Bijlage 1 - Toelichting BP Rijckevorselweg 4
Tekst van het document
-Hertogenbosch 2021 Deze verordening geeft regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving specifiek wat betreft het vellen van beschermde houtopstanden, het lozen van grondwater en hemelwater, en het verplicht realiseren van groen in het geval van verhardingstoename. Voor hemelwater en het realiseren van groen gelden onderstaande regels. Artikel 4.15 Verbod op het lozen van hemelwater 1. Het is verboden om bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. 2. De perceeleigenaar heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarvoor geldt dat: a. Bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van 500 m² of meer, dan dient de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 60 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak te kunnen verwerken; b. Bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van minder dan 500 m², dan dient de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 10 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak te kunnen verwerken; c.
Deze verplichting geldt niet indien voor de betreffende oppervlakte aan nieuwe verharding of vernieuwde bestaande verharding, een groen dak wordt gerealiseerd met een minimale bergingscapaciteit van 25 mm per m²; 3. In afwijking van het tweede lid geldt dat indien een perceel is aangesloten op drukriolering, de eigenaar van het betreffende perceel de verplichting heeft het hemelwater volledig op eigen terrein te verwerken; 4. Indien voor het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding een vergunning voor een andere activiteit is benodigd, worden bij de aanvraag voor die vergunning de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een berekening van de wateropgave;
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
b. een situatietekening van de hemelwatervoorziening. 5. De hiervoor bedoelde hemelwatervoorziening dient uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van de nieuwe verharding of vernieuwde bestaande verharding gerealiseerd te zijn. Aansluiting van de hemelwatervoorziening op gemeentelijke voorzieningen, zoals straatkolken, leidingen en de openbare weg, dienen volgens de eisen van het college als beheerder te worden uitgevoerd. Artikel 4.16 Ontheffing verbod op het lozen van hemelwater 1. Het college kan als beheerder op aanvraag ontheffing verlenen van de verboden en verplichtingen als bedoeld in artikel 4.15, indien van de perceeleigenaar redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel van het verbod; 2. Bij de aanvraag om een ontheffing geeft de perceeleigenaar een overzicht van de redenen waarom niet aan artikel 4.15 kan worden voldaan; 3. Aan de te verlenen ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op het voldoen van een geldelijke bijdrage, indien op het eigen perceel niet kan worden voldaan aan de minimale bergingseis voor hemelwater. Artikel 4.17 Kwaliteit te lozen hemelwater Het is verboden het afstromende hemelwater als bedoeld in artikel 4.15 te verontreinigen door het afspoelen of uitlogen van gebruikte bouwmaterialen of geloosde stoffen.
Artikel 4.18 Afstemming met regels andere overheden Indien regelgeving van andere overheden strengere eisen stelt aan het lozen van hemelwater en grondwater dan gelden de regels van die overheden in plaats van de regels in deze verordening. Artikel 4.20 Groennorm 1. Het is verboden meer dan 500 m2 nieuwe verharding te realiseren zonder daarbij te voldoen aan de groennorm die geldt voor een bepaald gebied, zoals opgenomen op de Groenkaart in bijlage 3 van deze Verordening, en te voldoen aan de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore, zoals opgenomen in bijlage 4b van deze Verordening; 2. De groennorm wordt ingevuld aan de hand van de kwantitatieve groenscore, zoals opgenomen in bijlage 4a van deze Verordening. De kwalitatieve biodiversiteitsscore wordt bepaald aan de hand van bijlage 4b van deze Verordening; 3. Het college is bevoegd de kwantitatieve groenscore en de kwalitatieve biodiversiteitscore, zoals opgenomen op de in bijlage 4a en bijlage 4b bij deze Verordening te wijzigen. Artikel 4.21 Ontheffing groennorm 1. Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in artikel 4.20 indien redelijkerwijs niet kan worden voldaan aan de groennorm of de minimaal te behalen kwalitatieve biodiversiteitscore; 2.
Bij de aanvraag om een ontheffing geeft de aanvrager een overzicht van de redenen waarom niet aan de groennorm of de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore kan worden voldaan; 3. Aan de te verlenen ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op het voldoen van een geldelijke bijdrage.
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
5.2
Onderzoek Door Antea Group is een watertoets uitgevoerd. Deze watertoets is opgenomen als bijlage 7. Hieronder zijn de resultaten beschreven. Huidige situatie Het plangebied bevindt zich tussen Nuland en Vinkel en is gelegen ten zuiden van de afrit 51 Nuland (rijksweg A59). Het maaiveld varieert van ca. NAP +4,9 m tot ca. NAP +5,5 m. de bodem bestaat tot een diepte van 50 à 60 m onder NAP uit zand, met daaronder een klei laag. De grondwaterstand is afgeleid aan de hand van de aanwezige peilbuizen in het gebied uit DINOloket. Hieruit blijkt dat de gemiddelde grondwaterstand in de periode 1995 tot 2004 ligt op NAP +3,87 m, oftewel 1,04 m -mv. De GLG ligt op NAP +3,57 m, oftewel 1,34 m -mv; de GHG ligt op NAP +4,14 m, oftewel 0,77 m -mv. Stijghoogtes in het eerste watervoerende pakket liggen dieper dan de grondwaterstanden in het freatische pakket, er is zodoende geen sprake van kwel. Het plangebied wordt aan de oostkant begrensd door een A-watergang met beschermingszone en aan de zuidkant door een B-watergang. Toekomstige situatie De Gemeenschappelijke Regeling Heesch West is voornemens om Van Rijckevorselweg 4 te Vinkel te herontwikkelen. In de huidige situatie zijn er een varkenshouderij en een woning aanwezig, in de toekomstige situatie zal er een agrarisch aanverwant transportbedrijf, een woning en een wasplaats voor varkens aanwezig zijn.
