CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Wijzigingstabel 9e wijziging APV 2016

Gemeenteraad 9 september 2025, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: 9e wijziging Algemene Plaatselijke Verordening 201617.798 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

APV 2016 negende wijziging Artikel 2:39 Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijf smatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leef baarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat of indien er signalen zijn van ondermijnende activiteiten. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijf smatige activiteiten beperken. Een bedrijf smatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leef baarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijf smatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat. Het aanwijzingsbesluit bepaalt de duur van de periode dat de aanwijzing geldt. Deze duur bedraagt maximaal vijf jaar en kan -

➢

Toelichting Lid 2: Dit betref t het zogenoemde ondermijningsartikel op basis waarvan het mogelijk is om een gebouw, gebied of branche vergunningplichtig te maken. Gebruik van deze bevoegdheid is mogelijk als de leef baarheid of openbare orde onder druk staat en dit een directe relatie heef t met het gebouw, gebied of de branche in kwestie. Voorstel is om deze bevoegdheid te verruimen, concreet door ook een vergunningplicht in het leven te kunnen roepen bij signalen van ondermijnende criminaliteit. Een tekstuele aanpassing die het toepassingsbereik van deze

29

belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is - eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijf jaar. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen: g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend omgevingsplan, een geldende beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

indien dat met het oog op de bovengenoemde belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is - eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijf jaar.

aanwijzingsbevoegdheid vergroot. Dit naar het voorbeeld van de gemeente Zaanstad én zoals toegezegd in de beantwoording van raadsvragen d.d. 7 november 2024 over een vergunningplicht voor dakdekkers. Daar staat geschreven: “In ons geval is het daarom eerst nodig om de APV te wijzigen. Ons voorstel is om dit wel te gaan doen bij de eerstvolgende aanpassing”.

4.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen: g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 5.1 van de Omgevingswet.

➢

Lid 4: “Wabo” vervangen door “Omgevingswet”.

Afdeling 14 Consumentenvuurwerk en carbidschieten APV 2016 Artikel 2:40 Definitie In deze af deling wordt verstaan onder: a. consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit. b. jaarwisseling: de periode gelegen tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar. Artikel 2:42 Carbidschieten 1.

Het is verboden acetyleengas af komstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.

APV 2016 negende wijziging Artikel 2:40 Definitie In deze af deling wordt verstaan onder:

Toelichting Sub a aangepast conf orm de Omgevingswet.

a. consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1. van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Artikel 2:42 Carbidschieten 2.Het college kan onthef f ing verlenen van het verbod in de periode van 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar.

Lid 3: “Wet milieubeheer” wordt “Omgevingswet”

3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de

30

2.

Het college kan onthef f ing verlenen van het verbod in de periode van 31 december 10.00 en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar. 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Straf recht. Artikel 2:43 Vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen 1.Het is verboden op een openbare plaats carbid of soortgelijke stoffen (of voorwerpen) als bedoeld in artikel 2:42 lid 1 te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze stof f en worden aangetrof f en, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het bepaalde in artikel 2:42.

Omgevingswet, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Straf recht.

Artikel 2:43 Vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen

Lid 3: “Wet milieubeheer” wordt vervangen door “Omgevingswet”

3.Dit artikel is niet van toepassing, voor zover de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stof f en of het Wetboek van Straf recht van toepassing zijn.

2.Het verbod is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is af geleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die het aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heef t in de uitoef ening van beroep of bedrijf . 3.Dit artikel is niet van toepassing, voor zover de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stof f en of het Wetboek van Straf recht van toepassing zijn.

Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatsekswerk e.d. Afdeling 1 Begripsbepalingen, bevoegdheid en nadere regels

APV 2016

APV 2016 negende wijziging

Toelichting

31

Artikel 3:1 Begripsbepalingen In dit hoof dstuk wordt verstaan onder:

Artikel 3:1 Begripsbepalingen In dit hoof dstuk wordt verstaan onder:

a.

a. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke f eitelijke leiding uitoef ent in een seksinrichting of escortbedrijf ;

prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; c.

seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijf smatig of in een omvang alsof zij bedrijf smatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornograf ische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

d. escortbedrijf : de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijf smatig of in een omvang alsof zij bedrijf smatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijf sruimte wordt uitgeoef end; e.

f.

sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoof dzakelijk goederen van erotisch-pornograf ische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die

b. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: 1. de exploitant; 2. de beheerder; 3. de sekswerker; 4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; c. binnenstad: de binnenstad van 's-Hertogenbosch die is gelegen binnen de stadsmuren en die wordt begrensd door: Westwal, St. Janssingel, Buitenhaven, Oliemolensingel, Zuid-Willemsvaart (gedeeltelijk), Citadellaan, Kasterenwal, Noordwal, Muntelwal, Aawal, De Bossche Pad (gedeeltelijk), Oostwal, Hekellaan, Zuidwal, Spinhuiswal, Parklaan en Wilhelminaplein. d. escortbedrijf : de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijf smatig of in een omvang alsof zij bedrijf smatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijf sruimte wordt uitgeoef end; e. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; f . seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijf smatig of in een omvang

Het artikel is gerangschikt in alf abetische volgorde. ➢ Bij art. 3:1 sub b onder 3. “prostituee” vervangen door “sekswerker” ➢ Bij art. 3:1 sub c aantal straatnamen toegevoegd. ➢ Toegevoegd: j. def initie thuissekswerk Met deze wijziging maken we het mogelijk dat sekswerk vanuit de eigen woning, onder voorwaarden, wordt toegestaan. Hoewel thuissekswerk in de praktijk al voorkomt, is het f ormeel niet toegestaan. Dit kan risico’s voor sekswerkers met zich meebrengen en ertoe leiden dat zij terughoudend zijn in het zoeken van hulp of het melden van misstanden. ➢

Door thuissekswerk toe te staan, sluiten we aan bij de praktijk én bij het beleid van een groeiend aantal andere gemeenten. We dragen bij aan veilige, zelf standige werkplekken en verbeteren de positie van sekswerkers. Tegelijkertijd verlagen we de drempel om contact te zoeken met hulpverlening, toezicht en handhaving, waardoor signalen van misstanden eerder worden opgemerkt en opgepakt. De voorwaarden zijn erop gericht overlast en risico’s tot een minimum te beperken. Met deze stap geven we invulling aan zowel de wens van sekswerkers als onze verantwoordelijkheid om bij te dragen aan een gezonde, veilige en transparante sekswerksector, binnen de ruimte die we als gemeente hebben.

32

rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;

h.

alsof zij bedrijf smatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch- pornograf ische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

2. de beheerder;

g. sekswerk: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke f eitelijke leiding uitoef ent in een seksinrichting of escortbedrijf ; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: 1. de exploitant;

3. de prostituee; 4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; 5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening; 6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

h.sekswerker: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; i.sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoof dzakelijk goederen van erotischpornograf ische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; j.thuissekswerk: sekswerk waarbij een natuurlijke persoon bedrijf smatig en tegen betaling of anders dan om niet seksuele handelingen verricht in een woning waar de sekswerker staat ingeschreven.

Artikel 3:4 Seksinrichtingen

Artikel 3:4 Seksinrichtingen

1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan;

1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan;

2.In de inrichting dient te allen tijde (een af schrif t van) de vergunning aanwezig te zijn;

2.In de inrichting dient te allen tijde (een af schrif t van) de vergunning aanwezig te zijn;

3.In de aanvraag om en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

3.In de aanvraag om en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

a. de persoonsgegevens van de exploitant;

➢ “prostituee” vervangen door “sekswerker” ➢ Leden 4 en 5 toegevoegd.

a. de persoonsgegevens van de exploitant;

