Bijlage 2: Rapport achtergrondverbruik en potentie
Tekst van het document
32
https://noordbrabant.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=10292284d5024bea9e3e9e594d110eb3
Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant
| 719011
24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
30
Figuur 4.3 Restwarmtebronnen HT en LT
Aquathermie De bron van aquathermie is water: thermische energie uit oppervlaktewater (TEO), afvalwater (TEA) of drinkwater (TED). De grootste bron van aquathermie is energie uit oppervlaktewater (TEO). Oppervlaktewater heeft een zeer lage temperatuur en kan ingezet worden in clusters woningen in voldoende dichtheid in een LT warmtenet. Hiertoe wordt een warmtepomp ingezet om de temperatuur te verhogen tot de gewenste waarde. Benutting van warmte uit oppervlaktewater en drinkwater gaat in principe altijd gepaard met een buffer of een bodemenergiesysteem (WKO: warmte-koude opslag). In de zomermaanden wordt de warmte aan het water onttrokken via een warmtewisselaar en opgeslagen met een temperatuur van circa 18 °C in de ondergrond (bij WKO) of in de buffer. In de wintermaanden wordt de warmte benut. IF-Technology heeft ten behoeve van het provinciaal warmtebronnenregister onderzoek gedaan naar de beschikbaarheid van thermische energie uit oppervlaktewater. Onderstaande figuur geeft de theoretische potentie weer van TEO. Ook is het mogelijke afzetgebied geprojecteerd: alle gebouwclusters met voldoende warmtevraagdichtheid én geschiktheid voor lage temperatuur in de toekomst (wijken na 1960). Daarnaast is op landelijk niveau door STOWA (i.s.m. Deltares en Syntraal) een aquathermieviewer gepubliceerd.
De viewer brengt de potenties van warmte uit oppervlaktewater (TEO) en afvalwater (TEA) op regionaal en lokaal niveau gedetailleerd in beeld en maakt het mogelijk een bepaald gebied te selecteren en geeft de beschikbare potentie in cijfers weer. Er wordt een TED-viewer verwacht die toegevoegd zal worden als extra laag aan deze aquathermieviewer. Voor specifieke informatie over de maatschappelijke potentie – die lager ligt dan de technische potentie – van een bepaalde bron kan contact opgenomen worden met de betreffende waterbeheerder.
719011 | Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant 24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
31
In de regio NOB zijn nu 4 gerealiseerde TEO projecten en 1 TEA project.33 Er loopt een aantal verkenningen naar concrete toepassingsmogelijkheden van aquathermie. Een mooi voorbeeld is de wijk ’t Zand van de gemeente ’s-Hertogenbosch, welke is aangewezen als proeftuin in het kader van het landelijke Programma Aardgasvrije Wijken. Figuur 4.4 Potentieel voor TEO
Warmte uit (gezuiverd) afvalwater (TEA) wordt onttrokken bij de hoofdriolering, het rioolgemaal of bij de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi). De warmte uit rwzi’s is al meegenomen in berekeningen van restwarmte van de industrie (figuur 2.2.) In vergelijking met oppervlaktewater kan vanuit het afvalwater gedurende een langere periode van het jaar, soms het gehele jaar, warmte afgenomen worden. Vanwege de mogelijke belemmering op de biologische zuivering van het afvalwater wordt waar mogelijk de voorkeur gegeven aan de benutting van het gezuiverde afvalwater (effluent genaamd)water boven rioolwater en wordt bij onttrekking van warmte uit riolering (afvalwater) een combinatie met een WKO of buffer aangeraden. Opslag verhoogt het potentieel, de bedrijfszekerheid en mogelijk het rendement van het systeem. Warmte uit drinkwater (TED) wordt onttrokken bij de productie-installaties of uit het distributienet voor ruw- en gezuiverd drinkwater. Daar is het debiet voldoende groot, aangezien het bij TED gaat om zeer geringe temperatuur verschillen. De potentie hiervan is regionaal klein, maar kan lokaal het onderzoeken waard zijn. Daarnaast is het technisch mogelijk om delen van het distributienet in te zetten als distributieleiding voor warmte.
Bij het inzetten van drinkwater als energiebron komen zeer veel aspecten kijken, zoals de leveringszekerheid en het voorkómen van leveringsonderbrekingen. Dat betekent dat een initiatief voor TED afhankelijk kan zijn van een natuurlijk moment voor aanpassingen in het leidingtracé.
33
www.aquathermie.nl
Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant
| 719011
24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
32
Bodemenergie (tbv WKO-systemen) Bodemenergie is de toepassing van warmte en koude die in de ondergrond zijn opgeslagen op een diepte van minder dan 500 meter. Een warmtepomp kan de warmte uit de bodem opwaarderen tot een voor gebouwen bruikbaar niveau. Voor individuele gebouwen kan dat met een zogenoemde bodemlus; voor grote gebouwen of clusters van gebouwen kan dit met een warmtekoudeopslag (WKO)-systeem. De warmte die in de winter gebruikt wordt, moet in de zomer weer worden aangevuld. Dit kan bijvoorbeeld door gebouwen in de zomer te koelen, of door aquathermie te gebruiken. De potentie voor WKO is ingeschat met behulp van het warmtebronnenregister van de provincie. In onderstaande figuur is deze potentie weergegeven; hoe blauwer de kleur, hoe meer potentieel er in de ondergrond aanwezig is. Er is een aantal boringsvrije zones ingesteld voor bescherming van het drinkwater, hier kan het potentieel voor WKO niet benut worden. De provincie bereidt op dit moment Omgevingsbeleid voor om het grondwater ook buiten de drinkwaterwinningsgebieden te beschermen. De verwachting is, dat dit beleid effectief zal worden in 2021. Het mogelijke afzetgebied voor WKO zijn die gebouwclusters met voldoende warmtevraagdichtheid en gebouwen die in voldoende mate te isoleren zijn. Deze zijn weergegeven in rood en groen.
Na uitsluiting van boringsvrije zones is de potentie op een paar gebieden na overal voldoende om de bovenliggende gebouwclusters te voeden.
Figuur 4.5 Potentieel voor bodemenergie d.m.v. WKO en huidige WKO-systemen
Biomassa Uit biomassa kan energie gemaakt worden door verbranding van droge biomassa en vergisting van natte biomassa.