Er zullen geen varkens binnen het plangebied gehouden worden in de toekomstige situatie. De bestaande bedrijfsbebouwing (stallen) zal worden gesloopt, het is nog onbekend of de huidige woning blijft staan of dat deze wordt gesloopt en er een nieuwe woning wordt gebouwd. Ook is het onduidelijk of er bestaand groen/bomen zijn en of deze worden ingepast. Er zal sowieso aan kwaliteitsverbetering landschap invulling gegeven moeten worden. Waterberging Het totale plangebied bedraagt 18.320 m2, waarvan in de huidige situatie ca. 8.400 m2 verhard is. In de toekomstige situatie bedraagt het verhard oppervlak maximaal 5.000 m2. De afname verhard oppervlak is dus maximaal 3.400 m2. Vanuit de Verordening Bomen, Water en Groen geldt de eis dat bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van 500 m² of meer, de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 60 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak te kunnen verwerken. Het worst case scenario voor waterberging is dat er 5.000 m2 verharding nieuw wordt gerealiseerd of vernieuwd wordt. Het volume water wat verwerkt dient te kunnen worden binnen het plangebied is zodoende 5.000 m2 * 0,06 m = 300 m3. In de huidige situatie is er ca.
8.400 m2 verhard oppervlak aanwezig binnen het plangebied, waarvoor 8.400 m2 * 0,06 m = 504 m3 water verwerkt dient te kunnen worden. Aangezien in de huidige situatie geen problemen wat betreft waterberging ervaren worden, is de verwachting dat er in de toekomstige situatie ook geen problemen op zullen treden. De benodigde 300 m3 water kan in het hele plangebied verwerkt worden. Vanuit het waterschap is er voorkeur voor hergebruik van hemelwater, het verzamelde hemelwater kan gebruikt worden voor het spoelen van toiletten of groenbeheer. Verzamelen van hemelwater kan middels
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
regentonnen. Na hergebruik is infiltratie de volgende voorkeur van het waterschap voor hemelwater. Infiltratie gaat makkelijk in het plangebied, vanwege de zandgrond en de diepe grondwaterstand. Een aandachtspunt in grondwaterbeschermingsgebied is dat er voldoende lutum in de grond zit, dit om eventuele vervuilingen te absorberen. In dit plangebied zit er voldoende lutum in de grond, namelijk in de kleilaag. Eventuele vervuilingen zullen daar worden opgevangen en niet terecht komen in het eerste watervoerende pakket. Afwatering en riolering Er wordt ingeschat dat er drukriolering is binnen het plangebied. De capaciteit zal naar verwachting voldoende zijn voor de woning. Belangrijk aandachtspunt is de capaciteit voor de afvoer van de wasplaats die gerealiseerd gaat worden, deze dient voldoende te zijn. Dit dient uitgezocht te worden. Indien de capaciteit niet voldoende is, zal de riolering uitgebreid moeten worden. Waterschap Aa en Maas gaat niet akkoord met de aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels, indien de capaciteit vergroot moet worden dient dus gescheiden riolering aangelegd te worden. Omtrent de wasplaats is het treffen van een voldoende zuiverende voorziening een doelvoorschrift, waarbij het aan de initiatiefnemer is aan te tonen dat hieraan voldaan wordt.
De uiteindelijke beoordeling zal plaatsvinden aan de hand van gedetailleerde informatie over de activiteit die ondernomen gaat worden en een detailweergave van de toe te passen voorziening. Alvorens een melding te doen, is het raadzaam contact op te nemen met de ODZOB door een e-mail te sturen naar: grondwater@odzob.nl. Hemelwater Indien een perceel is aangesloten op drukriolering dient de eigenaar van het betreffende perceel het hemelwater volledig op eigen terrein te verwerken. Hemelwater wordt afgevoerd via infiltratie in de bodem. Voor de afvoer van hemelwater in de bodem geldt een meldingsplicht. Bij de afvoer van schoon hemelwater hanteert Waterschap Aa en Maas de stappen hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer. Ter vergelijking is in Figuur 2-15, opgenomen in bijlage 7, de te verwachten wateroverlast in de huidige situatie bij een neerslagevent van 140 mm/2u weergegeven. Droogtestress Door de afname van verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie zal de droogtestress in het plangebied afnemen. Het is nog onduidelijk of er bestaand groen/bomen zijn en of deze worden ingepast. Groen en bomen vragen in droge perioden een extra waterbehoefte, maar ze zijn wel positief voor de biodiversiteit en hittestress. Het water dat nodig is voor sproeien is echter een fractie van de hoeveelheid water die op jaarbasis extra wordt geïnfiltreerd.
Hemelwater kan ook worden opgevangen voor het bewateren van groen, dit kan middels regentonnen. Daarnaast zouden infiltratiekratten een mogelijkheid kunnen zijn, deze houden geïnfiltreerd hemelwater langer vast en zorgen dat dit langzamer de diepere bodem inzakt. Grondwater De grondwaterstand nabij het plangebied bedraagt 1,04 m onder maaiveld. Hierbij is uitgegaan van een maaiveldhoogte van NAP 4,91 m en een grondwaterstand van NAP +3,87 m. De GLG bedraagt 1,34 m -mv en de GHG bedraagt 0,77 m -mv.
