CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 nota zienswijzen

Gemeenteraad 28 maart 2023, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 45.934 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota zienswijzen bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ (Bijlage bij Raadsvoorstel / - besluit van de gemeente ’s-Hertogenbosch tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’, registratienummer 14675250)

Nota van zienswijzen Bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ Pagina 1 van 12

I. De procedure Het ontwerpbestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ heeft met ingang van 19 december 2022 tot en met 30 januari 2023 ter inzage gelegen. De bekendmaking van deze terinzagelegging heeft op 19 december 2022 plaatsgevonden in het Gemeenteblad, op de gemeentelijke website en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Het ontwerp bestemmingsplan inclusief bijlagen waren vanaf dat moment tevens fysiek in te zien in de publieksruimte van het Stadskantoor. Gedurende deze zes weken heeft ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening eenieder schriftelijk of mondeling bij de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch een zienswijze over het ontwerp kenbaar kunnen maken. II. De ingediende zienswijzen / ontvankelijkheid Op het ontwerp bestemmingsplan zijn 2 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn binnen de termijn ingediend en zijn derhalve ontvankelijk. III. Samenvatting en beantwoording zienswijzen Hieronder is de ingebrachte zienswijze samengevat en met cursieve schrijfwijze van commentaar voorzien. Voor de volledigheid wordt hierbij vermeld, dat de volledige zienswijzen, zoals deze zijn ingediend, ook zijn betrokken bij de opstelling van het antwoord. De zienswijzen, zoals deze zijn ontvangen, liggen, in het kader van de (verdere) besluitvorming ook volledig ter inzage bij de gemeenteraad. Zienswijze 1: 1.

Reclamant geeft aan dat met het bestemmingsplan het bouwvlak ter plaatse van zijn bedrijf wordt verwijderd. Dit is niet aangegeven tijdens gesprekken vooraf en komt daardoor voor reclamant onverwacht. Reclamant is voor 25% eigenaar van het perceel Nuland, sectie E, nummer 2660. Dit perceel ligt om het erf van de Van Rijckevorselweg 4 en is in gebruik als landbouwgrond en heeft deels een agrarisch bouwvlak. Op het moment dat reclamant het perceel E 2660 gedeeltelijk in gedeeltelijk eigendom kreeg (9 juli 2020), was de mede-eigenaar (exploitant van de in bedrijf zijnde varkenshouderij) al met de gemeente in overleg over de verkoop van diens perceel en bedrijfsbeëindiging op het betreffende adres ten behoeve van het planvoornemen. Reclamant was derhalve bij het in gedeeld eigendom verkrijgen van de gronden, op de hoogte van de beoogde herontwikkeling van de locatie voor een veetransportbedrijf. Sindsdien hebben met reclamant diverse gesprekken plaats gevonden over diverse onderwerpen en gronden. Hij heeft in het kader van deze gesprekken nooit aangegeven de intentie te hebben de gronden van perceel E 2660 daadwerkelijk bedrijfsmatig in gebruik te willen nemen. Om de beoogde verplaatsing van bedrijf met woning te realiseren, wordt met onderhavig bestemmingsplan een passende (bedrijfs)bestemming aan de locatie gegeven.

In het kader van de goede ruimtelijke ordening is het niet wenselijk en ook nooit beoogd geweest dat op deze locatie het restant van het bestaande agrarisch bouwvlak gehandhaafd blijft. Op het moment van terinzagelegging van onderhavig plan werden er feitelijk ook geen bestaande activiteiten uitgevoerd waarvoor een bouwvlak is vereist. Ook is hier feitelijk geen bebouwing voor een zelfstandig agrarisch bedrijf aanwezig. Hierop wordt nader ingegaan bij punt twee van de beantwoording van deze zienswijze. 2. Reclamant stelt “al jaren heb ik samen met andere partijen samen een gemengd bedrijf met akkerbouw en varkens aan de Van Rijckevorselweg 4” en dat hij (op het overige deel van het bouwvlak) een landbouwbedrijf exploiteert met akkerbouw en opslag van landbouwproducten en mest. Dit bedrijf vormt tezamen met de varkenshouderij één gemengd landbouwbedrijf. Bij het beëindigen van de varkenshouderij ten behoeve van het planvoornemen wordt, zo stel reclamant, deze tak van het bedrijf als zelfstandig bedrijf worden voortgezet, waardoor binnen het te ‘wegbestemmen’ agrarisch bouwvlak feitelijk nog een agrarisch bedrijf aanwezig is. Hiermee is geen rekening gehouden bij het opstellen van het bestemmingsplan, waarin enkel wordt vermeld dat er in het plangebied een intensieve veehouderij aanwezig is, die wordt beëindigd (paragraaf 2.1.1 van de toelichting).

