CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ontwikkelkader de Vliert fase 1

Gemeenteraad 7 mei 2025, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Ontwikkelkader De Vliert fase 124.638 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

1 alinea's met “bopa”: 628

Collectieve, transparante fietsenstallingen liggen aan de looproutes en zijn onderdeel van het gebouw. Deze collectieve fietsenstallingen zijn makkelijk te bereiken, de entree is zorgvuldig vormgegeven en nodigt uit tot gebruik. Bezoekersparkeren wordt in fietsparkeerzones mogelijk gemaakt in de openbare ruimte.

1.

2.

Criteria: Adressering: • De woonblokken aan de Stadionlaan hebben minimaal één collectieve hoofdentree gelegen op de kop van het gebouw met oriëntatie op de Stadionlaan en een informele entree aan de parkhofzijde. • De woningen in de plint aan de Stadionlaan hebben een individuele entree aan de parkhofzijde (zuidzijde). • De collectieve fietsenstalling is makkelijk te bereiken en is onderdeel van en opgenomen in het hoofdvolume van de bouwblokken. • De adressering van de collectieve entrees en collectieve fietsenstallingen voor de losse volumes in het park zijn gelegen aan de doorsteek zodat deze makkelijk te bereiken zijn vanaf zowel het parkeerhuis als de incidenteel te gebruiken parkeerplekken aan de Stadionlaan.

3.

2.

4. 1.

3.

3.

Herkenbaarheid van de entrees: • Collectieve entrees zijn hoogwaardig vormgegeven, transparant, uitnodigend en duidelijk herkenbaar. Aan de Stadionlaan zijn de collectieve entrees minimaal 4,5 meter hoog.

1.

1.

Collectieve hoofdentree aan doorsteken

3. Langzaamverkeerroutes

2.

Woningen op de begane grond adresseren zich aan de hof en langzaamverkeer straten

4. Doorsteek

Pagina 69

4. Plinten Voor alle gebouwen in Vliertpark geldt dat deze alzijdig zijn georiënteerd en daardoor onderdeel vormen van het park. De plinten grenzend aan de publieke ruimte worden geactiveerd en krijgen een alzijdig karakter. Voor de plinten langs openbare routes is een hogere plint gewenst. Dit zorgt voor een flexibele invulling en maakt het park maximaal ervaarbaar vanuit het gebouw.

Plinten worden deels ingevuld met wonen in twee bouwlagen.

De plinten aan de hoofdroutes zijn minimaal 4,5 meter hoog.

De plinten hebben een open karakter en levendige uitstraling.

Pagina 70

Criteria: • De plinten van de gebouwen aan de Stadionlaan en de hoofdroutes door het park zijn netto minimaal 3,5 m meter hoog. • De plinten hebben een open karakter en levendige uitstraling. Plinten hebben grote puien ten behoeve van maximale interactie met het park en zicht, licht en openheid. • Plinten van gebouwen aan de stadionlaan worden deels ingevuld met wonen in twee bouwlagen (bijvoorbeeld maisonnettes). • Plattegronden worden locatiespecifiek ontworpen. • Blinde muren of dode plinten zijn niet toegestaan. • Nutsvoorzieningen zijn goed ingepast en onderdeel van de architectuur. Ze worden bij voorkeur inpandig opgelost en moeten worden afgestemd met de nutsbedrijven. Nutsvoorzieningen zijn niet toegestaan op beeldbepalende plekken. • Waar gebouwen een dubbel oriëntatie hebben zijn geen achterkant situaties toegestaan. • Bergingen worden intern bij de woning opgelost, in de plinten zijn alleen de collectieve fietsenstallingen toegestaan en deze hebben een transparante gevel. De plintoppervlakte van de fietsenstallingen wordt beperkt. • De plint aan de Stadionlaan heeft transparante gevels met een rijk beplante strook tussen rijbaan en bebouwing waardoor er een sterke relatie is maar ook privacy.

5. Overgangen en buitenruimtes Er is een hiërarchie in de openbaarheid van het park. Het park met volwassen bomen, laanbeplanting en hoofdfietsroutes is openbaar en tevens de plek waar buurtbewoners elkaar treffen. De hoven zijn openbaar toegankelijk en zo ingericht dat bezoekers zich welkom voelen, maar tegelijk ook te gast bij de bewoners. De privé-buitenruimtes op maaiveld zijn beperkt van omvang zodat er maximaal ruimte wordt geboden aan het park. Enerzijds is levendigheid gewenst, anderzijds is er behoefte aan privacy voor de woningen in de blokken aan het openbare park. Een landschap om aan te raken.

Informele buitenruimtes van bescheiden formaat.

Beplanting van gevel tot gevel is het uitgangspunt in Vliertpark. Rijk begroeide gevels, bomen en heesters dicht op de gevels en minimale verharding versterken het gevoel in het park te wonen. De begroeide gevels, groene dakterrassen en andere middelen halen het parklandschap naar binnen, zelfs op de hoger gelegen verdiepingen.

Uitnodigende collectieve plekken verbonden met de woningen.

De privé-buitenruimte van beperkt formaat.

Privé-buitenruimtes gaan op een natuurlijke manier over in de collectieve hoven.

Overgangen publiek-privé dragen bij aan een sociaal veilige en aantrekkelijke omgeving.

Criteria: • Er komen zorgvuldig ontworpen overgangszones tussen publiek-privé. • De privé-buitenruimte van de woningen in de plint is beperkt tot een zone van maximaal 3 meter, waarvan 2,5 meter terras. • Overgangen publiek-privé dragen bij aan een sociaal veilige en aantrekkelijke omgeving voor gebruikers en passanten en nodigen uit tot verblijf, contact en ontmoeting. Hierbij is het belangrijk om een balans te vinden tussen levendigheid en privacy, wat vraagt om een zorgvuldige inrichting en zonering van de beschikbare ruimte. • Alle buitenruimtes en erfafscheidingen worden integraal mee ontworpen met het architectonisch ontwerp van het gebouw en de inrichting buitenruimte. Erfafscheidingen tussen privé en openbaar zijn maximaal heuphoog. • Verticale tuinen, groeiend uit de volle grond, zijn integraal onderdeel van de architectuur en worden royaal toegepast tot een hoogte van minimaal de eerste vier verdiepingen zodat het park en de gebouwen in elkaar overlopen.