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
De stijghoogtes in het eerste watervoerende pakket zijn lager dan de grondwaterstanden in het freatische grondwater, er is derhalve geen sprake van kwel. Het plangebied ligt in een grondwaterbeschermingsgebied, hier gelden regels om het grondwater niet te vervuilen. Binnen deze gebieden zijn woningen, wegen en bedrijven toegestaan, maar er gelden wel wettelijke regels om vervuiling van het grondwater te voorkomen. De volgende activiteiten zijn verboden: - Een locatiegebonden milieubelastende activiteit; - Het bedrijfsmatig gebruik of aanwezig hebben van voor het grondwater schadelijke stoffen; - De toepassing van IBC-bouwstoffen. Voor een aantal activiteiten geldt een meldplicht: - Het verrichten van werkzaamheden in de bodem op een diepte van drie meter of meer; - Het lozen van afstromend hemelwater van gebouwen op of in de bodem; - Het lozen van afstromend hemelwater van verharde wegen op of in de bodem; - Het inrichten of hebben van een parkeerterrein. Bodemwerkzaamheden dieper dan 3 meter zullen waarschijnlijk niet nodig zijn, aangezien er geen parkeergarage of kelder gerealiseerd gaat worden. Indien dit toch wel het geval is, dient er melding gedaan te worden. Het lozen van afstromend hemelwater via zowel gebouwen als verharde wegen zal wel plaats gaan vinden, evenals het inrichting of hebben van een parkeerterrein, hier dienen zodoende meldingen voor gedaan te worden.
Waterkwaliteit Er is sprake van een afname aan verhard oppervlak, er zijn daardoor mogelijk nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit. Door de afname aan verhard oppervlak is er meer onverhard oppervlak waar water met eventuele verontreinigingen kan infiltreren. Vanwege de locatie van het plangebied in grondwaterbeschermingsgebied mogen er geen verontreinigende stoffen in het grondwater terecht komen. De wasplaats is een belangrijk aandachtspunt, er dienen geen verontreinigende stoffen in het grondwater terecht te komen als gevolg van de wasplaats. Waterkeringen Er zijn geen waterkeringen aanwezig binnen of nabij het plangebied. Juridische borging Er wordt op de plankaart geen water aangeduid. Waterberging wordt als nevenfunctie mogelijk gemaakt. In de regels wordt opgenomen dat het schone hemelwater moet worden geborgen en geïnfiltreerd. 5.3
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in dit plan.
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
6
Archeologie en cultuurhistorie
6.1
Kader Erfgoedwet In de Erfgoedwet d.d. 1 juli 2016 is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die halverwege 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2022. Het gaat daarbij om de volgende zaken: Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Gemeentelijk archeologiebeleid In Bernheze is bescherming van archeologische waarden geregeld is de Erfgoedverordening 2019. Basis voor bescherming is de archeologische verwachtingenkaart. Maasdonk valt sinds de samenvoeging met 's-Hertogenbosch onder het Bossche archeologiebeleid.
6.2
Onderzoek Onderzoeksbureau Antea Group heeft een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder worden de conclusies beschreven. Het volledig rapport is opgenomen in de bijlage (bijlage 5) bij deze toelichting. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat op grond van de de geologische en bodemsituatie geen aantrekkelijke plek vormde voor bewoning in het verleden. Dit gebied heeft dan ook een (zeer) lage trefkans op archeologische resten. In het vigerende bestemmingsplan is geen dubbelbestemming opgenomen, en het is niet bekend of de gemeente andere beleidsinstrumenten gebruikt waardoor archeologisch onderzoek toch noodzakelijk is. Op basis van deze informatie wordt archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht
6.3
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in dit plan.
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
7
Milieu
7.1
Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden vanuit diverse milieuaspecten inzichtelijk gemaakt. Waar nodig moet een vertaling plaatsvinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.
7.2
M.e.r.-beoordeling Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer geldt er een beoordelingsplicht. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Voorgenomen ontwikkeling betreft één bedrijf en is daarmee geen stedelijke ontwikkeling of bedrijventerrein zoals bedoeld in D11 van het Besluit m.e.r.. Een m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn daarnaast verderop in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen.
Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren. Uit de afweging is gebleken dat er als gevolg van de realisatie van het plan geen (significante) nadelige milieueffecten optreden.
