de tekorten, die grotendeels veroorzaakt worden door de effecten van rijksbeleid op te vangen, als reserve voor frictiekosten en ter bekostiging van de innovatiemaatregelen in het sociaal zorgdomein en de maatregelen versterking taalaanpak (WXL). Vraagstukken met betrekking tot de uitvoering van jeugdhulp en Wmo kunnen daar ook onder vallen. Zo is eerder een besluit genomen over versterking van de uitvoering (€ 1,2 miljoen structureel) en is bij de actualisatie van de begroting 2020 de personele capaciteit uitgebreid voor de uitvoering van met name de huishoudelijke hulp. De reserve functioneert zo als een “remweg” om de effecten van de ontwikkelingen in het sociaal domein op de algemene middelen van de gemeentelijke begroting te matigen. De oplopende financiële druk in het sociaal domein is bekend. Deze wordt bepaald door een aantal factoren.
De decentralisatie-uitkeringen (dat waren de specifieke rijksbijdragen voor jeugdhulp en Wmo) zijn opgegaan in de algemene uitkering van het gemeentefonds. Lokaal is besloten om op basis van verschillende parameters uit de algemene uitkering het budget voor jeugdhulp en Wmo te bepalen. Gevolg hiervan is dat deze budgetten onderhevig worden aan alle bewegingen die de algemene uitkering vertoont. De diverse circulaires tijdens het jaar geven positieve en negatieve uitslagen. Dat vraagt dus voor het sociaal domein ook om frequentere tussentijdse bijstellingen van het financieel beeld, om zo ook de effecten voor het sociaal en zorgfonds goed te monitoren. In 2019 is na uitvoerige lobby vanuit de gemeenten extra rijksbudget beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de jeugdhulp. Voor ’s-Hertogenbosch gaat dat om een bedrag van circa € 3,5 miljoen per jaar. Dit budget was slechts voor de jaren 2019 t/m 2021 toegekend, inmiddels is daar 2022 aan toegevoegd, maar nog steeds niet structureel. Bij ongewijzigd beleid gaat het beschikbare budget na 2022 omlaag. Met maatregelen op het gebied van transformatie en versterking van de toegang zien we sinds 2019 een stabilisatie van de zorgconsumptie. Financieel betekent dit na 2022 een tekort van € 3,5 miljoen jaarlijks ten laste van het sociaal & zorgfonds komt.
Op de valreep is bekend geworden dat het Rijk in 2021 aanvullend in totaal € 613 miljoen beschikbaar stelt voor jeugdzorg. Deze middelen zijn onder meer bedoeld voor crisis-capaciteit jeugd-ggz en het aanpakken van wachttijden. Naar verwachting zal onze gemeente hiervan ongeveer € 6 miljoen ontvangen. Hoe we deze middelen kunnen inzetten voor de door het Rijk
beoogde doelen moet nader uitgewerkt worden en vraagt regionale afstemming. Mogelijk dat er een eenmalig positief effect resteert op de reserve sociaal & zorgfonds. Dat is in onderstaand beeld nog niet verwerkt.
De invoering van het abonnementstarief voor de Huishoudelijke Hulp heeft een aanzienlijke aanzuigende werking gehad en dito kostenverhoging. Dit effect is in 2020 minder groot geweest dan verwacht, maar we zien weer een opwaartse trend. Daarnaast zien we toenemende aantallen cliënten bij begeleiding en dagbesteding en zien we de effecten van het rijksbeleid dat gericht is op langer thuis wonen; de kosten voor het verstrekken van hulpmiddelen en het aanbrengen woningaanpassingen stijgen aanzienlijk. Ook hier geldt dat de rijksmiddelen geen gelijke tred houden met de ontwikkeling van de kosten. Voor Beschermd Wonen is ’s-Hertogenbosch centrumgemeente. Op basis van een regiovisie wordt daarbij samengewerkt met de regiogemeenten en de zorg in de hele regio georganiseerd. Voor Beschermd Wonen is per 1 januari 2021 een aantal ggz-cliënten met een blijvende behoefte aan intensieve zorg overgeheveld nar de Wet langdurige zorg (Wlz). Daarmee samenhangend wordt budget overgeheveld van gemeenten naar de zorgverzekeraars. Onze regio ziet als gevolg daarvan het budget voor onze regio met circa 8,5 miljoen dalen, de kosten dalen slechts met circa 4 miljoen. Het verschil zit in de gekozen financiële norm per traject, onze regio koopt voor een substantieel lager bedrag in.
