Bijlage 1 Vaststelling-wijziging omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Vergroening Dijklint Orthen’ (motivering (inclusief verslag omgevingsdialoog) en regels)
Tekst van het document
5.4
Kwaliteit van de buitenlucht (paragraaf 5.1.4.1 Bkl)
5.4.1 Algemeen Een goede luchtkwaliteit draagt bij aan een gezond woon- en leefklimaat en hoort daarom bij de afweging of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). In de Omgevingswet zijn regels opgenomen om mensen en het milieu te beschermen tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Deze regels vloeien onder meer voort uit de Europese Luchtkwaliteitsrichtlijn (Richtlijn 2008/50/EG). Zo gelden bijvoorbeeld rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit voor NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof). In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 5.4.2
32
Beschrijving van het initiatief in relatie tot luchtkwaliteit
Uit de cijfers van de Atlas Leefomgeving - de landelijke site voor de actuele luchtkwaliteit in Nederland - blijkt dat de luchtkwaliteit in de planlocatie onder de geldende grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 (stikstofdioxide, fijnstof en de kleinere fractie aan fijnstof) ligt. De huidige concentratie (jaargemiddeld 2023) van NO2 ligt met circa 13 microgram/m3 onder de helft van de geldende grenswaarde van 40 microgram/m3. Voor PM10 ligt deze met circa 16 microgram/m3 eveneens onder de helft van de geldende grenswaarde van 40 microgram/m3. Voor de fijnstofconcentraties PM2,5 betreft de optredende waarde hier circa 9 microgram/m3, waarbij deze eveneens ruim onder de geldende grenswaarde van 25 microgram/m3 ligt. De kwaliteit van de lucht is hier goed te noemen. 5.4.3 Toetsing van het initiatief aan kaders en beleid De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over:
Beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; Ammoniakemissies van veehouderijen; De mogelijkheid van geologische opslag van CO2.
Voor luchtkwaliteit geldt dat de toetsing aan de omgevingswaarden wordt beperkt tot activiteiten met gevolgen voor een gering aantal in dit besluit vastgelegde aandachtsgebieden waar dit gelet op de achtergrondconcentraties nodig is en specifieke gevallen waaronder de vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Ook moet toetsing aan de omgevingswaarde plaatsvinden wanneer activiteiten buiten de aandachtsgebieden nadelige gevolgen hebben voor de concentraties van fijnstof en stikstofdioxide binnen een aandachtsgebied. Via monitoring wordt in het hele land de vinger aan de pols gehouden. Ook zijn de mogelijkheden om onderzoeksgegevens te hergebruiken verruimd. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft geen aangewezen aandachtsgebieden binnen haar gemeentegrens of direct aangrenzende gemeenten. Doorwerking plangebied: Het TAM-omgevingsplan voorziet in een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen). Dit betekent dat de woonfunctie, en daarmee de bijbehorende verkeersbewegingen en emissies, komt te vervallen. De functie 'Natuur' zorgt voor een extensief gebruik van het gebied, waardoor de luchtkwaliteit niet negatief wordt beïnvloed.
De toevoeging van enkele parkeerplaatsen leidt slechts tot een zeer beperkte toename van verkeer, die verwaarloosbaar is in verhouding tot de daling van verkeersbewegingen door het vervallen van de woonfunctie. Er is daarom geen sprake van overschrijding van de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Voor dit project geldt verder dat het - vanwege een afname aan verkeer als gevolg van het nieuwe gebruik 'Niet In Betekenende Mate' (NIBM) bijdraagt aan een verbetering van de luchtkwaliteit. Kleinere projecten die een niet significante bijdrage leveren aan een eventuele verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven namelijk formeel niet getoetst te worden aan de luchtkwaliteitseisen. Het omslagpunt wanneer een project nog 'gering' is ligt bij circa 1300 extra voertuigbewegingen per etmaal (inclusief 4% aandeel vrachtverkeer). Deze extra aantallen in motorvoertuigen gaan met de (tijdelijke) wijziging nimmer gehaald worden. Daarom valt onderhavig project binnen het gestelde van NIBM. Een luchtkwaliteitsonderzoek is daarom niet aan de orde. De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het project. Geconcludeerd wordt dat het TAM-omgevingsplan geen belemmeringen kent ten aanzien van de luchtkwaliteit en in overeenstemming is met de instructieregels van paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl.
33
5.4.4 Conclusie Het plan voorziet in een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen). Dit betekent dat de woonfunctie, en daarmee de bijbehorende verkeersbewegingen en emissies, komt te vervallen. De functie 'Natuur' zorgt voor een extensief gebruik van het gebied, waardoor de luchtkwaliteit positief wordt beïnvloed. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
5.5
Geluid (paragraaf 5.1.4.2 en paragraaf 5.1.4.2a Bkl)
5.5.1 Algemeen Mensen ervaren in hun fysieke leefomgeving vele geluiden. Dat kan omgevingseigen geluid zijn zoals het ruisen van de wind in de bomen. Ook kan het gaan om bewust geproduceerd geluid zoals muziek. Andere geluiden zijn functioneel zoals stemgeluid of geluiden bij een film. Daarnaast is veelal geluid waarneembaar afkomstig van activiteiten zoals verkeer, industrie, evenementen, laden en lossen en bouwen. Geluid heeft invloed op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, waaronder het woon- en leefklimaat van mensen en hun gezondheid. Daarom zijn op Europees, landelijk en lokaal niveau regels ingevoerd om mensen te beschermen tegen blootstelling aan onaanvaardbare geluidsniveaus. Op Europees niveau geldt onder meer de Richtlijn Omgevingslawaai. Op landelijk niveau zijn deze regels opgenomen in de Omgevingswet en bijbehorende wet- en regelgeving, waaronder het Bkl. De Richtlijn Omgevingslawaai is daarin verwerkt. Op lokaal niveau gelden, aanvullend daarop, de regels uit het omgevingsplan, waaronder de voormalige rijksregels uit de Bruidsschat en het gemeentelijke geluidbeleid, bestaande uit de Nota gebiedsgericht geluidbeleid en de uitwerkingen daarvan. In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect geluid.