33

b. de persoonsgegevens van de beheerder;

b. de persoonsgegevens van de beheerder;

c. het aantal werkzame prostituees;

c. het aantal werkzame sekswerkers;

d. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf ;

d. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf ;

e. de plaatselijke en kadastrale ligging van de seksinrichting door middel van een situatietekening met een schaal van ten minste 1:1000;

e. de plaatselijke en kadastrale ligging van de seksinrichting door middel van een situatietekening met een schaal van ten minste 1:1000;

f . de plattegrond van de seksinrichting door middel van een tekening met een schaal van ten minste 1:1000;

f . de plattegrond van de seksinrichting door middel van een tekening met een schaal van ten minste 1:1000;

g. bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; en

g. bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; en

h. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting;

h. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting;

i. de tijden waarbinnen de inrichting voor bezoekers is geopend en waarbinnen de exploitant en/of beheerder in de inrichting aanwezig zijn.

i. de tijden waarbinnen de inrichting voor bezoekers is geopend en waarbinnen de exploitant en/of beheerder in de inrichting aanwezig zijn. 4. Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing op thuissekswerk, mits wordt voldaan aan de volgende voorschrif ten en beperkingen: a. maximaal één en dezelf de ter plaatse ingeschreven bewoner mag sekswerk in de woning verrichten; b. De sekswerker dient ten minste drie maanden ingeschreven te staan in de Basisregistratie Personen op het woonadres waar het sekswerk plaatsvindt; c. Af dracht van verdiensten uit thuissekswerk aan een derde is niet toegestaan;

34

d. Er is geen sprake van bemiddeling door derden, met uitzondering van advertentiesites waar de sekswerker zelf adverteert; e. De werkruimte is hygiënisch; f . De sekswerker is tenminste 21 jaar oud; en g. de Sekswerk ontvangt tussen 01.00 uur ’s nachts en 06.00 uur ’s ochtends geen klanten in de woning.

Artikel 3:7 Sluitingstijden 1.

2.

3.

Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 23.00 en 09.00 uur. Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrif t als bedoeld in artikel 1:4 voor een af zonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.

5. Het bevoegd bestuursorgaan kan met het oog op de belangen bepaald in artikel 1:8 en artikel 3:14, tweede lid, van deze verordening nadere regels stellen over de voorschrif ten en beperkingen ten aanzien van thuissekswerk. Artikel 3:7 Sluitingstijden 4.Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, gebaseerde voorschriften, gebaseerde voorschrif ten.

Toevoeging zinsdeel “zoals die wet luidde direct vooraf gaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet” conf orm de model-APV van Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:8 eerste lid, gesloten dient te zijn.

4.Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschrif ten.

35

Artikel 3:14 Weigeringsgronden

Artikel 3:14 Weigeringsgronden

1.De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien:

1.De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien:

a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:6 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leef milieuverordening; c. indien het een aanvraag voor een seksinrichting betref t, het op grond van artikel 3:5 maximaal aantal te verlenen vergunningen in zijn geheel is verleend; d. indien het een aanvraag voor een seksinrichting in de binnenstad betref t, onverminderd de weigeringsgrond onder c, het op grond van artikel 3:5 maximumaantal vergunningen voor seksinrichtingen in de binnenstad is verleend; e. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Straf recht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde;

b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend Omgevingsplan, stadsvernieuwingsplan of leef milieuverordening;

➢ ➢

Lid 1 onder b “bestemmingsplan” wordt “Omgevingsplan” Lid 2 onder g “prostituee” vervangen door “sekswerker”

2.In af wijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leef klimaat; d. de veiligheid van personen of goederen; e. de verkeersvrijheid of -veiligheid; f . de gezondheid of zedelijkheid; g. de arbeidsomstandigheden van de sekswerker.

f . redelijkerwijs moet worden aangenomen dat in strijd zal worden gehandeld met de in artikel 3:9 opgenomen aanwezigheids- en/of toezichtseis.

36

2.In af wijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4 eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leef klimaat; d. de veiligheid van personen of goederen; e. de verkeersvrijheid of -veiligheid; f . de gezondheid of zedelijkheid; g. de arbeidsomstandigheden van de prostituee.

Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1 Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting APV 2016 Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze af deling wordt verstaan onder: 1. besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; 2. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; 3. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijf sleider, beheerder of anderszins een inrichting drijf t;

APV 2016 negende wijziging Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze af deling wordt verstaan onder: 1. Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; 2. collectieve f estiviteit: f estiviteit die niet specif iek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

➢

➢ ➢

Toelichting Wijziging doorgevoerd conf orm Omgevingswet en model-APV van Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Het artikel is gerangschikt in alf abetische volgorde. Leden 1 en 7 zijn aangepast conf orm omgevingswet.

37

4. collectieve f estiviteit: f estiviteit die niet specif iek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; 5. incidentele f estiviteit: f estiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen.

3. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; 4. gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; 5. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijf sleider, beheerder of anderszins een inrichting drijf t; 6. incidentele f estiviteit: f estiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; 7. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; 8. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

➢

Leden 3, 4 en 8 toegevoegd conf orm modelAPV van Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Artikel 4:4 Overige geluidhinder

Artikel 4:4 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

➢

Lid 1 aangepast conf orm model-APV Omgevingswet van Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Lid 4 aangepast conf orm de Omgevingswet.

1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan van het verbod onthef f ing verlenen. 3.Het verbod geldt niet als het langtijdgemiddeld geluidniveau niet boven het ter plaatse heersende ref erentieniveau komt. 4.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare

➢

2.Het college kan van het verbod onthef f ing verlenen. 3.Het verbod geldt niet als het langtijdgemiddeld geluidniveau niet boven het ter plaatse heersende ref erentieniveau komt. 4. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manif estaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

38

manifestaties of het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012, of de Provinciale milieuverordening NoordBrabant.

Afdeling 3 Maatregelen tegen ontsiering APV 2016 Artikel 4:7 Omgevingsvergunning voor handelsreclame 1.Het is verboden, zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrif t, aankondiging of af beelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een openbare plaats. 2. In af wijking van het bepaalde in artikel 2:3 is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

APV 2016 negende wijziging Artikel 4:7 Omgevingsvergunning voor handelsreclame 4. Het bepaalde in lid 1 en 2 geldt niet voor zover omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 Omgevingswet benodigd is. De verboden in het eerste en tweede lid gelden evenmin voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Toelichting Lid 4 wijziging “artikel 5.1 Omgevingswet”. Verbod Provinciale landschapsverordening verwijderen (deze verordening is ingetrokken in 2013). Vervangen door “Omgevingsverordening Noord-Brabant”.

a. op de weg constructies, borden of andere voorwerpen, bestemd of gebruikt tot handelsreclame, aan te brengen of te hebben; b. de weg op enigerlei andere wijze tot handelsreclame te gebruiken of toe te laten dat deze tot handelsreclame gebruikt wordt. 3. Een vergunning bedoeld in het eerste en tweede lid kan worden geweigerd: a. indien de reclame, hetzij op zichzelf , hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

39

b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van ernstige hinder voor de omgeving; 4. Het bepaalde in lid 1 en 2 geldt niet voor zover omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub a en f, dan wel art. 2.2 lid 1, sub b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht benodigd is. De verboden in het eerste en tweede lid gelden evenmin voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale landschapsverordening.

Afdeling 4 Kamperen buiten kampeerterreinen APV 2016 Artikel 4:8 Begripsbepaling In deze af deling wordt onder kampeermiddel verstaan: een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan, schuilmiddel dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf .

APV 2016 negende wijziging Artikel 4:8 Begripsbepaling In deze af deling wordt onder kampeermiddel verstaan: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is, dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf .

Toelichting De verwijzing naar een bouwvergunning klopt niet meer. In de Modelverordening VNG voor wijziging als gevolg van de Omgevingswet staat de volgende def initie: “een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf”.

Artikel 4:9 Kampeermiddelen buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Het in lid 1 genoemde verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik voor korte perioden door de rechthebbende op diens eigen

Artikel 4:9 Kampeermiddelen buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is aangeduid.

