Bijlage 1 Toelichting en Regels BP Hoek Kooikersweg - Hoek Tilburglaan
Tekst van het document
Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. 28
Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 µg/m3 . De grens waarbij een plan als gevolg van extra verkeer niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ligt op meer dan 1500 vervoersbewegingen (van auto's) per etmaal. In paragraaf 3.3 onderdeel verkeer is reeds toegelicht dat de verkeersgeneratie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling niet toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. De extra verkeersgeneratie blijft hiermee ruimschoots beneden de 1.500 vervoersbewegingen en draagt derhalve niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarom hoeft onderhavig plan niet wettelijk te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is.
Woon- en leefklimaat Uit de landelijke Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO 2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied voor beide stoffen onder de 35 µg/m 3 liggen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m 3 voor beide stoffen). Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.
Gelet op de achtergrondconcentraties luchtkwaliteit ter plaatse, is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat m.b.t. luchtkwaliteit. Geconcludeerd wordt dat de luchtkwaliteit geen knelpunt vormt voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling.
5.7
Bodem
Algemeen Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen de planlocatie bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. In gebieden waar de bodemkwaliteit niet geschikt is voor het gebruik, zullen maatregelen getroffen worden om de bodemkwaliteit geschikt te maken, zoals het saneren van de bodem, of het opleggen van gebruiksbeperkingen.
29
Bodemsituatie De afgelopen jaren zijn er diverse bodemonderzoeken op de locatie uitgevoerd en is een bodemverontreiniging (van een voormalig tankstation) gesaneerd. Tussen de uitgevoerde bodemonderzoeken en nu hebben er op de locatie voor zover bekend geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Hieruit valt te concluderen dat er geen aanwijzingen zijn dat het gebruik van de locatie geleid heeft tot een bodemverontreiniging en daarmee een mogelijke belemmering voor deze ontwikkeling. Aangezien de uitgevoerde bodemonderzoeken gedateerd zijn, dient een nieuw verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, van de totale planlocatie te worden uitgevoerd. De boven- en ondergrond en ook het grondwater zullen voor de herontwikkeling van de totale planlocatie nog onderzocht moeten worden. Dit onderzoek is momenteel in uitvoering en wordt toegevoegd aan deze ruimtelijke procedure en aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen. Op de locatie is momenteel een gebouw aanwezig. Dit gebouw wordt gesloopt. Slopen is een bodembedreigende activiteit. Na sloop en voor aanvang van de bouwwerkzaamheden wordt, op basis van het gemeentelijke bodembeleid de toplaag onder de huidige bebouwing (0,5 m-mv) onderzocht om de bodemkwaliteit te kunnen toetsen.
Indien uit een asbestinventarisatieonderzoek blijkt dat in het voormalige pand sprake is geweest van asbesthoudende materialen, dan wordt de toplaag hierbij tevens onderzocht op asbest. Conclusie Op basis van de resultaten van de uitgevoerde bodemonderzoeken en het huidige gebruik kan worden geconcludeerd dat het aspect bodem (naar verwachting) geen belemmering vormt om de planlocatie te her ontwikkelen naar detailhandel, snackbar en supermarkt op de begane grond en appartementen op de verdiepingen. Een nieuw verkennend bodemonderzoek van de totale planlocatie wordt momenteel uitgevoerd om de milieuhygiënische bodemkwaliteit te actualiseren.
Afvoer van eventuele gronden zal plaatsvinden onder milieukundige begeleiding en conform de geldende wet- en regelgeving hieromtrent.
5.8
Geur
Industriële geur Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij 'het voorkómen van nieuwe geurhinder' (nieuwe geurgehinderden) voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is.
In de directe omgeving van de locatie zijn geen geurproducerende industriële bedrijven gelegen die invloed hebben op de te ervaren geurhinder ter plaatse. Tevens zal de beoogde ontwikkeling zelf niet leiden tot geurhinder in de omgeving. De beoogde snackbar treft afdoende gereducerende maatregelen conform de voorwaarden uit het Activiteitenbesluit.
30
Agrarische geur Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Geur kan in de leefomgeving in meer of minder mate hinder veroorzaken en kan om die reden ook gezondheidsrisico's met zich meebrengen. De geuremissie verspreidt zich via de lucht en op de woon- en leefomgeving wordt een geurbelasting veroorzaakt. Er dient een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig te zijn, maar tevens dienen omliggende bedrijven (veehouderijen) niet in hun bedrijfsontwikkeling(en) worden belemmerd.
Gezien de ligging van de locatie in stedelijk gebied en de grote afstand tot agrarische bedrijven is agrarische geur niet relevant voor deze beoogde ontwikkeling. Agrarische geur is geen belemmering.
Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 (volksgezondheidonderzoek) is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. In het kader van de omgekeerde werking (gevoelige functies rond geitenhouderijen) is onderzocht of er zich binnen 2 km van het plan bedrijven met geiten bevinden. Het plangebied ligt ruim buiten deze afstand van 2 km. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van geitenhouderijen.
Endotoxine Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico voor wat betreft endotoxine.
5.9
Hoogspanningslijnen
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.
