CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 ruimtelijke onderbouwing Rijnstraat 4

Gemeenteraad 13 juli 2021, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Ruimtelijke onderbouwing Rijnstraat 4 ‘s-Hertogenbosch13.643 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

's-Hertogenbosch

OntwerpRuimtelijke onderbouwing Rijnstraat 4

Ruimtelijke onderbouwing Rijnstraat 4 ontwerp

1 juni 2021

Inhoud Hoofdstuk 1 Inleiding...........................................................................................................................3 1.1

Aanleiding ...........................................................................................................................3

1.2

Ligging perceel ....................................................................................................................3

1.3

Bestaande situatie ...............................................................................................................4

1.4

Afwijking bestemmingsplan ..................................................................................................4

Hoofdstuk 2 Bestaand beleid...............................................................................................................6 2.1

Rijksbeleid ...........................................................................................................................6

2.2

Provinciaal beleid ................................................................................................................7

2.3

Gemeentelijk beleid .............................................................................................................9

Hoofdstuk 3 Ruimtelijke verantwoording ............................................................................................15 3.1

Stedenbouw ......................................................................................................................15

3.2

Mobiliteit ............................................................................................................................19

3.3

Milieu .................................................................................................................................21

3.4

Energie & duurzaamheid ...................................................................................................24

3.5

Waterparagraaf..................................................................................................................25

3.6

Geluid ................................................................................................................................30

3.7

Milieueffectrapportage .......................................................................................................32

3.8

Flora en fauna ...................................................................................................................32

3.9

Archeologie en cultuurhistorie ............................................................................................34

3.10

Financiële haalbaarheid .....................................................................................................35

3.11

Maatschappelijke haalbaarheid ..........................................................................................35

Hoofdstuk 4 Conclusie ......................................................................................................................36 Bijlage 1: Akoestisch onderzoek ....................................................................................................37 Bijlage 2: Quickscan flora en fauna ................................................................................................38 Bijlage 3: Verkennend bodemonderzoek ........................................................................................39 Bijlage 4: Terreininrichting .............................................................................................................40 Bijlage 5: Stikstof berekening .........................................................................................................41 Bijlage 6: Mobiliteitsconcept ...........................................................................................................42 Bijlage 7: Nader onderzoek vleermuizen ........................................................................................43 Bijlage 8: Activiteitenplan ontheffingsaanvraag Wnb ......................................................................

44 Bijlage 9: Bezonningsonderzoek ....................................................................................................45 Bijlage 10: Verslag omgevingsdialoog............................................................................................46 Bijlage 11: Waterbergingsonderzoek .............................................................................................47

2

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Aan de Rijnstraat 4 was tot voor kort het kantoorpand van Vivent gevestigd, waar in het verleden de centrale huisartsenpost was gevestigd. Stichting Mooiland heeft de objecten Rijnstraat 4 en Rijnstraat 10 aangekocht met het doel om hier appartementen te realiseren, in bijzonder voor het sociale segment. Het gebouw Rijnstraat 10 wordt getransformeerd, hier worden 36 appartementen gerealiseerd. Voor deze ontwikkeling is reeds een afwijkingsprocedure doorlopen. De verbouwing is in uitvoering. Voor Rijnstraat 4 is het doel om dit bestaande kantoorpand te slopen en een nieuw appartementencomplex te bouwen. Het plan voorziet in de bouw van 76 sociale huurappartementen. 1.2

Ligging perceel

Het betreft het kadastrale perceel met nummer HTG00 D01677. Rijnstraat 10 heeft de kadastrale aanduiding HTG00 D01802. Beide percelen zijn in eigendom van Stichting Mooiland.

Figuur 1: Plangebied

3

Figuur 2: Luchtfoto plangebied

1.3

Bestaande situatie

Het perceel grenst aan de straatkant aan de Rijnstraat en grenst aan de achterzijde aan de rivier de Aa. Aan de oostzijde is een kantoorgebouw (Rijnstraat 10) gelegen en aan de westzijde is een groenstrook die afloopt naar de Aa. Er is een voormalig kantoorgebouw aanwezig op het perceel.

Figuur 3: Foto projectgebied in vogelvlucht naar het noorden

1.4

Afwijking bestemmingsplan

Voor bovengenoemd perceel geldt het bestemmingsplan ‘Graafsewijk – Aawijk 2017’, vastgesteld door de gemeenteraad van ’s-Hertogenbosch op 12 december 2017. Het perceel heeft de bestemming Kantoor, binnen de bestemming zijn kantoren en ondergeschikte verkeers- en groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven en 4

terreinen toegestaan. Binnen het bouwvlak kunnen gebouwen met een maximale bouwhoogte van 22 meter worden gebouwd. Het bouwvlak mag voor 50% bebouwd worden. Daarnaast geldt voor een deel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 5’.

Figuur 4: Uitsnede bestemmingsplan ‘Graafsewijk – Aawijk 2017’

Het realiseren van woningbouw past niet binnen deze bestemming. Omdat de nieuwbouw van het appartementencomplex stedenbouwkundig en functioneel wenselijk en aanvaardbaar is, wordt vanwege de bovengenoemde strijdigheden met het bestemmingsplan ex artikel 2.12 lid 1 onder a onder 3° Wabo een afwijkingsprocedure gevoerd. Ter motivering van het besluit om van het bestemmingsplan af te wijken is deze ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

5

Hoofdstuk 2 Bestaand beleid 2.1

Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. Met de Structuurvisie brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid: 1. een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; 2. ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; 3. ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; 4. efficiënt gebruik van de ondergrond; 5. een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen; 6. betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen; 7. het instandhouden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen; 8. verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's; 9.

ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; 10. ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; 11. ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; 12. ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; 13. zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Het laatstgenoemde nationaal belang houdt in dat bij stedelijke ontwikkelingen de ladder van duurzame verstedelijking (zoals opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro) dient te worden gemotiveerd. 2.1.2 Toetsing van het initiatief aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en overig rijksbeleid Eén van de dertien nationale belangen heeft betrekking op 'zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen'. Het rijk behartigt dit belang met de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als proces vereiste vastgelegd in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): 'De toelichting bij een ruimtelijke procedure dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden: 1. Er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; 2.

Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; 3. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.' Actuele regionale behoefte De gemeente 's-Hertogenbosch moet voorzien in de groeiende woningbehoefte en veranderende

6

woonwensen. Met de Woonvisie ’s-Hertogenbosch heeft de raad een ambitieus woningbouwprogramma vastgesteld: doel is om 10.500 woningen te realiseren in de periode 2020 – 2030 (zie paragraaf 2.3.2). De meest recente bevolkings- en woningbehoefteprognose van de provincie Noord Brabant (september 2020) onderstreept de noodzaak voor een stevig woningbouwprogramma. Volgens deze prognose moet de woningvoorraad van 's-Hertogenbosch groeien van 72.990 woningen in 2020 naar 81.165 woningen in 2030. Ook daarna wordt nog een stevige groei in de woningbehoefte voorzien, die pas na 2035 iets gaat afvlakken. Om deze ambitie te realiseren is voldoende woningbouwcapaciteit nodig en daarbinnen met name harde plannen. Per 1-1-2021 bestond de potentiële woningbouwcapaciteit voor de periode 2021 tot en met 2025 uit plannen voor 6.600 woningen. Hiervan waren 4.800 woningen opgenomen in harde plannen. Om in de woningbehoefte te kunnen voorzien, is het van belang dat de harde plancapaciteit op orde blijft. Jaarlijks moeten daarvoor plannen voor zo'n 1.000 woningen worden vastgesteld, met een diversiteit in woningen en woonmilieus. Voorliggend plan met ruimte voor 76 sociale woningen maakt al jaren onderdeel uit van de (zachte) potentiële plancapaciteit en draagt zowel in kwalitatief en kwantitatief opzicht bij aan de woningbehoefte. De druk op de sociale huurwoningmarkt is namelijk heel hoog.

Dit is zichtbaar in een oplopend aantal actief woningzoekenden, oplopende reacties op sociale huurwoningen en lange zoektijden. Het plan Rijnstraat 4 betreft een inbreidingslocatie, een locatie binnen het bestaand stedelijk gebied van de stad en levert met de bouw van 76 sociale huurwoningen een belangrijke bijdrage aan de gemeentelijke woningbouwopgave. 2.1.3 Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Dit besluit stelt eisen aan een bestemmingsplan daar waar het gaat om gebieden van nationaal belang: - rijksvaarwegen; - project Mainportontwikkeling Rotterdam; - kustfundament; - grote rivieren; - Waddenzee en waddengebied; - defensie; - hoofdwegen en hoofdspoorwegen; - elektriciteitsvoorziening; - buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; - ecologische hoofdstructuur; - primaire waterkeringen buiten het kustfundament; - IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); - erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Het plangebied ligt niet in één van de bovengenoemde gebieden. 2.2

Provinciaal beleid

2.2.1 Omgevingsvisie Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt na het inwerking treden van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's.

7

Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaat proof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgave staan ten dienste van de basis opgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken. Beoordeling Voor de onderhavige planontwikkeling, die plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied, is met name de ambitie tot zorgvuldig ruimtegebruik van belang. Met de gekozen planinvulling wordt de bestaande locatie met een stedelijk functie passend ingevuld, maar wordt tegelijkertijd voldoende onbebouwd (groen) terrein behouden. De planontwikkeling is in lijn met de Omgevingsvisie.

2.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. Provinciale Staten hebben op 25 oktober 2019 deze verordening vastgesteld. Het is een 'Interim' omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de 'definitieve' omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt. Er is wel zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening (bijvoorbeeld bij de opbouw en de digitale vormgeving). De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening ruimte 2014. In de omgevingsverordening staan onderwerpen uit de provinciale omgevingsvisie, waarbij is aangegeven welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. Deze verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Beoordeling

Figuur 5: Uitsnede omgevingsverordening provincie Rijnstraat 4

8

Het plangebied ligt volgens de Verordening binnen de structuur 'concentratiegebied' (stedelijk gebied) en betreft de ontwikkeling van een locatie voor wonen. Het dient te gaan om een duurzame stedelijke ontwikkeling (art. 3.42 lid 1). Hiervan is sprake omdat een nieuw, toekomstbestendig gebouw ten behoeve van een functie waaraan ook op lange termijn grote behoefte zal bestaan, wordt gerealiseerd. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, omdat transformatie van een verouderde en niet meer in gebruik zijnde stedelijke functie plaatsvindt, ten behoeve van een functie met een geringe impact op de leefomgeving. Daarnaast houdt de ontwikkeling rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water. Het plan is dan ook in overeenstemming met de Interim Omgevingsverordening.

2.3

Gemeentelijk beleid

2.3.1 Ruimtelijke structuurvisie 's-Hertogenbosch In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke StructuurVisie vastgesteld, met de ondertitel 'Stad tussen stromen'. De Ruimtelijke StructuurVisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. In deze geactualiseerde structuurvisie integreert de gemeente het provinciaal beleid. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. De structuurvisie bestaat uit het Ruimtelijk Casco, een visie geformuleerd op het plangebied. Een ruimtelijke analyse van de stad en het gemeentelijk beleid vormen de input voor deze visie. De visie formuleert de ontwikkelingskoers, beschrijft een wensbeeld van de stad voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het is een toetsingskader, en tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Zo wordt bepaald waar strakke contouren ter bescherming van kwetsbare waarden liggen en kansen voor ontwikkeling. En er worden locaties aangeduid waar deze ontwikkeling tegen randvoorwaarden mogelijk zijn en afweegbare gebieden voor uitbreidingen en intensiveringen aangewezen.

Het ‘ruimtelijk motto’ van compacte, complete en contrastrijke stad als het uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkeling voor de stad blijft gehanteerd, in de overtuiging dat dit de juiste basis biedt voor een duurzame ruimtelijk hoofdstructuur. De in dit plan besloten ontwikkeling betreft het ontwikkelen van woningbouw. Het plangebied ligt binnen bestaand bebouwd gebied. Dit sluit daarmee naadloos aan op het ruimtelijk motto van compacte stad. Er wordt geen nieuw ruimtebeslag aangesproken. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke structuurvisie. 2.3.2 Woonvisie 2020 Het woonbeleid van de gemeente ’s-Hertogenbosch is vastgelegd in de Woonvisie ’s-Hertogenbosch. Deze is door de gemeenteraad op 9 juni 2020 vastgesteld. Ontspannen en soms ook spannend wonen, in een sterke stad met leefbare buurten en dorpen. Waar inwoners trots zijn op hun woonplaats en iedereen zoveel als mogelijk kan wonen in een woning die aansluit bij hun woonwensen en mogelijkheden. Dat is het doel. Om dit te bereiken zijn er vier opgaven geformuleerd: · Passend en betaalbaar wonen voor iedereen · Leefbare en inclusieve buurten · Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad · Strategisch innovatief woonprogramma. Passend en betaalbaar wonen Binnen deze opgave gaat extra aandacht uit naar starters en (lage) middeninkomens.