7.3
Mobiliteit
7.3.1 Ontsluiting en verkeersgeneratie Op basis van het huidige en toekomstige programma is de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling berekend, gebruikmakend van de cijfers uit de CROW-publicatie 381 voor de hoogte van de verkeersgeneratie en de parkeernormen. Voor het projectgebied wordt uitgegaan van de gemiddelde kencijfers behorende bij de sted sterk
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
Huidig programma Veehouderij
CROW-categorie Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief
Aantal/ m2 5.675 m2
Kencijfer (gemiddeld) 8,75 per 100 m2 bvo
Verkeersgeneratie 496,6
Aantal/ m2 1.000 m2
Kencijfer (gemiddeld) 8,75 per 100 m2 bvo
Verkeersgeneratie 87,5
Tabel 2.1: berekening verkeersgeneratie huidige situatie
Toekomstig programma Vee/varkenstransportbedrijf
CROW-categorie Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief
Tabel 2.2: berekening verkeersgeneratie toekomstige situatie
Uit tabel 2.1 en 2.2 blijkt dat door de voorgenomen ontwikkeling de verkeersgeneratie afneemt. Het projectgebied wordt ontsloten via de Van Rijckevorselweg richting de A59. Voor het transportbedrijf wordt uitgegaan van het gebruik van circa 8 vrachtwagens, die één keer per dag op en neer rijden. Dit komt neer op circa 16 verkeersbewegingen. Het aandeel vrachtverkeersbewegingen zal niet significant toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast zijn er nog enkele autoverkeersbewegingen ten behoeve van de chauffeurs die in de ochtend naar het plangebied komen en aan het einde van de dag weer vetrekken. Bovenstaande CROW-normering kan dus gezien worden als worst-case. 7.3.2 Parkeren Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de Nota Parkeernormering 2021. De nota geeft normen en richtlijnen voor functies, gebaseerd op kentallen van het CROW, voor de zes verschillende zones binnen de gemeente. De nota geeft alleen voor de meest voorkomende functies, te weten wonen, werken en winkels, parkeernormen. Voor de ontwikkeling van andere functies gelden richtlijnen hoe met parkeren omgegaan moet worden. Bij het toelaten van initiatieven moet inzichtelijk zijn dat in de parkeerbehoefte van auto's en fietsen voorzien kan worden.
Dat moet in principe op eigen terrein. Wanneer dat niet mogelijk is en er binnen loopafstand geen parkeerruimte is kan dat leiden tot ruimtebeslag voor (meer) parkeren in de openbare ruimte. Dit ruimtebeslag mag de verkeersveiligheid en een goed woon- en leefklimaat niet aantasten.
in een bebouwd oppervlak van maximaal 1.000 m2 (exclusief de bestaande bedrijfswoning). Voor het vee/varkenstransportbedrijf wordt aangesloten Bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief plaats per 100 m2 bvo. In totaal dienen er dus 14 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Voor de bestaande bedrijfswoning geldt een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen. Gezien het oppervlak van het bedrijfsperceel is voldoende ruimte aanwezig om in de parkeerbehoefte op eigen terrein te voorzien. Het planvoornemen voldoet hiermee aan de gemeentelijke nota Parkeernormering 2016.
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
7.4
Bodemkwaliteit
7.4.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.
Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Ww) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. Gemeentelijk bodembeleid De gemeentelijke Bodemkwaliteitskaart geeft een beeld van de diffuse bodemkwaliteit (ook wel achtergrondkwaliteit genoemd) van de gemeente. In de daaraan gekoppelde Nota bodembeheer is aangegeven welke regels gelden met betrekking tot grondverzet binnen de gemeente. 7.4.2 Onderzoek en conclusie Door Antea Group is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 8 bij deze toelichting.
Op basis van de resultaten uit dit onderzoek wordt geadviseerd om, om vast te stellen of er op de locatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, ter plaatse van de eerder aangetroffen sterk en matig verhoogde gehalten een nader bodemonderzoek uit te voeren. Daarnaast dient een nader asbestonderzoek te worden uitgevoerd om vast te stellen of sprake is van een geval van bodemverontreiniging met asbest.
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
In verband met de aanwezige bebouwing en verhardingen wordt geadviseerd om het nader bodemonderzoek en nader asbestonderzoek uit te voeren wanneer de bebouwing en verharding verwijderd is. Dit onderzoek zal dan ook in een later stadium worden uitgevoerd. Als dit pas het geval is nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, dan worden hier ten tijde van de vergunningverlening afspraken over gemaakt. 7.5
Geluid
7.5.1 Kader De Wet geluidhinder verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten. 7.5.2 Onderzoek en conclusie De bestaande agrarische bedrijfswoning op het adres Van Rijckevorselweg 4 wordt gewijzigd in een normale bedrijfswoning. Deze wijziging wordt gereguleerd door middel van dit bestemmingsplan. In artikel 76 lid 3 is aangegeven dat voor een bestaande woning die is gelegen binnen de zone van een bestaande weg of wegen geen akoestisch onderzoek noodzakelijk is. Verder voorziet het bestemmingsplan niet in de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Dit betekent dat de Wet geluidhinder geen belemmering oplevert voor de ontwikkelingen die in dit bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt. 7.6
Luchtkwaliteit
7.6.1 Kader Luchtkwaliteit is afhankelijk van de aanwezigheid van stoffen in de buitenlucht die schadelijk zijn voor de gezondheid. Een maat voor de luchtkwaliteit is de concentratie van een dergelijke stof in lijke stoffen uitstoten, kunnen lokaal (tot enkele kilometers) effect hebben op de concentraties in de lucht. Normen ten aanzien van concentraties en voorschriften voor het meten en rekenen aan luchtkwaliteit zijn in de Nederlandse wet vastgelegd. Gezien de ontwikkeling dient het onderzoek met name betrekking te hebben op de luchtverontreinigende stoffen NO2 (stikstofdioxide), PM10 (fijnstof) en PM2,5 (zeer fijnstof). De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stof35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5)
Recent is in het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan Heesch-West, gelegen ten oosten van de bestemmingsplanlocatie, een luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek en een aanvullende berekening zijn voor dit bestemmingsplan de gevolgen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit hierna beschreven. 7.6.2 Onderzoek In het luchtkwaliteitonderzoek voor Heesch West, opgenomen als bijlage 9 bij deze toelichting, is onder andere op 10 m van de weg en ter plaatse van bestaande woningen in de omgeving van
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
het plan onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteitssituatie. Dat onderzoek had ook betrekking op de A59, de Rijckevorselweg en de betreffende woning in dit plan en andere woningen in de omgeving van dit bestemmingsplan. In het luchtrapport voor Heesch West zijn geen knelpunten aan de orde ten aanzien van de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit. Omdat jaarlijks de achtergrondconcentraties en de emissies van voertuigen worden geactualiseerd is een herberekening uitgevoerd op basis van de meest recente luchtkwaliteitsparameters. Voor deze berekening is gebruikt gemaakt van het Stacks-rekenmodel ondergebracht in het rekenmodel Geomilieu versie 2022.01. De belangrijkste bronnen die in dit onderzoek zijn betrokken betreffen de A59, en de hoofdwegen in de gemeenten langs deze rijksweg en de industriële emissie op het geplande industrieterrein Heesch -West. Het onderzoek naar de luchtkwaliteit is uitgevoerd langs de drukker bereden wegen en ter plaatse van bestaande woningen langs deze infrastructuur. Gerekend is voor de plansituatie, waarmee in dit geval de realisatie van Heesch West en de daarmee gepaard gaande emissie van luchtverontreinigende stoffen wordt bedoeld. De extra verkeersproductie van Heesch West is ook in de berekening meegenomen.