De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005, en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. Voor onderhavig plan houdt het in dat de gevoelige functies (woningen) buiten de magneetveldzones liggen. Er is geen sprake van een belemmering.
31
5.10
Water
In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting van dit bestemmingsplan.
Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige én meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ruimte maken voor water. In de Visie Groen en Klimaatbestendig staat dat we in 's-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen. Zowel de visie als de Verordening zijn in maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld.
De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. In de Keur (2018) staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen.
De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:
Voorkom vervuiling van (regen)water; Houdt vuil water en schoon hemelwater gescheiden; Verwerk schoon hemelwater volgens de voorkeursvolgorde: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Vertraagde afvoer; Ontwikkel hydrologisch neutraal, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied (denk aan grondwaterstand, waterpeil en afvoer). Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties; Houdt rekening met waterschapsbelangen. Bijv. ruimteclaims voor waterberging of een EVZ (ecologische verbindingszone), de aanwezigheid van keringen of watergangen, en dergelijke; Ontwikkel wateroverlast vrij: schade door extreme neerslag moet worden voorkomen; Meervoudig ruimtegebruik: combineer waar mogelijk gebruiksfuncties. Bijv. een infiltratiezone kan bovengronds worden ingericht als groenzone of speelterrein;
Water biedt een kans om meerwaarde te geven aan een plan door gebruik te maken van de belevingswaarde van het water.
Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan.
Bestaande situatie In de bestaande situatie is het plangebied verdeeld in een onverhard en onbebouwd terrein aan de westkant (ca. 1.500 m2) en het perceel met het huidige pand en verharding (circa 2.700 m 2 verharding) aan de oostkant. Het maaiveld ligt op ca 2,73 m +NAP en de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand bevindt zich op 1,55 m +NAP. De bovenste twee meter van de bodem bestaat uit leem- en kleilagen. In het plangebied ligt geen oppervlaktewater. Het gebied ligt in een boringsvrije zone. De provincie Noord-Brabant heeft hiervoor beschermingsregels vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant om het drinkwater niet aan te tasten. Voor 32
het infiltreren van afstromend hemelwater gelden geen voorschriften.
In de bestaande situatie wordt afstromend hemelwater van daken en terreinverharding afgevoerd, gezamenlijk met het vuilwater, naar het vuilwaterriool in de straat. Op het onverharde terrein zal het afstromend hemelwater deels infiltreren.
Nieuwe situatie Bebouwing en verhard oppervlak Het huidige pand wordt gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Het nu onverharde terrein wordt als parkeerterrein ingericht.
Oppervlaktes verhardingen
Toekomstige (m2)
Daken totaal (waarvan groen)
2343 (673)
Wegen
721
Terras
43
Parkeerplaatsen
800
Overig
50
Totaal verhard oppervlakte
3957
Totaal verhard opp. minus groen dak
3284
Afvalwater Het vuilwater wordt via de riolering in de straat afgevoerd.
Hemelwater In de toekomstige situatie wordt hemelwater gescheiden van het vuilwater opgevangen en zoveel mogelijk op eigen terrein verwerkt; de geldende norm hiervoor is 60 mm per m 2 nieuwe of vernieuwde verharding.
Waterbergingsopgave De grootte van het plangebied bedraagt circa 4.200 m 2. Het rapport 'Definitieve infiltratie berekening', gedateerd 8 december 2020 en opgesteld door Global Civiel is bij de bijlagen bijgevoegd.
Het gedeelte wat verhard is ten behoeve van de bebouwing, wegen, terras en parkeerplaatsen bedraagt in totaal 3.957 m2. De waterbergingsopgave voor dit plan bedraagt 3.957 * 0,06 = 237 m 3.
Inrichting terrein conform waterbergingsopgave Schoon hemelwater wordt zoveel mogelijk binnen het plangebied vastgehouden. Een deel van het dak wordt uitgevoerd met een groendak, het gaat om 673 m 2. Voor een groen dak geldt een minimale bergingscapaciteit van 25 mm per m 2, zie artikel 4.15 lid 2 van de Verordening. Een groen dak zorgt voor vertraagde afvoer van hemelwater, en draagt daarnaast bij aan verkoeling en verhoogt de biodiversiteit. Aan de eis van 25 mm/m 2 waterberging wordt voldaan voor wat betreft het groen dak. De netto waterbergingsopgave komt hiermee op 3.284 * 0,06 = 197 m 3. 33
Het hemelwater wordt geïnfiltreerd binnen het plangebied middels ondergrondse infiltratie. Onder het wegdek van het parkeerterrein wordt een drainageriool aangelegd en deze wordt omringd met een pakket betongranulaat (oppervlakte van 480 m 2) met een holle ruimte van 40%. Het infiltratiepakket wordt omhuld met geweven geotextiel. Het hemelwater stroomt vanuit het drainageriool in het pakket van betongranulaat. Vandaaruit kan het in de bodem infiltreren. De totale bergingscapaciteit van het ondergrondse infiltratiesysteem bedraagt 190 m 3. Het principe van het infiltratiesysteem is weergegeven in de tekening.