719011 | Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant 24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
33
Droge biomassa Droge biomassa wordt verbrand waarbij elektriciteit en warmte ontstaat. Dit kan grootschalig collectief door verbranding van houtachtige biomassa in biomassacentrales. Het is ook een optie om vaste biomassa voor een individueel huishouden te kiezen als vervanging voor aardgas (pelletkachel). Diverse biomassastromen zijn beschikbaar voor verbranding: reststromen uit de houtindustrie, snoeihout uit beheer en onderhoud, afval van huishoudens en snoeihout uit de tuinbouw. Natte biomassa Biogas afkomstig van natte biomassa uit vergisters kan via een WKK worden omgezet in warmte en elektriciteit. In de toekomst kan het opgewerkt worden tot aardgaskwaliteit, waarna het eventueel ingevoed kan worden in het aardgasnetwerk. Biomassastromen die geschikt zijn voor vergisting zijn reststromen uit de akkerbouw (stro en loof), (berm)gras dat vrijkomt uit beheer en onderhoud, huishoudelijk afval (gft), mest uit de landbouw en rioolslib uit RWZI’s. Royal Haskoning DHV heeft een studie voor het provinciaal warmtebronnenregister gedaan naar de beschikbaarheid van deze stromen en het potentieel van vergisting en verbranding van biomassa. Zij komen tot de conclusie dat verbranding van droge biomassa waarschijnlijk geen mogelijkheden biedt aangezien er een tekort aan (regionaal) hout is.
Het beschikbare potentieel voor vergisting zit volgens hen in de regio NOB vooral in mest, GFT (wat tot nu toe gecomposteerd wordt) en in het benutten van (berm)gras. In onderstaand figuur is de regionaal beschikbare biomassa per gemeente weergegeven. Voor groen gas is de locatie van de bron van de biomassa minder relevant aangezien het o.a. door een aardgasleiding getransporteerd kan worden. Figuur 4.6 Biomassa en biogas potentie
Zonthermie collectief Met zonnecollectoren op daken of velden kan warmte worden opgewekt om collectieve systemen te voeden. Warmtebuffering op grote schaal voor seizoensopslag is hierbij een
Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant
| 719011
24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
34
essentiële component, aangezien de warmtebehoefte in de winter het grootst is. Ecovat of PITstorage zijn voorbeelden van dergelijke buffersystemen. In onderstaande kaart is uitgegaan van alle beschikbare, niet bebouwde oppervlak op een afstand tussen bron en vraag van maximaal 200 meter. In figuur 4.7 die de totale potentie weergeeft, is gerekend met een bruikbaar oppervlak van 4% van de landbouwgronden34. Figuur 4.7 Potentie voor zonthermie collectief
Individuele oplossingen Als er geen grootschalig collectieve oplossingen beschikbaar zijn, is een individuele oplossing aan de orde. Al beschreven zijn de pelletkachel met droge biomassa als bron en de individuele bodemlus met aardwarmte als bron. Een aantal van de overige oplossingen maakt gebruik van warmte uit bronnen die overal beschikbaar zijn (bijvoorbeeld lucht en zon) en die dus ook overal toegepast kunnen worden, mits de woningen in voldoende mate geïsoleerd zijn. Luchtwarmte Een elektrische warmtepomp waardeert de warmte van een bron (buitenlucht of bodem) op naar een bruikbare temperatuur voor verwarming en warm tapwater. De warmtepomp is momenteel de meest efficiënte individuele all electric oplossing. De hybride warmtepomp combineert een luchtwarmtepomp met een cv-ketel op (duurzaam) gas. Als de luchttemperatuur niet te laag is, wekt de warmtepomp efficiënt de benodigde warmte op uit elektriciteit. Als het koud is of er is warm tapwater nodig, dan springt de gasketel bij. Deze warmtepomp kan dienen als tussenoplossing richting aardgasvrij of als eindoplossing als een duurzaam gas wordt gebruikt, zoals groengas. Infraroodpanelen
34
Hierbij is aangesloten op de potentie voor zon op grond van het Nationaal Programma RES
719011 | Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant 24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
35
Infraroodpanelen (IR-panelen) zijn een vorm van directe elektrische verwarming. Bij gebruik als hoofdverwarming is het elektriciteitsverbruik ongeveer tweemaal zo hoog als bij een elektrische warmtepomp.35 Zonthermie individueel Het verwarmen met zonnewarmte kan ook individueel. Hierbij wordt warmte gewonnen uit zonnecollectoren of PVT-panelen (combinatie zonnepaneel en -collector). Individuele PVT systemen kennen geen seizoensopslag. Zonnewarmte kan gebruikt worden als voorziening van ruimteverwarming en warm tapwater, in combinatie met een warmtepomp.36 Waterstof Waterstof is een energiedrager, geen energiebron. Waterstofgas kan aardgas vervangen met beperkte aanpassingen aan het gasnet en apparatuur. Bij de eindgebruiker zal alle gasapparatuur aangepast moeten worden en binnen een buurt moet in één keer omgeschakeld worden. Anno 2019 wordt waterstof vooral gemaakt uit aardgas, in de toekomst zal dit meer en meer gebeuren door elektrolyse met hernieuwbare stroom. Bij dit proces treedt ongeveer 30% energieverlies op. Duurzame waterstof is momenteel schaars, omdat duurzame elektriciteitsoverschotten ook schaars zijn en dat zal voorlopig nog zo blijven. Grootschalige toepassing in de gebouwde omgeving wordt naar verwachting pas na 2030 mogelijk 37.
De huidige, gangbare functie van waterstof is als grondstof voor de industrie, op zeer kleine schaal wordt het gebruikt als transportbrandstof. Waterstof zou in de toekomst gebruikt kunnen worden voor de verwarming van woningen, maar dan hoofdzakelijk in oude bebouwing die zeer moeilijk of duur is om op andere wijze te verwarmen. De verwachting is dat waterstof voornamelijk industrieel toegepast gaat worden, omdat daar hoge temperaturen nodig zijn en een hoge energiedichtheid. Het opwekken van deze hoge temperaturen gebeurt momenteel op gas, maar daar zal in de toekomst een alternatief voor gevonden moeten worden, bijvoorbeeld bio- of waterstofgas.
Totale regionale potentie warmte In onderstaande figuur is een samenvatting opgenomen van de potentie van warmtebronnen in Noordoost Brabant. De figuur geeft de totale potentie weer als percentage van de totaal verwachte warmtevraag in 2050. Met potentie wordt het volgende bedoeld: •
Voor TEO, restwarmte en WKO zijn de geschikte distributiegebieden gekoppeld aan de theoretische potentie van de bron. De weergegeven potentie is dus de theoretisch beschikbare energie die af te zetten is in een daarvoor geschikt afzetgebied.
•
Voor geothermie is het potentieel in beeld gebracht alsof de bron beschikbaar zou zijn. De geschikte afzetgebieden bepalen dus de potentie, aangezien de omvang van de bron nog onbekend is. De slaagkansen voor geothermie in deze afzetgebieden zijn weergegeven in het staafdiagram.