5.5.2 Beschrijving van het initiatief in relatie tot geluid Het plangebied ligt op circa 50 meter afstand van het spoor, waardoor het geluid van spoorverkeer aanwezig is. Ook ligt het plangebied op korte afstand van de gemeentelijke weg Orthen.
34
Afbeelding 5.2 Indicatie geluidcontouren van Orthen 174 - 188 5.5.3
Toetsing van het initiatief aan kaders en beleid
5.5.3.1 Geluid door activiteiten De regels over geluid door activiteiten zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl. De regels zien op: Het toelaten van een geluidveroorzakende activiteit op een locatie; Het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in de nabijheid van een activiteit. Het gaat daarbij om geluid afkomstig van alle denkbare geluidveroorzakende activiteiten op een locatie, dus niet alleen bedrijfsmatige activiteiten. In artikel 5.59 van het Bkl zijn de hoofdregels voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het aspect geluid opgenomen. Het gaat kort gezegd om 1) het aanvaardbaar zijn van het geluid door een individuele activiteit op een geluidgevoelig gebouw en 2) rekening houden met het geluid door activiteiten op een geluidgevoelig gebouw (cumulatie).
Aanvaardbaarheid – Geluid door een (individuele) activiteit Eén van de hoofdregels voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van geluid is dat het geluid door een (individuele) activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar moet zijn. Dit volgt uit artikel 5.59, tweede lid, van het Bkl. Er moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau bij geluidgevoelige gebouwen. De aanvaardbaarheid is daarbij afhankelijk van de specifieke plaatselijke situatie. Doorwerking plangebied Het gebruik van de parkeerplaatsen in het plangebied levert slechts een beperkte, niet significante verkeersgeluidsbelasting op, maar vormt geen significante geluidveroorzakende activiteit zoals bedoeld in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Omdat er geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen worden gerealiseerd, is er 35
significante verkeersgeneratie zal zijn wordt een overschrijding van aanvaardbare geluidsniveaus niet verwacht. Overigens zal het aanwezige verkeerslawaai van de weg Orthen alsook van het nabije spoor maatgevend en overheersend zijn ten opzichte van het weinige geluid van de extra parkeerplaatsen. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van het TAM-omgevingsplan.
5.5.3.2 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl bevat regels ter bescherming van geluidgevoelige gebouwen binnen geluidaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met een geluidproductieplafond. Deze regels zijn bedoeld om gezondheidsrisico's door geluid te beperken en moeten bij ruimtelijke ontwikkelingen worden meegenomen. Doorwerking plangebied De regels zijn niet van toepassing op dit gebied, omdat er geen geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn. De functies 'Natuur' en 'Verkeer' vallen buiten de formele toetsing aan geluidsnormen. Er is geen sprake van relevante geluidshinder vanuit omliggende functies. Geluid vormt geen belemmering voor dit plan. 5.5.4 Conclusie Er is in het plangebied geen sprake van (nieuwe) geluidsgevoelige objecten in de zin van het Bkl. Het TAM-omgevingsplan voorziet in een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen). Dit betekent dat de woonfunctie, en daarmee het toestaan van geluidgevoelige gebouwen, komt te vervallen. Met het TAM-omgevingsplan worden eventuele toekomstige extra verkeersbewegingen voorkomen. Het aspect geluid neemt naar verwachting met de voorgenomen wijziging af en vormt daarmee geen belemmering voor het TAM-omgevingsplan.
Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
5.6
Trillingen (afdeling 5.1.4.4 Bkl)
5.6.1 Algemeen Trillingen ontstaan doordat een bepaalde bron een kracht uitoefent op de constructie van een gebouw of op de bodem. Net als bij geluid kunnen trillingen beschreven worden in de trits “bron – overdracht – ontvanger”. De overdracht van trillingen vindt echter niet plaats via de lucht, maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden). De trilling plant zich voort in de bodem of de constructie en kan, hoewel de sterkte in het algemeen afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, elders hinder of zelfs schade opleveren. Trillingen kunnen daarom een nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect trillingen. 5.6.2 Beschrijving van het initiatief in relatie tot trillingen Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. Een deel van de planlocatie ligt binnen een afstand van 100 meter. Er bevinden zich geen zware industrie of andere relevante activiteiten die significante trillingen kunnen veroorzaken. 5.6.3 Toetsing van het initiatief aan kaders en beleid In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen voor trillingen. Er worden geen trillinggevoelige gebouwen in de planlocatie mogelijk gemaakt.
Ook worden er geen trillingsbronnen toegevoegd. Hierom is het aspect trillingen hier niet relevant te noemen. Het levert geen belemmering op voor onderhavig plan. 5.6.4 36
Conclusie
Het TAM-omgevingsplan voorziet uitsluitend in een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen). Hiermee vervalt de woonfunctie en zijn er geen effecten op het gebied van trillingen aan de orde of zijn er nog trillinggevoelige gebouwen in de planlocatie. Het aspect trillingen vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het TAM-omgevingsplan. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
5.7
Slagschaduw van windturbines (afdeling 5.1.4.4a Bkl)
5.7.1 Algemeen De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan op bepaalde plaatsen en onder bepaalde omstandigheden een hinderlijk schaduweffect, dat wil zeggen wisseling van lichtsterkte, veroorzaken. Dit kan bijvoorbeeld hinderlijk zijn als de schaduw over ramen valt en zich bijvoorbeeld een werkplek beweegt waar wordt gestudeerd of gelezen. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de frequentie van het passeren (rotortoerental), door de blootstellingsduur en door de intensiteit van de wisselingen in lichtsterkte. In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect slagschaduw van windturbines. 5.7.2 Beschrijving van het initiatief in relatie tot slagschaduw De planlocatie ligt op een afstand van circa 1.050 meter van een bestaande windturbine. Daarnaast liggen er op circa 1.200, 1.400, 1.750 en 1.800 meter locaties voor vergunde windturbines. Tevens grenst de planlocatie aan een gebied die is aangewezen als zone om windturbines te plaatsen.