Nota van zienswijzen Bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ Pagina 2 van 12

Wij kunnen reclamant niet volgen in diens stelling dat op het perceel Nuland, E, 2660 al jaren een gemengd landbouwbedrijf wordt geëxploiteerd. In aanvulling op het hiervoor gegeven commentaar over de eigendomssituatie en feitelijke inrichting, kan zelfs geen sprake zijn van een bestaand gemengd bedrijf aangezien daarvoor geen melding Activiteitenbesluit dan wel vergunning op grond van de Wet milieubeheer is verleend. Op 11 oktober 2022 is namens een, door reclamant op 11 oktober 2022 opgerichte V.O.F. (Ruttenhof Landbouw), pas een eerste melding activiteitenbesluit gedaan voor het starten van een nieuw landbouwbedrijf op perceel E 2660. De gemelde activiteiten betreffen gewasteelt op volle grond, opslag van landbouwmachines, de opslag van landbouwproducten in een loods, het wegen van voertuigen en het opslaan van mest en digestaat ten behoeve van het landbouwbedrijf. Hoewel reclamant in zijn zienswijze stelt dat deze activiteiten reeds op het perceel werden uitgevoerd als onderdeel van een gemengd agrarisch bedrijf, werden deze – behoudens gewasteelt op de noordzijde van het perceel – op het moment van terinzagelegging van het bestemmingsplan niet feitelijk uitgevoerd. Dat sprake zou zijn van de voortzetting van een deel van een bestaand gemengd agrarisch bedrijf blijkt ook niet uit de bijlage bij de melding. Hierin wordt gesproken over het starten van een nieuw bedrijf.

Blijkens een brief van de advocaat van de exploitant van de varkenshouderij en tevens nog steeds mede-eigenaar van het resterende perceel, betreft de melding door Ruttenhof Landbouw bovendien ook een nieuw en zelfstandig landbouwbedrijf. Hiermee is in voldoende mate vast komen te staan dat de veronderstelde bedrijfsactiviteiten van reclamant geen bestaand onderdeel van een gemengd agrarisch bedrijf uitmaken, zoals reclamant stelt. Van bestaande bebouwing voor een zelfstandig bedrijf is op het perceel geen sprake. De enige bebouwing op het perceel betreft een luchtwasser met spuiwatersilo, die functioneel onderdeel uitmaakt van de varkenshouderij en met het slopen van de bedrijfsbebouwing van de varkenshouderij ook zal verdwijnen. Dat sprake zou zijn van een gemengd agrarisch bedrijf blijkt verder ook niet uit de stukken van de ruimtelijke procedure voor wijziging van de varkenshouderij aan de Kerkdijk 7-9 (omgevingsvergunning ‘Nuland, Kerkdijk 7-9', NL.IMRO.0796.0002507-1401, vastgesteld op 11 april 2022). Deze ruimtelijke procedure voor uitbreiding van de locatie Kerkdijk 7-9 (in eigendom van de exploitant van de varkenshouderij aan de Van Rijckevorselweg 4) was expliciet gekoppeld aan de beëindiging van de varkenshouderij aan de Van Rijckevorselweg 4.

Volgens de stukken behorende bij deze procedure was op Van Rijckevorselweg 4 enkel de varkenshouderij aanwezig, waarbij geen melding werd gemaakt van een gemengd agrarisch bedrijf. Wel wordt in het destijds opgesteld advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen gesproken van verhuur van stallingsruimte voor landbouwmachines in voormalige stierenstallen aan de Van Rijckevorselweg 4. Van deze verhuuractiviteiten is echter aangegeven dat deze worden overgeheveld naar de locatie Kerkdijk 7-9. Naar het zich op grond van bovenstaande feiten laat inzien, is de stelling dat reclamant al jaren met andere partijen een gemengd bedrijf heeft op deze locatie niet juist. Op het moment dat reclamant en zijn vennoot het perceel E 2660 gedeeld in eigendom kregen (9 juli 2020) was de exploitant van het bedrijf aan de Van Rijckevorselweg 4 al met de gemeente in overleg over de verkoop en bedrijfsbeëindiging van het bedrijf ten behoeve van het planvoornemen. Reclamant is dientengevolge op de hoogte geweest van de beoogde ontwikkeling van de locatie. Zoals door reclamant aangegeven is hij momenteel in overleg met de gemeente over eventuele verplaatsing van het bouwvlak naar een andere locatie. Hij heeft in het kader van deze gesprekken nooit aangegeven de intentie te hebben de gronden van perceel E 2660 daadwerkelijk bedrijfsmatig in gebruik te willen nemen.