Pagina 71

6. Gemeenschap en plekken voor ontmoeting Op verschillende niveaus wordt het vormen van een gemeenschap gefaciliteerd. Een gemeenschap vermindert de kans op eenzaamheid en versterkt de binding tussen de bewoners en de plek. Op een plek waar veel mensen bij elkaar wonen is het ontstaan van een gemeenschap geen vanzelfsprekendheid, het kan ook omslaan naar anonimiteit wanneer niet de juiste condities worden gefaciliteerd. Waar de woningen wat minder ruim zijn, ontstaat behoefte om zaken collectief te organiseren. Te denken valt aan een gedeelde wasruimte of buitenruimte. In plaats van strikt functionele verplaatsruimtes wordt gestreefd naar multifunctionele ruimtes waar kansen voor ontmoeting en extra ogen op straat worden gefaciliteerd, te denken valt aan leefgalerijen, rechtsreekse trappen naar het park vanaf de galerij en inrichting van de collectieve parkhoven in overleg met de toekomstige bewoners. Criteria: • Rondom of op ieder parkhof is minimaal één collectieve buurtkamer opgenomen, afhankelijk van het aantal gebruikers wordt de afmeting bepaald. • Bebouwing is georganiseerd rondom parkhoven, met een meer publiek toegankelijk karakter. • Daken zijn zoveel mogelijk collectief bruikbaar, toegankelijk en zo groen mogelijk. • Collectieve entrees faciliteren (spontane) ontmoeting.

• Galerijen worden op minimaal de eerste drie verdiepingen als leefgalerij vormgegeven: deze zijn minimaal 2,7 meter diep zodat er ruimte voor een zitje is en zijn hoogwaardig vormgegeven om ontmoeting te stimuleren.

Gebruik van leefgalerijen.

Pagina 72

Collectieve buurtkamer.

Bebouwing ondersteunend aan het landschap, maximaal ruimte voor collectief.

7. Dakenlandschap De daken vormen de ‘vijfde gevel’ van het gebouw en een verlengstuk van het park. Een trapsgewijze opbouw van verbindt het parklandschap op maaiveldniveau met de verdiepingen en biedt ruimte voor verschillende daktuinen met diverse oriëntaties en gebruiksmogelijkheden. Een zichtbaar watersysteem is een integraal onderdeel van het ontwerp in Vliertpark. Vanaf de daken, waar het water wordt vastgehouden voor de bewatering van de intensief begroeide daken, is een zichtbaar watersysteem ontworpen waarbij de regendruppel te volgen is tot deze uiteindelijk in De Vliert stroomt. Dit watersysteem is onderdeel van de parkinrichting en draagt bij aan de unieke identiteit van Vliertpark.

Daken zijn zoveel mogelijk collectief bruikbaar, toegankelijk en zo groen mogelijk.

Criteria: • Daken die niet voor energievoorziening worden ingezet zijn collectief bruikbaar, toegankelijk of ingericht met beplanting. • Daken zorgen voor een aangenaam groen uitzicht voor de woningen erboven. • Dakinstallaties blijven uit het zicht en worden architectonisch of groen ingepast in het ontwerp. • Energievoorziening zoals pv-panelen wordt bij voorkeur in combinatie met groen toegepast. • Het watersysteem is onderdeel van het ontwerp.

Daken vormen het verlengstuk van het park.

Pagina 73

Natuurinclusief bouwen wordt integraal meeontworpen in relatie tot de inrichting van de buitenruimte. De diversiteit van de blokken in hoogte en ligging creëert veel kansen om verschillende flora en fauna te faciliteren. Om het maximale rendement uit de maatregelen te halen, is overleg met de stadsecoloog vereist, zodat de genomen maatregelen duurzaam onderhouden en beheerd kunnen worden en aansluiten op het ecosysteem van Vliertpoort en de stedelijke structuren.

Aardetinten en natuurlijke kleuren.

Hout speelt een prominente rol in het gevelbeeld.

Groene gevels worden integraal mee ontworpen met de architectuur van het gebouw.

Luwte en informeel.

8. Kleur en materiaal Vliertpark De bebouwing in Vliertpark ondersteunt het park. De parkwereld is zacht en het kleuren- en materiaalpalet sluit hier perfect op aan. Dit palet bestaat uit aardetinten, natuurlijke kleuren, biobased materialen, materialen die mooi verouderen en begroeide gevels. Hout speelt een prominente rol in het gevelbeeld waarbij gebruik wordt gemaakt van duurzame en hoogwaardige materialen. Pagina 74

Voor de alzijdige woongebouwen in Vliertpark hebben natuurlijke materialen zoals hout, natuursteen en baksteen de voorkeur. Aardse tinten vormen de basis van het kleurenpalet (zoals warm lichtbruin en warm zachtrood), afgewisseld met enkele accent kleuren. Alle gevels hebben een open transparant karakter door toepassing van veel glas. Criteria: • Het kleurenpalet bestaat uit aardetinten en natuurlijke kleuren. • Het materiaalpalet bestaat uit hout, natuursteen, baksteen, biobased materialen. • Alle gevels hebben een open en transparant karakter. • Groene gevels worden integraal mee ontworpen met de architectuur van het gebouw. De plekken waar groen zich manifesteert, worden voorzien van een royaal pakket aan substraat of zijn geworteld in de volle grond op maaiveld. Dit ten behoeve van kwalitatief hoogwaardig en volwaardig, hoog groen en de goede groei mogelijkheden ervan. • Zonwering, duurzaamheidsmaatregelen als zonnepanelen, installaties en akoestische voorzieningen worden integraal mee ontworpen met de architectuur van het gebouw.

Beeldkwaliteit Parkeerhuis Vliertpark Samenhang en variatie Het parkeerhuis is een meerlaagse voorziening aan de oostzijde van Vliertpark, dichtbij het stadion. Het ontwerp van het parkeerhuis is samenhangend ontworpen en alzijdig georiënteerd, wat betekent dat het gebouw vanuit alle richtingen

aantrekkelijk oogt. Het parkeerhuis kent, net als de woningen in Vliertpark, een sterke vervlechting met het groen. Door deze alzijdig te vergroenen wordt het gebouw onderdeel van het landschap en stimuleert het biodiversiteit en natuurinclusiviteit. Het groen vormt het hoofdthema voor de alzijdige architectuur. Maat en schaal Het parkeerhuis bestaat uit circa vier tot vijf bouwlagen, wat zorgt voor een duidelijke aanwezigheid zonder de omgeving te domineren. De hoogte en de diepte is uitbreidbaar, afhankelijk van de parkeerbehoefte. Het ontwerp moet deze aanpassingen kunnen opvangen zodat het in al de gevallen als een compleet gebouw oogt, ook als er verdiepingen worden toegevoegd of verwijderd.