Afbeelding 5.3 Plaats van windturbine
37
5.7.3 Toetsing van het initiatief aan kader en beleid In paragraaf 5.1.4.4a van het Bkl zijn instructieregels opgenomen voor slagschaduw van windturbines. Artikel 5.89c van het Bkl regelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat de slagschaduw door een windturbine in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. In de planlocatie zijn geen verblijfsruimten of (slagschaduwgevoelige) gebouwen. Een formele toets aan de normen voor slagschaduw is daarmee niet aan de orde. 5.7.4 Conclusie Het TAM-omgevingsplan voorziet in een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen). Dit betekent dat de woonfunctie, en daarmee het toestaan van slagschaduwgevoelige gebouwen, komt te vervallen. Het aspect slagschaduw van windturbines vormt dus geen belemmering voor het TAM-omgevingsplan. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
5.8
Bodem en ondergrond (afdeling 5.1.4.5 Bkl)
5.8.1 Algemeen Bij een initiatief is het de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van een aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect bodem en ondergrond. 5.8.2 Beschrijving van het initiatief in relatie tot bodem en ondergrond Uit verkennend bodemonderzoek op Orthen 174 t/m 188 te 's-Hertogenbosch in juni 2018, verkennend bodemonderzoek Orthen 178 te ‘s-Hertogenbosch in augustus 2018; nader bodemonderzoek Orthen 188 te ‘s-Hertogenbosch in januari 2018 en nader bodemonderzoek Orthen 178 te ‘s-Hertogenbosch in augustus 2018 - allen uitgevoerd door Van Vleuten Consult bv - blijkt dat in alle gevallen sprake is van lichte verontreinigingen in de bovengrond. Op Orthen 174 is de zwak puinhoudende bovengrond licht verontreinigd met cadmium en zink. Het aanwezige puin is asbestverdacht, hoewel het gemeten asbestgehalte onder de grenswaarde voor nader onderzoek ligt.
Hierdoor wordt de hypothese “onverdacht” formeel verworpen, maar is aanvullend onderzoek volgens de Wet bodembescherming niet noodzakelijk. Op Orthen 176 zijn geen zintuiglijke bijmengingen aangetroffen in de bovengrond. Toch blijkt uit analyse van mengmonster MB1 dat er lichte verontreiniging is met zink en PCB's. Ook hier wordt de hypothese “onverdacht” verworpen, zonder dat dit aanleiding geeft tot verder onderzoek. Op Orthen 178 blijkt uit de resultaten dat de bovengrond met resten puin en slakken (03.1) analytisch sterk verontreinigd is met barium, koper, lood, nikkel en zink, matig verontreinigd met PAK en licht verontreinigd met cadmium, kobalt, kwik, molybdeen, PCB en minerale olie. De sterk puinhoudende ondergrond (01.3) analytisch sterk verontreinigd is met lood en zink en licht verontreinigd met cadmium, kobalt, koper, kwik, nikkel, PAK en PCB. In de zintuiglijk schone bovengrond (MB1) zijn voor geen van de geanalyseerde parameters verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden aangetoond. Op basis van de analyseresultaten kan de aangetroffen verontreiniging worden toegeschreven aan de aangetoonde bodemvreemde bijmengingen. Het aanvullende bodemonderzoek wordt verderop beschreven. 38
Voor Orthen 184 geldt dat de matig puinhoudende bovengrond licht verontreinigd is met kwik, lood en zink. Het puin is asbestverdacht, maar het asbestgehalte blijft onder de grenswaarde. Mengmonster MB1 toont eveneens lichte verontreiniging met zink en PCB's. De hypothese “onverdacht” wordt verworpen op basis van de verhoogde achtergrondwaarden, maar aanvullend onderzoek is niet vereist. Op Orthen 186 zijn in de achtertuin geen bijmengingen aangetroffen, maar mengmonster MB1 toont lichte verontreiniging met zink en PCB's. Daarnaast is rondom de werkplaats sprake van plaatselijke lichte verontreiniging met minerale olie. Hierdoor wordt de hypothese “onverdacht” verworpen en de hypothese “verdacht” aangenomen voor het werkplaatsgebied. Ook hier geldt dat de Wet bodembescherming geen aanleiding geeft tot nader onderzoek. Tot slot is op Orthen 188 in de achtertuin geen zintuiglijke bijmenging aangetroffen, maar mengmonster MB1 is licht verontreinigd met zink en PCB's. De ondergrond blijkt licht verontreinigd met cadmium, koper, lood, zink en PCB's. Bij boring 100 is een sterke puinbijmenging aangetroffen, waarbij het monster sterk verontreinigd is met koper en zink, en licht met cadmium, kwik, lood, PAK, PCB's en minerale olie. Het puin is asbestverdacht, maar het asbestgehalte blijft onder de grenswaarde. De grond bij boring 100 wordt daarom als asbestverdacht beschouwd.
Ook hier is geen aanvullend onderzoek vereist volgens de Wet bodembescherming.
Resultaten nader bodemonderzoek Orthen 178 Tijdens het bodemonderzoek zijn bijmengingen van puin en kolengruis aangetroffen, vermoedelijk afkomstig van een historische ophooglaag. Er zijn twee afzonderlijke verontreinigingen vastgesteld: één in de bovengrond met zware metalen en PAK tot 1 meter diepte, en één in de ondergrond met lood en zink tussen 0,75 en 1,25 meter. Beide verontreinigingen beslaan circa 15 m³ grond. Door bebouwing kon niet overal de verontreiniging volledig worden afgeperkt. Er lijkt geen sprake van ernstige bodemverontreiniging; de verontreinigingen maken waarschijnlijk deel uit van een heterogene, puinhoudende ophooglaag.
Orthen 186b (voorheen Orthen 188) Tijdens het bodemonderzoek werd in géén van de ingezette grondmonsters een sterk verhoogd gehalte aan koper en/of zink gemeten. De sterk verhoogde gehaltes aan koper en zink zijn middels het nader bodemonderzoek zowel horizontaal als verticaal ingekaderd en afgeperkt. De verontreiniging bevindt zich in de bodemlaag van 0,25-0,6 m-mv en heeft omvang van de verontreiniging <25 m³. Derhalve is er géén sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. De sterke verontreiniging met koper en zink is door middel van het uitgevoerde nader bodemonderzoek voldoende afgeperkt en ingekaderd.