Met het oog op bovenstaande is het uitgangspunt van het bestemmingsplan dat ter plaatste van het plangebied alleen een varkenshouderij aanwezig is en wordt er met het vaststellen van onderhavig bestemmingsplan ook geen bouwvlak verwijderd waarop een bestaand bedrijf aanwezig is. 3. Reclamant geeft aan dat het planvoornemen (bedrijfsverplaatsing veetransportbedrijf naar Van Rijckevorselweg 4 ten behoeve van bedrijventerrein Heesch West) en secundair belang was bij Nota van zienswijzen Bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ Pagina 3 van 12

de aankoop van het bedrijf (het primaire belang zou stikstofrechten betreffen) en de voortzetting van zijn bedrijf elkaar niet uitsluiten, en mogelijk kunnen versterken. Het is voor de realisatie van het planvoornemen echter wel noodzakelijk dat rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van het bedrijf van reclamant, tenzij dit verplaatst wordt. Hiervoor is reclamant ook in overleg met de gemeente. Aangezien er op het perceel E 2660 geen sprake is van bestaand gebruik en bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf van reclamant, is het voor de realisatie van het planvoornemen niet noodzakelijk dat rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van een bedrijf op dit perceel. Door reclamant veronderstelde versterking als zijn activiteit aan de beoogde vestiging van een veetransportbedrijf met bedrijfswoning is ruimtelijk niet wenselijk en ook niet realistisch. Overigens benadrukken we, hoewel dit geen belang van reclamant betreft, dat het primaire belang van de gemeente voor de aankoop van de het bedrijfsperceel Rijckevorselweg 4 nadrukkelijk het bewerkstelligen van verplaatsing bedrijf met bedrijfswoning betrof en dat de met de aankoop en bedrijfsbeëindiging van het aanwezige agrarisch bedrijf mogelijk gebruik van stikstofrechten een secundaire overweging was van de gemeente.

4. In figuur 2.2 en 2.3 van de toelichting worden groenvoorzieningen ten behoeve van landschappelijke inpassing ingetekend op gronden van reclamant. De door reclamant bedoelde groenvoorziening op de landschappelijke inpassingstekening betreft een aanduiding van bestaand struweel, die wordt versterkt met de landschappelijke inpassing op het nieuwe bedrijfsperceel. Er is geen sprake van nieuw aan te brengen groenvoorzieningen op het perceel dat reclamant in mede-eigendom heeft. Dit is op de kaart met de landschappelijke inpassing verduidelijkt. 5. Reclamant stelt dat in paragraaf 2.1.1 van de toelichting onterecht wordt vermeld dat de bestaande bedrijfsbebouwing in het plangebied wordt gesloopt. Dit geldt namelijk niet voor de bebouwing op de gronden van reclamant. Deze zijn ook onterecht meegenomen in de berekening kwaliteitsverbetering. Er is geen sprake van bedrijfsbebouwing die intact blijft op gronden die reclamant in medeeigendom heeft. De enige feitelijke bebouwing betreft een luchtwasser met spuiwatersilo. Dit bouwwerk dient als onderdeel van de te beëindigen varkenshouderij te worden verwijderd. 6. Uit het vervolgonderzoek natuurbescherming blijkt dat voor de huismus, vleermuis en broedvogels ontheffing moet worden aangevraagd bij de provincie in het kader van de Wet natuurbescherming. Deze ontbreekt echter.

