Bijlage 2 ruimtelijke onderbouwing Rijnstraat 4
Tekst van het document
23
De luchtkwaliteit vormt geen knelpunt vormt voor de realisatie van het bestemmingsplan.
3.4
Energie & duurzaamheid
Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgt de gemeente er onder meer voor dat ze door haar inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en behoud en/of verbetering van ‘het milieu’ in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vastgelegd in de visie ‘samenwerken aan een duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019). Met de vastgestelde visie zet 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's: 1. Gezond, groene en klimaatbestendige omgeving 2. CO2 neutrale gemeente (energie) 3. Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) 4. Duurzame mobiliteit Voor bovenstaande thema's heeft Mooiland voor de nieuwbouw aan Rijnstraat 4 onderzocht wat er – bovenop wettelijk vereist - op het gebied van duurzaamheid gerealiseerd kan worden. Het plan van nieuwbouw zal derhalve leiden tot een duurzamere bouw dan (op dit moment) wettelijk vereist. Hieronder een toelichting per thema: Energie De nieuwbouw zal ten minste voldoen aan de wettelijke energie-prestatie-eis ‘BENG'. BENG staat voor Bijna Energie Neutraal Gebouw. Daarnaast wordt er – conform het huidige Bouwbesluit zonwering toegepast op de zonzijde-gevels om te voldoen aan de TO-juli-eis.
Deze wettelijke eis voorkomt oververhitting van de appartementen in de zomerperiode vanwege een verbeterde isolatie en kierdichting vanwege BENG. Boven op deze wettelijke eisen past Mooiland standaard bij nieuwbouw verhoogde isolatiewaarden toe op de vloer en gevel. Dit houdt in een isolatiewaarde Rc = 4 m2 K/W (Bouwbesluit = 3,7) en voor de gevel een Rc = 6 m2 K/W (Bouwbesluit = 4,7). Daarnaast wordt er op het dak zo veel als het dakoppervlak nog toelaat, extra zonnepanelen geplaatst. Een volledig ‘energieneutraal’ gebouw is – mede gezien de doelgroep (sociale huur) - financieel niet haalbaar gebleken. Circulariteit Circulariteit focust zich op kringlopen van grondstoffen. In de bouw betekent dat zo min mogelijk nieuwe grondstoffen worden gebruikt en zo min mogelijk vervuiling plaatsvindt. Ook worden zo veel mogelijk bestaande grondstoffen (of producten) hergebruikt. Om hier invulling aan te geven zal het bestaande kantoorpand circulair worden gesloopt (circulair oogsten). De tijdens de sloop vrijkomende (nog bruikbare producten) worden in een database “Insert.nl” ingebracht en aangeboden voor hergebruik. De bestrating van het bestaande parkeerterrein wordt hergebruikt. Het grootste deel van het puin – afkomstig van de sloop van het pand - is na bewerking in de vorm van verschillende recyclinggranulaten geschikt voor hergebruik voor verschillende doeleinden.
In de planuitwerking van de nieuwbouw wordt bij de beoordeling van ieder detail en product het thema circulariteit meegenomen in de afweging. Het doel daarvan is dat een ‘bouwmateriaal’ later ook weer eenvoudig kan worden ontmanteld en hergebruikt. Klimaatadaptatie en biodiversiteit Bij de nieuwbouw wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie en biodiversiteit. Ook wordt ‘natuurinclusief’ gebouwd. Daartoe worden in de nieuwbouw voorzieningen getroffen om vleermuizen en de gierzwaluw te laten nestelen. In de omgeving zijn kasten geplaatst om vleermuizen tijdens de sloop en realisatie de mogelijkheid te geven zich daar te nestelen.
24
De terreininrichting is afgestemd met de ecoloog op basis van de aanwezige flora en fauna op de locatie. Het bestaande groen op de locatie wordt behouden en waar mogelijk aangevuld ten gunste van de biodiversiteit. In het kader van klimaatadaptatie zijn maatregelen getroffen om het hemelwater op een goede manier te bergen. Dit is verder uitgewerkt in de waterparagraaf. Er wordt 60 mm hemelwaterberging per vierkante meter verhard oppervlak dat nieuw wordt aangelegd gerealiseerd. Waterberging vindt plaats via wadi’s en de nieuwe bestrating zal met gras-keien deels waterdoorlatend zijn met een groene uitstraling. Mogelijkheden van een groen dak in combinatie met zonnepanelen zijn nog in onderzoek. Duurzame mobiliteit Met het plan worden zes deelauto’s ingezet voor de bewoners van Rijnstraat 4 en 10. Dit ter vermindering van het individuele autobezit en dit draagt bij aan bewustwording bij mensen over duurzame mobiliteit. De begane grond van Rijnstraat 4 is voorzien in een comfortabele en royale fietsenstalling, dat (bezit en) gebruik van fietsen moet bevorderen en het autogebruik beperken De Mens Mooiland werkt met energiecoaches en stimuleert huurders om energiezuinig gebruik te maken van de gehuurde woning. Het gebruik van ‘duurzame mobiliteit’ wordt daarbij via coaches aangemoedigd onder de bewoners.