Natuurinclusief.

Diverse functies in de plint.

Routes en entrees De routes en entrees van het parkeerhuis zijn zo ontworpen dat ze spontane ontmoetingen faciliteren. De hoofdentree bevindt zich aan de Stadionlaan, waar ook de halte van de transferiumbus en reguliere lijnbussen is gesitueerd. Aan de zijde van het park ligt een aantrekkelijke entree voor bewoners en bezoekers van Vliertpark. De routes door het park zijn aantrekkelijk en stimuleren beweging, met de fiets en trap als voorkeursopties boven de auto en lift. Dit draagt bij aan een gezonde en actieve leefomgeving. Plinten De plint van het parkeerhuis heeft een hogere verdiepingshoogte en biedt ruimte voor diverse functies, zoals deelmobiliteit (elektrische auto’s, e-bikes, e-scooters), andere aanvullende services en leisure functies. Deze plint is alzijdig georiënteerd en draagt bij aan de actieve en levendige uitstraling van het gebouw.

Sterke relatie tussen binnen en buiten.

Overgangen en buitenruimtes De rooilijn van het parkeerhuis is zorgvuldig afgestemd op de omliggende bebouwing en het parklandschap. Dit zorgt voor een harmonieuze overgang tussen het gebouw en de openbare ruimte.

Begroeide gevels.

Het gebouw is een bijzonder samengaan van techniek en groen

Pagina 75

Dakenlandschap Het dak van het parkeerhuis vormt een belangrijk onderdeel van het ontwerp. Ze wordt beschouwd als de ‘vijfde gevel’ en is ingericht als groen dak in combinatie met energieopwekking. Het groene dakenlandschap draagt bij aan de biodiversiteit en biedt een aantrekkelijk uitzicht voor de omliggende gebouwen. Kleur & Materiaal Het materiaalgebruik van het parkeerhuis ondersteunt de parkachtige omgeving van Vliertpark. Het kleuren- en materiaalpalet bestaat uit aardetinten en natuurlijke kleuren, met een prominente rol voor hout en andere biobased materialen. Deze materialen verouderen mooi en dragen bij aan de duurzame uitstraling van het gebouw. De gevels zijn grotendeels begroeid, wat bijdraagt aan de integratie van het gebouw in het parklandschap. De plinten zijn open van opzet in transparante materialen. Criteria: • Het gebouwvolume is alzijdig vormgegeven. • Het gebouw is een bijzonder samengaan van techniek en groen, dit samengaan dient alzijdig tot uitdrukking te komen in de architectuur en de materialisering. Groen is een integraal onderdeel van het gebouw en vormt op zichzelf een nadrukkelijk materiaal in het ontwerp. • Het versterken van de biodiversiteit en natuurinclusieve gevel is leidend in de architectuur van het gebouw.

• De plekken waar groen zich manifesteert, worden voorzien van een royaal pakket aan substraat of zijn geworteld in de volle grond op maaiveld. Dit ten behoeve van kwalitatief hoogwaardig en volwaardig, hoog groen en de goede groei mogelijkheden ervan. • Het ontwerp moet uitbreiding op een vanzelfsprekende manier kunnen opvangen en in elke fase als compleet ogen. • De entrees dienen krachtig herkenbaar te zijn en laten het toe te contrasteren ten opzichte van de rest van het parkeerhuis om daarmee de zichtbaarheid en herkenbaarheid ervan te bewerkstelligen. • Sociale veiligheid is een belangrijk ontwerpuitgangspunt. Het gebouw dient hiervoor naar buiten gericht te zijn. • De plinten hebben een open karakter en levendige uitstraling. De plinten Pagina 76

• • • •

worden ingevuld met een aanvullend programma. Installaties zijn niet zichtbaar vanaf maaiveld of worden architectonisch vormgegeven, bv door een speci iek ontworpen ombouw. Het dak wordt vergroent waar mogelijk. Het technische karakter uit zich in de constructie en de gevel en komt vanuit de heldere vormgeving met extra aandacht in de detaillering. Het kleuren- en materiaalpalet bestaat naast beplanting uit aardetinten en natuurlijke kleuren, met een prominente rol voor hout en andere biobased materialen aangevuld met staal en steen.

Integraal Q-team Om de ruimtelijke kwaliteit en samenhang van de Vliert te versterken, wordt een Q-team (kwaliteitsteam) samengesteld. Het team stuurt op de gewenste ruimtelijke kwaliteit en samenhang tussen de bouwplannen en de openbare ruimte. Het team wordt betrokken bij de selectie en gunning in geval van een tender of is (bij bouwplanontwikkeling) samen met de opdrachtgever(s) van de bouwplannen verantwoordelijk voor de architectenkeuze. Het geeft een advies over de ruimtelijke uitgangspunten aan de architecten en stuurt op de gewenste ruimtelijke kwaliteit en samenhang tussen de bouwplannen en de openbare ruimte. Bij de toetsing van de aanvragen voor een omgevingsvergunning geven zij advies aan de Adviescommissie Omgevingskwaliteit. Deze werkzaamheden doen zij op basis van de uitgangspunten en kaders die zijn vastgelegd in het Ontwikkelkader de Vliert. Voorafgaand aan de uitvraag is het Q-team betrokken bij de nadere uitwerking en actualisatie, op basis van het ontwikkelkader, tot ruimtelijke uitgangspunten per deelplan. Voor de deelgebieden wordt op basis van deze beeldkwaliteitsrichtlijnen een integrale uitwerking gemaakt voor het stedenbouwkundig ontwerp, het inrichtingsplan en de architectuur.