De ontheffing voor de huismus en vleermuizen dient voor de verwijdering van bebouwing en beplanting te worden aangevraagd op grond van de Wet natuurbescherming. Deze hoeft dus in beginsel niet te worden geborgd in het bestemmingsplan. Het ontbreken van de genoemde ontheffing staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Nestlocaties van huismussen en zomer- en paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis zijn goed te compenseren waardoor de verwachting is dat een ontheffing wordt verleend en het plan uitvoerbaar is. 7. Reclamant stelt dat onterecht uit de stikstofdepositieberekening wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van toename van depositie op Natura 2000 gebieden. De sloop- en aanlegfase, verkeersbewegingen ten behoeve van de bedrijfswoning, emissie door stationair draaiende vrachtvoertuigen en tijdelijk aanwezige dieren voor transport zijn niet beoordeeld in de berekening. Daarnaast is ook geen rekening gehouden met zijn bedrijf in het plangebied, waaronder de bouw en verwarming van een bedrijfsloods. Het klopt dat er in het ontwerpbestemmingsplan wat betreft stikstof enkel is getoetst aan de gebruiksfase van het plan, op basis van de toen geldende bouwvrijstelling. Op 2 november 2022 heeft de Raad van State een streep gehaald door deze zogenoemde bouwvrijstelling voor Nota van zienswijzen Bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ Pagina 4 van 12

stikstof. Dit betekende dat vanaf toen alle bouwprojecten waarvoor nog geen onherroepelijke vergunning of ontheffing van Wet natuurbescherming is afgegeven, beoordeeld moeten worden op de effecten van stikstofdepositie tijdens de zogenoemde aanlegfase. In de vast te stellen versie van het bestemmingsplan is daarom een geactualiseerd stikstofonderzoek opgenomen (bijlage 4). Hierin zijn de sloop- en bouwwerkzaamheden (aanlegfase) en de gebruiksfase meegenomen. Worst-case is de totale toekomstige situatie doorgerekend, waarbij geen rekening is gehouden met de huidige activiteiten binnen het plangebied (er is geen gebruik gemaakt van intern salderen). Uit deze stikstofberekening blijkt dat het voornemen in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van enig Natura 2000-gebied. Significante gevolgen voor de habitattypen in Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie zijn daarmee uitgesloten. Het aspect stikstof staat verdere besluitvorming daarom niet in de weg. Zoals reeds vermeld is ten slotte op het perceel geen zelfstandig agrarisch bedrijf aanwezig. Dientengevolge hoeven er geen gevolgen voor de bedrijfsvoering van een dergelijk bedrijf voor de depositie van stikstof op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te worden onderzocht. 8.

De watertoets gaat ten onrechte uit van een reductie van verharding van 8.400 m2 naar 5.000 m2. Daarmee wordt voorbijgegaan aan verharde uitwegen en bebouwing ten behoeve van het bedrijf van reclamant, waaronder een nog te realiseren loods. In paragraaf 4.3 van de watertoets wordt verder aangegeven dat onvoldoende duidelijk is of het huidige riool wel voldoende is toeberust om hierop het water van de wasplaats te lozen. Voor het lozen van water van de wasplaats is volgens reclamant tevens onvoldoende beschouwd of dit voldoet aan de regels van de interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Zoals hierboven reeds vermeld is er op het perceel E 2660 geen sprake van een zelfstandig bedrijf van reclamant. Daarnaast is in de huidige feitelijke en juridische situatie ook geen sprake van uitwegen en bebouwing op de betreffende gronden. Er is wel sprake van enige verharding achter de stallen van Van Rijckevorselweg 4. Deze verharding is slechts bereikbaar via het erf van de Van Rijckevorselweg 4 en maakt onderdeel uit van de varkenshouderij. Deze dienen op grond van de koopovereenkomst die is gesloten met de exploitant van de varkenshouderij te worden verwijderd.

Aangezien de maximaal planologische mogelijkheden van de nieuwe bedrijfsbestemming leidt tot een maximale verhardingsoppervlakte van 5.000 m2, is de reductie van 8.400 m2 naar 5.000 m2 een gerechtvaardigd uitgangspunt voor de watertoets. Omdat de projectlocatie in een grondwaterbeschermingsgebied is gelegen, zal het afstromende water van laad en losstations niet zonder zuiverende voorziening afgevoerd mogen worden naar de bodem. Mogelijk dient het afstromende hemelwater van de laad en losstations afgevoerd te worden naar het vuilwaterriool. Dit zal bij de bouwaanvraag getoetst worden. Het uitwendig reinigen van vrachtwagens zal op basis van het Activiteitenbesluit milieubeheer boven een vloeistofdichte vloer of verharding plaatsvinden. Het lozen van afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen of ontsmetten van vrachtwagens of andere transportmiddelen waarin dieren zijn vervoerd, op of in de bodem is op grond van het Activiteitenbesluit toegestaan als het gelijkmatig wordt verspreid over een onverharde bodem. Voor het lozen in het vuilwaterriool geldt een eis van 300 mg/l onopgeloste stoffen. Het afvalwater van de wasplaats kan worden opgevangen in een buffervoorziening, die met een laag debiet kan worden leeggepompt (max 5 m3/uur). Daarmee is het mogelijk om voor de lozing van afvalwater aan te sluiten op het ter plaatse aanwezige drukriool. 9.