Bij extreme buien kan het water via een overstort uitstromen in het groenvlak tussen de parkeerplaatsen. Hier is een bergingscapaciteit van ruim 12 m 3. Dit resulteert tezamen in voldoende bergingscapaciteit in het plangebied (202 m3).
Wanneer de hoeveelheid hemelwater nog groter is, verzamelt het water zich op de bestrating van het parkeerterrein en stroomt oppervlakkig af naar de Kooikersweg. Er zal geen wateroverlast optreden bij de supermarkt omdat de supermarkt op een hoger peil wordt aangelegd.
De straatkolken worden met een zandvanger uitgevoerd en door middel van inspectieputten is de ondergrondse leiding te inspecteren en te reinigen.
Conclusie In deze waterparagraaf is de waterbergingsopgave van het plangebied Kooikersweg 511 bepaald en ingevuld met een passende inrichting voor de verwerking van hemelwater. Het vuilwater wordt via de riolering in de straat afgevoerd.
34
5.11
Duurzaamheid
We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vast gelegd in de 'visie duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019).
Met de vast gestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's:
Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging) CO2 neutrale omgeving (energie) Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) Duurzame mobiliteit
Conform de visie houden we rekening met veranderingen in het klimaat met meer extreme buien en hete zomers. We zorgen voor een veilig watersysteem en werken aan vergroening van onze omgeving. Op het gebied van energie (om een CO2 neutrale gemeente te worden) werken we enerzijds aan het verminderen van de energievraag en anderzijds het opwekken van duurzame energie op diverse manieren. Ook maken we stappen om de gemeente op termijn aardgasloos te laten zijn. Ten aanzien van grondstoffen zijn we ons er van bewust dat deze dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking en toenemende welvaart in de wereld. Beschikbare grondstoffen dienen derhalve zo efficiënt mogelijk te worden gebruikt (en hergebruikt) en we gaan er bewust mee om. Ten aanzien van het vervoer werken we aan schonere, slimmere en duurzame mobiliteit. Op deze wijze bouwen we samen aan een duurzaam 's-Hertogenbosch.
Vanaf 1 juli 2018 mogen nieuwe woningen en andere nieuwe kleinverbruikers niet meer op aardgas worden aangesloten. Vanaf 1 januari 2021 moet nieuwbouw voldoen aan zogenaamde 'BENG-eisen' voldoen. BENG staat voor “Bijna Energie Neutraal Gebouw”. Het bestuursakkoord 2018-2022 zet bij ontwikkelingen in om vooruit te lopen op de landelijke norm (zoals deze zich nu laat aanzien). Dit houdt in dat ontwikkelingen (nieuwbouw) op dit moment dienen aan te sluiten bij de toekomstige BENG-norm. De ambitie is en blijft een energieneutrale bebouwde omgeving in 2035. Beoogde ontwikkeling Het nieuw te realiseren woon- en winkelcomplex zal bij deze duurzaamheidsvisie aansluiten en voldoen aan de 'BENG-eisen'. Bij de uitwerking van het bouwplan is hieraan invulling gegeven om te komen tot een toekomstbestendige en energiezuinige bouw. Om bij de herontwikkeling aan de BENG eisen en duurzaamheidsnormen te voldoen is door SPA WNP ingenieurs een duurzaamheidsonderzoek uitgevoerd (Rapport 22000201A.r01a, d.d. 21 december 2020.
Op basis van de BENG indicatoren, zoals die uit de EPC berekening volgen, voldoet het ontwerp aan de BENG eisen. Hiervoor zijn 82 PV-panelen benodigd van 300 Wp/paneel. Aanvullend hierop worden nog extra zonnepanelen toegevoegd waarmee een hogere energieopbrengst wordt gerealiseerd. Uitgegaan wordt van 6 PV-panelen per appartement ofwel 120 stuks van 300 Wp/paneel. De BENG-berekening is weergegeven in de Memo 22000201A.m02, Gewijzigde BENG beoordeling Kooikersweg Den Bosch, opgesteld door SPA WNP d.d. 16 februari 2021. Het primair fossiel energieverbruik neemt hierdoor sterk af (BENG 2) en het aandeel hernieuwbare energie neemt toe van 47 naar 60%.
35
Rc-waarden: De in de aanvraag Wabo gehanteerde Rc-waarden voldoen niet aan de eisen die gelden vanaf 1 januari 2021. De aanvraag Wabo is ook voor 1 januari 2021 ingediend, zodat dit geen verplichting vanuit het Bouwbesluit is. Echter vraagt de gemeente vanuit duurzaamheidsperspectief en ambitie om bij ruimtelijke plannen vooruit te lopen op de wetgeving. Hieraan wordt met dit plan voldaan. Onderstaand is een onderbouwing weergegeven van het verschil in Rc-waarden, waardoor dit komt en dat dit uiteindelijk alleen een rekenkundig verschil betreft en niets uitmaakt voor de gehanteerde isolatie.