7. DUURZAAMHEID EN MILIEU Hoge ambitie voor klimaat en veiligheid

Voor de ambities op het gebied van duurzaamheid, klimaatadaptie en externe veiligheid ligt de lat hoog in de Vliert. Het vele groen zorgt voor een aangenaam verblijfsklimaat dat hittestress tegengaat. Ook biodiversiteit, natuurinclusiviteit en het gebruik van natuurlijke bouwmaterialen spelen een belangrijke rol bij de inrichting van de nieuwe stadswijk. Daarmee levert de Vliert een essentiële bijdrage aan onze doelstelling van een groen en klimaatbestendig ‘s-Hertogenbosch. De Vliert wordt een gezonde en groen-blauwe stadswijk voor mens en dier. Daarvoor is al veel karakteristiek groen en water aanwezig in het gebied. Zoals beschreven in hoofdstuk 4 wordt dit bestaande groen en water zoveel mogelijk gehandhaafd en verder versterkt als drager voor de stedenbouwkundige structuur. Het groen heeft een recreatieve betekenis en versterkt de woonkwaliteit van de aanliggende buurten. Maar het biedt ook veel kansen voor klimaatadaptatie, waterberging en biodiversiteit.

Groen, bomen en water We willen een groene klimaatbestendige stad worden. Om dit te bereiken hanteren we onder meer de volgende drie principes: • de ‘Sponsstad’ • de ‘3-30-300-regel’ • de ‘Stad als groene rots’ Hoe we deze principes toepassen verschilt per gebied, omdat de locatiespecifieke kenmerken hiervoor bepalend zijn. Dit staat voor elk gebied in de stad uitgewerkt in de “Gebiedspaspoorten Groen en Klimaatbestendig”. Daarin behoort de Vliert tot de categorie zandwijken, dus wijken die op zandgronden zijn gesitueerd. Voor de Vliert betekent dit voor het aspect ‘Sponsstad’ dat regenwater moet kunnen infiltreren in de bodem (10 mm/m2) en er voldoende berging moet worden gerealiseerd voor een forse piekbui (70 mm). Dit om water voor de natuur in de ondergrond op locatie vast te houden en droogte in het gebied te bestrijden. De ‘3-30-300-regel’ betekent dat bomen in minstens 30% van de openbare ruimte voldoende schaduw moeten geven tijdens hete zomers en er moeten voldoende koelteplekken zijn op korte afstand van elke woning. Op die manier bestrijden we de hittestress. Het Vliertpark is zo’n koelteplek.

Pagina 77

Volgens het gebiedspaspoort versterken de aanwezige groenstructuren in de Vliert de biodiversiteit, vooral voor vleermuizen, kleine marterachtigen en vlinders. De bomenstructuur is een groene route voor vleermuizen, vogels en eekhoorns. Het beheer van het groen wordt gericht op het versterken van deze natuurwaarde, zoals door gefaseerd maaien van bermen/ruw gras. Grasvelden en natuurlijke oevers ontwikkelen we tot een interessante en gevarieerde vegetatie van wilde grassen, kruidachtige en bloeiende planten. Tenslotte zijn in de Vliert natuurinclusieve bebouwing en groene architectuur het uitgangspunt, interessant voor vleermuizen, de huismus en gierzwaluw. Met groene daken en -gevels, nestkasten en een bloem- en bosrijke beplanting in de openbare ruimte rondom de nieuwe woningen. Zo maken we van de stad een ‘groene rots’.

Bomen als oplossing: de 3 - 30 - 300 - regel De 3-30-300 regel gebruiken we om de bijdrage van groen aan de leefbaarheid van de woonomgeving te meten: 3 30 300

Kun je vanuit elke woning in de wijk drie bomen zien? Valt 30 procent van de wijk in de schaduw van een boom? Is er vanuit elke woning op 300 meter een verkoelend parkje toegankelijk?

Verordening bomen, water en groen Deze ambities zijn niet vrijblijvend. Aan het beleidsplan ‘’s-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig’ is de Verordening Bomen, Water en Groen gekoppeld. In de verordening staan voorschriften waar de ruimtelijke ontwikkelingen in de Vliert rekening mee moeten houden. Zo moeten bouwplannen minimaal 70 mm hemelwater per m² verhard oppervlak op eigen terrein kunnen bergen. Ook moeten de bouwplannen voldoen aan de groennorm, die zowel een minimum oppervlakte groen voorschrijft als een minimale bijdrage aan het vergroten van de biodiversiteit.

Pagina 78

Voor de Vliert zijn vooral de aanwezige volwassen bomen en houtopstanden een punt van aandacht. Deze zijn door middel van bomeninventarisaties al in kaart gebracht (zie bijlage 2). Uitgangspunt is dat de bestaande bomen in de nieuwe ontwikkelingen worden ingepast. Het aantal te realiseren woningen staat voorop, daardoor kunnen soms niet alle bomen gespaard worden om tot een haalbaar plan te komen. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan wordt conform het Bomenbeleidsplan onderzocht of bomen kunnen worden verplant. Iedere boom die door de voorgenomen ontwikkelingen niet kan worden gehandhaafd of verplant wordt elders in het plangebied gecompenseerd. Uiteindelijk voegen we met deze gebiedsontwikkeling een aantal bomen toe.

Milieu en hinder Geluid van (spoor)wegen Er zijn indicatieve berekeningen uitgevoerd, gebaseerd op data van de spoorwegen en het wegenverkeersnetwerk in en rond het plangebied. Ondanks dat als gevolg van (spoor)wegen de geluidbelasting boven de standaardwaarde van (spoor en of weg) komt wordt de grenswaarde nergens overschreden. Voor een deel van de te ontwikkelen gebouwen vraagt dit om een ontwerptechnische opgave om aan landelijke wetgeving en gemeentelijk geluidbeleid te voldoen. Geluid van bestaande voorzieningen De omvang van de geluidhindercontouren mogen geen belemmering vormen voor de vergunde bedrijfsvoering van Sportiom en stadion. Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen gevelbelastingen optreden tot 55 dB(A) op de gevel van nieuw te ontwikkelen woningen Voor het stadion is de geluidbelasting op de te realiseren woningen minimaal, behalve als er een wedstrijd gespeeld wordt. Op deze momenten kan tijdens wedstrijden een gevelbelasting van 70 dB(A) optreden. Een bestaande situatie waarmee de te realiseren woningen rekening moeten houden. De betreffende gevels zullen zodanig moeten worden geïsoleerd dat in de woningen een