In paragraaf 7.3.1 van de toelichting (ontsluiting en verkeersgeneratie) worden de transportbewegingen van het veetransportbedrijf beschreven. Deze komen niet overeen met de gebruikte verkeersgegevens uit de stikstofberekening en luchtkwaliteitsberekening.

Nota van zienswijzen Bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ Pagina 5 van 12

In de toelichting en onderliggende onderzoeken wordt bij de vaststelling van het plan uitgegaan van dezelfde uitgangspunten. Deze zijn waar nodig aangepast. 10. In paragraaf 7.5.2 van de toelichting (Geluid – onderzoek en conclusie) wordt niet beschouwd wat de gevolgen van de bedrijfswoning zijn voor de bedrijfsvoering van reclamant. Zoals reeds vermeld is op het perceel geen zelfstandig agrarisch bedrijf aanwezig. Dientengevolge hoeven er geen gevolgen voor de bedrijfsvoering van een dergelijk bedrijf voor de bestaande bedrijfswoning te worden onderzocht. 11. Het luchtkwaliteitsonderzoek gaat uit van de totale ontwikkeling van het bedrijventerrein Heesch West en niet van de beoogde ontwikkeling van de locatie Van Rijckevorselweg 4. Het onderzoek zou moeten zijn gericht op de effecten van het planvoornemen voor de luchtkwaliteit, waarbij rekening dient te worden gehouden met de aanwezigheid van het bedrijf van reclamant. Voor de gevolgen van het planvoornemen voor de locatie Van Rijckevorselweg 4 is nu in de toelichting aangetoond dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging (paragraaf 7.6 van de toelichting). Zoals reeds vermeld is op het perceel geen zelfstandig agrarisch bedrijf aanwezig. Dientengevolge hoeft dit bedrijf niet te worden beschouwd bij het onderzoek naar de gevolgen van het planvoornemen voor de luchtkwaliteit. 12.

Paragraaf 7.7.2 van de toelichting (bedrijven en milieuzonering) gaat er volgens reclamant onterecht van uit dat er binnen een straal van 50 meter rondom het plangebied geen agrarische bedrijven bevinden, omdat zijn bedrijf hierbij niet is beschouwd. Daarnaast is niet gekeken naar geurhinder van andere veehouderijen in het plangebied. Hierop wordt ook niet ingegaan in de paragraaf over geur (paragraaf 7.9). Zoals reeds vermeld is op het perceel geen zelfstandig agrarisch bedrijf aanwezig. Dientengevolge wordt er in paragraaf 7.7.2. terecht van uit gegaan dat er zich binnen een straal van 50 meter rondom het plangebied geen agrarische bedrijven bevinden. Aangezien de meest dichtbij gelegen veehouderij op meer dan 300 meter afstand gelegen is, kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat er in het plangebied geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 13. Er is volgens reclamant niet beoordeeld of er sprake is van een gezondheidsrisico vanwege endotoxinen voor de bedrijfswoning. Ook is niet beschouwd of de bedrijfswoning een belemmering oplevert voor veehouderijen in de omgeving. De bedrijfswoning bevindt zich buiten de richtafstanden voor endotoxinen zoals neergelegd in de Handreiking Veehouderij en Gezondheid Omwonenden.

Aangezien er in de huidige situatie reeds sprake is van een bedrijfswoning waar omliggende bedrijven rekening mee dienen te houden, heeft het planvoornemen verder geen gevolgen voor omliggende veehouderijen voor wat betreft het aspect gezondheid. 14. Reclamant vraagt zicht af waarom hij als eigenaar van het direct aan het plangebied grenzend bedrijf niet is benaderd voor de omgevingsdialoog. In het kader van de omgevingsdialoog is de gemeente ‘s-Hertogenbosch in gesprek gegaan met diverse omwonenden en belanghebbenden in de omgeving. Met reclamant is de gemeente al enige tijd in overleg over het voornemen om het bouwvlak op Rijckevorselweg 4 te verplaatsen naar een andere locatie. Tijdens dit overleg heeft reclamant aangegeven dat hij niet noodzakelijkerwijs bedrijfsactiviteiten aan de Van Rijckevorselweg 4 beoogt uit te voeren, maar primair beoogt zijn bouwvlak te verplaatsen naar een andere locatie. Een eventuele overeenkomst over verplaatsing van bouwvlakken naar een andere locatie staat echter los van dit planvoornemen en de ruimtelijke belangenafweging bij het vaststellen van dit bestemmingsplan. Dit te meer omdat niet duidelijk is of een vergroting van het bouwvlak op een andere locatie op basis van het hier te verwijderen (deel van het) bouwvlak ruimtelijk en juridisch aanvaardbaar is.