Tekstuele aanpassing “bestemmingsplan” wordt “omgevingsplan” conf orm de modelAPV Omgevingswet van Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

40

terrein. Het verbod geldt ook niet voor het plaatsen van schuilmiddelen ten behoeve van het nachtvissen, zonder enkele eisen, op de aangewezen en bestemde plekken van de viswateren met verhuurd visrecht aan een hengelsportvereniging. 3. Het college kan onthef f ing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de onthef f ing worden geweigerd in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of andere goederen; c. de zedelijkheid of gezondheid; d. de bescherming van natuur en landschap; e. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente.

Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling 1 Parkeerexcessen APV 2016 Artikel 5:1 Begripsbepalingen

APV 2016 negende wijziging Artikel 5:1 Begripsbepalingen

In deze af deling wordt verstaan onder:

In deze af deling wordt verstaan onder: 1. deelvoertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990 die al op een openbare plaats ter beschikking worden gesteld om, als dan niet

1. voertuigen: gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens, met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

Toelichting Het artikel is gerangschikt in alf abetische volgorde. Lid 3: parkeren, is verwijderd, omdat de def initie al in artikel 1:1 onder 14 is opgenomen. Lid 4 voertuigen, is verwijderd, omdat de def initie al in artikel 1:1 onder 17 is opgenomen. ➢

41

2. parkeren: het doen of laten staan van voertuigen, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

3. deelvoertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990 die al op een openbare plaats ter beschikking worden gesteld om, als dan niet tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden, herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruikt te worden op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke en rechtspersonen en/of een of meerdere aanbieder(s).

tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden, herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruikt te worden op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke en rechtspersonen en/of een of meerdere aanbieder(s).

2. deelvoertuigenplaf ond: het maximum aantal deelvoertuigen va een bepaalde categorie voertuigen waarvoor vergunning(en) kan worden verleend.

4. deelvoertuigenplaf ond: het maximum aantal deelvoertuigen va een bepaalde categorie voertuigen waarvoor vergunning(en) kan worden verleend. Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

Artikel 5:2 Bedrijfsmatig parkeren en stallen van voertuigen 1. Het is degene die er zijn bedrijf , nevenbedrijf dan wel binnen zijn bedrijfsvoering een gewoonte van maakt voertuigen te parkeren, te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren, zijn toevertrouwd of die in de reguliere bedrijfsvoering plegen te worden ingezet op de weg te parkeren en/of stallen binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken;

➢ ➢ ➢

Toevoeging zinsdelen “binnen zijn bedrijf svoering” en “parkeren” in lid 1. Tekstuele aanpassing in titel Toevoeging van “deelvoertuigen” lid 3 sub c.

42

2. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 3. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

3. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon; c. deelvoertuigen.

4. Het college kan onthef f ing van het verbod verlenen. Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan onthef f ing van het verbod verlenen.

3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

1.

2.

Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of

2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of het Besluit activiteiten leef omgeving.

➢

Toevoeging van lid 3.

➢

In lid 2 is zinsdeel “zoals die wet luidde direct vooraf gaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet” toegevoegd conf orm de model-APV Omgevingswet van Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

43

krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leef omgeving. Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.

langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;

b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan onthef f ing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening.

Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden met een voertuig, uitgezonderd de f iets tenzij anders aangegeven, te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2. Dit verbod is niet van toepassing: a. op de weg; b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;

Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.

➢ ➢

Toevoeging van lid 1 sub b. Lid 3 aangepast conf orm de Omgevingswet.

➢

Op grond van de huidige bepaling in artikel 5:10 lid 1 is het niet toegestaan om met een f iets in een park te rijden dan wel te doen laten staan. Dat is natuurlijk niet de bedoeling. In veel parken is een f iets wél toegestaan en accepteer je ook dat er een f iets bij een speeltoestel of bankje stil staat. Daarom wordt aan lid 1 een uitzondering voor de f iets toegevoegd.

langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;

b. meer dan vijf cumulatieve dagen per maand op de weg te plaatsen of te hebben; c.

op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan onthef f ing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3. Het in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarover regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden met een voertuig, uitgezonderd de f iets tenzij anders aangegeven, te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

44

c.