acceptabel geluidniveau blijft geborgd. Dit overeenkomstig een incidentele bedrijfssituatie. Enige mate van hinder wordt hiermee toegestaan. Het realiseren van woningen nabij Sportiom en stadion is mogelijk. Bij ontwikkeling van de bouwblokken zal onderzoek plaats moeten hebben om voldoende gevelwering te waarborgen. Geluid buiten het plangebied Direct naast het plangebied (Hervensebaan) ligt een kantoorgebouw. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat dit gebouw wordt beperkt als gevolg van het realiseren van woningen in dit deel van het plangebied. Trillingen Bij nieuwbouw dient rekening te worden gehouden met trillingen afkomstig van het spoor. Dit kan gevolgen hebben voor de keuze van de constructie van de te realiseren gebouwen. Een quick scan trillinghinder zal aan moeten geven of trillinghinder te verwachten is en wat mogelijk gedaan kan worden om trillinghinder te voorkomen. De kaders en bijbehorende afwegingen hiervoor staan verwoord in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Net als bij geluid is het voorkomen van trillingen een ontwerptechnische opgave. Externe veiligheid Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen een brand-, explosieen gifwolk aandachtsgebied. Het gehele gebied de Vliert valt binnen een aandachtsgebied dat samenhangt met het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor.

Een aandachtsgebied is een gebied waar mensen binnenshuis onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de nadelige gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen. Het brandaandachtsgebied is de eerste 30 meter vanuit het spoor. Daarbinnen mogen geen (zeer) kwetsbare en beperkt kwetsbare verblijfsgebouwen worden gerealiseerd. Het explosieaandachtsgebied ligt tot een afstand van 200 meter van het spoor. In principe zijn zeer kwetsbare gebouwen niet toegestaan in dit gebied. Een zeer kwetsbaar gebouw is bijvoorbeeld een woonfunctie met 24-uurs zorg, een basisschool, een kinderdagverblijf of een

Pagina 79

gezondheidszorgfunctie met bedruimte. Bouwen in dit gebied (tussen 30 en 200 meter) betekent aandacht voor de bereikbaarheid van hulpdiensten en het realiseren van vluchtwegen in de juiste richting (van de bron af) bij kwetsbare gebouwen (dit zijn onder andere woningen). Het gehele plangebied valt binnen het gifwolkaandachtsgebied. Met voorzieningen zijn in dit gebied (zeer) kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen realiseerbaar. Luchtkwaliteit Weg en spoor zijn ook van invloed op de plaatselijke luchtkwaliteit. In de gebiedsontwikkeling wordt voldaan aan wettelijke kaders voor luchtkwaliteit. Aanvullend streven we vanuit gezondheidsperspectief naar een betere luchtkwaliteit binnen en buiten de woningen. Dit wordt meegenomen en beoordeeld in het ontwerp van de woningen. De ontwikkelingen als gevolg van dit plan zijn voor de luchtkwaliteit niet van betekende mate. Dat wil zeggen dat minder dan 3.000 woningen worden gerealiseerd (met twee of meer ontsluitingswegen). Conform de Regeling niet in betekenende mate is een plan dat kleiner is dan de genoemde aantallen woningen niet relevant voor de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Bodem en ondergrond Ondergrondse ordening De bestaande situatie ondergronds is op verschillende plekken complex. Dit geldt met name voor de ondergrondse infrastructuren in het gebied rond de kruising van de Bruistensingel met de Aartshertogenlaan/Stadionlaan. Er zijn binnen de gehele ontwikkeling diverse functies die een ondergrondse ruimteclaim vergen, waaronder alle ondergrondse infra, wortelzones van bomen en groenvoorzieningen, waterberging en kelders. Om de noodzakelijke ondergrondse ordening vanaf het begin mee te nemen in de planvorming wordt voor de gehele gebiedsontwikkeling een masterplan ondergrond opgesteld.

Pagina 80

Bodemkwaliteit Als voorbereiding op de gebiedsontwikkeling is (historisch) onderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit. Op basis van dit onderzoek wordt verwacht dat de (milieuhygiënische) bodemkwaliteit in het gehele ontwikkelingsgebied toereikend is voor de beoogde ontwikkelingen. Hooguit lokaal kan de bodem in geringe mate verontreinigd zijn als gevolg van historische activiteiten. Zodra een meer concreet ontwerp gereed is waarmee inzicht ontstaat in de plaats en diepte van de bodemingrepen die plaats gaan vinden, kan nader beoordeeld worden of en waar (verkennend) bodemonderzoek uitgevoerd dient te worden. Gezonde stadsbodem Binnen de gebiedsontwikkeling is expliciet aandacht voor klimaatbestendigheid. Voor klimaatbestendig groen is een klimaatrobuuste bodem met een goede ‘sponswerking’ essentieel. Dit vraagt om een bodemsysteem dat niet alleen gericht is op waterafvoer, maar juist ook op het vasthouden van water in droge tijden. Het creëren van een gezonde bodem wordt bij de verdere uitwerking van het plan meegenomen. Duurzaamheid Een duurzame gebiedsontwikkeling voorziet in de eigen behoeften zonder toekomstige generaties, hier of elders in de wereld, in hun mogelijkheden te beperken. Dat vertaalt zich naast energie en klimaatadaptatie/biodiversiteit ook in circulariteit.

Alle partijen spannen zich in om zo veel als mogelijk gebruik te maken van circulaire materialen bij de ontwikkeling van vastgoed. We kiezen ervoor om duurzaamheid inzichtelijk en toetsbaar te maken door het gebruik van de Milieuprestatie gebouwen (MPG). Bij een MPG worden alle milieueffecten samengevoegd en inzichtelijk gemaakt in één enkele score uitgedrukt in euro’s per m2/jaar. Het streven is om meer dan de grenswaarde te bereiken. Tegelijkertijd kunnen maatregelen die gunstig zijn voor MPG ongunstig