5.8.3 Toetsing van het initiatief aan kaders en beleid Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl). Bij plannen en ontwikkelingen is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige functie. 39
Doorwerking plangebied Er is zink en lood verontreiniging in de grond, met name bij Orthen 178. Zolang er geen directe contactmogelijkheden zijn met aangetroffen zink en lood verontreiniging (met kinderen), zijn er geen belemmeringen voor de functie groen. Tevens zal met het initiatief niet worden geroerd in de grond. Het aspect bodem geeft geen belemmering voor de functie natuur en verkeer. De bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging levert geen onaanvaardbaar risico voor de gebruikers van de bodem.
5.8.4 Conclusie De huidige bodemsituatie is bij de gemeente bekend. Er is zink en lood verontreiniging in de grond, met name bij Orthen 178. De kwaliteit van de grond past bij de functie natuur en verkeer. Daarbij neemt de gevoeligheid van de functie af. Tevens zal met het initiatief niet worden geroerd in de grond. Het aspect bodem geeft geen belemmering voor de nieuwe functies natuur en verkeer. Het aspect bodem vormt dus geen belemmering voor het TAM-omgevingsplan.
5.9
Geur (afdeling 5.1.4.6 Bkl)
5.9.1 Algemeen De meest geurstoffen zijn al te ruiken bij lage hoeveelheden. Veel geurstoffen zijn op zichzelf niet schadelijk voor de gezondheid. Wel kunnen geuren nadelige effecten tot gevolg hebben, zoals hinder. In het algemeen wordt geurhinder veroorzaakt door onder meer de volgende bronnen: activiteiten van bedrijven, bijvoorbeeld industrie, horeca of agrarische activiteiten; weg-, vlieg- en waterverkeer; overige activiteiten, bijvoorbeeld riool of bodemsanering. Uit artikel 5.92 van het Bkl volgt dat bij een initiatief rekening moet worden gehouden met de geur door activiteiten. Ook moet erin worden voorzien dat de geur door een activiteit aanvaardbaar is. In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect geur. 5.9.2 Beschrijving van het initiatief in relatie tot geur In het plangebied worden geen nieuwe geurgevoelige gebouwen of objecten mogelijk gemaakt. 5.9.3 Toetsing van het initiatief aan kaders en beleid Omdat het TAM-omgevingsplan gericht is op een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen) is er geen sprake van wijziging ten aanzien van het aspect geur. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
40
5.9.4 Conclusie Er is er geen sprake van wijziging ten aanzien van het aspect geur. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
5.10 Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (afdeling 5.1.5. Bkl) 5.10.1 Algemeen Landschappelijke, stedenbouwkundige en ook cultuurhistorische waarden zijn van groot belang voor de kwaliteit van de leefomgeving. Het maakt dat een gebied als aangenaam om te wonen, werken of recreëren wordt beoordeeld. Daarnaast is het van groot belang om unieke waarden te beschermen die bijdragen aan de identiteit en kwaliteit van een gebied of locatie. Beschermen wil niet zeggen dat er geen ontwikkelingen plaats mogen vinden. Aanwezige waarden moeten gerespecteerd worden en kunnen gebruikt worden als inspiratie bij ontwikkelingen. In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met de aspecten archeologie & cultuurhistorie, landschappelijke kwaliteit en stedenbouwkundige en ruimtelijke kwaliteit. 5.10.2 Toetsing initiatief aan kaders en beleid 5.10.2.1 Archeologie & cultuurhistorie De essentie van het Europese beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
De gemeente moet bij het vaststellen van een wijziging van het omgevingsplan of een Bopa rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. In het Bkl (artikel 5.130 Bkl) zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd. Deze beginselen richten zich op de omvang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat aan de orde is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij het initiatief/in het plan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland.
Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In de Archeologische beleidsnota uit 2008 heeft de gemeente 's-Hertogenbosch uitgewerkt hoe de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeentegrenzen planologisch worden beschermd. Tevens is erin aangegeven welke vrijstellingsgrenzen er worden gehanteerd voor de verschillende archeologische eenheden en hoe de gemeente omgaat met de beoordeling van archeologische onderzoeksrapporten. Tot slot wordt een voorzet gegeven voor het aanwijzen van gemeentelijke archeologische monumenten. Als vervolg hierop zijn in 2022 15 nieuwe gemeentelijke archeologische monumentterreinen, in zowel de binnenstad als het buitengebied aangewezen. Momenteel wordt gewerkt aan actualisatie van de Archeologische beleidsnota. 41
De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. Doorwerking plangebied In het plangebied vinden geen significante graafwerkzaamheden of bouwactiviteiten plaats, waardoor archeologische waarden en cultuurhistorisch erfgoed niet worden aangetast. Er is geen sprake van verplaatsing of verstoring van monumenten, stads- en dorpsgezichten, of beschermde cultuurlandschappen. Het plan respecteert daarmee de uitgangspunten van de Erfgoedwet, het Bkl (artikel 5.130) en het gemeentelijke archeologiebeleid van 's-Hertogenbosch, inclusief de actuele archeologische beleidskaart en verwachtingszones.
Nader archeologisch onderzoek is in het kader van dit plan niet noodzakelijk.
5.10.2.2 Landschappelijke kwaliteit Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen. Als gemeente 's-Hertogenbosch hebben we ons beleid rondom het beschermen van landschappelijke waarden in diverse beleidsdocumenten verankerd. Het beleid gericht op het beschermen van cultuurhistorische- en archeologische waarden maakt hier onderdeel vanuit (zie voorgaande deelparagraaf 'Archeologie & cultuurhistorie'). Daarnaast betreft het beleid rondom het beschermen van groene- en blauwe waarden. Het beschermen van de ecologische waarden komt in paragraaf 5.14 aan de orde.