Landelijk wordt opnieuw de afweging gemaakt of de uitname te baseren op de werkelijke kosten om grote herverdelingseffecten te voorkomen. We verwachten uitsluitsel hierover bij de meicirculaire 2021. Vooralsnog houden wij op basis van het voorlopige beeld rekening met een structureel tekort van circa 4,5 miljoen.
De prognose van de ontwikkeling van de reserve Sociaal & Zorgfonds ziet er als volgt uit:
Het beeld blijft dat als gevolg van rijksbeleid we te maken hebben met aanzienlijke structurele tekorten op het sociaal domein die naar verwachting verder oplopen naar circa 13 miljoen Dit is grofweg als volgt verdeeld:
Jeugdhulp Wmo Beschermd Wonen Financiële Dienstverlening
3,5 miljoen 4,0 miljoen 4,5 miljoen 0,7 miljoen
Ten opzichte van de vorige prognose die uitkwam op 10 miljoen, is de prognose voor Jeugdhulp ongeveer 0,5 miljoen en voor de Wmo ruim 2 miljoen ongunstiger. Verder past hierbij nog een kanttekening ten aanzien van Beschermd Wonen. Het financieel beheer, inclusief de reserve, ligt bij ’s-Hertogenbosch als centrumgemeente Omdat er regionaal wordt samengewerkt wordt vanuit de regionaal vastgestelde regiovisie, wordt er rekening mee gehouden dat evenredig deel van de (positieve dan wel negatieve) reserve toevalt aan de regiogemeenten. In bovenstaand beeld is gecalculeerd wat we op dit moment weten, maar er is ook nog sprake van bedreigingen en kansen. Bedreigingen Voor zowel de jeugdhulp als de Wmo begeleiding en dagbesteding geldt dat regionaal is besloten om over te gaan van de lumpsum- naar de P&Q-systematiek. Eerder hebben we gemeld dat hieraan aanzienlijke risico’s zijn verbonden. Dat geldt zowel voor de kosten van de voorzieningen, er is sprake van nieuwe productcategorieën waarop geïndiceerd zal moeten worden en afgestemd met aanbieders. Daarin zit een reëel risico van kostentoename, aanbieders hebben belang bij een zo hoog mogelijk zwaartecategorie. Daarnaast heeft de PxQ-systematiek het nadeel van zwaardere administratieve lasten, hetgeen een risico inhoudt op hogere uitvoeringskosten.
Kansen Tegen de achtergrond van de nieuwe bekostigingssystematiek onderzoeken we welke kostenbesparende maatregelen we, onder meer bij de toegang, kunnen nemen. Ten aanzien van Beschermd Wonen wachten we met belangstelling de meicirculaire af, die mogelijk een aanzienlijke financiële verlichting voor onze gemeente zou kunnen opleveren. Op dit dossier wordt in samenwerking met andere gemeenten en de VNG actief gelobbyd richting rijk. Datzelfde geldt ook voor het structureel maken van de rijksmiddelen voor de jeugdhulp en het dossier abonnementstarief Huishoudelijk hulp. Bandbreedte tekort In een optimistisch scenario, waarbij het rijk met tekortcompensatie komt (Inschattingen Jeugd € 3 miljoen en de uitname Beschermd Wonen € 4 miljoen) zou het tekort op € 6 miljoen uit kunnen komen. In een somber scenario waarin het rijk niet compenseert, de autonome groei in de Wmo doorzet en de nieuw inkoopsystematiek tegenvallers laat zien zou het tekort kunnen oplopen tot € 17 miljoen. Om richting de nullijn te komen is passende financiering van het rijk dus enorm belang. De VNG zet daar volop op in, maar daarvoor zullen we de uitkomsten van de kabinetsformatie moet afwachten. Uitgangspunt voor ons college is, dat een tekort binnen het ‘vierkant’ van het sociale domein opgelost moet worden.
We streven ernaar om met kostenbesparende maatregelen, zoals eerder bij de omzetting van HHT naar HH (de voordelen daarvan zijn reeds in de cijfers verwerkt), het tekort naar beneden te brengen.
6.
Onderwijshuisvesting
Onderstaand gaan we in op de realisatie van de ombuiging overheveling onderhoud naar schoolbesturen en de ontwikkeling van de reserve onderwijshuisvesting. Ombuiging overheveling onderhoud naar schoolbesturen 1,15 miljoen De overheveling van middelen van gemeenten naar scholen is onderdeel geweest van het regeerakkoord van Rutte 2 (november 2012). Sinds 1 januari 2015 is de gemeente, op basis van de wetgeving, niet langer verantwoordelijk voor het onderhoud van scholen voor het primair onderwijs. In de Voorjaarsnota 2014 (raad juni 2013) is de mogelijke impact voor de Onderwijshuisvestingsreserve benoemd. In de aanloop naar de begroting 2014 heeft het college hierover gesproken en besloten om niet de volledige korting (€ 2,3 miljoen) af te wentelen op de schoolbesturen, maar 50% (€ 1,15 miljoen). Dit is uiteindelijk ook in de begroting 2014 opgenomen als een taakstelling vanaf 2015.