We zetten in op het realiseren van divers en passend woningaanbod, met nadruk op de toenemende groep 1 en 2 persoonshuishoudens. Om de voorraad passend te blijven houden, wordt er een flexibele schil 9

gerealiseerd, voor o.a. spoedzoekers. Daarnaast is er aandacht voor het huisvesten van specifieke doelgroepen, waaronder ouderen, mensen met een handicap of psychische kwetsbaarheid, maar ook jongeren, starters en studenten. Leefbare en inclusieve buurten De Woonvisie streeft naar eenheid in verscheidenheid. Interventies in nieuwbouw en de bestaande woningvoorraad versterken de buurt en, zorgen voor een divers aanbod. Daarbij is bijzondere aandacht voor de huisvesting van kwetsbare doelgroepen en het stimuleren van nieuwe woonconcepten en bewonersinitiatieven die bijdragen aan ontmoeting, leefbaarheid en veiligheid. Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad De woonvisie heeft een gezonde, duurzame én flexibel inzetbare woningvoorraad als doel. Een woningvoorraad die ook de toekomstige uitdagingen en veranderende woonwensen aan kan. De opgave ligt hierbij zowel in de nieuwbouw als in de bestaande woningvoorraad. Strategisch innovatief woonprogramma De gemeenteraad heeft als ambitie uitgesproken om 10.500 woningen te realiseren in de periode 2020 – 2030. Daarbij is de ambitie een stedelijke differentiatie over de volgende categorieën: - minimaal 30% sociale huur - minimaal 20% middenhuur en goedkope koop - maximaal 50% dure huur en (middel)dure koop. Woningbouwprogramma Het plan bestaat uit 76 sociale huurwoningen met daarbinnen een mix van prijsklassen.

Door deze mix worden, binnen de wettelijke mogelijkheden die corporaties hebben, verschillende doelgroepen bediend. Het plan draagt bij aan het verminderen van de druk op de sociale huurwoningmarkt. De inzet is om begin 2022 deze 76 sociale huurwoningen in aanbouw te hebben. De verwachte oplevering zal in 2023 plaatsvinden. Het voorliggende plan draagt bij aan de opgaven van de Woonvisie, zowel voor wat betreft de opgave van een ambitieus nieuwbouwprogramma (kwantitatief) als ook de opgave van betaalbaar wonen (kwalitatief). 2.3.3 Welstandsnota Op 17 mei 2011 heeft de gemeenteraad de 'Actualisering Welstandsnota 2011' vastgesteld. In de Welstandsnota zijn per bebouwingstype architectonische en bouwtechnische welstandscriteria opgenomen. Het plan is diverse keren met de welstandscommissie besproken op 2 juli 2019, 17 oktober 2019 en 2 april 2020 en 20 januari 2021. De welstandscommissie is op hoofdlijnen akkoord met het plan. 2.3.4 Nota Hoogbouw De nota geeft een methodiek aan om te bepalen of, waar en onder welke voorwaarden hoogbouwinitiatieven kunnen worden vastgesteld. De nota is vastgesteld door de gemeenteraad op 17 juni 2003. De nota vormt een stedenbouwkundige onderlegger voor hoogbouwinitiatieven. De nota heeft betrekking op gebouwen hoger dan 25 meter.

’s-Hertogenbosch waardeert hoogbouw als typologie positief, het sluit aan bij een toegenomen belangstelling voor stedelijk wonen en werken. Het ligt verder in lijn met doelstellingen om het ‘groene’ landschap landschappelijker te maken en het stedelijke landschap stedelijker. In de nota worden zones benoemd voor hoogbouw. Bij het bepalen van deze zones is rekening 10

gehouden met de waardevolle zichtlijnen en zones. Deze zones zijn kwetsbaar voor hoogbouw omdat hoogbouw er voor kan zorgen dat bijvoorbeeld de waardevolle zichtlijnen verdwijnen door het toevoegen van hoogbouw. Bij de zones die in aanmerking komen voor hoogbouw wordt er in ingezet op: knopen, landmarks, lange lijnen, grote vlakken en punten. Op basis van ruimtelijk onderzoek kunnen hoogbouwinitiatieven worden bekeken om na te gaan of ze inpasbaar zijn in de omgeving en het stadssilhouet. Op onderstaande afbeelding is het totaaloverzicht weergegeven met de bestaande hoge gebouwen, de mogelijke hoogbouwlocaties en beschermde zichtlijnen.

Figuur 6: Overzichtskaart Nota Hoogbouw

De locatie ligt niet in een gebied wat specifiek aangewezen is voor hoogbouw. De ontwikkeling wordt echter wel voorstelbaar geacht omdat het gebouw op een markant punt langs de Aa is gelegen. Dit is een ‘lange lijn’ die de stad binnenkomt en met het toevoegen van een hoger gebouw op het punt waar deze lijn van richting veranderd wordt deze lange lijn extra benadrukt. De locatie is niet gelegen in op kaart aangeduide ‘visuele schaduw’ van de Sint-Jan. Voor de ontwikkeling zijn de 10 punten van de ruimtelijke motivering van de nota meegenomen. Hieronder volgt per punt een korte uitleg en een onderbouwing of er voldaan kan worden aan de gestelde criteria. 1. Slankheidsbepaling Voor de beleving van hoogbouw is slankheid een belangrijk begrip. Het kan uitgedrukt worden doormiddel van het quotiënt van de grootste breedtemaat van het grondvlak en de hoogte. Uit de inventarisatie van de Nota Hoogbouw blijkt dat slanke torens een slankheidcoëfficiënt hebben van 2,2 of meer. Voor de bepaling van het coëfficiënt maken we onderscheid tussen de lange zijde van het gebouw, en de kopse gevels.Het huidige ontwerp heeft een slankheidsquotiënt van 1,21 voor de lange zijde (38,750m/32,15m) en 2,05 voor de korte zijde (38,750m/18,9m) Daarmee voldoet het niet aan het nagestreefde coëfficiënt. Echter benadert de opbouw van de gevel aan de korte zijden; welke vanuit

11

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

9.