Voor de wijziging van EPC naar BENG, waar de NTA 8800 voor is ontwikkeld, is ook gekeken naar de NEN 1068. Hierin wordt omschreven hoe een Rc-waarde moet worden berekend. In de NTA 8800, is de NEN 1068 in een gewijzigde versie opgenomen. De berekeningsmethodiek geldig tot 01-01-2021 hanteert een correctiefactor van 5% op de Rc-waarde, wanneer de isolatie onder niet geconditioneerde omstandigheden is aangebracht. Indien de isolatie, zoals bij prefab timmerfabrieken, onder geconditioneerde omstandigheden wordt aangebracht, is de correctiefactor 2%.
In de NTA 8800, vervalt deze correctiefactor. Hierdoor valt de uitkomst van de Rc-berekening dus hoger uit. Een opbouw met een Rc 4,50, wordt dan zonder de 5% correctie, een Rc 4,74. Dit zou inhouden dat met de nieuwe Rc-berekeningsmethode, de thermische prestatie van een gebouwschil afneemt. Er kan immers isolatie worden toegepast met een lagere Rd-waarde om aan de Rc-waarde te voldoen. Daarom zullen de Rc-waarden met ingang van BENG, worden verhoogd naar Rc 4,7 voor de gevel, Rc 6,3 voor het dak en Rc 3,7 voor de vloer.
Conclusie is dus dat er feitelijk geen verschil zit tussen de desbetreffende isolatie maar dat het alleen een rekenkundige correctie betreft in het nieuwe programma. Aangezien de berekeningen zijn opgesteld in 2020 zijn de Rc-waarden: Rc 4,5 voor de gevel, Rc 6,0 voor het dak en Rc 3,5 voor de vloer.
Overige duurzaamheidsaspecten Overige specifieke duurzame maatregelen die worden genomen zijn het toepassen van sedumdaken en een groene gevel (positief voor waterberging, biodiversiteit, massa), een infiltratievoorziening voor hemelwater, wordt natuurinclusief bouwen toegepast (nestkasten voor de gierzwaluw, huismus en vleermuis) en worden insectenhotels geplaatst. Tevens worden er loze leidingen in ieder appartement aangebracht naar de buitenramen, zodat iedere bewoner op een later tijdstip makkelijker zonwering kan realiseren, er hoeft dan geen hak- en breekwerk plaats te vinden.
Al deze te nemen maatregelen en te treffen voorzieningen resulteren in een ontwikkeling die voldoet aan de gestelde eisen en voorwaarden en past binnen de 'goede ruimtelijke ordening'.
Klimaatverandering Het klimaat verandert. In Nederland krijgen we volgens de meest recente KNMI-modellen in de toekomst te maken met meer extreme weersomstandigheden zoals langere droge periodes, heftigere buien (met mogelijk meer onweer, neerslag, hagel en wind) en gemiddeld zal de temperatuur stijgen. Door hierop tijdig te anticiperen en aanpassingen door te voeren aan de fysieke leefomgeving van de stad en adaptief gedrag van haar inwoners te ondersteunen, blijft de stad van de toekomst veilig en leefbaar.
Om hittestress te voorkomen als gevolg van veel verstening en asfalt liggen bij herstructurering c.q. ontwikkeling in de bestaande stad kansen voor een klimaatadaptieve inrichting. Vooral het aanleggen van groen en aanplanten van bomen zorgt voor verkoeling. Voor bomen is het belangrijk dat ze voldoende ondergrondse groeiruimte krijgen en altijd van voldoende water zijn voorzien. Voor een klimaatadaptieve 36
inrichting van dit plan worden onderstaande maatregelen uitgevoerd:
De bomen in de directe omgeving van de het planvoornemen blijven behouden (zijde Amsterdamstraat). Er wordt beplanting op en rond het parkeerterrein aangebracht. Op deze manier wordt groen aan het planvoornemen toegevoegd en wordt de warmtebeleving op straatniveau beïnvloed. Passend bij een klimaatadaptieve inrichting wordt de nieuwbouw (supermarkt) voorzien van een groen dak en de noordzijde van het gebouw wordt voorzien van een groene gevel;
De beoogde ontwikkeling is getoetst aan de groennorm zoals opgenomen in de Verordening Bomen, Groen en Water 2021 van de gemeente 's-Hertogenbosch. De groennorm bestaat uit een kwantitatieve en kwalitatieve beoordeling. Kwantitatief is de verhouding oppervlakte groen t.o.v. het totale plan/projectgebied en de kwaliteit is gericht op de biodiversiteit en natuurinclusief bouwen.
5.12
Milieueffectrapportage
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbeschermingswet (Wnb) is vereist.
ad a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die deze ontwikkeling mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2): Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat.
Het planvoornemen betreft de realisatie van een woon- en winkelcomplex met 20 woningen. Het planvoornemen voldoet daardoor niet aan de criteria voor een m.e.r. plicht. Aangezien de activiteit is genoemd in het Besluit mer en het plan een besluit betreft wat genoemd is in kolom 4 (besluiten) van de Dlijst, is op grond van jurisprudentie een vormvrije mer-beoordeling nodig. Afgewogen moet worden of er sprake is van significante nadelige milieueffecten conform de criteria van het Besluit mer (bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'). De criteria zijn de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Onderstaand zijn de criteria kort afgewogen:
Kenmerken van het project De omvang van het project betreft 20 appartementen en detailhandel met een omvang van 1.560 m 2. Dit is gering in relatie met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, Tevens is er geen risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering, ten gevolge van de ontwikkeling. Risico's voor de menselijke gezondheid treden niet noemenswaardig op. Kortom zijn er geen kenmerken van dit project die leiden tot een Mer-plicht.