In de afgelopen jaren is onderzocht en overleg gepleegd met schoolbesturen hoe deze ombuiging gerealiseerd zou kunnen worden. De conclusie daaruit is dat het terughalen van middelen bij schoolbesturen PO en Speciaal onderwijs technisch onuitvoerbaar is, zowel als gevolg van de wetgeving als door het ontbreken van voldoende middelen die de schoolbesturen hiervoor vanuit het rijk krijgen. Incidenteel dragen schoolbesturen op projectniveau wel bij aan de financiering, maar dit is onvoldoende om de structurele ombuiging te realiseren. Conclusie is dat deze 1,15 miljoen structureel gaat drukken op de begroting. Dit nadeel is meegenomen in de actualisatie van de begroting 2021. Reserve onderwijshuisvesting Sinds 1 januari 1997 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de huisvesting van scholen en de financiering daarvan. In tegenstelling tot veel andere gemeenten, die de exploitatielasten onderdeel laten zijn van de reguliere begroting, is er destijds in ’s-Hertogenbosch voor gekozen de exploitatielasten via een egalisatiereserve Onderwijshuisvesting te lasten lopen. De reserve wordt gevoed met geld afkomstig uit de algemene middelen en de exploitatielasten worden afgeboekt op de reserve.
De volgende kosten vallen onder definitie voor onderwijshuisvesting: Kapitaallasten (rente en afschrijving) van scholen en gymvoorzieningen; Kosten eerste inrichting; Kapitaallasten en exploitatiekosten gym; Huur schoolgebouwen en sport terreinen; Kosten verzekering (opstal en inboedel) voor het dekken van schade; Kosten OZB, waterschapslasten en rioolreinigingsrecht; Leerlingvervoer van en naar gymzalen; Kosten spoedeisende voorzieningen; Kosten vandalisme; In ’s-Hertogenbosch is er voor gekozen om ook andere kosten langs de reserve te laten lopen: Onderhoudskosten (eigenaarsdeel); Onderhoudsbijdragen; Exploitatiekosten BBS oftewel de onderhoudskosten gebruikersdeel (de personeelskosten worden uitgesloten van de reserve); Exploitatiebijdragen van de BBS-scholen; Kosten (en opbrengsten) met betrekking tot panden die geen onderwijsbestemming hebben; Kosten (en opbrengsten) inpandige kinderopvang en andere verhuurde ruimten aan derden. Op zich is het geen probleem om dat te doen, mits de voeding van de reserve structureel op het niveau is om die kosten op de lange termijn te kunnen dragen. In de afgelopen 24 jaar is op diverse momenten geconstateerd dat dat niet het geval is. Een aantal keren is daar een reparatie op uitgevoerd, voor de laatste keer in 2018.
Toen is er eenmalig een substantieel bedrag (8 mln) in de reserve gestort en is de jaarlijkse structurele bijdrage aan de reserve verhoogd, voor sommige kosten is andere financiering gevonden. Het probleem voor de lange termijn is daarmee nog niet opgelost. De meest recente doorrekening van de reserve geeft het volgende beeld:
In de actualisatie van de begroting 2021 is het niet realiseren van de bijdrage van de schoolbesturen ten laste gebracht van de algemene middelen. Vanaf dat moment komt het bedrag van € 1,15 miljoen niet meer ten laste van de reserve onderwijshuisvesting. Deze reserve zal bijgevolg naar verwachting pas in 2030 negatief lopen en in 2037 het maximale tekort van circa € 7 miljoen bereiken. Vanaf 2037 ontwikkelt de reserve zich weer positief. In de periode 2030 tot 2037 is dan nog € 7 miljoen nodig om te voorkomen dat de reserve negatief wordt. 7.