3.5
Waterparagraaf
Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de ‘Startovereenkomst Waterbeheer’ door verschillende overheden, is de watertoets van toepassing op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch vastgelegd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Kansen worden benut en functies zoveel mogelijk gecombineerd. Uitgangspunten voor integraal waterbeheer De actuele beleidsdoelen voor integraal waterbeheer zijn door de gemeente vastgesteld in het Waterplan (2017). Hierin staat dat we in ’s-Hertogenbosch een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem willen creëren ook is hierin het hemelwaterbeleid vastgelegd. Dit is gebied specifiek gedaan, kijkend naar de watersystemen en de uitgangspunten per wijk. Het hemelwaterbeleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen (maart 2021). De doelen van het waterschap Aa en Maas zijn vastgelegd in de Keur (2015). De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: · Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; · Voorkomen van vervuiling van water; · Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. hergebruik; 2. infiltratie/bergen; 3.
afvoer; · Hydrologisch neutraal ontwikkelen, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het projectgebied. Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties. Dit betekent dat: 1. de afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. de grondwateraanvulling in het projectgebied gelijk blijft of toeneemt; 3. grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. (grond)waterstanden in het projectgebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het projectgebied; Het projectgebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. Daarnaast zien we water als kans voor meervoudig ruimtegebruik en vergroting van de beleving van water. 25
Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit plan. A-watergang/leggerwater en bijbehorende beschermingszone In de Keur van Waterschap Aa en Maas is te lezen dat wanneer er werkzaamheden verricht gaan worden in of nabij een A-watergang er een watervergunning aangevraagd dient te worden. Tevens is een verbod opgenomen om binnen 5,00 meter breedte uit de insteek aan beide zijden van een Awatergang obstakels te plaatsen of te hebben. Gelet op de waterhuishoudkundige belangen is het noodzakelijk om deze zone, de beschermingszone, vrij te houden van alle obstakels. Het oprichten van obstakels is alleen mogelijk als deze in overeenstemming zijn met de Keur. Profiel van vrije ruimte Ter plaatse van de gewenste uitbreiding is in de legger een profiel van vrije ruimte opgenomen, waarbij wordt uitgegaan van een standaardbreedte van 25 meter aan weerszijde van de waterloop, gemeten vanaf de insteek. Het profiel van vrije ruimte is bestemd om maagtregelen te treffen die invulling geven aan de ecologische verbindingszone van de watergang (ref. IOV van de Provincie Noord-Brabant: instructieregel 4, Natuurnetwerk Brabant).
Het doel van het verbod is het voorkomen van ingrepen die het uit te voeren beekherstel ernstig belemmeren of onmogelijk maken. Een vrijstelling is slechts van toepassing voor werken die eenvoudig te verwijderen of te verplaatsen zijn. Onder ‘eenvoudig’ wordt verstaan een constructie die met eenvoudige hulpmiddelen (gangbaar gereedschap) snel te verwijderen en bij schade te herstellen is. Bijvoorbeeld een klinkerverharding, afrastering, tuinhuisje of bankje welke niet duurzaam met de grond verbonden is d.m.v. fundamenten. De keur, beleidsregels en legger zijn leidend voor watervergunningaanvragen en bepalen of initiatieven binnen het profiel van vrije ruimte plaatsvinden en of ze wel of niet vergunbaar zijn. Zowel het waterschap als de gemeente zijn verantwoordelijk voor de invulling van het Natuurnetwerk Brabant (profiel van vrije ruimte). De Stads Aa is aangemerkt als ecologische hoofdstructuur (ref. IOV provincie Noord-Brabant). Hierbinnen mogen geen lozingen plaatsvinden of ingrepen die een negatieve invloed hebben op de natuur. Bergingsopgave Rijnstraat 4 In de huidige situatie is er 1728 m2 verhard oppervlak en 632 m2 oppervlak groen aanwezig. De toekomstige situatie herbergt 886 m2 verhard oppervlak en 1498 m2 oppervlak groen (tabel 1). Het verhard oppervlak kan gesplitst worden in 606 m2 bebouwing en 280 m2 verharding (voetpad, parkeerplaatsen e.d.).