uitpakken voor BENG-indicatoren (BENG: bijna energie neutrale gebouwen) en omgekeerd. Keuzes moeten gemotiveerd worden. De initiatiefnemer maakt voor de desbetreffende ontwikkeling een materialenpaspoort. Daarin staat welke materialen in welke hoeveelheden worden toegepast en wat de impact ervan is. Dit met als doel om tot een circulaire bouw te komen. In daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen worden in ieder geval geen uitlogende bouwmaterialen (zink, koper ed.) gebruikt. Ook het gebruik van infiltratiekratten wordt afgeraden, omdat die het risico van extra microplastics in het water met zich meebrengen. In het plangebied zoeken we tijdens de ontwikkelingen naar kansen om circulair ‘samenleven’ te bevorderen. Je kan daarbij denken aan een repaircafé, aanbod van deelmobiliteit of gereedschapsbanken waar je gereedschap kunt lenen. Energie ’s-Hertogenbosch wil in 2045 klimaatneutraal zijn. Energie is een belangrijke pijler om deze doelstelling te behalen. Concreet betekent dit dat we in de Vliert zuinig omgaan met energie en dat het benodigde energiegebruik zoveel mogelijk uit hernieuwbare bronnen wordt gehaald. Voor de Vliert zijn verschillende opties voor de warmtevoorziening onderzocht. De eindconclusie is dat grootschalige warmte-koude opslag (WKO) voor dit gebied de beste oplossing is. Grootschalig betekent niet één WKO-systeem voor het gehele gebied.

Dat is mede vanwege de spoorlijn die het plangebied doorkruist niet de beste oplossing. De beste oplossing lijkt een WKO-systeem per bouwkavel dat per systeem 300 tot 500 woningen bedient. Voor de meeste deelgebieden betekent dit één WKO-systeem voor het gehele deelgebied. Voor Vlietpark Noord is het denkbaar dat er meerdere WKO’s in één deelgebied komen, waarbij wel een ondergrens van minimaal 150 woningen per WKOsysteem geldt. Met de WKO-systemen kan ook worden gekoeld. Er is in dit gebied dus geen actieve koeling noodzakelijk.

Pagina 81

Op dit moment is in de omgeving van het plangebied een aantal open bodemenergiesystemen aanwezig.

laagtemperatuur bron-net) zal vragen. Mede gezien de fasering is dit voor het gehele gebied geen reële optie. Indien ontwikkelaars van deelgebieden, met name de deelgebieden dicht bij de IJzeren Vrouw, zelfstandig gebruik willen maken van TEO dan is dat mogelijk. Netcongestie is net als op veel andere ontwikkellocaties ook voor de Vliert een aandachtspunt. We gaan er nu van uit dat alle woningen in dit gebied op het elektriciteitsnet kunnen worden aangesloten. Voor de zakelijke gebruikers kunnen we dat nu nog niet garanderen. In het plangebied de Vliert zullen verschillende transformatorhuisjes moeten worden gerealiseerd. We streven ernaar deze zoveel mogelijk inpandig te realiseren. Bij de keuze voor de energiesystemen streven we samen met Enexis naar ‘net-vriendelijke’ oplossingen, waarbij het energiegebruik zoveel mogelijk buiten de piekmomenten plaatsvindt. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan slimme laadpalen voor elektrisch vervoer en warmte-opslag om de winterpieken in de warmtevraag te verlagen.

In de omgeving van het plangebied aanwezige energiesystemen.

Toekomstige bodemenergiesystemen zijn volgens de provinciale Omgevingsverordening qua diepte beperkt tot de eerste scheidende laag (de natuurlijke barrière tussen het eerste en tweede watervoerend pakket) Deze laag bevindt zich in het plangebied op een diepte van 70 tot 80 meter onder maaiveld. Eén van de warmte-opties die zijn onderzocht is Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO). Met de IJzeren Vrouw is direct naast het plangebied een flinke hoeveelheid water aanwezig die in principe kan worden ingezet om in de zomer extra warmte op te wekken. Die warmte kan in WKO’s worden opgeslagen om deze in de winterperiode te benutten. Dit is een goede optie voor dit gebied, maar het is een optie die voor het gehele gebied flinke extra (voor)investeringen in een warmtenet (eventueel een

Pagina 82

Stikstof De sloop-, aanleg- en gebruikersfase van het te ontwikkelen gebied mag geen significante negatieve gevolgen hebben op de instandhoudingsdoelen van de in de omgeving liggende Natura 2000 gebieden. Een eerste doorrekening van de toekomstige gebruikersfase, waarbij de toename van het aantal voertuigbewegingen is afgezet tegen het gasverbruik van de bestaande panden geeft aan dat er geen toename van de stikstofdepositie te verwachten is. Elk bouwplan zal moeten motiveren dat de aanlegfase geen of geen significante bijdrage voor stikstof op de in de omgeving liggende Natura 2000 gebieden heeft.

Milieu effect rapportage (mer) Voor het ontwikkelplan de Vliert is in lijn met de Omgevingswet een plan-mer beoordeling noodzakelijk. Deze plan-mer beoordeling is een beoordeling op hoofdlijnen die aansluit bij het abstractieniveau van dit ontwikkelplan.

Uit bijlage V van het Omgevingsbesluit blijkt dat bij stedelijke ontwikkelingsprojecten (nr J11) geen MER-plicht (Milieueffectrapport) geldt maar een vormvrije mer-beoordeling, waarbij aandacht is voor aard, omvang, ligging en de effecten die het plan kan hebben naar de omgeving. Het plan voorziet in woningbouw met kleinschalige maatschappelijke en commerciële ruimten. Het plan wordt niet meer aangesloten op het aardgas. Electra, bodemwarmte en leidingwater zijn de natuurlijke hulpbronnen die gebruikt worden in het plan voor dagelijks gebruik.

•

Stikstof Als gevolg van dit plan zullen in de gebruikersfase (na realisering van het plan) geen negatieve effecten op overbelaste hexagonen binnen Natura 2000 gebieden optreden. In de aanlegfase zal per ontwikkeling gekeken moeten worden of en in welke mate er sprake is van depositie. Uitgangspunt hierbij is dat er geen significante verslechtering van de aanwezige habitattypen in de Natura 2000 gebieden plaats mogen vinden

•

Geluid en trillingen In het plan zijn geen trillingsbronnen aanwezig. Geluid speelt in het plangebied een rol door gemeentelijke wegen en de spoorlijn tussen ‘s-Hertogenbosch en Oss. Ondanks dat op veel plaatsen de standaardwaarde wordt overschreden, wordt de grenswaarde voor weg- en railverkeer nergens overschreden. Met maatregelen is een goed woon- en leefklimaat te realiseren. Voor wat betreft indirecte hinder (naar de omgeving) is volgens de regels uit de Omgevingswet er geen sprake van een significante toename als het geluid met maximaal 1,5 dB toeneemt als gevolg van verkeer van het plan. Een toename onder de 1,5 dB is dan ook aanvaardbaar. Als gevolg van dit plan zal er geen toename groter dan 1,5 dB optreden. Externe veiligheid De spoorlijn ‘s-Hertogenbosch – Oss zorgt voor veiligheidsrisico’s. Het plangebied ligt binnen het plasbrandaandachtsgebied en deel in het explosie aandachtsgebied. In overleg met de veiligheidsregio worden maatrelen afgewogen om het risico beheersbaar te houden.