5.10.2.2.1 Toetsing aan Bomenbeleidsplan & Verordening Bodem, water en groen Gericht op de bescherming van de groenwaarden heeft de gemeente 's-Hertogenbosch het Bomenbeleidsplan en de Verordening Bomen, water, groen opgesteld. Hierin is o.a. verankerd dat bij ontwikkelingen zoveel mogelijk bomen en groen behouden, verplant/herplant en gecompenseerd worden. Afspraken over velling, herplant en compensatie wordt bij het plan vastgelegd zodat hierbij aangesloten kan worden bij de uiteindelijke vergunningprocedure. Het kan zowel om behoud als om ontwikkeling van nieuw groen gaan. In de Verordening bomen, water en groen is aangegeven welke houtopstanden als waardevol zijn aangewezen. Ook is in deze verordening opgenomen dat bij een verhardingstoename van meer dan 500 m2 een bepaald percentage groen gerealiseerd dient te worden. Het te realiseren percentage is afhankelijk van het gebiedstype waarin de ontwikkeling/het plan gelegen is. Verschillende typen groen worden anders gewogen. Er is een scoresysteem ontwikkeld om te beoordelen of aan de norm wordt voldaan. Naast een kwantitatieve groennorm, moet bij een verhardingtoename van meer dan 500m2 ook voldaan worden aan de kwalitatieve biodiversiteitsscore. Er is een puntensysteem waarbij tot 13 punten gehaald kunnen worden. Bij een nieuwe ontwikkeling ligt het minimumvereiste op 8 punten.
Bij de ontwikkeling moeten bomen direct in beeld zijn. Hiervoor wordt een bomeninventarisatie uitgevoerd. Hierbij worden alle bomen in beeld gebracht en op waarde beoordeeld. De inventarisatie wordt gebruikt bij het ontwerpproces. De gemeente toetst hierbij de wijze waarop rekening wordt gehouden met de bomen. De inventarisatie bestaat minimaal uit: 42
digitaal ingemeten tekening; boomsoorten; stamomvang op 1,30 meter boven maaiveld;
kroonomvang; vitaliteit en levensverwachting van de boom. Hieruit blijkt welke bomen waardevol en te behouden zijn. Deze bomeninventarisatie komt terug in het ontwerp waardoor te zien is welk effect het plan op het bestaande groen heeft. De bomendeskundige gebruikt de bomeninventarisatie vervolgens als basis om eisen te stellen aan inpassing en bescherming. Op deze manier kan worden geborgd dat er voldoende bomen behouden blijven. 5.10.2.2.2 Toetsing aan de gebiedspaspoorten Groen en Klimaatbestendig In 2024 is het document met de Gebiedspaspoorten Groen en Klimaatbestendig vastgesteld. Het hoofddoel van de Gebiedspaspoorten Groen en Klimaatbestendig is om de actuele opgaven op het gebied van water, groen, ecologie en klimaatadaptatie integraal en gebiedsgericht in beeld te brengen en om bouwstenen aan te reiken om hier invulling aan te geven. De hoofdambitie is het ontwikkelen van een gezonde, groene, natuur- en waterrijke gemeente. Dit betekent:
het toepassen van het sponsprincipe; het ontwikkelen van een robuust netwerk van groenblauwe structuren; het vergroten van de biodiversiteit.
In de gebiedspaspoorten worden per deelgebied opgaven, kansen en knelpunten benoemd en prioriteiten aangegeven. Er worden ruimtelijke bouwstenen aangereikt met beelden, die een realistische inpassing van de actuele water- en groenopgaven binnen de gemeente mogelijk en zichtbaar maken. Er worden 6 stedelijke en 5 landschappelijke zones onderscheiden. Voor iedere zone wordt uitgewerkt hoe tegemoetgekomen kan worden aan de 6 hoofdopgaven:
voorkomen van wateroverlast; bescherming tegen overstromingen; bestrijden droogte; voorkomen hittestress; verbeteren biodiversiteit; leven met 't groen.
Doorwerking plangebied Het TAM-omgevingsplan versterkt de landschappelijke kwaliteit van het plangebied doordat de functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' en een klein deel 'Verkeer', leidt tot het vervallen van bebouwing en daarmee tot een afname van de druk op het landschap. Bestaande groen- en cultuurhistorische waarden blijven behouden. Nieuwe verharding blijft beperkt tot een klein deel voor parkeerplaatsen, waardoor de impact op bomen en groen minimaal is. Bij het planproces worden geen bomen gekapt. Het plan sluit hiermee aan bij het gemeentelijke Bomenbeleidsplan, de Verordening Bomen, Water en Groen en het bredere landschapsbeleid van 's-Hertogenbosch. Daarnaast ondersteunt het plan de doelen uit de Gebiedspaspoorten Groen en Klimaatbestendig door het sponsprincipe te versterken, bij te dragen aan een robuust netwerk van groenblauwe structuren en de biodiversiteit te vergroten. De aanleg van parkeerplaatsen heeft slechts een minimale impact op water- en groenopgaven, waardoor het plan bijdraagt aan een gezonde, groene, natuur- en waterrijke omgeving.
43
5.10.2.3 Stedenbouwkundige en ruimtelijke kwaliteit Stedenbouwkundige en ruimtelijke kwaliteit heeft met verschillende aspecten te maken. Belangrijk onderdeel daarvan is het zorgvuldig omgaan met de ruimte. Daarnaast maakt ook het zorgvuldig omgaan met cultuurhistorische, archeologische, groene, blauwe en ecologische waarden er onderdeel vanuit. Zie hiervoor de voorgaande subparagrafen en paragraaf 5.14. Zorgvuldig ruimtegebruik Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen regelt het Bkl dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder Duurzame verstedelijking is vereist (artikel 5.129g Bkl). Deze instructieregel geldt ook voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 8.0b Bkl). De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Hierbij is van belang om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd.