De eis van 60 mm/m2 verhard oppervlak hanterend resulteert dit in een totale bergingsopgave van 53,2 m3. Indien er in het nieuwe ontwerp gekozen wordt voor volledig groene daken is de resterende bergingsopgave 16,8 m3.
Figuur 13: overzicht bergingsopgave Rijnstraat 4
26
Bergingsopgave Rijnstraat 10 In de huidige situatie is er 2482 m2 verhard oppervlak en 208 m2 oppervlak groen aanwezig. De toekomstige situatie herbergt tevens 2482 m2 verhard oppervlak en 208 m2 oppervlak groen (tabel 2). Het verhard oppervlak kan gesplitst worden in 794 m2 bebouwing en 1688 m2 verharding (voetpad, parkeerplaatsen e.d.). De eis van 60 mm/m2 verhard oppervlak hanterend resulteert dit in een totale bergingsopgave van 149 m3. Indien er in het nieuwe ontwerp gekozen wordt voor volledig groene daken is de resterende bergingsopgave 101,3 m3.
Figuur 14: overzicht bergingsopgave Rijnstraat 10
Totale bergingsopgave De totale bergingsopgave van Rijnstraat 4 en 10 is weergegeven in tabel 3, uitgaande van geen toepassing van groene daken. Indien er in het nieuwe ontwerp toch gekozen wordt voor volledig groene daken op beide gebouwen, is de resterende bergingsopgave 118,1 m3.
Figuur 15: type en aandeel oppervlak en bergingsoverzicht Rijnstraat 4 en 10
Vanwege de situering/ligging van het plangebied worden twee mogelijke infiltratievoorzieningen aangedragen waarbij een eventuele variant met groen dak is meegenomen. Het toepassen van een groen dak zorgt naast een verlaging van de bergingseis voor meer biodiversiteit en een bijdrage aan verkoeling in de zomer. Omdat de bebouwing en inrichting van Rijnstraat 10 slechts gerenoveerd gaat worden is het niet wenselijk om daar een nieuwe infiltratievoorziening aan te leggen. Rijnstraat 4 heeft een groot oppervlak groen/onverhard beschikbaar en daarnaast wordt het verhard oppervlak opnieuw ingericht. Vanwege deze twee redenen is het efficiënt om een infiltratievoorziening voor beide locaties te situeren in het plangebied van Rijnstraat 4. Hieronder worden de optie wadi en infiltratiekratten/steenwolelementen verder uitgewerkt.
Mogelijke infiltratievoorzieningen Wadi
27
Een wadi is een open verlaging in een stuk groen waarop het verhard oppervlak kan afwateren. In deze verlaging kan het verzamelde regenwater infiltreren in de bodem en indien nodig door middel van drainage of een overstort afgevoerd worden. De doorlatendheid in de relevante bodemlaag in het plangebied is niet exact te bepalen op basis van gegevens uit DINOloket, maar de aanwezigheid van redelijk tot goed doorlatend zand is hoog. Om de wadi goed te laten functioneren dient er echter mogelijk grondverbetering toe te worden gepast en is er een aanvullend drainageplan nodig. Om de wadi te laten voldoen aan de eis van 60 mm per m2 oppervlak is 674 m2 benodigd (gerekend met een gangbare gemiddelde diepte van 30 cm in verband met veiligheid). Als er groen dak wordt toegepast op de bebouwing moet de oppervlakte van de wadi minimaal 394 m2 bedragen (tabel 3). Infiltratiekratten of steenwolelementen Infiltratiekratten zijn holle kratten die ondergronds toegepast worden om tijdelijk water te bergen. Daarna voeren ze het vertraagd af of wordt het geïnfiltreerd in de bodem. De werking van steenwolelementen (Rockflow) is hetzelfde. Steenwolelementen zijn vaste elementen met 95% holle ruimte en een hoge waterdoorlatendheid.