Onderstaand worden de verschillende effecten beschreven: •

Bodem Op basis van de beschikbare gegevens wordt verwacht dat de bodemkwaliteit binnen de verschillende deelgebieden toereikend is voor de beoogde ontwikkelingen. Lokaal kan in de locaties Vlierpoort-noordoost en -noordwest een verontreiniging zitten als gevolg van een voormalige ondergrondse benzine en/of dieseltank. In het plangebied zijn op dit moment nog geen bodemenergiesystemen aanwezig

•

Water In het gebied zijn diverse leggerwatergangen aanwezig. Deze staan onderling met elkaar in verbinding. De waterberging als gevolg van het plan kan niet zonder meer gebruik maken van deze leggerwatergangen. Uitgangspunt is zelf voorzien in berging.

•

•

Luchtkwaliteit Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Stiktofdioxide en fijnstof blijven in dit gebied op dit moment (net als in heel onze gemeente) onder de wettelijke grenzen. Er is derhalve sprake van een aanvaardbare luchtkwaliteit voor het realiseren van dit plan

Gelet op bovenstaande is er op dit moment geen indicatie dat sprake is van aanzienlijke negatieve milieueffecten die vereisen dat een milieueffectrapport (MER) wordt opgesteld.

Pagina 83

8. ONTWIKKELSTRATEGIE Inzet op snelle realisatie

De ontwikkelstrategie voor de Vliert wordt voor een belangrijk deel bepaald door een combinatie van factoren als planning en fasering, programma, eigendomsverhoudingen en financiële haalbaarheid. Maar ook de markttechnische opnamecapaciteit van de woningen per jaar speelt hierbij een belangrijke rol. Hieronder wordt een aantal factoren in het kader van de ontwikkelstrategie nader toegelicht.

Relatie met Omgevingsplan Voor alle plandelen geldt dat de herontwikkeling niet past binnen de vigerende planologische bestemming. Dit betekent dat er per ontwikkeling een procedure voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) doorlopen moet worden om tot planrealisering te kunnen komen. Dit kan uiteraard pas als er per deelgebied een nadere uitwerking heeft plaatsgevonden tot op het niveau van een bouwplan. Start en doorlooptijd van de procedure zijn afhankelijk van het tempo van planuitwerking en het verloop van de procedure.

Relatie met eigendomsverhoudingen Voor deelgebied Vliertpoort-noordoost geldt dat het tempo mede wordt bepaald door de grondeigenaar die als ontwikkelende partij al enige jaren bezig is met de planvoorbereiding. Inmiddels is met deze partij een Ontwikkelovereenkomst gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over kostenverhaal en locatie-eisen. Voor deelgebied Vliertpoort-noordwest geldt, dat de gemeente niet de enige grondeigenaar is. Het moment waarop voor die locatie de concrete herontwikkeling ter hand wordt genomen is mede afhankelijk van afspraken met de huidige zakelijk gerechtigden op deze locatie (grondeigenaar NS en de houder van het recht van opstal op de locatie van het voormalig hotel Bastion). Gezien het grotere aandeel betaalbaar wonen zal een woningcorporatie een stevig aandeel in de verdere ontwikkeling van dit deelplan hebben. Voor de ontwikkelvelden ten zuiden van het spoor (Vliertpoort-zuidoost en Vliertpark) geldt dat deze in eigendom zijn van de gemeente, waarmee de regie op de fasering in eigen hand ligt. Uitgangspunt is dat we deze locaties (voor zover vanwege het programma niet rechtstreeks toe te delen aan de woningcorporaties) transparant in de markt zetten. Ook als we ontwikkelvelden gaan tenderen, is de inzet van een bij Thuispoort aangesloten woningcorporatie voor (tenminste)

Pagina 85

de sociale huurwoningen een harde randvoorwaarde. Op die manier borgen we de duurzame instandhouding en de transparante toewijzing aan de beoogde doelgroepen. Voor Vliertpark-zuid bestaat de intentie om in ieder geval 2 van de 3 ontwikkelvelden uit te geven voor collectief particulier opdrachtgeverschap. Voor het meest oostelijk gelegen ontwikkelveld ligt er een optie voor het realiseren van een kindcentrum. Indien dat niet nodig blijkt kan ook hier een CPO-initiatief landen. Realisering van het programma zal gefaseerd plaatsvinden. Daarbij wordt het totale plangebied opgedeeld in logische bouwvelden. Per bouwveld wordt een zodanige differentiatie gehanteerd, dat uiteindelijk voor het totale plangebied van fase 1 wordt voldaan aan de uitgangspunten van 30% sociale huur, 10 % goedkope koop, 30% middenhuur en 30 % duur.

Relatie met het parkeerhuis In het zuidelijk plandeel zijn realisering en fasering gerelateerd aan de bouw en oplevering van het parkeerhuis, dat onder andere dient ter vervanging van het huidige transferium. Uitgangspunt is dat de transferiumfunctie ten alle tijden kan blijven functioneren. In de komende periode wordt uitgewerkt hoe de bestaande parkeerfunctie voor omliggende sportactiviteiten op korte en lange termijn wordt ingepast in de gebiedsontwikkeling. Verder geldt dat bij oplevering van de eerste woningen in Vliertpark, die gebruik maken van het parkeerhuis, ook uiterlijk op dat tijdstip het parkeerhuis moet zijn opgeleverd. Het bouwen van het parkeerhuis is prioritair, zodat de ingebruikname hiervan waar nodig kan worden afgestemd op de gehele of gedeeltelijke ontmanteling van het bestaande transferium. Voor het parkeerhuis hebben we een rijksbijdrage gekregen vanuit de Novex-regeling die zich richt op infrastructurele voorzieningen die nodig zijn om de woningbouw te versnellen. Daaraan gekoppeld is een deadline, waardoor we uiterlijk in 2027 moeten starten met de bouw van deze voorziening.