Doorwerking plangebied Het TAM-omgevingsplan betreft een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen) en betreft daarmee geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er vindt geen uitbreiding van het bebouwd gebied plaats en de ontwikkeling ligt binnen bestaand stedelijk gebied. Hierdoor is toepassing van de Ladder Duurzame Verstedelijking niet relevant. Het plan draagt bij aan zorgvuldig ruimtegebruik door de druk op de ruimte en op cultuurhistorische, groene, blauwe en ecologische waarden te verminderen, en sluit aan bij de principes van een evenwichtige toedeling van functies zoals bedoeld in artikel 5.129g Bkl. 5.10.3 Conclusie Het TAM-omgevingsplan draagt bij aan behoud en versterking van landschappelijke, groen- en archeologische waarden, ondersteunt de biodiversiteit en water- en groenopgaven, en voldoet aan de uitgangspunten van zorgvuldig ruimtegebruik. Nieuwe stedelijke ontwikkeling vindt niet plaats, waardoor de Ladder Duurzame Verstedelijking niet van toepassing is.
5.11 Behoud van ruimte voor toekomstige functies en huidige staat van werken (afdeling 5.1.6 en afdeling 5.1.7. Bkl) 5.11.1 Algemeen Dit thema uit het Bkl is vooral gericht op het beschermen van mogelijke toekomstige tracés voor (auto/spoor/vaar/landelijke fiets)wegen, buisleidingen, militaire voorzieningen, elektriciteitsvoorzieningen, hoogspanningsverbindingen en telefonienetwerken. In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect 'behoud van ruimte voor toekomstige functies en huidige staat van werken'. 5.11.2 Toetsing initiatief aan kaders en beleid De regels in afdeling 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl zijn bedoeld om de fysieke leefomgeving zodanig te beheren dat er voldoende ruimte blijft voor toekomstige functies en dat bestaande werken en infrastructuur behouden en beschermd blijven. De regels van afdeling 5.1.6 Bkl zorgen ervoor dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen of uitbreidingen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het vrijhouden van gebieden voor toekomstige infrastructuur, energievoorzieningen, waterbeheer of andere maatschappelijke functies. Het doel is dat toekomstige ontwikkelingen niet worden belemmerd door huidige bestemmingen of bebouwing.
44
De regels van afdeling 5.1.7 Bkl richten zich op het beschermen van bestaande bouwwerken, infrastructuur en voorzieningen. Dit betekent dat bestaande werken in hun huidige staat behouden moeten blijven, waarbij nieuwe ontwikkelingen geen onaanvaardbare effecten mogen hebben op de functionaliteit, veiligheid of toegankelijkheid van deze werken. Het beleid waarborgt daarmee dat zowel de huidige als toekomstige functies veilig, bereikbaar en uitvoerbaar blijven, en dat nieuwe ontwikkelingen de ruimte en functionaliteit van bestaande werken niet beperken.
Doorwerking plangebied Omdat het TAM-omgevingsplan gericht is op het wegnemen van de functies 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' en geen bouwmogelijkheden mogelijk maakt, is er geen sprake van het vormen van een belemmering voor eventuele toekomstige ontwikkelingen zoals genoemd in afdeling 5.1.6 en afdeling 5.1.7 van het Bkl. Daarbij komt dat er in rijks- of provinciaal beleid dergelijke ontwikkelingen op deze locatie of in de directe omgeving daarvan, niet voorzien zijn. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor het TAM-omgevingsplan. 5.11.3 Conclusie Het aspect behoud van ruimte voor toekomstige functies en de huidige staat van werken vormt geen belemmering voor het TAM-omgevingsplan.
5.12
Toegankelijkheid van openbare (buiten)ruimte (afdeling 5.1.8 Bkl)
5.12.1 Algemeen In het Bkl is opgenomen dat voor zover een wijzigingsbesluit omgevingsplan of een Bopa voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, er rekening wordt gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect toegankelijkheid van openbare (buiten)ruimte. 5.12.2 Toetsing van het initiatief aan kaders en beleid Als gemeente 's-Hertogenbosch maakt het werken aan 'inclusieve mobiliteit' onderdeel uit van ons Actieplan Duurzame Mobiliteit. Onze ambitie is: “Iedereen in de gemeente heeft toegang tot mobiliteit en voor iedereen is duurzame mobiliteit haalbaar en betaalbaar.” Het is belangrijk dat bij alle initiatieven hier aandacht aan wordt besteed, bijvoorbeeld via de toegankelijkheid van de openbare ruimte. Doorwerking plangebied De locatie is goed bereikbaar te voet, per fiets, met de boot en met de auto. Daarnaast zijn de bestaande voetpaden en toegangswegen zo ingericht dat deze voldoen aan de geldende richtlijnen voor toegankelijkheid. 5.12.3 Conclusie Het TAM-omgevingsplan vormt geen belemmering voor de toegankelijkheid van de openbare ruimte.
De locatie is bereikbaar via meerdere vervoerswijzen en de bestaande infrastructuur voldoet aan de geldende richtlijnen voor inclusieve mobiliteit, waardoor het plan aansluit bij het gemeentelijke Actieplan Duurzame Mobiliteit.
5.13
Verkeer en parkeren (geen onderdeel Bkl) 45
5.13.1 Algemeen De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Dit geldt ook bij buitenplanse omgevingsvergunningen (mobiliteit en parkeren, aandeslagmetdeomgevingswet.nl). De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook de bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven bestaan Aandachtspunten
Beschrijving van welke CROW publicatie is uitgegaan (nr. en digitaal/analoog) Opnemen met welke stedelijkheidsgraad en stedelijke zone gerekend is, zodat de berekening gecontroleerd kan worden. Beschrijving verkeersgeneratie (licht en zwaar verkeer) Beschrijving parkeren evt. parkeerdrukmeting. Beschrijving van de wegenstructuur en capaciteit van de weg evt. kruispuntberekening etc. Fiets parkeren Verkeersveiligheid
Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de Nota Parkeernormering 2021 Auto en Fiets. De nota geeft normen en richtlijnen voor functies, gebaseerd op kentallen van het CROW, voor de zes verschillende zones binnen de gemeente. De nota geeft alleen voor de meest voorkomende functies, te weten wonen, werken en winkels, parkeernormen. Voor de ontwikkeling van andere functies gelden richtlijnen hoe met parkeren omgegaan moet worden. Bij het toelaten van initiatieven moet via een op te stellen parkeerbalans inzichtelijk zijn dat in de parkeerbehoefte van auto's en fietsen voorzien kan worden. Dat moet in principe op eigen terrein. Wanneer dat niet mogelijk is en er binnen loopafstand geen parkeerruimte is kan dat leiden tot ruimtebeslag voor (meer) parkeren in de openbare ruimte. Dit ruimtebeslag mag de verkeersveiligheid en een goed woon- en leefklimaat niet aantasten. In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect verkeer en parkeren. 5.13.2 Toetsing initiatief aan kaders en beleid Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling.
Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook de bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven bestaan. Bij het toelaten van initiatieven moet via een op te stellen parkeerbalans inzichtelijk zijn dat in de parkeerbehoefte van auto's en fietsen voorzien kan worden. Dat moet in principe op eigen terrein. Wanneer dat niet mogelijk is en er binnen loopafstand geen parkeerruimte is kan dat leiden tot ruimtebeslag voor (meer) parkeren in de openbare ruimte. Dit ruimtebeslag mag de verkeersveiligheid en een goed woon- en leefklimaat niet aantasten.
46
Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de Nota Parkeernormering 2021 Auto en Fiets. De nota geeft normen en richtlijnen voor functies, gebaseerd op kentallen van het CROW, voor de verschillende zones binnen de gemeente. De nota geeft alleen voor de meest voorkomende functies, te weten wonen, werken en winkels, parkeernormen. Voor de ontwikkeling van andere functies gelden richtlijnen hoe met parkeren omgegaan moet worden. Doorwerking planlocatie Met de functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen) vermindert het aantal verkeersbewegingen per etmaal op de planlocatie. Het aantal aan- en afrijbewegingen van voertuigen naar de planlocatie zal naar verwachting nooit meer zijn dan de voormalige situatie van zes woningen en een garagebedrijf. 5.13.3 Conclusie Het TAM-omgevingsplan voorziet uitsluitend in een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen). Hiermee vervalt de woonfunctie en vermindert het aantal verkeersbewegingen per etmaal op de planlocatie. Het aspect verkeer en parkeren vormt derhalve geen belemmering. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
5.14
Natuur en biodiversiteit
5.14.1 Algemeen Ter bescherming van de natuur zijn in de Omgevingswet diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect. 5.14.2 Toetsing aan kaders en beleid 5.14.2.1 Gebiedsbescherming Landelijk De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijke ontwikkeling die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen doorgang vinden, indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan de ontwikkeling alleen mogelijk worden gemaakt, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
47
5.14.2.2 Gebiedsbescherming Provinciaal Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Doorwerking plangebied: Het TAM-omgevingsplan voorziet in een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een klein deel bestemd voor parkeerplaatsen. Deze wijziging betekent een duidelijke verschuiving van intensief gebruik naar een inrichting die gericht is op het versterken van natuurwaarden en biodiversiteit.
Door het verwijderen van bebouwing ontstaat er meer ruimte voor natuurlijke processen, vegetatieontwikkeling en leefgebied voor flora en fauna. Deze ontwikkeling sluit aan bij de doelstellingen van de Omgevingswet, waarin regels zijn opgenomen voor: Gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden; Soortenbescherming van planten, dieren en vogels; Bescherming van houtopstanden. Hoewel het plangebied zelf niet binnen een Natura 2000-gebied ligt, geldt het principe van externe werking. Dit houdt in dat ook activiteiten buiten deze gebieden getoetst moeten worden op mogelijke negatieve effecten op beschermde soorten en habitats. Gezien de aard van de functiewijziging – van bebouwing naar natuur – is het aannemelijk dat er geen significante negatieve effecten optreden. Integendeel, het plan draagt bij aan het verbeteren van de ecologische kwaliteit. Daarnaast sluit het plan aan bij het provinciale beleid voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Door de inrichting als natuurgebied wordt de samenhang tussen bestaande natuurgebieden versterkt, wat bijdraagt aan de robuustheid van het netwerk en de migratiemogelijkheden voor soorten. Ook op het vlak van soortenbescherming is de ontwikkeling positief. De kans op verstoring van beschermde soorten neemt af door het wegvallen van woonfunctie en intensieve menselijke activiteit.
Eventuele maatregelen ter bescherming van aanwezige soorten kunnen eenvoudig worden geïntegreerd in het ontwerp en beheer van het natuurgebied. 5.14.3 Conclusie Met de functiewijziging naar natuur draagt het TAM-omgevingsplan bij aan behoud en versterking van de natuur en biodiversiteit.
48
5.15
Lichthinder
5.15.1 Algemeen Kunstmatige verlichting kan hinder geven en negatieve effecten hebben voor de mens en de natuur. Hinder bij mensen ontstaat bijvoorbeeld wanneer mensen zich niet kunnen onttrekken aan het aanwezige kunstlicht, terwijl ze daar wel behoefte aan hebben. Negatieve effecten voor de natuur bestaan bijvoorbeeld uit beïnvloeding van het gedrag van dieren door kunstmatige verlichting. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect lichthinder. 5.15.2 Toetsing aan kaders en beleid Omdat het TAM-omgevingsplan gericht is op een functiewijziging van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning' naar 'Natuur' met een beperkt verkeersdeel (parkeerplaatsen) is er geen sprake van een eventueel effect in de vorm van lichthinder. Er worden ook geen lichtgevoelige functies mogelijk gemaakt. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor het TAM-omgevingsplan. 5.15.3 Conclusie Er is geen sprake van lichthinder. Hiermee wordt voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties.
5.16
Kabels en leidingen
5.16.1 Algemeen Kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Met de aanwezigheid van kabels en leidingen moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden. In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het aspect kabels en leidingen. 5.16.2 Beschrijving van het initiatief in relatie tot kabels en leidingen Het plangebied wordt doorkruist door bovengrondse hoogspanningslijnen van 150 kV (zie figuur 5.4).