37
Plaats van het project Het huidige grondgebruik betreft reeds bebouwing (kleinschalige winkels met appartementen daarboven). Er is geen sprake van aantasting van de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regenaratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu wordt niet aangetast. Kortom is de plaats van het project geen aanleiding voor een Mer-plicht.
Kenmerken van het potentiële effect Er is geen sprake van potentiële aanzienlijke effecten van het project op haar omgeving. Dit blijkt onder andere uit de uitgevoerde milieuonderzoeken. Dit is geen aanleiding voor een Mer-plicht. ad b. Het plangebied ligt in stedelijk gebied en op circa 1 kilometer van Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen significant negatief effect hebben op het Natura 2000-gebied. Een vergunning Wet natuurbescherming is verleend, zie paragraaf gebiedsbescherming Natura 2000-gebied. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde.
Tevens zijn, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, er geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. Het opstellen van een m.e.r. wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Conclusie Er is geen sprake van een Mer-plicht. Uit de uitgevoerde milieuonderzoeken en afweging conform de criteria van het Besluit mer blijkt dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu aanwezig zijn.
5.13
Ecologie
Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
38
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden.
Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Gebiedsbescherming Natura 2000 (stikstof) Het Natura 2000-gebied dat het dichtste bij het plangebied ligt is Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek. Dit gebied ligt op een afstand van circa 1 kilometer van het plangebied (zie onderstaand figuur). Door menselijke invloeden in het tussenliggende gebied als gevolg van de aanwezigheid van stedelijk gebied en grote wegen zijn negatieve effecten door geluidsverstoring of visuele verstoring als gevolg van de ingreep op Natura 2000-gebieden uitgesloten. De ingreep draagt niet bij aan verdroging, maar mogelijk wel aan stikstofdepositie. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 2.4, lid 1. Voor de ingreep moet daarom een Aerius-berekening worden uitgevoerd. 39
RHO adviseurs voor de leefruimte heeft een inschatting gemaakt van de stikstofdepositie als gevolg van het planvoornemen in de realisatiefase en de gebruiksfase (Memo Voortoets Natura 2000, d.d. 27 oktober 2020, project Kooikersweg 511 's-Hertogenbosch). De stikstofdepositie ten gevolge van het planvoornemen op Natura 2000-gebieden is berekend met de Aeriuscalculator. Allereerst is de referentiesituatie inzichtelijk gemaakt. Hierbij is uitgegaan van de feitelijk legaal aanwezige bronnen op basis van een milieu- of natuurvergunning. Dit betreft de aanwezigheid van 20 appartementen en het huidige winkelpand met bijbehorend gasverbruik en plaatsvindende transportbewegingen. Vervolgens is voor de aanlegfase / realisatiefase het hiervoor in te zetten materieel en de verkeersgeneratie inzichtelijk gemaakt.
Uit de verschilberekeningen tussen het huidige gebruik en de aanlegfase en gebruikersfase blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000-gebied. Negatieve effecten op Natura-2000 gebieden zijn daarmee uitgesloten. Op basis van de provinciale beleidsregels intern en extern salderen is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming vereist.
Conclusie stikstofdepositie Uit de stikstofdepositieberekeningen blijkt dat de aangevraagde activiteit, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, geen significante gevolgen kan hebben voor het Natura 2000-gebied 'Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek' Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant maken bekend dat zij op 13 november 2020 een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb hebben verleend (kenmerk: Z/131561) aan Bouwbedrijf Van Grunsven BV voor de sloop en herbouw van appartementen en detailhandellocaties aan de Kooikersweg te 's-Hertogenbosch.
40
5.14
Archeologie en cultuurhistorie
Inleiding Ten behoeve van de herontwikkeling van de winkelstrip ter plaatste van Kooikersweg worden bestaande panden gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Waar nu een gebouw staat, komt een gebouw terug (supermarkt, snackbar en wonen), wat nu onbebouwd is, wordt parkeren (boven de rode stippen; Zie figuur 1). De Afdeling SO/Erfgoed heeft voor dit plan bekeken of er bij de herontwikkeling archeologische, monumentale en andere cultuurhistorische waarden betrokken zijn.
Archeologische waarden en verwachtingen Het plangebied heeft op de archeologische kaart een lage archeologische verwachting (zie figuur 2). Dit betekent dat de kans op het aantreffen op archeologische waarden in de ondergrond als laag wordt ingeschat. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch is daarom geen onderzoeksverplichting opgenomen voor dit plangebied. Ook is om deze reden in het bestemmingsplan geen dubbelbestemming Waarde Archeologie opgenomen voor dit plangebied
Monumentale waarden In het plangebied zijn geen monumentale waarden aanwezig en worden ook geen monumentale waarden verwacht.