Omgevingswet
De Omgevingswet treedt naar alle waarschijnlijkheid op 1-1-2022 in werking. Daarna hebben we tot 2030 de tijd om geheel conform de Omgevingswet te gaan werken. Momenteel zijn er nog onzekerheden in 2021 en 2022 over de definitieve inwerkingtredingsdatum, over ICT omgeving zowel landelijk (robuustheid en performance) als lokaal (integratie en migratie) en over de complexiteit en stabiliteit in wet- en regelgeving om deze tijdig vertaald te krijgen naar de nieuwe kerninstrumenten. Er is een landelijk beeld bij gemeenten dat de hoge implementatiekosten niet zoals beloofd gedekt kunnen worden door toekomstige besparingen. Dit jaar en ook in de komende jaren worden veel aanvullende financiële onderzoeken uitgevoerd om een beter beeld te krijgen. Dit kan op termijn resulteren in extra beschikbare middelen vanuit het rijk. Gezien de onzekerheid en risico’s handhaven we het risicobedrag van structureel € 1 miljoen en daarnaast een risicobedrag van incidenteel € 1 miljoen voor 2022 voor met name het risico op uitstel inwerkingtreding. Ook in positieve zin kan de Omgevingswet structureel bijdragen aan de begroting. Voorwaarde is dat we op een andere manier gaan werken door de Omgevingswet te gebruiken als hefboom voor de organisatieontwikkeling en datagedreven te werken. Dat maakt 2021 tot een belangrijk jaar, waarin we het fundament leggen voor de jaren erna.
Als we nu investeren in de medewerkers door met processen, systemen, trainingen en oefenen al lerend te komen tot een andere werkwijze, dan hebben we een goed fundament gelegd voor de verdere organisatieontwikkeling onder de Omgevingswet. 8.
Stortplaats Meerendonk/Vlagheide
Na sluiting van een stortplaats wordt deze overgedragen aan de provincie. Zij zijn vanuit de Wet Milieubeheer belast met de eeuwigdurende nazorg voor gesloten stortplaatsen. Op het moment van overdracht dient het benodigde doelvermogen te worden afgerekend. De provincie Noord-Brabant voert elke vijf jaar periodiek onderzoek uit, een zogeheten Asset Liability Management (ALM) studie. Daarbij stelt de provincie vast of de gehanteerde rekenrente (momenteel 5,06%) en daarmee het gehanteerde doelvermogen, passend is om aan haar eeuwigdurende nazorgverplichtingen te voldoen.
De resultaten van de laatste vastgestelde ALM-studie, waarbij onder meer de effecten van de langdurig lage rentestand in beeld zijn gebracht, zijn met de vergunninghouders van de stortplaatsen intensief besproken. Een langdurige lage rentestand heeft gevolgen voor de financiering van de eeuwigdurende nazorgplicht van de provincie. Zowel de Provincie als de Exploitanten onderkennen dat alternatieven (waaronder (maar niet beperkt tot): duurzaam stortbeheer, 100-jarige levensduur bovenafdichting, technologische ontwikkelingen/innovaties en afvalmining) mogelijk kunnen leiden tot een beperking van de kosten van de nazorg van de stortplaatsen in de toekomst en derhalve tot een verlaging van het doelvermogen van de stortplaatsen, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de vereisten voor veiligheid en milieu. Daarom hebben de provincie en de vergunninghouders een overeenkomst gesloten om hier de komende jaren, in aanloop naar de nieuwe ALM-studie, diepgaand onderzoek naar te doen. Onderdeel van deze overeenkomst is dat, zo lang het onderzoek loopt, de vergunninghouders de stortplaatsen nog niet voor eeuwigdurende nazorg overdragen aan de provincie en dus zelf risicodragend blijven. Tegelijkertijd handhaaft de provincie de rekenrente op het bestaande niveau. Deze afspraak geldt voor een periode van maximaal 5 jaar.
Zo lang het doelvermogen niet definitief is vastgesteld, lopen wij het risico dat het reeds in het nazorgfonds gestorte vermogen, samen met de voorzieningen die wij voor beide stortplaatsen aanhouden, ontoereikend is. De financiële impact bedraagt potentieel 10 miljoen incidenteel. 9.
Lagere renteopbrengsten belegde gelden (Essent)
Op dit moment is nog 100 miljoen extern belegd bij de Rabobank. Het gaat om twee tranches van 50 miljoen met een rendement van 4,29% respectievelijk 4,45%. Dit ligt – al vanaf 2009 – fors boven het marktrendement. De renteopbrengst is ingezet om het wegvallende dividend van Essent te compenseren en is volledig meegenomen in de exploitatie. Oktober 2024 valt de eerste tranche van onze beleggingen vrij. De wegvallende jaarlijkse rentebate van deze tranche bedraagt € 2,1 miljoen. Vanwege het schatkistbankieren mogen we deze middelen niet opnieuw uitzetten (m.u.v. een publieke taak). In de meerjarenraming is voor 2024 al € 0,4 miljoen aan rentederving meegenomen. Vanaf 2025 komt daar € 1,7 miljoen bij. In 2020 hebben wij aan Enexis een nieuwe lening verstrekt van € 18,6 miljoen tegen een rendement van 1,4%. Hiermee realiseren we een inkomst van € 0,26 miljoen. Het restant van de vrijkomende middelen kunnen we inzetten om eigen leningen af te lossen. Daarmee besparen we € 0,16 miljoen en resteert een nadeel van € 1,3 miljoen. Bovendien verlaagt dit voor onze gemeente het effect van een hogere financieringslast bij een stijging van de rente. Overigens zien wij een stijgende tendens qua renteontwikkeling op langere termijn. Dit zou kunnen betekenen, dat de bespaarde rente hoger wordt en daarmee het financieel nadeel kleiner. 10.