49
Afbeelding 5.4 Hoogspanningslijnen in plangebied (bron: Atlas Leefomgeving, 2025) 5.16.3 Toetsing aan kaders en beleid Uit internationaal onderzoek blijkt dat er in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningslijnen een geringe verhoging van het aantal gevallen van leukemie voorkomt. Eerst leek het alleen om kinderen te gaan. In 2022 stelde de Gezondheidsraad vast dat dit ook voor volwassenen geldt. De Gezondheidsraad concludeert dat er aanwijzingen zijn voor een oorzakelijk verband tussen magneetvelden en leukemie. Er is echter onvoldoende wetenschappelijk bewijs om te spreken over een waarschijnlijk of bewezen oorzakelijk verband. Het is dus niet zeker dat magneetvelden de oorzaak zijn van de verhoging van het aantal gevallen van leukemie nabij bovengrondse hoogspanningslijnen. De verhoging kan ook andere oorzaken hebben (die onbekend zijn) of toeval zijn. De internationale norm is dat voorkomen moet worden dat burgers worden blootgesteld aan magneetvelden van meer dan 100 microtesla. Nederland overschrijdt deze norm op maaiveldniveau nergens. In aanvulling op de internationale norm heeft Nederland een voorzorgbeleid. Daarover gold sinds 2005 een advies van het Rijk. Dit advies hield in om zoveel mogelijk te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen een magneetveldzone.
Een magneetveldzone is een gebied waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger kan zijn dan 0,4 microtesla. Bestemmingen in de magneetveldzone waarin mensen langdurig kunnen verblijven Herijkt voorzorgbeleid en nieuw beleidsadvies Op 21 april 2023 is het herijkte voorzorgbeleid magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen in werking getreden. De ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hebben hierover een beleidsadvies (Herijkt voorzorgbeleid) aan het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening (gemeenten, provincies en het Rijk) en de netbeheerders gestuurd. Deze brief vervangt de eerder door het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu verzonden brieven over het voorzorgbeleid magneetvelden bij bovengrondse hoogspanningslijnen van 2005 (kenmerk: AS/2005183118) en 2008 (kenmerk: DGM/20081058664). Inhoud voorzorgbeleid en advies Het doel van het voorzorgbeleid magneetvelden is om, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te voorkomen dat burgers (volwassenen en kinderen) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van de elektriciteitsinfrastructuur. Niet omdat dit om gezondheidsredenen noodzakelijk is, maar uit voorzorg.
De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Herijkt voorzorgbeleid vanuit het Rijk en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. Voor deze ruimtelijke ontwikkeling houdt het in dat (verder uitwerken / beschrijven).
50
Met het TAM-omgevingsplan verdwijnen gevoelige functies hoogspanningslijnen. Hiermee wordt het voorzorgbeleid gevolgd.
in
de
magneetveldzone
van
de
5.16.4 Conclusie Met het TAM-omgevingsplan verdwijnen gevoelige functies in de magneetveldzone van de hoogspanningslijnen. Hiermee wordt het voorzorgbeleid gevolgd en voldaan aan een evenredige toedeling van functies aan locaties. Er worden ook geen nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt met dit planvoornemen. Het aspect 'hoogspanningslijnen' en voorzorgsbeleid is hier niet relevant te noemen.
5.17
Milieueffectrapportage
5.17.1 Algemeen Een milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. Het doel is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. Het gaat hier dan ook met name over besluitvorming voor plannen of projecten die duidelijk een milieueffect hebben. In deze paragraaf wordt uiteengezet of het plan project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. 5.17.2 Toetsing aan kaders en beleid Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa / wijziging omgevingsplan volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.).
Een stedelijk ontwikkelingsproject staat in bijlage V van het Omgevingsbesluit vermeld onder de categorie Infrastructuur en ruimte (J11). Een mer-beoordeling is verplicht voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningen, winkelcentra en parkeerterreinen. Ook kleinschalige detailhandel en horeca kunnen onderdeel zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject. Bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaat het altijd om een fysieke uitbreiding van het te bebouwen oppervlak en aantal wooneenheden. Als een project voorziet in een functiewijziging, maar het bebouwde oppervlak blijft hetzelfde, wordt dit door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State doorgaans niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject vanwege de beperkte milieugevolgen. Met dit TAM-omgevingsplan neemt het bebouwde oppervlak zelfs af; er is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Een milieueffectrapportage is hier niet aan de orde. Onderdeel van de motivering van een TAM-IMRO-plan, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Of een te nemen besluit m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.
51
5.17.3 Conclusie Gelet op de aard, omvang en ligging van de voorgenomen ontwikkeling van het wegbestemmen van 'Wonen', 'Bedrijf' en 'Bedrijfswoning', is het opstellen van een milieueffectrapport gekoppeld aan het TAM-omgevingsplan niet aan de orde. De voorgenomen wijziging heeft namelijk geen nadelige gevolgen voor het milieu. Ook op het gebied van duurzaamheid en gezonde leefomgeving is er geen sprake van nadelige gevolgen. Het TAM-omgevingsplan leidt hiertoe juist tot een theoretische verbetering: het plaatsen van gebouwen wordt voor de toekomst onmogelijk gemaakt en er wordt ruimte gecreëerd voor natuur en toegang tot deze natuur (recreatie).
5.18
Werken aan een gezonde leefomgeving
5.18.1 Algemeen Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3 sub a). De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Bij het beschermen van de gezondheid zijn de effecten van een initiatief op de diverse milieuaspecten van groot belang. In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij de voorgenomen ontwikkeling/activiteit rekening is gehouden met het werken aan een gezonde leefomgeving. 5.18.2 Toetsing aan kaders en beleid De gemeente draagt met het Programma Samen gezond bij aan een 'gezonde stad' aan het werken aan een gezonde leefomgeving. Een gezonde leefomgeving draagt bij aan zowel het beschermen, als ook aan het bevorderen van de gezondheid. Het beschermen van de gezondheid vindt plaats via het zorgvuldig omgaan met de milieuaspecten: veiligheid, geluidshinder, luchtkwaliteit, bodemkwaliteit, geur, straling en trillingen; Met dit TAM-omgevingsplan wordt de gezondheid van inwoners bevorderd via het zorgdragen voor een fraaie, groene omgeving die beweging en ontmoeting stimuleert. 5.18.3 Conclusie Het plan bevordert de gezondheid via het zorgdragen voor een fraaie en groene omgeving.