Op de navolgende afbeeldingen wordt de berekende jaargemiddelde concentratie NOx, PM10 en PM2,5 gepresenteerd ter plaatse van de woning Van Rijckevorselweg 4 en haar omgeving.
Afbeelding 7.1: Jaargemiddelde concentratie NOx
Afbeelding 7.2 : Jaargemiddelde concentratie PM10 (links) en PM2,5 (rechts)
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
Langs wegen en de ter plaatse van de bestaande woningen is de hoogst berekende jaargemiddelde concentratie maximaal 20 /m3.Deze concentratie is daarmee ruim lager dan de grens-
concentraties zijn eveneens ruim lager dan de grenswaarden. 7.6.3 Conclusie Omdat de gestelde grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit voor de concentraties van de beschouwde stoffen op geen enkel punt worden overschreden wordt geconcludeerd dat de grenswaarde uit de Wet luchtkwaliteit niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan. 7.7
Milieuzonering
7.7.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ven en van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) zijn deze richtafstanden opgenomen. De VNG-richtafstanden hebben betrekking op de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De milieucategorie leidt in combinatie met een omgevingstype (rustige woonwijk of gemengd gebied) tot een bijbehorende richtafstand. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 7.7.2 Onderzoek De omgeving van het plan is - gelet op de aanwezige functiemenging en de aanwezigheid van de Rijksweg Een vee/varkenstransportbedrijf behoort tot milieucategorie 3.2 op grond van onderstaande categorieën: 6024 6024 6321
494 494 5221
0 1 2
Goederenwegvervoerbedrijven (zonder schoonmaken tanks): b.o. > 1000 m² - Goederenwegvervoerbedrijven (zonder schoonmaken tanks) b.o. <= 1000 m² Stalling van vrachtwagens (met koelinstallaties)
0 0 10
0 0 0
100 C 50 C 100 C
30 30 30
100 50 100
3.2 3.1 3.2
Binnen het gebiedstype gemengd gebied hoort hier een richtafstand van 50 meter bij. In de omgeving van het plangebied zijn enkel agrarische bestemmingen aanwezig. De (bestaande) bedrijfswoning die binnen het plan mogelijk wordt gemaakt, hoort bij het vee/varkenstransportbedrijf. De dichtstbijzijnde andere woonbestemmingen zijn op circa 500m afstand gesitueerd. Binnen de agrarische bouwvlakken zijn wel bedrijfswoningen toegestaan. Het bouwvlak ten noorden van voorliggend perceel bevindt zich op circa 52 meter afstand, waardoor ook hier aan de richtafstand wordt voldaan. De aanwezige bedrijfswoning op dit perceel bevindt zich daarnaast nog verder naar het noorden binnen het bouwvlak. 7.7.3 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
7.8
Externe veiligheid
7.8.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. 7.8.2 Onderzoek Door Antea Group is een als bijlage 6. Hieronder zijn de resultaten uit deze memo beschreven. Op circa 310 meter ten noorden van het plangebied ligt de rijksweg A59. Het invloedsgebied van de A59 bedraagt 880 meter (stofcategorie: LT2). Hiermee valt het plangebied binnen het invloedsgebied van de A59. Hierbij is enkel het toxisch scenario relevant. Het plangebied valt niet binnen het explosieaandachtsgebied, waardoor enkel artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van kracht. Conform artikel 7 Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) dient de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid te worden beschouwd.
Toxisch scenario Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval een lekkage ontstaat en zich een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Zelfredzaamheid Bij een calamiteit waarbij toxische gassen kan vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. Ten aanzien van de zelfredzaamheid is relevant dat de ontwikkeling niet het verblijf van zeer kwetsbare groepen beoogt.