35
https://www.expertisecentrumwarmte.nl/kennis/factsheets/ HoCOSto 37 https://www.expertisecentrumwarmte.nl/kennis/factsheets/ 36
Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant
| 719011
24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
36
•
Voor biomassa en biogas is de theoretische maximale potentie weergegeven en een inschatting van het reële potentieel38. Deze potentie geeft een grove indicatie, maar zal per biomassastroom omgezet moeten worden in een reële potentie. De reële potentie hangt onder andere af van de oogstbaarheid, de zuiverheid, de mogelijkheden om biomassareststromen voor andere toepassingen te benutten.
38
Verkenning potentieel bio-energie RES-en Brabant, Royal Haskoning DHV, 2019
719011 | Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant 24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
37
Figuur 4.8 Overzicht potentie warmtebronnen regio NOB
Uit deze figuur is op te maken, dat de theoretische potentie van alle bronnen bij elkaar opgeteld groter is dan de verwachte warmtevraag. In de praktijk is de inzet van de bronnen zeer lokaal: In sommige gebieden valt wellicht wat te kiezen wanneer meerdere warmtebronnen kunnen worden benut. In andere gebieden zullen echter weinig lokale bronnen beschikbaar zijn: voor
Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant
| 719011
24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
38
14% van het bebouwde gebied (vooral buitengebied) zijn vrijwel zeker individuele oplossingen nodig. De weergegeven theoretische potentie van de bronnen zal niet overal benut kunnen worden: per warmtebron zal nader onderzoek naar reëel potentieel en technisch / economisch potentieel (businesscase) uitsluitsel geven over het potentieel wat daadwerkelijk benut kan worden. Er zijn op dit moment geen voor de hand liggende (rest)warmtebronnen die zo groot zijn dat ze middels een regionaal netwerk meerdere gemeenten kunnen bedienen. De beschikbare bronnen zijn per gemeente weergegeven in bijlage 1. Voor alle bronnen geldt, dat bovenstaande potentie niet zonder meer en op korte termijn te realiseren is. Een strategie voor de benutting van de bronnen zal in elk geval rekening moeten houden met onderstaande randvoorwaarden: ●
Aquathermie Aquathermie is technisch een goed ontwikkelde warmtebron. Er is al twintig jaar praktijkervaring opgedaan. Om aquathermie op grote schaal in te kunnen zetten voor de verwarming en koeling van gebouwen is nog wel meer kennis nodig op het gebied van bijvoorbeeld governance en de gevolgen voor de ecologie van het water. Het Rijk is met diverse partijen, waaronder Waterschap Aa en Maas, een Green Deal aquathermie aangegaan. Doel hiervan is om het potentieel van aquathermie goed in kaart te brengen en ook onder de aandacht te brengen, zodat het meegenomen wordt in de TVW’s. Onderdeel is een onderszoeksagenda t.b.v. opschaling39. Aandachtspunten bij het benutten van aquathermie: •
Waterkwaliteit en ecologie Aquathermie brengt zowel kansen als risico’s met zich mee voor de ecologische kwaliteit en ecologie van het oppervlaktewater. Waterbeheerders werken momenteel, mede op basis van landelijk onderzoek, kaders uit waarbinnen aquathermie kan worden toegepast. Hierbij wordt rekening gehouden dat in de beginperiode ontwikkelruimte nodig is om zowel ervaring op te doen met de techniek als om inzichten te krijgen in de effecten op de ecologie. In ieder geval is vanuit dit oogpunt de combinatie van TEO met een WKO het uitgangspunt.
•
Regenereerbaarheid en verdeling De aanwezige warmte in het watersysteem en de rioleringen is regenereerbaar. Bij onttrekking van warmte wordt het oppervlaktewater en afvalwater weer opgewarmd door respectievelijk de zon en de aanwezige bodemwarmte. Hoe snel dit plaatsvindt is vooralsnog onduidelijk, waardoor op dit moment nog niet aangegeven kan worden op welke afstanden van elkaar een gelijke hoeveelheid warmte opnieuw onttrokken kan worden uit het systeem. Ook hiervoor zullen op termijn door de waterbeheerders kaders worden ontwikkeld, waarbij de invloed van potentiële cumulatieve effecten een afweging zijn. Voor nu betekent het vooral dat binnen en soms tussen gemeenten goede afstemming en afweging plaats moet vinden, om te zorgen dat aquathermie projecten elkaar niet bijten.
39
Netwerk aquathermie: www.aquathermie.nl
719011 | Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant 24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
39
•
Riothermie Het afkoelen van ongezuiverd rioolwater kan een risico vormen voor de doelmatige werking van de rwzi. Negatieve effecten op het zuiveringsproces moeten voorkomen worden, omdat deze zich uiteindelijk doorvertalen in hogere maatschappelijke kosten e/o negatieve effecten op de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater. Om deze reden wordt, waar mogelijk, de voorkeur gegeven aan de benutting van effluentwater boven rioolwater. Bij toepassing van riothermie wordt een combinatie met een WKO of buffer aangeraden, om een te sterke afkoeling van het afvalwater in de wintermaanden te voorkomen.
•
Waterbeschikbaarheid Aquathermie uit oppervlaktewater is afhankelijk van het aanbod aan water. Met de verandering van het klimaat kunnen hoog gelegen beken droogvallen in de zomermaanden.
40
●
Geothermie Het potentieel wat hier is weergegeven zal in de praktijk het maximaal haalbare zijn; namelijk als blijkt dat in elk geschikt afzetgebied ook bronnen aanwezig zijn. Zoals aangegeven; de aanwezigheid en benutbaarheid van bronnen in de regio is zeer onzeker. Het SCAN onderzoek gaat hier in de loop van 2022 meer duidelijkheid over geven. De verwachting is dat geothermie pas na 2030 ingezet kan worden. Bij de eventuele toepassing van diepe geothermie zal ook rekening gehouden moeten worden met andere gebruikers dan de gebouwde omgeving: diepe geothermie kan een interessante bron zijn voor de tuinbouw en voor de verduurzaming van de procesindustrie.
●
Restwarmte uit de industrie Gegevens over de beschikbaarheid en het huidig gebruik van restwarmte zijn niet openbaar te verkrijgen. Het berekende potentieel is een inschatting die verificatie behoeft bij individuele bedrijven, bijvoorbeeld bij het opstellen van de Transitievisie Warmte. Daarnaast is het de vraag of de eigenaar van de restwarmte bereid is om deze restwarmte te leveren. Ook iets om rekening mee te houden is het feit dat bedrijven zelf ook hun energievoorziening gaan verduurzamen en het de vraag is of de restwarmte in de toekomst ook beschikbaar blijft.