Overige cultuurhistorische waarden In het plangebied zijn geen historisch-geografische waarden aanwezig en worden ook geen historischgeografische waarden verwacht.
Conclusie Bij de herontwikkeling van het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden betrokken. Voor de herontwikkeling van het plangebied gelden daarom geen beperkingen en hoeft geen archeologische dubbelbestemming te worden opgenomen. Wel blijft de wettelijke meldingsplicht voor archeologische vondsten van toepassing. Eventuele archeologische vondsten die worden aangetroffen bij de werkzaamheden moeten direct worden gemeld bij de Afdeling SO/Erfgoed.
41
Locatie plangebied Kooikersweg.
Locatie van het plangebied op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch. Het plangebied ligt in een zone met een lage archeologische verwachting.
42
Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.
Gekozen is voor bestemmingen die nu reeds gelden binnen het plangebied. Zo is de verkeersbestemming weer opgenomen, maar zijn hier nu wel voorzieningen toegestaan ten behoeve van de supermarkt, zoals een opstelpunt voor winkelwagens. De begane grond is bedoeld voor dienstverlening, horeca (snackbar en dag-horeca), een supermarkt en nog een afzonderlijke winkelruimte. Op de verdieping zijn woningen toegestaan, plus een commerciële ruimte zoals een kantoor of een ruimte als ondersteuning aan de supermarkt zoals bijvoorbeeld een kantine. De bouwregels sluiten aan op het bouwplan.
43
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.
44
Hoofdstuk 8 Inspraak en vooroverleg Over het plan wordt geen gelegenheid tot inspraak geboden, maar er wordt gekozen voor directe participatie met de buurt door middel van het informeren van de buurt en te bezien of men hierop wenst te reageren. Het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) met diensten van het Rijk en de Provincie en met betrokken maatschappelijke organisaties zal gecombineerd plaatsvinden met het als ontwerp ter inzage leggen van het bestemmingsplan en de ontwerp omgevingsvergunning.
45
Regels
46
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan het bestemmingsplan Hoek Kooikersweg-Tilburglaan met identificatienummer NL.IMRO.0796.0002489-1201 van de gemeente 's Hertogenbosch; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijk uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie; 1.4 aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, en ten dienste staat van dat hoofdgebouw; 1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7 achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het
aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; 1.8 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.9 bebouwingspercentage een op de kaart of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwvlak, bestemmingsvlak of bouwperceel aangeeft, dat maximaal bebouwd mag worden; 1.10 bedrijfswoning een woning die een functionele binding heeft met het bedrijf, de instelling of de inrichting, ten behoeve van beheer en/of toezicht op het bedrijf, de instelling of de inrichting; 1.11 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak;
47
1.12 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.13 bijgebouw een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, en ten dienste staat aan dat hoofdgebouw. Een bijgebouw kan zijn een aangebouwd bijgebouw in de vorm van een aanbouw of een uitbouw, dan wel een vrijstaand bijgebouw; 1.14 bouwen plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten; 1.15 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.16 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijk omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder; 1.17 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels en kadastraal gezien een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.18 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel; 1.19 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.20 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij
indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.21 dak iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.22 dakopbouw een gedeelte van een gebouw, gesitueerd op de bovenste bouwlaag van een gebouw, met een oppervlakte van maximaal 60% van de oppervlakte van de bovenste bouwlaag en een afstand van minimaal 1 meter tot de voorgevel; 1.23 dove gevel een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte;
48
1.24 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.25 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.26 geluidgevoelige ruimte geluidsgevoelige ruimte: ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m2; 1.27 geschakelde woning een woning die met een andere woning verbonden is door middel van aan- of bijgebouwen, niet zijnde gestapelde woningen; 1.28 gestapelde woning een woning die geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere woning is gelegen; 1.29 hoekperceel een perceel, gelegen aan een hoek van twee wegen c.q.
het openbaar gebied; 1.30 hoofdgebouw gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.31 kap de volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw in een gebogen vorm danwel met een dakhelling van ten minste 15° en ten hoogste 75°; 1.32 mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; 1.33 nok het snijpunt van twee hellende vlakken. daknok: hoogste punt van een schuin dak; dakvoet: laagste punt van een schuin dak; 1.34 openbaar toegankelijk gebied weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;
49
1.35 voorerfgebied erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied; 1.36 voorgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen; 1.37 voorgevelrooilijn a. langs een wegzijde met een regelmatige ligging of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a.
bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn op 10 meter uit de as van de weg; 1.38 woning een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden; 1.39 woonwagen voor bewoning bestemd gebouw dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en op een daartoe bestemd perceel is geplaatst; 1.40 zijgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een gebouw tot aan de perceelgrenzen; 1.41 ambachtelijk bedrijf het bedrijfsmatig, geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen en het installeren van goederen die verband houden met het ambacht; 1.42 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen; 1.43 detailhandel bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
Afhaal- en bezorgdiensten van maaltijden zijn hierbij niet toegestaan; 1.44 productiegebonden detailhandel detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan het productieproces; 1.45 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen;
50
1.46 horeca categorie type
begripsbepaling
1
hotel
Een horecabedrijf dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is.