Pagina 86

Gelet op het vorenstaande en het specialistische karakter van de realisatie van het parkeerhuis (in vergelijking tot de appartementen), wordt een solitaire aanbestedingsprocedure voorgestaan, waarbij het voorstelbaar is dat we uitgaan van een design-construct-built opgave.

Flexwoningen Voor wat betreft de locaties waar momenteel flexwoningen worden geëxploiteerd geldt, dat de herontwikkeling mede afgestemd moet worden op de beëindiging van dat bestaande gebruik.

Programma De woningbouwontwikkeling wordt gefaseerd opgepakt. Uitgangspunt is dat sociale huurwoningen in eigendom en exploitatie komen bij een corporatie die is aangesloten bij Thuispoort. Gronden voor sociale huurwoningen worden daarom rechtstreeks aan een bij Thuispoort aangesloten corporatie uitgegeven. Ook bij private grondexploitatie wordt daar op gestuurd. Daar waar sprake is van andersoortig programma vindt een transparante verkoop plaats, bijvoorbeeld in de vorm van een tender. Indien en voor zover er sprake is van een mix met sociale woningbouw zal de verkoopprocedure/tender in samenwerking met een corporatie worden voorbereid.

Warmtevoorziening Vanwege de aanleg van collectieve warmtevoorzieningen (per bouwveld één of hooguit twee WKO-systemen) is het van belang dat bouwvelden ten minste bestaan uit 150 woningen. Indien in een ontwikkelveld meerdere ontwikkelende partijen worden voorzien zal de plicht tot samenwerking deel uitmaken van de uitvraag.

Onbebouwde ruimte Algemeen uitgangspunt is dat onbebouwde ruimte in eigendom komt/blijft van de gemeente en wordt toegevoegd aan de openbare ruimte, tenzij er sprake is van meervoudig grondgebruik (zoals bijvoorbeeld bij een ondergrondse parkeergarage). Ook binnentuinen en onderhoudsstroken rond bebouwing zullen privaat eigendom worden.

Financiële haalbaarheid Als basisuitgangspunt geldt dat gestreefd wordt naar een minimaal sluitende gebiedsexploitatie, en maximaal kostenverhaal in geval van een particuliere ontwikkeling. De financiële economische haalbaarheid staat daarbij wel onder druk, gezien het gewenste programma (70% betaalbaar), het relatief grote aandeel appartementen (met relatief dure gebouwde parkeeroplossingen), stedelijke voorzieningen als het transferium en spooronderdoorgang, en de hoge (kwalitatieve en duurzame) ambities. Daartegenover staat een Novex-bijdrage van het Rijk voor bovenplanse infrastructuur voor gebiedsontwikkeling de Vliert van circa € 13,67 miljoen. Daarvoor geldt dat de gemeente zorg moet dragen voor circa de helft co-financiering én de nadrukkelijke voorwaarde dat de bouw van zowel de eerste woningen als van de bovenplanse infrastructuur in 2027 moet worden gestart. Na vaststelling van het ontwikkelkader wordt de grondexploitatie met meerdere deelexploitaties geopend.

Uitwerking ontwikkelstrategie Voorafgaand aan de verkoop van één of meerdere bouwvelden vindt een uitdieping van de ontwikkelstrategie plaats. Daarbij spelen telkens de volgende speerpunten een doorslaggevende rol: 1. Realisering van het Ontwikkelkader, de beoogde planning en het beoogde programma.

2. Slechts indien nodig wordt het Ontwikkelkader nader uitgewerkt in kavelpaspoorten. Wel zal gewerkt worden met een kwaliteitsteam om de samenhang te borgen. 3. De noodzaak om een bij Thuispoort aangesloten corporatie in positie te brengen, zodat tenminste het sociale programma duurzaam aan de kernvoorraad wordt toegevoegd en geborgd is dat toewijzing plaatsvindt aan de beoogde doelgroepen. 4. De wens om een gedifferentieerd prijsaanbod in het middeldure huursegment te realiseren en om afdoende te borgen, dat de woningen bij de beoogde doelgroepen terecht komen. 5. De wens om “gezamenlijk wonen” te bevorderen. Daar valt CPO onder, maar het kan ook door binnen appartementencomplexen aandacht te besteden aan het “gemeenschappelijke”. Dat kan vorm krijgen in ontmoetingsruimten en door slimme ontwerpen die ontmoeting uitlokken, maar ook door binnen een appartementencomplex te mikken op specifieke doelgroepen. 6. De wens om de kennis uit de markt in te zetten om tot een goede verdeling van het woningbouwprogramma te komen. 7. De tijdige realisatie van het parkeerhuis, om de transferiumfunctie te kunnen bestendigen en om parkeerfaciliteiten te bieden voor bewoners en bezoekers van de in Vliertpark op te richten woningen.

De uitdieping van de ontwikkelstrategie vindt plaats in de vorm van producten die besluitvorming door het college behoeven, zoals contracten (aankoopcontract, ontwikkelovereenkomst, anterieure overeenkomst, koopovereenkomst) en selectiedocumenten die worden opgesteld als startpunt van de uitvraag richting de markt.

Planning In het vervolgtraject wordt een overall planning gemaakt waarin alle uit te voeren onderzoeken en activiteiten in de tijd worden uitgezet en waaruit een faseringsvoorstel voortvloeit.

Pagina 87

Colofon

Ontwikkelkader de Vliert Status: Definitieve versie Er kunnen geen rechten worden ontleend aan dit document Datum:

06 mei 2025

Opgesteld door:

Gemeente ‘s-Hertogenbosch XOOMlab: Joost Vorstenbosch, Timo Broos en Max van Steen De Wijde Blik: Anne Luijten

Meer informatie:

www.denbosch.nl/de-vliert

's-Hertogenbosch

Disclaimer: Wij hebben ons best gedaan om alle rechthebbenden met betrekking tot het gebruikte beeldmateriaal te achterhalen. Als u desondanks rechthebbende bent van door ons gebruikte beelden kunt u contact opnemen via devliert@s-hertogenbosch.nl

Pagina 88

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15289900/1