●
Bodemenergie Er is een aantal boringsvrije zones ingesteld voor bescherming van het drinkwater, hier kan het potentieel voor WKO niet benut worden. De provincie bereidt op dit moment Omgevingsbeleid voor om het grondwater ook buiten de drinkwaterwinningsgebieden te beschermen. De verwachting is, dat dit beleid effectief zal worden in 2021.
●
Droge biomassa Droge biomassa wordt gezien als een transitiebrandstof: op het moment wordt het veel ingezet in biomassa centrales of als bijstook. Er is veel discussie over duurzaamheidsaspecten. In 2050 zal vaste biomassa naar verwachting aftrek vinden in andere sectoren en onderdeel zijn van de biobased economy40
●
Natte biomassa In theorie heeft groen gas een groot potentieel in de regio NOB. De huidige productie is echter beperkt (9,6 PJ). De verwachting is dat landelijk in 2030 maximaal 2 bcm (biljoen m3
Verkenning potentieel bio-energie RES-en Brabant, Royal Haskoning DHV, 2019
Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant
| 719011
24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
40
= miljard m3 = 70 PJ/ jaar) groen gas beschikbaar is41. Dat is een verdubbeling van de huidige productie. De belangrijkste biomassastroom in de regio NOB is dierlijke mest. Het gebruik van dierlijke mest voor biogas kan niet los gezien worden van de transities in de landbouw: De Minister van EZK schetst in de Routekaart Groen Gas42 dat het kabinet wenst dat de biomassa gebruikt voor groengas bijdraagt een de milieu- en klimaatdoelstellingen van het kabinet en dat er aandacht is voor ongewenste instandhoudingseffecten, waarbij de leveringszekerheid van groen gas afhankelijk wordt van dierlijke mest. De inzet van biogas in aardgasleidingen in de gebouwde omgeving is vanuit kostenoverwegingen op het moment zeer aantrekkelijk. Na 2030 wordt echter een groeiende vraag naar groen gas verwacht vanuit industrie en mobiliteit (zwaar verkeer), omdat er voor deze sectoren beperkte andere mogelijkheden zijn om te verduurzamen. Het Ministerie van EZK beschrijft groen gas als sluitstuk voor de warmtetransitie; daar waar andere bronnen niet kosteneffectief of niet inzetbaar zijn. De Routekaart doet echter geen voorstel voor de allocatie van groen gas aan sectoren, gezien de moeilijkheid om op dit moment toekomstbestendige keuzes te maken.
Elektriciteit Potentie windenergie Opwekking van energie door middel van windturbines levert in potentie een grote bijdrage aan de realisatie van duurzame energiedoelstellingen. Het uitgangspunt is dat een grote moderne windturbine per jaar 52 TJ aan elektriciteit kan opwekken in de regio NOB. Dit komt overeen met een windturbine met de volgende kenmerken: een ashoogte van minimaal 130 meter, een rotordiameter van minimaal 130 meter, een geïnstalleerd vermogen van 4+ MW, en 3.500 vollasturen per jaar. Dit is passend bij het windklimaat in Noordoost Brabant. Een dergelijke turbine wekt per jaar circa 14.700 MWh op. Dit komt overeen met het jaarlijks elektriciteitsverbruik van zo’n 4.400 huishoudens. In algemene termen geldt dat de energieopbrengst van een windturbine echter sterk samenhangt met de grootte van een windturbine aangezien de opbrengst evenredig is met het kwadraat van de rotordiameter en de derde macht van de gemiddelde windsnelheid die toeneemt bij een grotere hoogte (= ashoogte). Daarnaast is de specifieke locatie en opstelling van invloed. Om windenergie te kunnen realiseren, moet dit wel mogelijk zijn binnen de geldende wet- en regelgeving. Hierbij spelen vele aspecten een rol, waarbij de milieuregels rond geluid en slagschaduw, externe veiligheid en de regels rond luchtvaart de belangrijkste harde beperkingen vormen.
Daarom wordt primair naar deze aspecten gekeken om de potentie te bepalen voor de RES regio.43 Luchtvaart: beperkingen als gevolg van Vliegbasis Volkel en Luitenant-Generaal Best kazerne Luchthavens in Nederland hebben een aanvliegroute naar de start en landingsbaan: de zogenaamde funnels. Onder deze aanvliegroute gelden hoogtebeperkingen voor bouwwerken, oplopend vanaf de landingsbaan. Deze hoogtebeperkingen zijn zodanig laag dat het niet
41
Contouren en instrumenten voor een Routekaart Groengas 2020-2050, CE Delft, 2018 Routekaart Groen Gas, Ministerie van EZK, maart 2020 43 Dit betekent niet dat andere aspecten een ondergeschikte rol spelen bij de haalbaarheid van windenergie, echter deze aspecten – waaronder bijvoorbeeld effecten op landschap - worden in de andere RES werkgroepen aan de orde gesteld. 42
719011 | Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant 24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
41
mogelijk is een moderne windturbine met de afmetingen zoals eerder genoemd te realiseren. In onderstaande figuur zijn de aanvliegroutes van beide luchthavens aangegeven. Figuur 4.9 Aanvliegroutes luchthavens
Naast de beperkingen van vliegbasis Volkel is tevens bekeken of er vanuit vliegveld Niederrhein (Weeze) en Eindhoven bouwhoogtebeperkingen of obstakelvrije zones zijn aangewezen. Op basis van een internationaal verdrag tussen Nederland en Duitsland 44 moet worden voldaan aan de internationale luchtvaartregelgeving (ICAO) voor wat betreft obstakelvrije zones in aanvliegroutes van de luchthaven Weeze. Deze zones zijn niet gelegen binnen de RES regio Noordoost Brabant. Defensieradar Om de goede werking van radar in Nederland te kunnen garanderen zijn in het Rarro45 regels opgenomen om verstoring van radarsignalen door windturbines te voorkomen46. Op vliegbasis Volkel en in Eindhoven staat momenteel een verkeersleidingradar. In het Gelderse Herwijnen een gevechtsleiding radar47. Er geldt voor hoge objecten een onderzoeksplicht naar mogelijke verstoring van de radar. Tot een afstand van 15km rond de luchthaven, die oploopt van 49m (radarhoogte nabij de luchthaven) naar 114m (aan de rand van de 15 km zone) is de kans op een positieve uitkomst van een dergelijk verstoringsonderzoek gering. Daarbuiten (tot 75 km van de posten) is de kans aanzienlijk groter op een positieve uitkomst48. Hoe groter de afstand 44
http://wetten.overheid.nl/BWBV0001588/2006-10-01 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening 46 zie: http://wetten.overheid.nl/BWBR0031018/2017-10-01#Paragraaf2_Artikel2.4 47 In Herwijnen is momenteel een SMART gevechtsleiding radar gepositioneerd. Mogelijk wordt deze radarpost uitgebreid met een verkeersleidingradar. De Rijkscoördinatieprocedure om dit mogelijk te maken wordt ten tijde van het opstellen van de RES opgestart. Het is momenteel niet bekend welke consequenties deze nieuwe radarpost heeft voor dit onderzoek. 48 De 75 km contour is niet in de kaarten opgenomen, aangezien deze contouren vrijwel heel Nederland omvatten en daarmee geen toegevoegde waarde hebben voor het inzichtelijk maken van de mogelijkheden voor windenergie in de regio NOB. Voor ieder individueel windenergieproject zal een locatiespecifiek 45
Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant
| 719011
24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
42
hoe beter, maar uiteindelijk zal een project specifiek onderzoek inzage moeten bieden in de daadwerkelijke effecten. Figuur 4.10 Radarcontouren
Gebouwen Na aftrek van de belemmerde zones is nog een vrij omvangrijk gebied buiten de bouwhoogtebeperking contour aanwezig. De tweede belangrijke beperking voor windenergie zijn gebouwen met een woonfunctie (gevoelige objecten). Hier moet voldaan worden aan de geluidnorm voor windturbines49. Op basis van een referentiewindturbine met de afmetingen zoals eerder beschreven wordt uitgegaan van een minimale afstand van circa 400 meter tot gevoelige objecten, waarbuiten kan worden voldaan aan de norm. In specifieke gevallen kan dit meer of minder zijn, echter dit vergt maatwerk op projectniveau50.