2
restaurant
Een horecabedrijf, primair gericht op het, overdag en avond, verstrekken en bereiden van maaltijden voor gebruik ter plaatse en waar het verstrekken van dranken (daaraan) ondergeschikt is.
3
daghoreca
Een horecabedrijf, waarbij de bedrijfsactiviteit gericht is op het - overdag - al dan niet ter plaatse verstrekken en bereiden van etenswaren en dranken en waarvan de openingstijden (in belangrijke mate) binnen de openingstijden van winkels vallen.
4
cafetaria
Een horecabedrijf, dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken en bereiden van (al dan niet voor consumptie ter plaatse) bereide kleine etenswaren en waar het verstrekken van dranken (daaraan) ondergeschikt is.
5
cafés en bar
Een horecabedrijf, dat in hoofdzaak bestaat uit het in de avond en nacht verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse en het gelegenheid bieden voor dansen, als dan niet als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden.
6
nachtzaak, discotheek en partycentrum Een horecabedrijf dat gericht is op het in de avond en nacht verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse waarbij overwegend mechanische muziek wordt beluisterd en het verschaffen van dansgelegenheid een wezenlijk onderdeel vormt. Een nachtzaak is veelal tot later geopend dan een café en bar.
7
speelautomatenhal
Een horecabedrijf, waarin een speelautomatenhal (conform de Wet op de Kansspelen) wordt geëxploiteerd en waar het verstrekken van dranken (daaraan) ondergeschikt is.
8
shishalounge
Een horecabedrijf waar rechtmatig het roken van shisha wordt aangeboden.
1.47 kantoor het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen; 1.48 opslag (binnen) opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke; 1.49 prostitutie het zich tegen vergoeding beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander;
51
1.50 seksinrichting een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privé-huis of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.51 supermarkt een zelfbedieningszaak in goederen met hoofdzakelijk een grote verscheidenheid aan levens- en genotmiddelen; 1.52 vloeroppervlakte de totale oppervlakte van hoofdgebouwen en aan- en bijgebouwen op de begane grond en de verdieping(en) met inbegrip van beneden peil gelegen bouwdelen; 1.53 bedrijfsvloeroppervlakte de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke, volgens NEN 2580; 1.54 verkoopvloeroppervlakte in een detailhandelsvestiging voorkomende hoeveelheid bedrijfsvloeroppervlakte, gemeten in m2 op de vloer van de bedrijfsruimte, ten behoeve van de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen of het verlenen van aanverwante diensten, volgens NEN 2580; 1.55 webwinkel een bedrijf dat zich toelegt op het (doen) leveren van goederen op schriftelijke, telefonische of
elektronische order van klanten en dat op de bedrijfslocatie geen directe contactmogelijkheden (balie, showroom, afhaalcentrum) met klanten biedt; 1.56 ruimtelijke kwaliteit kwaliteit van een gebied die bepaald wordt door de mate waarin sprake is van gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde; 1.57 stedelijke ontwikkeling nieuw ruimtebeslag dan wel uitbreiding of wijziging van bestaand ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies; 1.58 vormverandering van een bouwvlak wijziging van de begrenzing van een bouw- en bestemmingsvlak zonder dat dit gepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte; 1.59 watergebonden voorzieningen voorzieningen die ruimtelijk en functioneel gebonden zijn aan water zoals (kunst)werken ten behoeve van waterstaatkundige en waterhuishoudkundige doeleinden en voorzieningen die onlosmakelijk met de beroepsvaart, waterrecreatie en watersport zijn verbonden, uitgezonderd woonfuncties en watergebonden bedrijvigheid;
52
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten, waar van toepassing volgens NEN 2580: 2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.3 de goothoogte van een bouwwerk: a. vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; b. de goothoogte van een lessenaarsdak wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel van de laagste zijde van de kap. 2.4 de hoogte van een dakopbouw: vanaf de afdekking van de bovenste bouwlaag tot aan het hoogste punt van de dakopbouw. 2.5 de hoogte van een kap: vanaf de bovenkant goot, boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel tot aan het hoogste punt van de kap. 2.6 de hoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine. 2.7 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
2.8 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk of ingeval dat geen gevelvlakken of scheidingsmuren aanwezig zijn, de oppervlakte vanaf de buitenzijde van het dak neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.9 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen. 2.10 peil: a. voor een hoofdgebouw met aangebouwde bijgebouwen: de hoogte van de kruin van de aan het bouw perceel grenzende weg; b. voor andere gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw.