3.

op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. Het college kan van het verbod onthef f ing verlenen.

Afdeling 4 Standplaatsen APV 2016 Artikel 5:14 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.Het college kan de vergunning weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van een vergunning voor het hebben van een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. 4.

Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor standplaatsen die worden ingenomen ten behoeve van het voeren van politieke campagne gedurende een

APV 2016 negende wijziging Artikel 5:14 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.Het college kan de vergunning weigeren wegens strijd met het omgevingsplan en de gronden genoemd in artikel 1:8. 3. De vergunning kan ook door het college worden geweigerd: a. indien de standplaats hetzij op zichzelf , hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van een vergunning voor het hebben van een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. 5. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet of het Provinciaal wegenreglement. 8. Bij het stellen van nadere regels kan het college bepalen dat vergunningen worden verleend met toepassing van een van de volgende procedures:

Toelichting Tekstuele aanpassing in lid 2: “Bestemmingsplan” wordt aangepast naar “Omgevingsplan” conf orm de Omgevingswet. Lid 8 wordt toegevoegd. De aanleiding is een lopende zaak bij de Raad van State. Tijdens de zitting lieten de staatsraden doorschemeren dat er voor een veiling door het college een wettelijke grondslag nodig is van tenminste de gemeenteraad (of zelf s landelijke wetgeving). In dit geval ging het om standplaatsen tijdens carnaval die telkens voor 3 jaar worden verdeeld door een veiling. De toevoeging is bedoeld om te anticiperen op de uitspraak voor de komende periode van vergunningen tijdens carnaval (2026-2028).

45

periode van twee weken vooraf gaande aan enige verkiezing als bedoeld in de Kieswet, dit echter uitsluitend voor wat betref t de door het college aan te wijzen plaatsen en tijden. 5. Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen.

a.

op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, b. door middel van een vergelijkende toets. c. door middel van een loting. d. door middel van een veiling.

6. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. 7. De weigeringsgrond in het derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.

Afdeling 5 Openbaar water APV 2016 Artikel 5:16 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

APV 2016 negende wijziging Artikel 5:16 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 4. De verboden zijn niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Toelichting Aanpassing van lid 4 conf orm de model-APV Omgevingswet van Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

46

2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren 2016 (AVOI 2016). Artikel 5:17 Ligplaats voor woonboten en andere vaartuigen geen woonboten zijnde 1. Het is verboden op of aan het openbaar water een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats beschikbaar te stellen voor een: a. vaartuig, niet zijnde een woonboot, buiten de daarvoor door het college aangewezen gedeelten; b. woonboten buiten de in het ter plaatse vigerende bestemmingsplan daarvoor bestemde locaties en zonder vergunning van het college. 2. Het college is bevoegd nadere regels vast te stellen ten aanzien van de volgende onderwerpen:

Artikel 5:17 Ligplaats voor woonboten en andere vaartuigen

Titel aangepast ➢

1.Het is verboden op of aan het openbaar water een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats beschikbaar te stellen voor een: a. vaartuig, niet zijnde een woonboot, buiten de daarvoor door het college aangewezen gedeelten;

➢

➢

Lid 1 sub b “bestemmingsplan” wordt “omgevingsplan” Aanpassing van lid 4 conf orm model-APV Omgevingswet van Vereniging van Nederlandse Gemeenten. “bestemmingsplan” wordt “omgevingsplan”.

b. woonboten buiten de in het ter plaatse vigerende omgevingsplan daarvoor bestemde locaties en zonder vergunning van het college. 4. Het verbod is niet van toepassing op

47

a. het innemen, hebben, beschikbaar stellen, het gebruiken of het inrichten van een ligplaats; b. het stellen van beperkingen naar soort en aantal vaartuigen en de gebruikstijden van de ligplaatsen. 3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 is het verboden een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats beschikbaar te stellen in strijd met de door het college vastgestelde nadere regels.

beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of het Binnenvaartpolitiereglement

4. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement van politie voor rivieren en rijkskanalen, het Provinciaal reglement NoordBrabant van toepassing is. Artikel 5:20 Beschadigen van waterstaatswerken

Artikel 5:20 Beschadigen van waterstaatswerken

1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregeld onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Omgevingsverordening Noord-Brabant of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

Aanpassing van lid 2 conf orm model-APV Omgevingswet van Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregeld onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Brabant. Artikel 5:22 Veiligheid op het water 1.