lange zichtlijnen zoals de Rijnstraat en de Aa als bepalend worden gezien deze wel zeer dicht. Het nagestreefde slanke beeld wordt versterkt door de architectuur, met een opgetilde plint, boven het glooiende landschap dat doorloopt tot aan de gevel. Aan de lange gevels is gewerkt met een geleding, om het slanke beeld te bevorderen. Daarmee wordt deze opzet als ruimtelijk acceptabel bezien. Maatwerk Elke locatie vraagt om maatwerk en een analyse van het bestaande stedelijke weefsel, om van daaruit tot oplossingen te komen. De locatie benadrukt een bijzondere plek in de stad, in de stedenbouwkundige toelichting is dit verder toegelicht. Het ontwerp is afgestemd op de omgeving en de overige bebouwing aan de Rijnstraat. 3D montage De ruimtelijke, visuele en cultuurhistorische consequenties van hoogbouwinitiatieven zullen via 3D presentaties danwel fotomontages worden gevisualiseerd. Vanuit verschillende zichthoeken zal het effect van de plaatsing worden nagegaan. Er zijn 3D montages aangeleverd waarin het gebouw is weergegeven in zijn omgeving vanuit verschillende perspectieven. Het gebouw markeert deze plek aan de Aa; en vormt een aantrekkelijke entree vanuit de Aa en de Rijnstraat. De ruimtelijke invloed wordt als acceptabel gezien. Architectuur Architectonisch zal het plan aansprekend moeten zijn, met aandacht voor gevelontwerp, afwerking, textuur en reliëf.

De architectuur dient een gelaagdheid te krijgen, zodat het gebouw op grote afstand boeit, maar ook van dichtbij een geraffineerde schoonheid biedt. De torens met een geleding in de opbouw spreken vaak meer aan. In het ontwerp is hier rekening mee gehouden en er is gelaagdheid aangebracht. Onder meer door geleding, een dubbelhoge entree en subtiele verspringing in hoogte, De materialen en afwerking zijn beoordeeld door de welstandscommissie en akkoord bevonden. Beëindiging gebouw Bijzondere aandacht is vereist voor de top van het gebouw. Er worden hoge eisen gesteld aan de beëindiging van de toren als silhouet. De dakbeëindiging is ontworpen als eenduidig onderdeel van het woongebouw. Er is aandacht besteed aan het zorgvuldig wegwerken van installaties en dakopbouwen uit het zicht. De plint van het gebouw Er dient veel aandacht te worden geschonken aan de plint van het gebouw. Het gebouw staat aan 3 zijden met de voeten in het groen. Het groen loopt tot aan de gevel door. Doordat de bergingen verdiept liggen t.o.v. dit glooiende landschap worden deze aan het zicht onttrokken. Een smalle strook van deze eerste bouwlaag steekt boven het groen uit. Dit geeft het beeld van een ‘zwevend’ gebouw; wat kan worden versterkt door verlichting. De entree aan de oostzijde is extra benadrukt door een hogere verdiepingshoogte en overstek.

De omgevingskwaliteit De inrichting van de omgeving dient van hoge kwaliteit te zijn. Een apart plan voor de inrichting van het maaiveld zal dat moeten aantonen. In de directe omgeving van het gebouw is groen aanwezig en worden parkeerplaatsen gerealiseerd. Dit is meegenomen in een integraal inrichtingsplan. Milieu-aspecten Hoogbouw heeft een grotere ruimtelijk/functionele impact dan gebruikelijk. Gelet op de hogere investeringen en de meestal langere economische levensduur worden bij hoogbouwinitiatieven ook bijzondere milieu-eisen gesteld. De ontwikkeling volgt minimaal de beleidsdoelen op het gebied van milieu-aspecten van de gemeente ‘s-Hertogenbosch en Stichting Mooiland. Stichting Mooiland blijft eigenaar van het gebouw na oplevering. Bezonningsaspecten Er wordt onderzoek gedaan naar de bezonningsaspecten van het hoogbouw initiatief. Als voorwaarde wordt gesteld dat tussen 19 februari en 21 november bij een zonnestand van meer dan 10⁰ sprake is van 2 uur zon. De bezonningsstudie wijst uit dat er geen gebouwen in de omgeving hinder ondervinden. 12

10. Windhinder Er zal onderzoek worden gedaan naar mogelijke valwinden en turbulentie rekening houdend met de windstatistiek op locatie. In sommige gevallen zal windtunnelonderzoek vereist zijn. Een windtunnelstudie zal plaatsvinden bij de aanvraag omgevingsvergunning.

2.3.4 Duurzaamheid Binnen de gemeente ’s-Hertogenbosch is klimaat- en energiebeheer een belangrijk speerpunt. De ambitie is om als stad in 2050 klimaatneutraal te zijn. In 2035 dient de bebouwde omgeving klimaatneutraal te zijn. Hierdoor wordt het milieu en het klimaat in het algemeen minder belast. Energiebesparing draagt bij aan de vermindering van de uitstoot van CO2 in Nederland. Een ander voordeel van duurzaam bouwen is de energiebesparing, en daarmee ook de kosten voor het energieverbruik. De gemeentelijke ambitie van een klimaat neutrale bebouwde omgeving in 2035 is een flinke ambitie waarbij 'alles uit de kast' moet worden gehaald. Deze doelstelling betekent dat niet alleen de gemeente veel moet doen maar ook de bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen, woningcorporaties zullen hierin moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken. De gemeentelijke energieambitie en -doelstellingen zijn vastgelegd in het Energie-transitieprogramma 's-Hertogenbosch 2016-2020, vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2017.

Ook het recente bestuursakkoord (2018-2022) stelt dat we als gemeente een serieuze bijdrage leveren om de klimaatverandering tegen te gaan, bijvoorbeeld door het stapsgewijs toewerken naar een ‘aardgasvrije’ gemeente, ook via het opwekken van (veel meer) duurzame energie en het energiezuinig/neutraal laten bouwen binnen onze gemeente. In het Actieplan duurzame mobiliteit, vastgesteld door de raad op 28 januari 2020, zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om mobiliteit meer duurzaam te maken. In oktober 2018 is er een ‘duurzaamheidsakkoord’ gesloten tussen gemeente ’s-Hertogenbosch én de in ’s-Hertogenbosch werkzame corporaties BrabantWonen, Kleine Meierij, Mooiland, Zayaz en het Stedelijke Huurdersplatform. Een akkoord dat zich focust op de sociale huurwoningvoorraad. Het akkoord omvat zowel de klimaatmitigatie opgave (verminderen CO2 uitstoot) als de klimaatadaptie uitdaging (aanpassen aan de onvermijdelijke gevolgen van klimaatverandering). Vermindering van de CO2 uitstoot en het klimaatbestendig maken van ’s-Hertogenbosch zijn hard nodig om de kwaliteit van leven van onze inwoners goed te houden en waar mogelijk te verbeteren. De afspraken uit het ‘duurzaamheidsakkoord’ sluiten aan bij de vastgestelde ‘visie duurzaam ’sHertogenbosch’ (mei 2019). Het doel van deze visie is te werken een gemeente met een aantrekkelijke, leefbare en groene omgeving.