Om het afstromende hemelwater van het verhard oppervlak in deze kratten/elementen te laten infiltreren dient water (ondergronds) naar de infiltratievoorziening geleid te worden via straatkolken en invoerleidingen. Indien de doorlatendheid van de bodem te laag is om te kunnen infiltreren vanuit de voorziening, dient er aanvullend drainage aangelegd te worden. Uitgaande van de eis van 60 mm per m2 verhard oppervlak is er een oppervlak van 532 m2 aan infiltratiekratten nodig (gerekend met 95% effectieve holle ruimte en een standaard hoogte van 40 cm). De infiltratiekratten kunnen gestapeld worden, hiermee kan de benodigde oppervlakte gehalveerd worden. Indien er groen dak wordt toegepast op de bebouwing is er ruim 311 m2 aan infiltratiekratten benodigd. De standaardhoogte van steenwolelementen is 50 cm of 100 cm. Er is een oppervlakte van 425 m2 aan steenwolelementen nodig (gerekend met 95% effectieve holle ruimte en een standaard hoogte van 50 cm) en een oppervlakte van 213 m2 (gerekend met 95% effectieve holle ruimte en een standaard hoogte van 100 cm). Om te voorkomen dat de ondergrondse infiltratievoorzieningen dichtslibben is het advies om deze te voorzien van een blad- en zandvang.
Figuur 16: oppervlakte infiltratievoorzieningen in combinatie met groen dak
Conclusie Er kan op verschillende worden voldaan aan de bergingsopgave van 60 mm per m2 verhard oppervlak. In de nieuwe situatie is er circa 1500 m2 (Rijnstraat 4) groen oppervlak beschikbaar, dit is ruim voldoende voor het maximaal benodigde oppervlak voor de wadi (674 m2). Echter het is mogelijk niet wenselijk om een wadi van een dergelijk oppervlak aan te leggen. Het beoogde verharde oppervlak van 280 m2 is niet voldoende om enkel infiltratiekratten of steenwolelementen te installeren als infiltratievoorziening. Een realistische oplossing zou zijn om de wadi (70%) en infiltratiekratten/steenwolelementen (30%) van de bergingsopgave in te laten vullen. Het oppervlak van de wadi wordt dan 472 m2 en het oppervlak van de ondergrondse berging 128-160 m2. De wadi neemt dan circa 30% oppervlak in gebruik van het beschikbare groen. De ondergrondse berging ligt dan onder circa 50% van de verharding van de Rijnstraat 4. Infiltratiekratten en steenwolelementen
28
zijn eventueel ook mogelijk in een groenstrook, echter onder het verhard oppervlak kunnen ze het afstromende water direct opnemen en infiltreren waardoor de inrichting effectiever is. De locatie van de infiltratievoorzieningen is afhankelijk van de gekozen oplossing en de beoogde oppervlaktes hiervan en is nader stedenbouwkundig in te vullen. Uit deze rapportage blijkt de bergingsopgave met een combinatie van oplossingen conform eisen van gemeente en waterschap in te vullen is op het terrein aan de Rijnstraat 4. De manier van toepassen hangt, naast de inpassing in het stedenbouwkundig plan, af van de plaatselijke doorlatendheid van de bodem, de exacte diepte van het grondwater en van de maaiveldhoogte. Infiltratiekratten hebben een gronddekking nodig van circa 50 cm als ze onder verharding worden toegepast, steenwolelementen kunnen al toegepast worden vanaf een gronddekking van circa 30 cm. Gezien de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is er ruimte tussen de grondwaterstand en de onderkant van de toekomstige infiltratievoorziening. Steenwolpanelen van 50 cm dikte in combinatie met één of twee afzonderlijke wadi’s lijken op basis van de GHG, de maaiveldhoogte en het beschikbare oppervlak het best haalbaar. Het is voorzien dat het beheer en onderhoud van de infiltratievoorzieningen door woningcorporatie Mooiland zal worden uitgevoerd.