53
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Artikel 3
Gemengd
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. detailhandel, uitsluitend op de begane grond; b. een supermarkt, uitsluitend op de begane grond, ter plaatse van de aanduiding 'Supermarkt'; c. ondersteunende functies aan de functie supermarkt zoals kantoor, kantine, en dergelijke, niet zijnde verkoopvloeroppervlakte, zijn ook op de verdieping toegestaan tot maximaal 75m2; d. dienstverlening; e. een zelfstandig kantoor op de verdieping tot maximaal 75m2; f. horeca in de categorie 3 en 4, ter plaatse van de aanduidingen 'h=3’ respectievelijk ‘h=4’, als bedoeld in artikel 1, onder 1.46; g. wonen in de vorm van woningen, niet zijnde woonwagens, alleen op de verdieping; h. aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten als bepaald in 3.4.2; i. aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen zoals verkeer- en parkeervoorzieningen, groen en groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven en terreinen; j. Voor bovengenoemde functies is artikel 3.5 onverminderd van toepassing. 3.2
Bouwregels
3.2.1 Algemeen Voor het bouwen geldt dat in of op deze gronden uitsluitend voor deze bestemming mag worden gebouwd. 3.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. de gebouwen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. een bouwvlak mag volledig worden bebouwd; c. de maximale bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven; 3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de maximale bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn is vanaf de voet gemeten 1 meter; 54
b. de maximale bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen achter de voorgevelrooilijn is vanaf de voet gemeten 2 meter; c. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 meter;
3.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van: a. b. c. d. e. f. g. 3.4
een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de sociale veiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; de handhaving van de oorspronkelijke parcellering (i.g.v. beschermde stadsgezichten); de situering van het laden en lossen op het perceel. Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Algemeen Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval begrepen: a. aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten die publieksaantrekkend zijn; b. kamerbewoning. 3.4.2 Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit Een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit als bedoeld in 3.1, onder e, moet voldoen aan de volgende voorwaarden: a. de beroeps- of bedrijfsactiviteit moet ondergeschikt zijn aan de woonfunctie: maximaal 35% van de vloeroppervlakte van de woning en de bijgebouwen samen mag voor de beroeps- of bedrijfsactiviteit worden gebruikt, tot in totaal 50 m 2; b. de beroeps- of bedrijfsactiviteit moet naar aard, omvang en uitstraling passen in de woonomgeving; c. de beroeps- of bedrijfsactiviteit mag niet vergunningplichtig zijn volgens artikel 2.1, lid 1, sub e van de Wabo en niet meldingplichtig volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer; d. degene die de beroeps- of bedrijfsactiviteit uitoefent, moet bewoner van de woning zijn; e. horeca en detailhandel zijn niet toegestaan, met uitzondering van beperkte detailhandel als ondergeschikte functie van de beroep- of bedrijfsactiviteit en onder de voorwaarde dat te koop aangeboden goederen en/of producten een relatie hebben met de beroeps- of bedrijfsactiviteit. 3.5 Afwijken van de gebruiksregels a.
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.1 voor het gebruik van ruimten binnen de woning en bijgebouwen voor een publieksaantrekkende beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis, onder de voorwaarden als bepaald in 3.4.2 en onder de voorwaarde dat het gebruik niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeers- en parkeersituatie. b. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.2, onder c, voor het gebruik van ruimten binnen de woning en bijgebouwen voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit die meldingplichtig is volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer, onder de voorwaarde dat de beroeps- of bedrijfsactiviteit naar aard, omvang en uitstraling past in de woonomgeving: bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de afwijking moet vaststaan dat een goed woon- en leefklimaat op omliggende woonpercelen gegarandeerd is. 3.6
Voorwaardelijke verplichting
De woningen mogen niet in gebruik worden genomen indien niet is voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. Alle balkons worden voorzien van een gesloten balustrade (minimale massa 10 kg/m2 en zonder naden en kieren); 2. Op de eerste verdieping aan de zijde van de Kooikersweg tot minimaal 1,50 meter hoogte boven vloerniveau; 55
3. Op de tweede verdieping aan de zijde van de Kooikersweg en op de eerste en tweede verdieping aan de zijde van de Tilburglaan tot minimaal 1,25 meter hoogte boven vloerniveau; 4. Ter plaatse van alle balkons wordt de onderzijde van de bovenliggende vloeren absorberend uitgevoerd (α=>0,6); 5. Tussen de appartementenblokken waarin respectievelijk 14 en 6 woningen worden gerealiseerd zal, aan de zijde van de Kooikersweg, een gesloten balustrade gerealiseerd moeten worden van minimaal 1,3 meter hoogte (balustrade met minimale massa van 10 kg/m2 en zonder naden en kieren); 6. Minimaal 1 slaapkamer van alle 20 woningen dient te zijn voorzien van een (Metaglas)scherm welke minimaal 4 dB reduceert om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (incl. aftrek). Dit kan volgens het akoestisch rapport ‘Akoestisch onderzoek bouwplan Kooikersweg te 'sHertogenbosch; wegverkeerslawaai’, opgesteld door adviesbureau Cauberg Huygen met datum 26 maart 2021 en met referentie 06146-52282-15, gerealiseerd worden met bijvoorbeeld Metaglas type SAG-10A. Een aantoonbare gelijkwaardige voorziening kan eveneens toegepast worden na toestemming van de akoestisch adviseur van de gemeente ’s-Hertogenbosch; 7. De gehele westelijke gevel (parallel aan de Rijksweg A59 en boven de functieaanduiding horeca van categorie 3 en 4) dient op de eerste en op de tweede verdieping ‘doof’ uitgevoerd te worden.