Een gemeente waar we wonen met groen op loopafstand en in een schone lucht. Bij ontwikkelingen pakken we kansen ten gunste van ons klimaat. Hierbij moet gedacht worden aan het opwekken van duurzame energie, verberteren energieefficientie, energie-efficientie om de energievraag bij ontwikkelingen te verminderen, maatregelen te nemen vanwege de klimaatverandering, biodiversiteit te vergroten en zodat grondstoffen hun waarde behouden binnen de gemeente. In paragraaf 3.2 wordt nader ingegaan op dit aspect. 2.3.5 Bereikbaarheid en parkeren Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de Nota Parkeernormering 2016 Auto en Fiets dat is vastgesteld op 21 september 2016. De nota geeft normen en richtlijnen voor functies, gebaseerd op kentallen van het CROW, voor de zes verschillende zones binnen de gemeente. De nota geeft alleen voor de meest voorkomende functies, te weten wonen, werken en

13

winkels, parkeernormen. Voor de ontwikkeling van andere functies gelden richtlijnen hoe met parkeren omgegaan moet worden. Bij het toelaten van initiatieven moet inzichtelijk zijn dat in de parkeerbehoefte van auto’s en fietsen voorzien kan worden. Dat moet in principe op eigen terrein. Wanneer dat niet mogelijk is en er binnen loopafstand geen parkeerruimte is kan dat leiden tot ruimtebeslag voor (meer) parkeren in de openbare ruimte. Dit ruimtebeslag mag de verkeersveiligheid en een goed woon- en leefklimaat niet aantasten. In paragraaf 3.2 wordt nader ingegaan op dit aspect.

2.3.6 Archeologie De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. In paragraaf 3.8 wordt nader ingegaan op dit aspect. 2.3.7 Nota Grondbeleid In de Nota Grondbeleid 2005 (februari 2005) stelt de Raad primair de kaders vast voor het door het college te voeren grondbeleid. Grondbeleid wordt door de gemeente 's-Hertogenbosch gezien als het beleid dat, ten behoeve van de gemeentelijke doelstellingen op het gebied van ruimtelijke ordening, streeft naar het creëren van ruimte voor wonen, werken, winkelen en recreëren in zowel uitleggebieden als bestaand stedelijk gebied, door het oppakken of ondersteunen van concrete ontwikkelinitiatieven.

In de Nota Grondbeleid zijn vastgelegd: de kaders voor actief en passief grondbeleid, het prijsbeleid, de financiële grondslagen, het risicomanagement en de mate waarin voorzieningen worden opgenomen in de grondexploitatie. In paragraaf 3.9 wordt nader ingegaan op dit aspect.

14

Hoofdstuk 3 Ruimtelijke verantwoording 3.1 Stedenbouw Stedenbouwkundige setting Het plangebied heeft een prominente ligging aan de rivier de Aa. Het gebied maakt onderdeel uit van de wijk Aawijk-zuid, gelegen ten oosten van de binnenstad van 's-Hertogenbosch. De wijk is in verschillende uitbreidingsfasen, in met name de jaren ’60, tot stand gekomen, en heeft een vrij rationeel karakter. Kenmerkend voor de omgeving van de Rijnstraat is de open bebouwingsstructuur. Tussen de bebouwing is er ruimte voor groen en pleintjes. De onderzoekslocatie is onderdeel van een voorzieningenstrook tussen de Aa en de Rijnstraat. De vier percelen die zich daarbinnen bevinden kunnen allemaal profiteren van een mooie ligging aan het water en een groene uitstraling. De gebouwen zijn goed zichtbaar vanuit de omgeving. De bebouwing is gevarieerd: kantoorpanden, een maatschappelijke voorziening (Stichting Maashorst) en een kerk. Naast de individuele uitstraling is er ook variatie in massa opbouw: variërend tussen de 2 en 6 bouwlagen. Aan de overzijde van de Rijnstraat bevindt zich een woonbuurt. Aan de overzijde van het plangebied wordt het gezicht gevormd door een langgerekt appartementengebouw, dat met een geknikte wand de straat begeleid. Het is 7 bouwlagen hoog, en met de galerijzijde naar de Rijnstraat gericht.

De stedelijke groenstructuur bestaat uit lange lijnen (droog en nat) die door de stad lopen naast brede of grotere groenplekken, zoals de parken en zandwinplassen. In het plangebied is een dergelijke groene route aanwezig. Deze loopt langs de Aa richting het oosten naar de Bossche Buitens. Het groene beeld wordt bepaald door groene oevers en volwassen bomen. De Rijnstraat heeft tevens een groene uitstraling. De combinatie van groene bermen aan weerszijden van de weg, volwassen bomen langs de weg en op te locatie, en groene hagen zorgen voor een aangenaam beeld. Er is sprake van een ruimtelijke relatie met het naastgelegen pand Rijnstraat 10 (voormalig kantoorpand).

Figuur 7: Foto Rijnstraat met op de voorgrond Rijnstraat 10 en op de achtergrond Rijnstraat 4.

Bouwplan en stedenbouwkundige inpassing De initiatiefnemer is voornemens het voormalige kantoorgebouw aan de Rijnstraat 4 te slopen en de locatie te benutten voor woningbouw. Het bestaande gebouw is omstreeks 1980 gebouwd naar een ontwerp van architectengroep Noord. Er worden geen bijzondere waarden aan het gebouw toegekend (geen monument), en er bestaat vanuit dit oogpunt geen bezwaar tegen eventuele sloop. Ruimtelijke ambities Zoals bovenstaand is toegelicht kent het plangebied en de directe omgeving kwaliteiten. Het initiatief van Mooiland biedt kansen om deze kwaliteiten te versterken. De stedenbouwkundige opgave is op deze plek om de prominente ligging aan het water ten volle te benutten. Nieuwe bewoners kunnen hiervan profiteren in uitzicht en leefklimaat. De bebouwing kan zich (nog) meer alzijdig oriënteren, en meedoen in het gezicht van de stad aan de Aa.