Aanbevelingen Afhankelijk van de wensen van de ontwikkelaar met betrekking tot de uitstraling van het plangebied, gecombineerd met de eerder genoemde aandachtspunten van het waterschap zijn de wadi en de steenwolelementen het meest kansrijk. Een wadi in de openbare ruimte geeft een duurzame uitstraling. Steenwolelementen zijn minder onderhoudsintensief dan een wadi of infiltratiekratten. Daarnaast liggen ze ondergronds waardoor er meer ruimte overblijft voor andere ruimtelijke elementen. Om de infiltratievoorziening goed te laten functioneren raden we aan eerst een infiltratieonderzoek uit te laten voeren om de doorlatendheid (k-waarde) te bepalen. Op basis hiervan kan worden bepaald of er infiltratie in de bodem kan plaatsvinden of dat er grondverbetering en een drainageplan nodig is. Ook kan op basis van dit onderzoek bepaald worden of waterschap Aa en Maas betrokken moet worden als er een noodoverloop op de naastgelegen Aa benodigd blijkt te zijn. Tot slot kan er door middel van het onderzoeken van de grondwaterstanden ter plaatse bepaald worden of er genoeg ruimte is voor het stapelen van kratten (80 cm) of gebruik van 100 cm steenwolpanelen. Hiermee kunnen de berekende oppervlaktes van de infiltratievoorzieningen mogelijk gehalveerd worden.
29
Figuur 17: Inrichtingstekening met waterbergingsopgave Rijnstraat 4 en 10
3.6
Geluid
Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geluid kent voor een aantal bestemmingen (zoals wonen) in combinatie met een aantal typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor woningen grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Ten aanzien van het aspect geluid is op deze locatie enkel het wegverkeerslawaai relevant te noemen. Geluidbeleid Wet geluidhinder Voor het appartementencomplex geldt een voorkeurswaarde van 48 dB voor het wegverkeer. De maximaal toegestane waarde is 63 dB voor een binnenstedelijke situatie bij wegverkeer. Voor de berekende geluidsbelastingen passen wij op basis van artikel 110g Wet geluidhinder een aftrek toe van 5dB. Geluidbeleid gemeente 's-Hertogenbosch Het geluidbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch is onder andere opgesteld voor de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen. Het geluidbeleid stelt aanvullende voorwaarden voor de goedkeuring van plannen.
De locatie van het plan kan worden beschouwd als zijnde 'stromingszone/wijkontsluiting'. De ambitie voor het wegverkeer is hier onrustig (geluidklasse 48 tot 53 dB) met als bovengrens lawaaiig 30
(geluidklasse 58 dB tot 63 dB). In de ontheffingscriteria voor de geluidklasse ‘onrustig’ zijn voor de toekenning van een hogere grenswaarde de volgende criteria van toepassing: · Indien mogelijk moet de afstand tussen de geluidsbron en de nieuwe geluidsgevoelige bestemming worden vergroot; · Indien mogelijk moeten bronmaatregelen (bijvoorbeeld stillere wegdektypen) getroffen worden; · Indien mogelijk moeten overdrachtsmaatregelen worden getroffen; · Het stedenbouwkundig ontwerp moet zodanig vorm worden gegeven dat zoveel mogelijk afscherming voor het achterliggende gebied ontstaat; · In ieder geval bij woningen/appartemeten moet de buitenruimte (tuin/balkon) voldoen aan de ambitiewaarde van het betreffende gebied; · De woning moet tenminste één geluidluwe gevel bezitten; · Bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen in de geluidsklasse “onrustig” moet bij een aanvraag om een bouwvergunning een bouwakoestisch onderzoek worden gevoegd. Conclusies akoestisch onderzoek Wet geluidhinder Uit de resultaten blijkt dat de geluidsbelasting vanwege de Rijnstraat op een aantal toetspunten hoger is dan de voorkeurswaarde van 48 dB. De geluidsbelasting is bij geen enkel toetspunt hoger dan de maximaal toelaatbare waarde van 63 dB. Voor het wegverkeer op de Rijnstraat zijn bron- en overdrachtsmaatregelen onderzocht. Deze stuiten op bezwaren van financiële en stedenbouwkundige aard.