Bescherming wordt geboden door na een incident met gevaarlijke stoffen op de A59 ramen en deuren te sluiten en de mechanische ventilatie af te schaken. Als de
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
Omgevingswet van kracht is, moet bij nieuwbouw de mechanische ventilatie handmatig afschakelbaar worden uitgevoerd. Bestrijdbaarheid Ten aanzien van de bestrijding van een incident beschikt de veiligheidsregio over protocollen om een dergelijk incident te bestrijden. Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. 7.8.3 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A59. Er is een beschrijving gegeven van de zelfredzaamheid en de beschrijdbaarheid. Het bevoegd gezag, de gemeenteraad van -Hertogenbosch kan deze elementen betrekken bij de besluitvorming ten aanzien van de ruimtelijke procedure. 7.9
Geurhinder Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor geurgevoelige objecten (zoals woningen) moet het geuraspect meewegen. Het is niet toegestaan om zonder meer nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk te maken binnen de geurcontour van een bestaand bedrijf. Het feitelijk verwijderen van de veehouderij als onderdeel van het planvoornemen heeft echter een verbetering in de geursituatie als gevolg. Daarnaast wordt door middel van voorliggend plan de planologischjuridische mogelijkheid om op deze locatie een nieuwe intensieve veehouderij te vestigen duurzaam verwijderd. De bedrijfswoning die onderdeel uitmaakt van het planvoornemen heeft daarnaast geen gevolgen voor omliggende veehouderijen, aangezien er in de bestaande situatie reeds een geurgevoelig object in de vorm van een bedrijfswoning aanwezig is waarmee omliggende veehouderijen rekening dienen te houden. Het aspect geurhinder vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
7.10 Duurzaamheid 7.10.1 Kader Nationaal beleid Nationaal klimaatbeleid De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VN-klimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energieagenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd. Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie. Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
opwekking, besparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES). De regio's krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES. Via de RES kan de besluitvorming omtrent de ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio. Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Een belangrijk aandachtspunt is dat dit alleen geldt voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben een gasmeter tot en met G25 (een doorlaatwaarde tot en met 40 m³ per uur). Veel grotere kantoorpanden en bedrijven hebben een grotere aansluiting en hebben dus nog steeds recht op een aardgasaansluiting. Daarnaast biedt de Wet VET het college de ruimte om gebieden aan te wijzen waar netbeheerders geen nieuwe aardgasaansluitingen meer mogen verzorgen. Van deze bevoegdheid mag alleen gebruik worden gemaakt als er is voorzien in alternatieve voorzieningen.
Dit heeft echter alleen invloed op kleingebruikers. Voor grootverbruikers vervalt het recht op een gasaansluiting hiermee dus niet. De wetgeving biedt ook ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien. Energiezuinig bouwen De energiezuinigheid van woningen en utiliteitsgebouwen wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Het Bouwbesluit stelt bepaalde eisen aan de energiezuinigheid van gebouwen en daarmee de EPC-waarde van een gebouw. Voor een woning geldt een eis van 0,4 terwijl voor utiliteitsbouw een variatie aan normen wordt gehanteerd op basis van de functie. De EPC-eisen zijn vanaf 2021 vervangen door de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). In het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen wordt een strategie geschetst om te komen tot bijna-energieneutrale gebouwen, zowel bij nieuwbouw als transformatie van bestaande gebouwen. Het grote verschil tussen EPC en BENG is dat bij deze nieuwe eis energiebesparing belangrijker is dan energieopwekking. Waar bij de EPC-eis het nog mogelijk was om energieverliezen met bijvoorbeeld zonnepanelen te compenseren, kan dit met de BENGeisen niet meer. Naast de BENG-eisen die vanaf 1 januari 2021 gelden is er ook nog een aanvullende eis bijgekomen: de TOjuli.
TOjuli staat voor: TemperatuurOverschrijding juli. Het is namelijk gebleken dat zelfs als aan de BENG-eisen wordt voldaan er in de zomer problemen met betrekking tot oververhitting kunnen optreden. Om die reden moet bij vergunningaanvragen voor nieuwbouw niet alleen aan de BENG-eisen voldaan, maar ook aan de TOjuli eis. Provinciaal beleid Energieagenda 2019 - 2030 De provincie Noord-Brabant streeft naar een energieneutrale samenleving in 2050. Met de Energieagenda 2019-2030 maakt de provincie inzichtelijk welke ambities, principes en strategieën hieraan gekoppeld zijn. In de agenda staan urgentie en noodzaak van versnelling centraal. Alle opties voor verschillende soorten duurzame energiebronnen worden opengehouden. Er zal dus een mix van bronnen ontstaan. Zon- en windenergie bijvoorbeeld zijn variabels: het aanbod wisselt tussen dag en nacht, maar ook tussen seizoenen. Het systeem wordt meer aanbod gestuurd. Met flexibiliteit op het energienet is vraag- en aanbod te matchen. Ook digitalisering zal een
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
cruciale rol spelen bij het realiseren van flexibiliteit in, en monitoring van het nieuwe decentrale energiesysteem. De Energieagenda 2019-2030 is voor de eerstkomende periode vastgesteld. Dit is een tussendoel op weg naar 2050. De hieruit volgende ambities en hoofddoelen zijn opgenomen in de onderstaande tabel.