15

De ‘punt’ van deze voorzieningenstrook is een bijzondere locatie; zichtbaar vanuit een brede omgeving. Vanuit De Bossche Pad / Rijnstraat rijd je er recht op aan. Door de ligging net na de bocht van de Aa is er tevens een zichtrelatie met een wijde omgeving. Deze prominente plek vraagt daarmee om een kwalitatief hoogwaardige uitwerking van de plannen. De aanwezige groen-blauwe kwaliteiten vormen een belangrijke ruimtelijke randvoorwaarde. De aanwezige bomen bepalen in belangrijke mate de inpassing van een nieuw volume t.p.v. Rijnstraat 4.

Figuur 8: groen in omgeving

Figuur 9: stedenbouwkundige structuur

Een interessant thema is het creëren van samenhang tussen de ontwikkelingen Rijnstraat 4 en 10. Rijnstraat 10 wordt behouden en verbouwd naar een appartementengebouw. De openbare ruimte tussen en rond beide gebouwen wordt als één geheel bezien. De bebouwing wordt gezien als ‘losse’ gebouwen in het groen. Stedenbouwkundige inpassing Het nieuwe ontwerp gaat uit van een compact en rank volume, dat zich voegt in de groene omgeving van de Aa. Doordat het gebouw compact is en meer de hoogte zoekt, is er op maaiveld ruimte om het groen letterlijk tot aan de gevel van de nieuwbouw door te trekken. Het appartementengebouw markeert de inleiding van de ‘knik’ van de Aa. Doordat er voldoende lucht en ruimte om de locatie aanwezig is, bestaat er stedenbouwkundig ruimte voor dit hogere volume bestaande uit 12 bouwlagen. Het gebouw krijgt een adres aan de Rijnstraat. Het gebouw is alzijdig georiënteerd; alle zijdes worden benut voor gevelopeningen, voorkanten en balkons. In het ontwerp is veel aandacht besteed aan een zorgvuldige aanhaking op het begane grondniveau. Aan de zijde richting het parkeerterrein en Rijnstraat 10 bevindt zich een dubbelhoge entree, met onderdoorgang, waarmee op een logische

16

wijze de toegang wordt ingeleid. Ook kan via deze route de Aa worden bereikt. Er liggen kansen om in de toekomst de oever bereikbaar te maken als openbare verblijfsplek aan het water (maar maakt nog geen onderdeel uit van het plan).

Zicht vanaf de Aa

Zicht vanaf de Rijnstraat westzijde, en oostzijde / entree

Onderdoorgang bij de entree Figuur 10: Impressies bouwplan

De vormgeving sluit aan op het karakter van de omgeving met een materialisatie in baksteen.

17

Figuur 11: Impressie materiaalgebruik

De openbare ruimte wordt maximaal ingezet voor groen. Door een oplopend maaiveld tot aan de gevel aan 3 zijdes van het gebouw, vallen de fietsenstalling en bergingen weg uit het aanzicht. Met dit hoogteverschil ontstaat ook een prettig woonklimaat voor de woningen op de eerste woonlaag. Tussen Rijnstraat 4 en 10 bevindt zich een parkeerterrein, dat wordt ingezet voor beide ontwikkelingen. De inrichting wordt als één samenhangend plan ontworpen. Deels is dat de bestaande inrichting, deels aangevuld met nieuwe vakken, bomen en hagen. Het bestaande buitenterrein rondom Rijnstraat 4 en 10 bestaat uit een grote parkeerplaats met hagen. Er is een integrale terreininrichting ontworpen voor zowel Rijnstraat 4 en Rijnstraat 10. Hieronder is een uitsnede uit de terreininrichting opgenomen.

Figuur 12: inrichtingsplan. In blauw aangeduid zijn parkeervakken met waterinfiltratievoorziening. De in rood aangeduide parkeervakken behoren niet tot deze ontwikkeling.

18

3.2

Mobiliteit

Fietsparkeren Nota Parkeernormering 2016 In de Nota Parkeernormering 2016 (NP2016) wordt voor fietsparkeren in relatie tot wonen verwezen naar het Bouwbesluit. In dit geval hebben we bij Rijnstraat 10 met de transformatie daarmee te maken met andere eisen dan de nieuwbouw voor Rijnstraat 4. Voor de transformatie van Rijnstraat 10 blijft de huidige fietsenberging behouden. Deze is ten westen van het gebouw gesitueerd zoals te zien op de situatietekening. Hierin worden 38 stallingsplekken voor fietsen gerealiseerd, één per woning. Dit is het maximaal haalbare uitgaande van de bestaande situatie die leidend is geweest bij de transformatie. Voor de nieuwbouw van Rijnstraat 4 is het grootste gedeelte van de begane grond voorzien als inpandige fietsenstalling. De 76 appartementen zijn in de woning voorzien van hun individuele berging, dus er is sprake van een gemeenschappelijke fietsenberging op de begane grond. Om tegelijkertijd te voldoen aan het Bouwbesluit artikel 4.31 hanteren we de normering van de gemeente Amsterdam voor gemeenschappelijke fietsenbergingen bij woongebouwen. Deze gaat uit van 3 plekken in fietsrekken per appartement. Dat komt overeen met 228 stallingsplekken in de gemeenschappelijke fietsberging. De stallingsplekken worden genummerd waardoor ze aan een appartement te koppelen zijn.

Tevens vindt Mooiland het van belang in te spelen op het gebruik van elektrische fietsen. Daarom wordt er per 3 stallingsplekken één wandcontactdoos gerealiseerd voor het opladen van elektrische fietsen. Tevens zijn er een aantal stallingsplekken voor scootmobielen voorzien. Indien benodigd kunnen die ook op de plek die toegewezen is aan het appartement gestald worden. Het doel van Mooiland is om hiermee mede het fietsgebruik te stimuleren wat een positief effect heeft op een groter gebied in bereikbaarheid en duurzaamheid. Autoparkeren Nota Parkeernormering 2016 Met behulp van de Nota Parkeernormering 2016 (NP2016) kan de parkeerbehoefte van deze ontwikkeling worden bepaald. De NP2016 hanteert per combinatie van woningtype en zone een normering. Woningtypen Rijnstraat Wanneer we de normering voor de woningtypen van de NP2016 bekijken wordt duidelijk dat de 112 appartementen van deze ontwikkeling vallen en twee categorieën qua oppervlakte: Woning 40-80 m2 BVO: 76 appartementen van Rijnstraat 4 en 30 appartementen van Rijnstraat 10. Woning 80-150 m2 BVO: 6 appartementen van Rijnstraat 10. Al deze woningen worden in dezelfde prijsklasse (sociale huur <€ 619,- per maand) verhuurd. Om die reden zullen in de iets grotere appartementen geen bewoners met andere mobiliteitskenmerken komen dan in de kleinere woningen.