onderzoek naar de mogelijke verstoring van de radar moeten worden uitgevoerd. Dit wordt gebruikelijk pas in een latere fase (tijdens de vergunningprocedure) uitgevoerd. 49 Activiteitenbesluit, artikel 3.14a 50 In het geval een woningeigenaar en bewoner ook initiatiefnemer is van een windenergieproject hoeft niet in alle gevallen te worden voldaan aan de norm.
719011 | Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant 24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
43
Figuur 4.11 Contouren rond gevoelige objecten
Veiligheid en infrastructuur Naast gebouwen gelden ook voor rijkswegen, buisleidingen, hoogspanningsverbindingen en spoorlijnen51 afstandsnormen voor de plaatsing van windturbines. Deze zijn echter afhankelijk van de specifieke situatie en het type windturbine, waardoor in de praktijk eigenlijk op projectniveau maatwerk wordt toegepast. Hierdoor kunnen de aan te houden afstanden in de praktijk kleiner zijn. Om toch rekening te kunnen houden met deze aspecten is nu uitgegaan van vuistregelafstanden conform het HRW30:
51
•
Hoogspanningsverbindingen (bovengronds): 200 meter
•
Buisleidingen (ondergronds): 200 meter
•
Vaarwegen: 65 meter
•
Spoorwegen: 123,5 meter
•
Autosnelwegen: 65 meter
Uitgaande van de waarden opgenomen in het Handboek Risicozonering windturbines 2014 (HRW).
Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant
| 719011
24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
44
Figuur 4.12 Contouren infrastructuur en veiligheid
Wanneer deze belemmeringen worden gecombineerd en worden gefilterd, blijft er een bepaald landoppervlak over binnen de regio (zie figuur 4.13). Dit zijn de theoretisch beschikbare locaties voor windenergie, waar op voorhand geen directe wettelijke beperking geldt. Binnen deze locaties moet echter ook worden onderzocht of er voldoende ruimte beschikbaar is om een windturbineopstelling daadwerkelijk te realiseren. Daarom is gekeken, aan de hand van de volgende vuistregels, hoeveel windmolens er mogelijk geplaatst zouden kunnen worden. Hierbij is bijvoorbeeld (nog) geen rekening gehouden met regels vanuit (provinciale) natuurbeschermingswetgeving en beleid (Verordening Ruimte). De volgende vuistregels zijn gedefinieerd bij het bepalen potentie per gemeente: •
Windturbines staan op minimaal 500 meter uit elkaar, teneinde onderlinge windafvang te voorkomen;
•
Er kunnen minimaal drie windturbines bij elkaar worden geplaatst conform provinciale verordening eisen;
•
Per turbine wordt uitgegaan van een opwekpotentie van 52 TJ;
719011 | Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant 24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
45
Figuur 4.13 Potentiële ruimte voor windturbines
Op basis van bovenstaande kaart en de vuistregels is de volgende theoretische potentie voor windenergie bepaald52. Tabel 4.1 potentie windenergie RES Regio Aantal hectare zonder harde belemmeringen*
Aantal windturbines
Aantal TJ
148
7.696
13.523
* Na aftrek van gebieden aangemerkt als Natuurnetwerk Brabant en Natura 2000, zoals in de huidige Verordening Ruimte van de provincie het geval is, blijft een totale theoretische potentie van circa 100-120 windturbines over voor de RES regio NOB.
Pijplijn projecten In bovenstaande analyse is geïnventariseerd welke technische theoretische potentie er is voor windenergie in de regio. Er zijn op meerdere locaties echter al projecten die in ontwikkeling zijn en waarvan de kans dat deze gerealiseerd gaan worden in de komende 5-10 jaar aannemelijk is. Deze zogenoemde pijplijn projecten zijn apart geïnventariseerd. De locaties van deze projecten kunnen overlappen met de potentie uit kaart 4.13.
52
Door het hanteren van algemene criteria voor de hele RES regio is de huidige situatie en potentie in beeld gebracht. Dit leidt ertoe dat bijvoorbeeld een lopende ontwikkeling zoals windenergie op bedrijventerrein Heesch West niet als potentiële locatie naar voren komt. Op deze plek staan op dit moment nog woningen, die zorgen voor een belemmering. Indien deze woningen worden wegbestemd met de aanleg van het bedrijventerrein komt er echter ruimte vrij. Een dergelijke situatie kan op meer locaties het geval zijn. De huidige exercitie houdt geen rekening met deze locatiespecifieke omstandigheden.
Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant
| 719011
24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
46
Per pijplijn project is het potentiële opgestelde vermogen en TWh bepaald aan de hand van de bekende informatie uit vergunningaanvragen of andere openbare documenten. Tot slot is een realisatiekans inschatting gemaakt. Projecten die een vergunning hebben verkregen worden vrijwel zeker gerealiseerd (95%), waardoor er geen realisatiegraad aftrek wordt toegepast voor deze projecten. Tabel 4.2 Concrete pijplijnprojecten windenergie Projectnaam
Gemeente
Windpark de Rietvelden
’s-Hertogenbosch
Windpark Elzenburg de Geer
Oss
Windpark Veghel de Mars
Meijerijstad
Aantal windturbines
TJ*
TWh
4
141
0,04
172
0,05
4
140
0,04
14
453
0,13
4 (uitbreiding naar 6 mogelijk)
Totaal
* inschatting gebaseerd op de aannames die ook voor de potentiestudie zijn gehanteerd (52 TJ / turbine), tenzij anders bekend uit openbare documenten, zoals vergunningaanvragen of SDE+ beschikking.
Zon op grote daken Voor het onderzoek naar de potentie van grootschalige zonne-energie op daken is wederom gebruik gemaakt van de zonnescan, uitgevoerd door Buro Karto in opdracht van de provincie Noord-Brabant53. In deze scan is middels een instralingsberekening gemaakt per individueel dak, waarbij rekening gehouden is met beschikbaar dakoppervlak, hellingshoek en beschaduwing (zie voor details paragraaf 3.2). Omdat specifiek gekeken wordt naar grootschalige opwek (> 15 kWp en 3*80A aansluiting) is gerekend met een minimaal benodigd dakoppervlak van 285 m2 (inclusief benodigde randafstanden). Vervolgens is het potentieel opgewekte vermogen (in KWh) berekend uitgaande van 300 Wp per paneel en een benodigd oppervlak van 1,65 m2 per zonnepaneel. In de onderstaande cijfers is vervolgens een selectie gemaakt op basis van de daken die als ‘gunstig’ geclassificeerd worden in de scan. In deze cijfers is nog geen rekening gehouden met technische of economische factoren. Ook is geen rekening gehouden met aftrek vanwege draagkracht van de constructie. Daar staat tegenover dat ook hier alleen wordt uitgegaan van de gunstig georiënteerde daken in de bepaling van de potentie. Er zijn echter ook grote dakoppervlakken beschikbaar die een niet optimale oriëntatie hebben, maar nog steeds technisch geschikt zijn voor de installatie van zonnepanelen.
De opbrengst per paneel zal echter lager zijn, waardoor de economische terugverdientijd langer zal zijn. In onderstaande tabel is het totaal beschikbare grote dakoppervlak opgenomen, met een gunstige oriëntatie. Dit geeft een technische potentie van circa 3,4 PJ per jaar en een oppervlakte van circa 15 miljoen m2 (1.500 hectare) dakoppervlak.
53
Buro Karto, mei 2019; https://www.zonnescanbrabant.nl/
719011 | Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant 24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
47
Tabel 4.3 Potentie zon op grote daken met gunstige oriëntatie Potentieel gunstig dakoppervlak m2 (> 15 kWp)
Potentie zon dak in TJ (> 15 Kwp) met ‘gunstige
TWh per jaar
oriëntatie)
14.479.178
3.423
0,95
Bron: Zonnescan, Buro Karto 2019
Zon op land De technische potentien van zonne-energie in grondopstellingen is zeer groot. De systemen zijn eenvoudig schaalbaar en aangezien er weinig beperkingen zijn vanuit milieuwetgeving kan een zonnepark op heel veel plaatsen gerealiseerd worden. Dit zegt uiteraard niets over de wenselijkheid van deze ontwikkeling vanuit landschappelijk of ruimtelijke ordening perspectief. Restgronden In de verkenning naar de potentie voor zonne-energie op grond is gewerkt op basis van de zonneladder, waarin eerst gekeken wordt naar potentie van zogenaamde restgronden (geluidschermen, stortplaatsen, spoorbermen en braakliggende terreinen). In onderstaande tabel is dit opgenomen. Tabel 4.4 Potentie restgronden NOB (TJ) Spoorbermen 24,5
Geluid
Voormalige
Braakliggend
totaal
schermen
stortplaatsen
terrein*
restgronden
17,9
73,8
17,5
134
Bron: Data Nationaal Programma RES, Kaartviewer Geodan, versie april 2019
Uit deze tabel blijkt dat er potente is voor zonne-energie op restgronden, maar dat deze relatief beperkt is. Zon op agrarische grond Vervolgens is onderzocht welke theoretische potentie er bestaat voor zon op agrarische gronden. Hiervoor is een kaart vervaardigd waarin de bebouwde oppervlakte, waterwegen, spoor- en autowegen en bosgebieden zijn uitgefilterd. De resterende oppervlakte is theoretisch beschikbaar voor zonnevelden (zie Figuur 4.14)
Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant
| 719011
24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
48
Figuur 4.14 Potentiële ruimte voor zonneparken
Het is echter niet realistisch om al deze gronden in te zetten voor zonne-energie. Er vinden nu immers agrarische activiteiten plaats, die ook ruimte nodig hebben. Om een meer realistische potentie inschatting te maken, wordt uitgegaan van een maximale benutting van 4% van het beschikbare oppervlak, in navolging van de inschatting die Nationaal zijn gemaakt. Voor het inschatting van de opwekpotentie is gerekend een opbrengst van 3,2 TJ per hectare zonneveld per jaar. Dit is passend voor de regio Noordoost Brabant en komt overeen met een opstelling met de volgende kenmerken: 3.100 panelen per hectare, 300 Wp per paneel en 950 vollasturen per jaar. In onderstaande tabel is de potentie voor de regio NOB opgenomen. Tabel 4.5 Potentie grondgebonden zon NOB Grondgebonden zon NOB
Aantal hectare
TJ per jaar
Theoretisch maximale potentie
47.001
150.403
Potentie op basis van 4% van
1.880
6.016
beschikbare gronden
Op basis van maximaal 4% van het beschikbaar areaal is de potentie circa 6 PJ (1,7 TWh) voor zon op grond in de RES regio NOB. Pijplijn projecten In bovenstaande analyses is geïnventariseerd welke technische theoretische potentie er is voor zon (op daken en land) in de regio. Er zijn op meerdere locaties echter al projecten die in ontwikkeling zijn en waarvan de kans dat deze gerealiseerd gaan worden in de komende jaren reëel is. Op basis van de SDE+ beschikkingenlijst van RVO is in de Klimaatmonitor geïnventariseerd hoeveel opgesteld vermogen deze projecten per gemeente betreffen. In
719011 | Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant 24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
49
onderstaande tabel zijn deze gegevens per gemeente opgenomen en is tevens omgerekend hoeveel TWh dit betreft. De locaties van deze projecten kunnen overlappen met de potentie uit kaart 4.14. Het is niet de verwachting dat alle projecten in deze pijplijn gerealiseerd worden. Gemiddeld wordt circa 50% van de pijplijn projecten daadwerkelijk gerealiseerd. Tabel 4.6 Pijplijnprojecten zon (MWp) Vermogen in pijplijn
Vermogen in pijplijn
(MW)
(TWh)
Bernheze
32,1
0,03
Boekel
21,6
0,02
Boxmeer
16,1
0,02
Boxtel
9,3
0,01
Cuijk
32,9
0,03
Grave
2,9
0,00
Haaren
4,6
0,00
s'-Hertogenbosch
47,3
0,04
Landerd
13,8
0,01
Meijerijstad
85,5
0,08
Mill en Sint Hubert
3,8
0,00
Oss
45,7
0,04
Sint Anthonis
23,6
0,02
Sint-Michielsgestel
7,6
0,01
Uden
22,8
0,02
Vught
5
0,00
374,6
0,33
Gemeente
Totaal regio NOB Bron: Klimaatmonitor, geraadpleegd januari 2021.