Houdbaarheid voordeel BUIG budget
In 2020 hebben we een voordeel gerealiseerd op het BUIG budget van €10 mln. In de begroting is ook een voordeel geraamd voor 2021 en verdere jaren. We merken daarbij op, dat het voordeel dat wij op dit moment behalen op het BUIG-budget op langere termijn waarschijnlijk niet houdbaar is. In vergelijking met andere gemeenten hebben wij een groot voordeel op de BUIG, omdat we er de afgelopen jaren beter en eerder in slagen mensen naar werk te brengen. Nu het bestand kleiner is en onze zittende populatie een grotere afstand tot de arbeidsmarkt kent dan vergelijkbare gemeenten, is het realistisch te verwachten dat andere gemeenten een deel van dit voordeel zullen inlopen met een correctie op het macrobudget als gevolg. Daarnaast leert de ervaring dat parameters door de tijd heen worden bijgesteld. Dat kan voor- en nadeel opleveren. Daar wij een groot voordeel hebben, is de kans op negatieve bijstelling groter dan op positieve bijstelling. Daar komt aanvullend onzekerheid bij omdat het macro-effect van de corona uitbraak lokaal verschillend uit kan werken, inclusief eventuele keuzes die het Rijk aanverwant neemt om deze effecten te mitigeren. Bandbreedte van het risico: €0 tot €3 mln, dat in eerste instantie opgevangen kan worden in de Reserve FWI Inkomensdeel. Deze reserve kent momenteel een stand van € 7,4 miljoen. In de
actualisatie begroting 2021 is hiervan € 1,2 miljoen ingezet vanwege negatieve bijstellingen die we verwachten vanwege de gevolgen van de Coronacrisis. 11.
Algemene reserve (Concern)
De stand van de algemene uitkering kent een streefniveau van 15% van de algemene uitkering (exclusief sociaal domein). Voor 2020 betekent dit een streefniveau van € 25,6 miljoen. Het rekeningresultaat 2020 bedraagt €1,5 miljoen negatief. Onze bestendige gedragslijn is het verwerken van het rekeningresultaat in de algemene reserve. De werkelijke stand per 31 december 2020 is € 25,3 miljoen. Na bestemming van het rekeningresultaat komt de stand € 1,8 miljoen onder de streefwaarde. Het is niet zo dat dit bedrag altijd in de reserve moet zitten want dan heeft de reserve geen functie. Het is een streefwaarde en in moeilijke tijden kunnen we onder de streefwaarde blijven. De reserve screening reserves en voorzieningen 2021 die in het kader van de ombuigingen 2021 is gevormd bedraagt naar verwachting € 5,6 miljoen. Deze kan bij de algemene reserve geteld worden. Daartegenover staat dat het negatieve financiële resultaat volgend uit de Actualisatie Begroting 2021 (-/-€ 2,5 miljoen) en het financiële nadeel dat ontstaat door Corona over 2021 – we verwachten obv 4e coronareport € 5,5 tot 11 miljoen nadeel – ten laste van de algemene reserve brengen. Alleen als besloten wordt de reserve actief terug te brengen naar de streefwaarde zal dit een effect hebben op de financiële bandbreedte.
12.
Ruimte woonlasten (Concern)
Jaarlijkse berekenen we het kengetal belastingcapaciteit van onze gemeente. Dit kengetal laat zien hoe de belastingdruk in de onze gemeente zich verhoudt ten opzichte van het landelijke gemiddelde. Het gaat daarbij om het totaal van de gemeentelijke woonlasten bestaande uit de OZB, de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. Op basis van de berekening van 2021 voor onze gemeente bleek een belastingcapaciteit van 80% ten opzichte van het gemiddelde. Ter indicatie: een verhoging van de onroerend zaakbelasting op woningen van 10% levert ongeveer € 2 miljoen op.