De geluidsbelasting door de Merwedelaan is lager dan de voorkeurswaarde. Door de 30 km/uur wegen is de geluidsbelasting maximaal 43 dB zonder aftrek artikel 110g Wet geluidhinder: als deze geluidsbelasting getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder, voldoet deze ruim aan de voorkeurswaarde. Geluidbeleid gemeente 's-Hertogenbosch De geluidsbelasting op Rijnstraat 4 is maximaal 53 dB na aftrek. Deze waarde voldoet aan het ambitieniveau voor wegverkeer en past dus binnen het geluidbeleid. Cumulatie van geluid is niet aanwezig. Voor een aantal appartementen van het gebouw Rijnstraat 4 zijn gebouwgebonden maatregelen (gesloten balustrade op het balkon en geen te openen delen op de naast gelegen gevel) nodig om een geluidluwe gevel te maken. Omdat het plan binnen de kaders van de Wet geluidhinder past en met gebouwgebonden maatregelen ook binnen de kaders van het geluidbeleid, is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vervolg Een procedure tot het vaststellen van hogere waarden moet worden doorlopen: voor de nieuwbouw op Rijnstraat 4 is voor 59 appartementen een hogere waarde nodig tot 53 dB. De gemeente doorloopt deze procedure en stelt deze waarde vast. Aan het vaststellen en verlenen van de nodige hogere waarden, worden voorwaarden gesteld zoals beschouwd in onderhavig akoestisch rapport.
Deze voorwaarden - ten gunste van het woon- en leefklimaat van de bewoners- dienen te worden meegenomen in de aanvraag om omgevingsvergunning. Een gevelweringonderzoek wordt uitgevoerd om aan te tonen dat aan de voorwaarden van 33 dB binnenniveau (Bouwbesluit) wordt voldaan. Het gevelweringonderzoek maakt onderdeel uit van de aanvraag om omgevingsvergunning.
31
3.7
Milieueffectrapportage
Nagegaan is of voor dit plan/initiatief een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de genoemde drempelwaarden. Het bevoegd gezag (hier gemeente) moet ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is.
Achterliggende gedachte is dat in bepaalde gevallen een activiteit met een kleinere omvang dan de drempel ook belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, bijvoorbeeld doordat die activiteit in of vlakbij een kwetsbaar gebied is gepland. Dit gebeurt via een vormvrije m.e.r.beoordeling. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is bedoeld als waarborg dat in gevallen dit niet over het hoofd wordt gezien en - als toch belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden verwacht - een m.e.r.-beoordeling of milieueffectrapportage noodzakelijk is. Uit de uitgevoerde onderzoeken en beschouwingen van de relevante milieuaspecten - beschreven in deze onderbouwing - kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect, sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit/plan die vele malen kleinschaliger is dan genoemde drempelwaarden. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is hier niet zodanig dat gesproken kan worden van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Er is daarom geen noodzaak tot het opstellen van een m.e.r.
ad b. Er kan ook sprake zijn van een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Dit kan het geval zijn als gevolg van toename van stikstof op stikstofgevoelige natuurgebieden. De uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan (depositie) is daartoe voor dit plan onderzocht (onderzoek ‘Beoordeling stikstofdepositie Rijnstraat 4 Den Bosch’, d.d 8 december 2020, bk bouw- & milieuadvies) Uit het onderzoek blijkt dat er met de beoogde ontwikkeling, voor zowel in de aanlegfase (bouwfase) als gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op de Natura-2000 gebieden. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings)-plicht is derhalve niet aan de orde.
3.8
Flora en fauna
Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Rijnstraat 4 te ’s Hertogenbosch, Econsultancy, 15 oktober 2019, rapportnummer 10826.001) In onderstaande tabel is de aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen weergegeven. In de tabel is samengevat of de voorgenomen
32
ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunning trajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Aanvullend onderzoek naar vleermuizen dient uitgevoerd te worden om na te gaan of er verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn. Vooruitlopend op het aanvullende onderzoek gaat de initiatiefnemer mitigerende maatregelen treffen: ophangen van nestkasten.
Figuur 18 : overzicht uitkomst quickscan flora en fauna
Nader onderzoek vleermuizen Er is een nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaats uitgevoerd. Verschillende veldbezoeken in het voorjaar, zomer en najaar zijn uitgevoerd. Op basis daarvan zijn conclusies geformuleerd over de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen en de vervolgacties. Conclusies · In het gebouw op de planlocatie zijn drie verblijfplaatsen van Gewone dwergvleermuis aanwezig. Het betreft (1) een zomerverblijfplaats in de noordwesthoek, (2) een paarplaats/zomerverblijfplaats in het ‘daktorentje’ van het gebouw en (3) een paarplaats in de hoek van de dakrand aan de noordzijde van het gebouw. De aanwezige verblijfplaatsen worden door het slopen van het gebouw verstoord en vernietigd. · Op basis van de resultaten van de uitgevoerde veldbezoeken wordt de aanwezigheid van de massaverblijfplaatsen van vleermuizen in het gebouw uitgesloten. · Van andere vleermuissoorten zijn geen verblijfplaatsen aanwezig. · Ten behoeve van het handhaven van de foerageerfunctie voor vleermuizen is het van belang dat de lichtintensiteit aan de noordzijde van het gebouw tijdens en na de werkzaamheden/herinrichting niet toenemen. · Indien de bosschade aan de noordwestzijde niet onaangeroerd blijft, dan wordt vermoedelijk een verblijfplaats van Ruige dwergvleermuis verstoord of vernietigd.