Waterkracht Water kan als vorm van energieopwekking dienen bij onder meer getijdeverschillen, golfbewegingen, hoogteverschillen en stroming. Alleen de twee laatstgenoemden vormen worden op dit moment in Nederland commercieel toegepast in de vorm van waterkrachtcentrales bij rivieren. In vergelijking met landen als bijvoorbeeld Zwitserland en Noorwegen, is er in Nederland relatief minder energie te halen middels hoogteverschillen. Desondanks is er door de aanwezige stroming en hoeveelheid water (debiet) wel degelijk energie in de Nederlandse rivieren beschikbaar. Bovendien is de hoeveelheid water over een jaar gezien vrij constant, waardoor er minder fluctuatie in energieproductie optreedt in vergelijking met bijvoorbeeld zonne- en windenergie. Bij de zoektocht naar potentiële locaties voor waterkrachtcentrales in rivieren wordt doorgaans vooral gekeken naar de ligging van bestaande stuw- en sluiscomplexen. Op deze locaties is door middel van een hoogteverschil namelijk meer energieopwekking mogelijk dan enkel beschikbaarheid van stroming. Zo zijn alle operationele waterkrachtcentrales bij sluizen gepositioneerd en hebben hierdoor een verval van enkele meters.
Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant
| 719011
24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
50
Er bevindt zich op dit moment één operationele grote waterkrachtcentrale in de RES regio Noordoost Brabant in Lith, met een nominaal vermogen van 14 MW (geschatte jaaropbrengst is circa 44.000 MWh. Hiervan mag echter niet het volledige capaciteit aan de RES regio NOB worden toegerekend, maar moet dit gedeeld worden met de RES regio aan de noordzijde van de Maas. Daarnaast is er een kleinschalige waterkrachtcentrale in de gemeente Sint Michielsgestel operationeel in de rivier de Dommel. Deze centrale heeft een vermogen van circa 120 kW en een geschatte jaaropbrengst van 600 MWh. De rivier de maas begrenst de RES regio in vrijwel de gehele bovenste helft en biedt hiermee nog twee potentiële locaties voor waterkrachtcentrales bij Boxmeer (Sambeek) en Grave. In tabel 4.8 is meer informatie over de huidige en potentiële waterkrachtcentrales opgenomen en de geografische ligging is aangegeven in Figuur 4.15. Figuur 4.15 Huidige en potentiële locaties voor waterkracht
Ter hoogte van de gemeente Boxmeer ligt het stuw- en sluiscomplex bij Sambeek. Het peilniveau van het water voor en achter de sluis ligt doorgaans op respectievelijk 7,9 en 10,8 m, waardoor er een hoogteverschil van 3 m aanwezig is. In een eerdere studie van de Wageningen Universiteit is berekend dat met een dergelijk hoogteverschil en een gemiddeld plaatselijk debiet van 400 m3 / s een nominaal vermogen van circa 7 MW mogelijk is.54 Uitgaande van deze capaciteit kan een jaarlijkse elektriciteitsopwekking van circa 36 GWh worden gerealiseerd.
54
zie: http://edepot.wur.nl/386008
719011 | Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant 24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
51
Ter hoogte van de gemeente Grave ligt het stuw- en sluiscomplex bij Grave en Nederasselt. Uit onderzoek van RHDHV uit 2016 blijkt dat het sluizencomplex bij Grave een te verwachte capaciteit zal hebben van circa 6 MW. Tabel 4.7 Waterkrachtcentrales regio NOB Waterkrachtcentrale
Rivier
Ingebruikname
Vermogen (MW)
Opwek TJ
Grave (potentieel)
Maas
Boxmeer (potentieel)
Maas
n.v.t
6
111*
n.v.t
7
130*
* Inschatting op basis van berekening voor Boxmeer; WUR berekent bij een hoogteverschil van 3 m en een gemiddeld debiet van 400 m3/s circa 7 MW nominaal vermogen en 130 TJ opwek.
De aanvullende potentie voor waterkracht wordt op basis van bovenstaande gegevens geschat op circa 241 TJ per jaar. Omdat de gemeenten aan beide zijden van de rivier deze potentie kunnen benutten, kan maximaal 50% worden toegerekend aan deze RES regio.
Overige Naast bovengenoemde grootschalige bronnen, zijn potentieel nog verschillende kleinschalige energiebronnen beschikbaar (denk bijvoorbeeld aan kleinschalige windenergie op individuele boerderijen). In het kader van de RES wordt nu echter de focus gelegd op grootschalige opwek die tot 2030 economisch en technisch realiseerbaar is én een substantiële bijdrage aan de doelstellingen kan leveren. Derhalve is in deze rapportage geen uitputtende verkenning gemaakt van alle denkbare energiebronnen.
Overzicht In onderstaande tabellen is een overzicht gegeven van de potentie van de verschillende warmte en elektriciteitsbronnen in de regio NOB. Tabel 4.8 Overzicht potentie warmtebronnen regio NOB (in PJ) LT restAquathermie
warmte
HT rest-
groot +
warmte
Zon op veld Biomassa
Biogas
(thermisch)
klein 5,3
9,6
1,1
+ dak
0,2
3,8
Geothermie
8,1
Totaal potentieel warmte
8,8
36,9
Tabel 4.9 Overzicht potentie elektriciteitsbronnen regio NOB (in PJ) Zon op dak > 15 kW 3,4
Zon Zon op veld
(restgronden)
6,0
0,1
Wind (zonder cluster keuze) 7,8
Waterkracht*
Totaal potentie elektriciteit
0,2
17,6
* telt niet mee voor het RES bod. Er is op basis van deze potentiestudie genoeg potentieel om de doelstellingen voor 2030 te realiseren.
Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant
| 719011
24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
52
Per gemeente In onderstaande tabel zijn de potenties voor elektriciteit opwek per bron en per gemeente opgenomen. Uit deze tabel kan worden afgeleid dat er voldoende potentie is om de doelstellingen voor 2030 in de RES zoals in hoofdstuk 3 gedefinieerd, te realiseren. Hierin is het mogelijk om keuzes te maken in de toe te passen energiemix.
719011 | Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant 24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
53
Tabel 4.10 Overzicht potentie elektriciteit opwek per gemeente Elektriciteit (TJ) Zon op dak > 15 Gemeente
kWp (3*80A)
Zon op dak (woningen)
Zonnescan data
Zonnescan data*
Zon op veld
Zon (restgronden)
Wind
Waterkracht
Totaal Elektra
Bernheze
195
76
494
1
53
-
819
Boekel
132
73
254
1
212
-
672
Boxmeer
216
199
516
12
1.058
130
2,131
Boxtel
143
147
89
3
159
-
541
Cuijk
163
126
202
17
159
-
666
Grave
44
66
94
-
318
111
633
Haaren
66
101
157
3
159
-
485
Landerd
125
111
356
3
-
-
594
Meijerijstad
679
470
886
44
794
-
2,872
Mill en Sint Hubert
83
96
279
-
-
-
458
Oss
487
458
1.018
13
2,646
-
4,623
s'-Hertogenbosch
531
517
417
20
1.588
-
3,072
Sint Anthonis
159
124
691
2
159
-
1,135
178
223
2
-
-
482
SintMichielsgestel
79
Uden
263
216
279
8
-
-
766
Vught
57
92
60
4
529
-
742
Totaal
3.423
3.048
6.016
134
7,832
241
20,694
* telt niet mee voor de RES invulling van het bod
Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant
| 719011
24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
55
NETWERK Inleiding Naast de potentiële kansen voor opwekken van hernieuwbare warmte en elektriciteit moet de geproduceerde energie ook kunnen worden gedistribueerd naar de eindgebruiker. Dit hoofdstuk gaat in op de huidige en verwachte toekomstige netwerkcapaciteit en geeft inzicht in de consequenties die dit heeft voor de inzet van hernieuwbare opwek in de RES regio NOB.
Warmte In de Regio Noordoost Brabant wordt het grootste deel van de warmtevraag nog ingevuld door aardgas. Er is op dit moment zeer weinig specifieke infrastructuur voor warmte, behalve warmtenetten in twee wijken in ‘s-Hertogenbosch. De mogelijke ontwikkelgebieden van collectieve warmte-infrastructuur zijn de clusters zoals beschreven in 4.2.1. Figuur 5.1 Gebieden voor collectieve warmte-infrastructuur
Voor de toekomstige ontwikkeling van warmte-infrastructuur zijn twee zaken van belang: 1.
Lokale afwegingen Als er in een wijk of buurt een voldoende grote warmtevraag is, die collectief kan worden ingevuld met lokale bronnen zal de hiervoor benodigde infrastructuur ontwikkeld worden. Deze afweging maken de gemeenten in hun Transitievisies Warmte. Het is daarbij relevant te letten op de volgende aspecten: a. Schaalniveau: leidt samenvoeging van buurten tot de benodigde warmtevraag of een betere businesscase? b.
Cascadering: het is vaak efficiënter om de hoge temperatuur warmtebronnen eerst in te zetten voor andere gebruikers, die de hoge temperatuur nodig hebben en daarna aan te wenden voor de gebouwde omgeving.
Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant
| 719011
24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
56
c.
Toekomstbestendigheid: is koppeling van een warmtenet mogelijk aan een ander net, om uitwisseling van warmte mogelijk te maken of zijn er meerdere warmtebronnen aan een netwerk te binden om daarmee een robuuster netwerk te creëren? Het kan een strategische keuze zijn om nu een HT-warmtenet aan te leggen voor de gebouwde omgeving eventueel gekoppeld aan industrie, om daarna in stappen naar een MT-warmtenet te gaan (door o.a. isolatie van woningen).
2.
Samenwerking bij grotere bronnen Op dit moment zijn er in de regio weinig voor de hand liggende grote bronnen van (rest)warmte. De resultaten van het SCAN-onderzoek zullen inzicht geven in de beschikbaarheid van geothermie. Afhankelijk van de uitkomsten zullen er mogelijkheden ontstaan voor grote dan wel kleinere, lokale warmtenetten. Het is raadzaam om in de RES in samenwerking tussen gemeenten en mogelijke gebruikers een strategie te ontwikkelen voor het gebruik van de bronnen, de ontwikkeling van de infrastructuur, mogelijke cascadering en koppeling van netten. Ook de financiering van de netten zou hier onderdeel van moeten zijn.
Elektriciteit Het elektriciteitsnetwerk in de regio NOB wordt beheerd door netbeheerder Enexis voor wat betreft de spanningsniveaus tot 110 kV. Vanaf dat niveau is Tennet de beheerder. Het netwerk in de regio is opgebouwd uit Hoofdstations, distributie/verdeelstations en klantstations. De hoofdstations zijn voor grootschalige opwek het meest bepalend, aangezien de aan te sluiten vermogens van grootschalige opwek al snel op deze stations zullen uitkomen (alles meer dan circa 6 MVA). In onderstaande figuur is het huidige netwerk in de regio weergegeven.
719011 | Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant 24 maart 2021 | Versie maart 2021
Pondera Consult
57
Figuur 5.2 Elektriciteitsnetwerk NOB
Er is op dit moment nog transportcapaciteit op het net, echter deze capaciteit is zeer beperkt. Zo is er momenteel een transportschaarste in het noordoostelijk deel van de regio (station Haps) en is er in de peelregio geen hoofdstation aanwezig, waardoor aanpassingen nodig zijn om aansluitingsmogelijkheden voor grootschalige opwek te creëren in dit deel van de regio (https://www.enexis.nl/zakelijk/duurzaam/beperkte-capaciteit/gebieden-met-schaarste). Enexis voert een doorrekening uit van het RES bod en daarin aangegeven opwekmethoden en locaties, ten einde inzichtelijk te maken of dit mogelijk is en tegen welke (maatschappelijke) kosten. Dit zal in een afzonderlijk document worden gerapporteerd.
Energieverbruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant
| 719011
24 maart 2021 | Versie maart 2021