Voor alle woningen wordt de norm voor “woning 40-80 m2 BVO sociale huur” toegepast. De reden hiervan is dat zes woningen weliswaar iets groter zijn dan 80 m2, maar dat de indeling gelijk is aan de overige woningen en dat in die zes woningen geen grotere gezinnen zullen gaan wonen. Zonering Rijnstraat In het NP2016 wordt in de gebiedsindeling parkeernormering een vijftal zones toegepast. Het projectgebied ligt in een zone 3 ‘overig bebouwde kom’. Het projectgebied grenst aan de zone 2 ‘overig gereguleerd gebied’ en bevindt zich tevens op zeer korte afstand van het centrum van ’sHertogenbosch. Er is daarom besproken om de normatieve parkeerbehoefte voor deze ontwikkeling omlaag te brengen door te bekijken of de omzetting naar een zone 2 mogelijk is. Bij zone 2 is er sprake van een gereguleerd gebied. Dit heeft een positief effect op de parkeerbehoefte van deze 19

ontwikkeling, zowel in normering als in de toegestane loopafstand. Bij zone 2 moet een parkeerplaats binnen een loopafstand van 200 meter gevonden zijn, terwijl dat bij een zone 3 binnen 100 meter is. Parkeerdruk en -behoefte In het parkeeronderzoek van Trajan is de parkeerdruk in het projectgebied en haar omgeving gemeten. Dit om te bepalen wat de mogelijke restcapaciteit in de omgeving is. De maximale grens voor de parkeerdruk is conform NP2016 gesteld op 80%. Zie voor meer details het parkeeronderzoek. Voor zone 3 is met een loopafstand van 100 meter, een restcapaciteit in de omgeving van 2 parkeerplaatsen. Voor zone 2 is met een loopafstand van 200 meter, een restcapaciteit in de omgeving van 42 parkeerplaatsen. Tevens is daarin de parkeerbehoefte bij een zone 2 als een zone 3 berekend op basis van de woningcategorie “woning 40-80 m2 BVO sociale huur”, waarbij tevens rekening is gehouden in de berekening met dubbelgebruik. Zie voor meer details het parkeeronderzoek. Voor zone 3 betekent dit bij 112 appartementen een benodigd aantal van 118 parkeerplaatsen. Voor zone 2 betekent dit bij 112 appartementen een benodigd aantal van 108 parkeerplaatsen. Op basis van het parkeeronderzoek wordt nogmaals duidelijk wat het voordeel en tegelijkertijd de noodzaak is van de omzetting van het projectgebied naar een zone 2 met bijbehorende parkeernormering.

Het zorgt voor een vermindering van de parkeerbehoefte en groter gebied waarin het tekort opgelost kan worden. En bij zone 3 is er simpelweg onvoldoende restcapaciteit in de omgeving om de parkeerbehoefte op te vangen. Inzet van deelauto’s Het gebruik van deelauto’s is sterk in opkomst. De inzet van deelauto’s (in plaats van een eerste of tweede eigen auto) past binnen het gemeentelijk streven naar duurzame mobiliteit (zie bijv. Actieplan Duurzame Mobiliteit 2020). Hierover heeft overleg plaatsgevonden en is ambtelijk besproken om in dit project als pilot 6 deelauto’s in te zetten. De gemeente heeft nog geen vastgesteld beleid voor deze nieuwe ontwikkeling maar hanteert een voorlopige vuistregel. Die voorziet in de inzet van 1 deelauto op 30 woningen en in het reduceren van de parkeerbehoefte met netto 3 parkeerplaatsen per deelauto (vier plaatsen reductie, maar met één plaats voor de deelauto). Voorwaarden vanuit de gemeente voor het businessplan zijn marktconforme tarieven en dat dit deelauto-aanbod gedurende ten minste 15 jaar in stand blijft. Dit businessplan is uitgewerkt door De Vries Ontwikkeling B.V. en bijgevoegd bij het mobiliteitsconcept Het verzoek is om bij deze ontwikkeling 6 deelauto’s in te zetten die zorgen voor een reductie in de parkeerbehoefte van 18 parkeerplaatsen.

Overige mogelijkheden op eigen terrein Op eigen terrein is er de mogelijkheid om 74 parkeerplaatsen te realiseren. Er zijn verschillende mogelijkheden onderzocht om het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein te vergroten: De strook ten westen van de bebouwing van Rijnstraat 4 inzetten voor parkeren. Dit is besproken en vanuit de gemeente vanuit de ruimtelijke kwaliteit als niet wenselijk bestempeld. De optie van een één-laags parkeerdek is verkend. Deze moet nog beoordeeld worden op impact op de ruimtelijke kwaliteit door de gemeente. Deze optie is ingetekend in de situatietekening en tevens met referenties aangegeven hoe dit moet ogen. Daarbij is uitgegaan van een stalen parkeerdek dat voorzien wordt van begroeiing. Dit heeft per saldo tot gevolg dat er 17 parkeerplaatsen extra gerealiseerd kunnen worden op eigen terrein. De strook van 20 parkeerplaatsen ten oosten van de bebouwing van Rijnstraat 10 is in bezit van Koraal groep. Mooiland heeft verkennend gesproken met Koraal groep over gebruik en/of overname van deze parkeerplaatsen. In dit gesprek kwam naar voren dat Koraal groep nog onvoldoende duidelijkheid heeft over de toekomst van haar eigen pand. Om alle opties open te houden voor de

20

toekomst, kan men gebruik en/of overname van de parkeerplaatsen niet toestaan. We blijven in gesprek, dus mocht hier wel duidelijkheid over komen binnen Koraal groep is dit een mogelijke oplossing. Conclusie fiets- en autoparkeren Concluderend kan gesteld worden dat fietsparkeren ruim voldoet aan de normering conform NP2016. Voor het autoparkeren voorziet het plan in de basis op eigen terrein in 74 parkeerplaatsen. Gezien de parkeerbehoefte in de huidige situatie (zone 3) van 118 parkeerplaatsen volgens de NP2016 voldoet dit niet en is er in de omgeving onvoldoende restcapaciteit om deze parkeerbehoefte op te vangen. De NP2016 biedt ruimte voor maatwerk (afwijking van de normen) mits dit door de ontwikkelaar voldoende is onderbouwd. Voor dit plan is maatwerk benodigd. Maatwerkoplossing autoparkeren Als we bovengenoemde onderdelen in overweging nemen komen we tot de volgende maatwerkoplossing voor autoparkeren Rijnstraat: · In te stemmen om voor alle 112 sociale huurappartement de normering van de categorie “woning 40-80 m2 BVO sociale huur” van toepassing te verklaren. · In te stemmen met het omzetten van het projectgebied naar een zone 2 met bijhorende parkeernormering conform NP2016. Dit heeft een parkeerbehoefte van in totaal 108 parkeerplaatsen tot gevolg. Op eigen terrein worden 74 parkeerplaatsen gerealiseerd.