33
Adviezen · Het verstoren van verblijfplaatsen van vleermuizen is wettelijk verboden. Geadviseerd wordt een ontheffing ingevolge de Wet natuurbescherming aan te vragen voor het verstoren en vernietigen van drie verblijfplaatsen van Gewone dwergvleermuis en de voorwaarden uit de ontheffing te respecteren bij het uitvoeren van de transformatiewerkzaamheden. · In het kader van de ontheffing zullen naar verwachting eisen worden gesteld ten aanzien van tijdelijke voorzieningen voor vleermuizen en permanente voorzieningen. Door het aanbrengen van vleermuisvoorzieningen in de omgeving is geanticipeerd op het realiseren van tijdelijke voorzieningen. Bij de uitvoering van de transformatie dienen voldoende nieuwe permanente voorzieningen gerealiseerd te worden. · Voor de aanwezigheid van vleermuizen in het gebouw en de functionaliteit van de planlocatie alsmede van het gebied ten noorden van het gebouw inclusief het betreffend gedeelte van de Aa, is het van belang dat de lichtintensiteit tijdens en na de werkzaamheden niet wordt verhoogd. · Zo mogelijk wordt de bosschage aan de noordwestzijde ontzien bij de werkzaamheden. Indien wel (gedeeltelijke) verstoring plaatsvindt, is een ontheffing ingevolge de Wnb voor het verstoren van Ruige dwergvleermuis nodig.
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag Wnb Omdat het niet mogelijk bleek om de werkzaamheden op een zodanige manier uit te voeren dat de verblijfplaatsen onaangetast zouden blijven is een ontheffing in het kader van de Wnb aangevraagd voor het beschadigen en vernietigen van vaste verblijfplaatsen van Gewone dwergvleermuis. Als voorzorgmaatregel worden ruim voorafgaand aan de werkzaamheden 20 vleermuisvoorzieningen (vleermuiskasten) in de directe omgeving opgehangen. Bij Rijnstraat 10 worden circa 200 bijenbekjes verwijderd en worden de stootvoegen uitgeboord naar minimaal 20 mm breedte. Hiermee wordt (over) gecompenseerd voor beide planlocaties (Rijnstraat 4 en 10). Daarnaast worden er maatregelen getroffen om vleermuizen te verdrijven uit de verblijfplaatsen voor de sloop van het gebouw. In het nieuwe gebouw worden 12 vleermuisstenen ingemetseld. Door de genomen maatregelen zijn er op korte- en lange termijn geen negatieve effecten te verwachten op de lokale staat van instandhouding van Gewone dwergvleermuis.
3.9
Archeologie en cultuurhistorie
3.9.1 Archeologie Het grootste deel van de gronden heeft in het nieuwe bestemmingsplan ‘Graafsewijk-Aawijk 2017’ geen dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’. Langs de randen van het plangebied geldt wel een dubbelbestemming, namelijk ‘Waarde – Archeologie 5. ’Het gaat om een zone met een middelhoge verwachting. Hiervoor is geregeld dat bij bouwen en bepaalde grondwerkzaamheden groter dan 100 m² en dieper dan 1 meter beneden maaiveld, een archeologisch rapport moet worden overlegd. De geplande nieuwbouwplannen blijven echter grotendeels binnen de bestaande footprint en de bodemverstoring van de bestaande bebouwing. Archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Wel blijft de wettelijke meldingsplicht voor archeologische vondsten van toepassing.
3.9.2 Cultuurhistorie Voor Rijnstraat 4 is het voornemen het bestaande gebouw te slopen. Dit gebouw is omstreeks 1980 gebouwd naar een ontwerp van architectengroep Noord. Het staat niet op een inventarisatielijst. Afdeling Erfgoed kent het geen bijzondere waarden toe, en heeft vanuit dit oogpunt geen bezwaar tegen eventuele sloop.