Het is aan eenieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt,

Artikel 5:22 Veiligheid op het water 2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het

Aanpassing van lid 2 conf orm model-APV Omgevingswet van Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

48

verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2.

Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Brabant.

Binnenvaartpolitiereglement, de Omgevingsverordening Noord-Brabant of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

Afdeling 6 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden APV 2016 Artikel 5:25 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromf iets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proef rit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromf iets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

APV 2016 negende wijziging Artikel 5:22 Veiligheid op het water 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet, af deling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Toelichting Wijziging in lid 4 op grond van de model APV VNG Omgevingswet.

2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is en kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

49

c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet Algemene bepalingen omgevingsbeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel 5:26 Beperking verkeer in natuurgebieden

Artikel 5:26 Beperking verkeer in natuurgebieden

1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromf iets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een f iets of een paard.

1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromf iets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een f iets of een paard.

2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: a. In het belang van het voorkoen van overlast; b. In het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. In het belang van de veiligheid van het publiek. d. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromf ietsen en voor f ietsers of berijders van paarden:

In lid 1 zijn de woorden “parken” en “plantsoenen” verwijderd. In lid 4 is de Provinciale verordening aangepast naar Omgevingsverordening Noord-Brabant.

4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; b. binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Noord-Brabant "Stiltegebieden" aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als "toestel".

50

a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrif t moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; b. binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening "Stiltegebieden" aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als "toestel". 5. Het college kan onthef f ing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

51

Afdeling 7 Verbod vuur te stoken APV 2016

APV 2016 negende wijziging

Artikel 5:27 Verbod afvalstoffen te verbranden

Artikel 5:27 Verbod afvalstoffen te verbranden

buiten inrichtingen of anderszins vuur te

1.

Het is verboden in de openlucht af valstof f en te

stoken

verbranden buiten inrichtingen in de zin van de

1. Het is verboden in de openlucht af valstof f en te

Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct

verbranden buiten inrichtingen in de zin van de

voorafgaand aan de inwerkingtreding van

Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te

de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te

leggen, te stoken of te hebben.

leggen, te stoken of te hebben.

2.

Het verbod geldt niet voor zover het

betref t:

➢

➢

Toelichting Aanpassing van lid 1 conf orm model-Model Omgevingswet van Vereniging van Nederlandse Gemeenten In lid 5 wordt de Provinciale verordening vervangen door “de Omgevingsverordening Noord-Brabant”.

9. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door

a. verlichting door middel van kaarsen, f akkels en dergelijke; b. sf eervuren zoals terrashaarden en

artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Straf recht of de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

vuurkorven, indien geen af valstof f en worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan van dit verbod onthef f ing verlenen. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de onthef f ing worden geweigerd ter bescherming van de f lora en f auna. 5. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van

52

Straf recht of de Provinciale milieuverordening Noord Brabant.

Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen APV 2016 Artikel 6:2 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de ambtenaren aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Straf vordering; de medewerkers van de af deling Stadstoezicht die zijn belast met toezicht en handhaving openbare ruimte, waaronder begrepen de medewerker bestuursrechtelijke handhaving; de toezichthouders WABO; de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

APV 2016 negende wijziging Artikel 6:2 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de ambtenaren aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Straf vordering; de medewerkers van de af deling Stadstoezicht die zijn belast met toezicht en handhaving openbare ruimte, waaronder begrepen de medewerker bestuursrechtelijke handhaving; de toezichthouders Omgevingswet; de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

➢

Toelichting “WABO” is in overeenstemming met de omgevingswet aangepast naar “Omgevingswet”.

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15706324/2