· In te stemmen met de inzet van 6 deelauto’s conform het businessplan zoals bijgevoegd bij het mobiliteitsconcept. Hierdoor worden normatief 18 plekken toegevoegd. Dat brengt het totaal op eigen terrein naar 92 parkeerplaatsen. · In te stemmen dat voor het resterende normatieve parkeertekort van 16 parkeerplaatsen gebruik gemaakt mag worden van de restcapaciteit in de omgeving binnen 200 meter van de locatie (die conform NP2016 hoort bij zone 2). Waarbij uit het parkeeronderzoek van Trajan blijkt dat een restcapaciteit van 42 parkeerplaatsen in deze omgeving is, die daarmee ruim voldoende is.

3.3

Milieu

Milieu en ruimtelijke ordening Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. Bedrijvigheid & milieuzonering Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde wijze (door afstand of bouwkundige maatregelen) gesitueerd worden nabij bedrijven. Enerzijds dient milieuzonering om hinder als gevolg van bedrijven te voorkomen en anderzijds dient het om bedrijven hun activiteiten te kunnen laten uitvoeren binnen de gangbare (hinder)normen. Om dit zorgvuldig af te wegen en te verantwoorden is de VNG-Handreiking “Bedrijven en milieuzonering” gehanteerd.

De locatie bevindt zich in een gebied met - aan de noord, west en zuidzijde van de locatie - diverse bestaande woningen. Het (kantoor)pand ten oosten van de locatie is recent getransformeerd naar een woonpand. Deze is derhalve niet meer relevant te noemen voor bedrijvigheid. Onacceptabele hinder als gevolg van de - op ruime afstand gelegen - aanwezige bedrijfsbestemmingen wordt in deze omgeving niet verwacht. Onderhavige woningen bevinden zich ook ruim buiten de indicatieve hinderafstanden van de VNG-Handreiking. De nieuwe woonobjecten zullen tevens de belangen van

21

reeds bestaande en bestemde bedrijvigheid niet schaden. De voorgenomen woonfunctie past prima in dit gebied. Bodem Bij het opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen van bestemde functies is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Voor onderhavige locatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Econsultancy, verkennend bodemonderzoek, Rijnstraat 4, ’s-Hertogenbosch, d.d. 4 november 2019, nummer 10826.002). Uit het onderzoek blijkt dat de bodem geschikt is voor de voorgenomen functie ‘wonen’. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten.

De belangrijkste zijn: · Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); · Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); · Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.

Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit. Beleidsvisie externe veiligheid gemeente ‘s-Hertogenbosch De gemeente ‘s-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente ’s-Hertogenbosch, deel A t/m C). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. In de beleidsvisie zijn - middels een kleurenkaart gebieden binnen de gemeente aangegeven waarbij – vanwege de aanwezigheid van risicobronnen – kwetsbare objecten wel (groene gebied), juist niet (rode gebied) of onder voorwaarden (oranje gebied) zijn toegestaan.

22

Het beoogde woonpand bevindt zich in een groen gebied (buiten 325 meter van de weg en het spoor). Nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen) zijn in groene gebieden toelaatbaar. Beschouwing risicobronnen Nabij het nieuwe woonpand bevinden zich geen relevante risicobronnen. Het spoor en Rijksweg (met daarover transport van gevaarlijke stoffen) bevindt zich op respectievelijk 1,1 en 1,8 km afstand van het plan. Het meest ‘nabije’ risicobedrijf betreft een LPG-tankstation aan de Gestelseweg op ruim 1,4 km afstand. Dit is ver buiten het invloedgebied van het LPG-tankstation en is daarom niet relevant te noemen. Ook het doorgaande spoor en Rijksweg bevinden zich op grote afstand. In overleg met de regionale brandweer is besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter van relevante transportroutes (wegen of spoorwegen) geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld. Tevens is in het kader van de verantwoording van het GR niet meer nodig om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer (Veiligheidsregio). Deze afspraak is tevens opgenomen in het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. Een advies van de Veiligheidsregio is derhalve niet gevraagd en betrokken. Conclusies Het plangebied ligt op ruime afstand van risicobronnen en daarmee ver buiten de invloedsgebieden van risicobronnen.

Het woonplan voldoet aan de belangrijke grenswaarde voor het PR. De oriënterende waarde voor het GR is er vanwege de afwezigheid van risicobronnen laag, verandert niet significant, dus blijft laag en wordt niet overschreden. De ontwikkeling is passend en toelaatbaar binnen de gestelde aanvullende kaders die zijn vastgelegd in het Uitvoeringskader externe veiligheid van de gemeente ’s-Hertogenbosch. Aanvullende veiligheidseisen zijn conform de afspraken met de Veiligheidsregio niet nodig en niet gesteld gezien de grote afstanden tot het spoor en de Rijksweg A2 en de afwezigheid van risicobronnen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor onderhavig plan. Luchtkwaliteit Bij lucht gaat het enerzijds om de productie van luchtverontreiniging als gevolg van nieuwe plannen – waarop de luchtkwaliteitseisen van de Wet Milieubeheer van toepassing zijn - en om de zorg van kwetsbare functies (zoals wonen) in luchtbelaste zones uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 μg/m3.

De grens waarbij een plan als gevolg van extra verkeer niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ligt op meer dan 1700 vervoersbewegingen (van auto’s) per etmaal. De 76 nieuwe appartementwoningen binnen Rijnstraat 4 zullen nimmer dit aantal voertuigbewegingen genereren. Daarmee is te concluderen dat dit plan – gezien de verkeersgeneratie - 'niet in betekenende mate ‘bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nader luchtonderzoek is ook niet nodig. Verder blijkt uit de landelijke Monitoringstool dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied (omgeving Rijnstraat) voor beide stoffen onder de 25 µg/m3 liggen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m3) voor beide stoffen. Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 (de fijnere fractie van fijn stof) hier beneden 14 microgram/m3. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 microgram/m3. Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10259897/1