34
3.10
Financiële haalbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De gemeente ’s-Hertogenbosch en de initiatiefnemer gaan een anterieure overeenkomst op grond van artikel 6.4 Wet ruimtelijke ordening sluiten. In deze overeenkomst wordt ook vastgelegd dat de initiatiefnemer eventuele planschade voor zijn rekening neemt. 3.11
Maatschappelijke haalbaarheid
Omgevingsdialoog Ten behoeve van de ruimtelijke procedure voor de sloop/nieuwbouw aan de Rijnstraat 4 in ’sHertogenbosch heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Met de omgevingsdialoog is vroegtijdig het gesprek met de omgeving gevoerd om hun vragen over de nieuwbouwplannen te beantwoorden en hun opmerkingen op de plannen zoveel als mogelijk mee te nemen in de verdere planuitwerking. In totaal zijn 450 adressen benaderd door middel van een brief. In deze brief was de uitnodiging weergegeven voor het digitale informatiemoment op dinsdag 23 maart om 19.00 uur. Daarnaast was er een website beschikbaar met informatie over het bouwplan. Het was tevens mogelijk voor mensen om te reageren via de site. Tijdens de digitale bijeenkomst zijn de bouwplannen gepresenteerd en was er de mogelijkheid tot het stellen van vragen. Er zijn vragen gesteld over de grootte van de appartementen, de precieze bouwlocatie, het parkeren en het stallen van de fietsen, de locatie van de bergingen, de huurprijs, de verlichting van de bouwplaats, het groen en de duur van de bouw. Concluderend kunnen we stellen dat de respons vanuit de omgeving beperkt is geweest. Wel is het zo dat de directe omgeving door de informatiebrief in ieder geval al vroegtijdig op de hoogte is gebracht van de nieuwbouwplannen.
Op basis van de gestelde vragen en opmerkingen zijn er geen negatieve signalen of inhoudelijke opmerkingen voor aanpassingen op het bouwplan ontvangen.
Vooroverleg De concept-ruimtelijke onderbouwing is ingestuurd voor vooroverleg naar de provincie Noord-Brabant en het waterschap Aa en Maas.De provincie heeft middels het e-formulier laten weten dat de betrokken ruimtelijke aspecten geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen. Het vooroverleg kan op basis van het ingevulde formulier als afgerond worden beschouwd. Er hebben gesprekken plaatsgevonden met het waterschap over deze beoogde ontwikkeling, omdat het verschillende waterschapsbelangen raakt. Het waterschap heeft in een vooroverlegreactie laten weten dat de ontwikkeling plaatsvindt in de beschermingszone van de leggerwatergang en in het profiel van vrije ruimte. Hierdoor is een watervergunning van toepassing voor beide waterbelangen. De ruimtelijke onderbouwing is naar aanleiding van deze reactie aangepast op basis van de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte. Er is in overleg met het waterschap gekeken op welke manier het mogelijk is om het plan in te passen en te realiseren conform de bovengenoemde belangen van het waterschap. Vanuit het waterschap is aangegeven dat er een mogelijkheid is om het gebouw te vergunnen door onder andere het aanpassen van het talud in combinatie met het invullen van de ecologische verbindingszone.
35
Hoofdstuk 4 Conclusie In deze ruimtelijke onderbouwing is nadrukkelijk aandacht besteed aan de ruimtelijke, stedenbouwkundige en milieukundige effecten van het initiatief. Er is gemotiveerd aangetoond dat het initiatief zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden in het plangebied en de directe omgeving ervan. Naast het ruimtelijk planologische beleid en de stedenbouwkundige toets zijn alle ruimtelijke en milieukundige deelaspecten onderzocht. Gebleken is dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering oplevert voor een goede ruimtelijke ordening. Mede op basis van deze ruimtelijke onderbouwing kan een afwijking van het geldende bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo, aan het initiatief worden verleend.
36
Bijlage 1: Akoestisch onderzoek
37
Bijlage 2: Quickscan flora en fauna
38
Bijlage 3: Verkennend bodemonderzoek
39
Bijlage 4: Terreininrichting
40
Bijlage 5: Stikstof berekening
41
Bijlage 6: Mobiliteitsconcept
42
Bijlage 7: Nader onderzoek vleermuizen
43
Bijlage 8: Activiteitenplan ontheffingsaanvraag Wnb
44
Bijlage 9: Bezonningsonderzoek
45
Bijlage 10: Verslag omgevingsdialoog
46
Bijlage 11: Waterbergingsonderzoek
47