De provincie zet fors in op het gebruik van duurzame energie, jaagt baanbrekende innovaties in de energiewereld aan en betrekt zo veel mogelijk Brabanders bij de energietransitie. Wat betreft de ruimtelijke inrichting en ontwikkeling heeft de provincie de taak om integrale afwegingen te maken met een ruimtelijke helicopterview, kijkend over de gemeentelijke grenzen heen. Hierbij wordt gezocht naar complementariteit. De mogelijkheden tussen de gemeenten verschillen, dus ook de mogelijkheden om bij te dragen aan de energietransitie. Ook streeft de provincie naar omgevingskwaliteit en besteedt zij aandacht aan de vormgeving van de energie-opwekking in het landschap, zoals in de Omgevingsvisie (2018) is toegelicht. Ze hanteert hierbij principes als meervoudig, efficiënt en zorgvuldig ruimtegebruik, met aandacht voor landschappelijke karakteristieken en waarden, die zijn geconcretiseerd in de Omgevingsverordening. Voor bedrijven(terreinen) zijn de volgende doelen relevant: Energiedoelen zo veel mogelijk realiseren in samenhang met andere maatschappelijke opgaven, zoals mobiliteit, circulaire economie, klimaatadaptatie en stedelijke ontwikkeling, een nieuw bedrijventerrein en stedelijke transformatieopgaven. Bevorderen van deelname door burgers aan opwekking van zon- en windenergie op bedrijventerreinen.
Regionaal beleid Regionale Energie Strategie (RES) Noordoost-Brabant De decentrale overheden (gemeenten, waterschappen en provincies) werken vanaf het najaar 2018 in 30 regio's aan een Regionale Energie Strategie (RES). Deze samenwerking volgt uit afspraken gemaakt in het Klimaatakkoord van Parijs, het Regeerakkoord, het Interbestuurlijk Programma en het voorstel tot hoofdlijnen van het Klimaatakkoord. De RES is een instrument om met maatschappelijke partners, bedrijfsleven en bewoners te komen tot regionaal gedragen keuzen voor de opwekking van duurzame elektriciteit, de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de daarvoor benodigde opslag en energieinfrastructuur. De RES biedt een bouwsteen voor het omgevingsbeleid van gemeenten, provincies en Rijk, waarin integrale besluitvorming over de fysieke leefomgeving plaatsvindt. Tenslotte is de RES een product waarin staat beschreven welke strategie de regio hanteert om energiedoelstellingen te bepalen en te behalen.
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
Nationale scope De onderdelen elektriciteit en gebouwde omgeving zijn door het Rijk verplicht gesteld. Daarnaast is het aan de regio's om de keuze te maken in hun bod naar het Rijk, en de scope van de RES te verbreden.Wat betreft de elektriciteit ligt de focus op ruimtelijke inpassing (techniek neutraal), gerelateerd aan de voorlopige kwantitatieve doelstelling van 35 TWh op land in 2030. De opgave voor de gebouwde omgeving gaat uit van het voorzien in duurzame warmte, schone elektriciteit en goede isolatie van zeven miljoen huizen en één miljoen gebouwen voor 2050. Bestuurlijk startdocument RES Regio Noordoost Brabant De regio Noordoost-Brabant heeft hiertoe in februari 2019 een Startnotitie opgesteld. De startnotitie biedt het kader voor een regionale samenwerking om te komen tot een gedragen RES en daarmee het gezamenlijke regionale 'bod'. In het document zijn de huidige situatie en regionale opgave beschreven. Ook komen onder meer de projectorganisatie, participatie en communicatie, bestuurlijke borging, capaciteit en (financiële) middelen en de beoogde planning aan bod. In 2020 zijn de Concept RES'en en door de gemeenten vastgesteld. De RES 1.0 is in 's-Hertogenbosch op 18 mei 2021 vastgesteld. Deze zijn aangeboden aan het Nationaal Programma RES.
Gemeentelijk beleid Energietransitieprogramma's 's-Hertogenbosch 2016 - 2020 De hoofddoelstelling is het realiseren van energiebesparing en opwekking van duurzame energie van minimaal 0,4 PJ en maximaal 1,2 PJ per jaar in 2020 ten opzichte van 2015. Voor bedrijven(terreinen) zijn de volgende relevante doelen geformuleerd: Geen gebruik meer van fossiele brandstoffen als aardgas en elektriciteit uit aardolie of kolen. Energie zal duurzaam worden opgewekt, veel meer decentraal en kleinschalig. Bedrijven worden naast energieconsument ook energieproducent. De ambitie is het scenario met maximaal haalbare maatregelen voor energiebesparing en duurzame energieopwekking: Industrie: 35% energiebesparing (elk jaar 1% besparing tot en met 2050) Verkeer: 35% energiebesparing (elk jaar 1% besparing tot 2050) Zoveel mogelijk windmolens die passen binnen het provinciaal beleid (circa 20 molens van 3 MW) (0,5 PJ in 2050) 300 hectare zonnepanelen op landbouwgrond, ongebruikte bedrijventerreinen en parkeerterreinen (1,1 PJ in 2050) Alle geschikte daken vol met zonnepanelen (0,8 PJ in 2050) Biomassa: alle reststromen van grasland, bos, akkerbouw en rioolwaterzuivering binnen de gemeente benutten (0,3 PJ in 2050) Restopgave (6,5 PJ in 2050, nog geen oplossingen voor) Visie energielandschap (gemeente 's-Hertogenbosch) Gezien de impact van duurzame energieopwekking op het landschap acht de gemeente
's-Hertogenbosch een Visie energielandschap noodzakelijk. De Visie energielandschap richt zich dan ook uitsluitend op productiemethoden met ruimtelijke impact. namelijk zonne- en windenergie. De Visie is opgesteld om te bepalen waar en onder welke condities het mogelijk is om initiatieven
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
met windturbines en zonnevelden verder uit te werken, zodat wordt bijgedragen aan de regionale energieopgave. De Visie is vastgesteld in juli 2020. De ontwikkeling van zonne- en windenergie vergt een integrale benadering waarbij meerdere doelen met elkaar worden verenigd. Zonne-energie wordt bij voorkeur ontwikkeld op (zandwin)plassen en op en rondom snelwegen. Op andere locaties zijn ook mogelijkheden voor zonneenergie denkbaar. Enkel gebieden met hoge ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische en recreatieve kwaliteiten bieden in beginsel geen wenselijke locatie door zonne- en windenergie. In een separaat traject wordt gekeken of hier wel mogelijkheden zijn voor een duurzame polder. Verder moet de ontwikkeling leiden tot ruimtelijke kwaliteit en maatschappelijke meerwaarde. Daarbij wordt rekening gehouden met het woon- en leefklimaat, zoals gezondheid, en natuurwaarden. Ook kan in de toekomst gedacht worden aan andere vormen van energie, zoals het benutten van restwarmte of energie uit vergisting. -Hertogenbosch -Hertogenbosch wordt gewerkt aan een gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente, -Hertogenbosch in 2050 duurzaam is. De gemeente werkt al jaren samen met burgers en partners om de leefomgeving aantrekkelijker te maken. Van buurtgericht werken tot grote projecten van wonen in het groen en het verbinden van diverse ecologische verbindingszones.
Maar ook op energietransitie loopt de stad al jaren voorop als het gaat om innovatie en ontwikkeling. De traditie van duurzaam handelen wordt voortgezet. De gemeente gaat op weg naar een gemeente waar inwoners wonen en vrij bewegen in een aantrekkelijke, leefbare en groene omgeving. Met groen op loopafstand in een schone lucht. Klimaatbestendig, CO2-neutraal en optimaal herg -Hertogenbosch. Dit doet de gemeente op basis van de 4 ambities: Ambitie 1: Gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving Ambitie 2: CO2-neutrale gemeente Ambitie 3: Waardebehoud van grondstoffen Ambitie 4: Duurzame mobiliteit 7.10.2 Afweging en conclusie Er worden met dit bestemmingplan nieuwe bouwmogelijkheden toegestaan. Er zal in ieder geval worden voldaan aan de wettelijke vereisten. De ontwikkeling is in lijn met de gestelde duurzaamheidskaders. 7.11 Gezondheid 7.11.1 Kader In ruimtelijke plannen wordt gezondheid steeds nadrukkelijker meegewogen. In het bijzonder gaat het om eventuele risico's als gevolg van varkens- en pluimveehouderijen (endotoxinen) en geitenhouderijen. Varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) Een veehouderij in de omgeving van een woning kan effecten hebben op de gezondheid. Omwonenden van veehouderijbedrijven worden blootgesteld aan bepaalde micro-organismen en
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
endotoxinen. Zowel micro-organismen en endotoxinen kunnen effecten op de gezondheid hebben. Het gaat dan vooral om effecten op de luchtwegen.
een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Geitenhouderijen Mogelijk is er een verband tussen het langdurig verblijven in de nabijheid van een geitenhouderij en het krijgen van longontsteking. In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO). Gegevens van 110.278 patiënten, die ingeschreven stonden bij 27 huisartspraktijken in het VGO-onderzoeksgebied, zijn hiervoor geanalyseerd. Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGO-onderzoek (VGO-2) zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). Uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderij.
De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Het gevolg is dat het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is. 7.11.2 Afweging en conclusie Binnen 2 km van het plangebied is een geitenhouderij gelegen. De bedrijfswoning binnen het plangebied was echter al aanwezig. Er worden geen nieuwe gevoelige objecten mogelijk gemaakt. Er is dus geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
8
Uitvoerbaarheid
8.1
Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens dient, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De gemeente voert zelf de regie over de herontwikkeling en bewaakt hiertoe de grondexploitatie. Gezien het bovenstaande wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd geacht.
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Deze ontwikkeling is passend binnen de ruimtelijk kaders van de gemeente. Met de ontwikkeling verdwijnt een intensieve veehouderij, waardoor eventuele overlast verdwijnt. Daarnaast wordt de bestaande ruimte beter ingericht en de kwaliteit van de leefomgeving verbetert. Door de gemeente wordt tevens een omgevingsdialoog georganiseerd. In de bestemmingsplanprocedure wordt desondanks de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen (zie ook hoofdstuk 9 van deze toelichting).
8.3
Handhavingsaspecten Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de Woningwet (Ww) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Bij het opstellen van dit nieuwe bestemmingsplan zijn de gronden vrij gedetailleerd bestemd.
Binnen de bestemmingen is daarmee relatief veel rechtszekerheid en is daarmee weinig kans op interpretatieverschillen. Ook zijn de verbeelding, de regels en de toelichting zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatieproblemen en problemen met betrekking tot de uitvoering zo veel mogelijk worden voorkomen.
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp
9
Procedure
9.1
Voorbereidingsfase Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet voorafgaand aan een bestemmingsplanprocedure, een vooraankondiging worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Overleg Conform artikel 3.1.1 van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeentes en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader wordt het concept-ontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan de betrokken overlegpartners. Eventuele overlegreacties worden ten zijner tijd aan deze paragraaf toegevoegd.
9.2
Ontwerpfase Na afronding van het vooroverleg wordt de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die eventueel volgen uit de overlegreacties worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening (Wro) (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient ook via elektronische weg te geschieden. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Van de eventueel ontvangen zienswijzen wordt te zijner tijd in deze paragraaf verslag gedaan.
9.3
Vaststellingsfase Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot vergunningverlening kan worden overgegaan.
Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 Toelichting Ontwerp