Het intensiveren van bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de Van Nota van zienswijzen Bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ Pagina 6 van 12

Rijckevorselweg 4 is vanuit de beoogde planologische ontwikkeling niet gewenst en verdraagt zich niet met de, met de verkoper van het agrarisch bedrijf Rijckevorselweg overeengekomen bedrijfsbeëindiging op deze locatie.

15. Reclamant verzoekt zijn bouwvlak en bedrijfsvoering te respecteren en het bouwvlak niet weg te bestemmen. Secundair verzoekt reclamant het bouwvlak te verplaatsen als onderdeel van deze bestemmingsplanprocedure. Zoals aangegeven in punt 2 van de beantwoording van deze zienswijze is op het perceel E 2660 geen bestaand bedrijf aanwezig. Noch beoogt reclamant ter plaatse bedrijfsactiviteiten uit te voeren. In het kader van de goede ruimtelijke ordening is het niet wenselijk dat op deze locatie een deel van het bestaande agrarisch bouwvlak gehandhaafd blijft.

Zienswijze 2: 1. Reclamanten vrezen aantasting van hun woongenot als gevolg van cumulatie van meerdere ontwikkelingen in de omgeving: bedrijventerrein Heesch West (met name vanwege toename verkeersbewegingen ter plaatse van hun woning), verlening termijn tijdelijk AZC, zonneveld Kerkdekske (tegenover/naast woningen van reclamanten) en onderhavig plan voor de verplaatsing van een veetransportbedrijf naar Van Rijckevorselweg 4. Deze zorgen zijn reeds meerdere keren geuit tijdens gesprekken en in een brief d.d. 9 december 2022. Reclamanten ervaren nu al veel meer hinder van remmen en optrekken door bestaand (vracht)verkeer dat langs de woning rijdt. Onderhavig planvoornemen heeft nog meer verkeersbewegingen naast de woning als gevolg, met als gevolg meer hinder voor verkeersveiligheid, geluid en trillingen, zowel gedurende dag als nacht. Bij de belangenafweging die ten grondslag ligt aan onderhavig bestemmingsplan is beschouwd welke gevolgen het planvoornemen heeft voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van reclamanten. Hierbij is ook de samenhang met ontwikkelingen in de omgeving bekeken, met name bedrijventerrein Heesch West waarvan de meeste hinder wordt verwacht. Dit wordt nader uiteengezet in de toelichting.

Als gevolg van de toekomstige wijziging van de infrastructuur in de directe omgeving van het plangebied (herstructurering Rekken als onderdeel van de ontwikkeling Bedrijventerrein Heesch West) is over het algemeen juist sprake van een afname van de (vracht)verkeersintensiteit (zie onder paragraaf 7.3 Mobiliteit in de toelichting, en onderstaande illustratie). De verkeersbewegingen vanuit het veetransportbedrijf, dat momenteel nog aan de Koksteeg is gelegen, rijdt ook al in de bestaande situatie via de Rekken langs de woning van reclamant richting A59. Gezien de afstand van het bedrijf tot de woning en het heersend verkeersbeeld op de Van Rijckevorselweg, veroorzaken de verkeersbewegingen van en naar de te vestigen veetransportbedrijf aan de Rijckevorselweg geen wezenlijke toename aan hinder op omliggende geluidgevoelige bebouwing.

Nota van zienswijzen Bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ Pagina 7 van 12

2. Niet alleen moet worden beoordeeld of geluidsniveaus op de gevel, maar ook in de tuin acceptabel zijn (ABRvS 27 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:B01834), hetgeen ook geldt voor trillinghinder, hetgeen in het geheel niet is onderzocht. Uit de door reclamant aangehaalde jurisprudentie (ABRvS 27 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:B01834) blijkt niet zonder meer dat geluidsniveaus ook in de tuin acceptabel van een moeten zijn, zoals wordt gesteld. De Afdeling overweegt in de aangehaalde uitspraak dat het uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening nodig kan zijn om bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies te onderzoeken of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In onderhavig plan wordt een bedrijfsbestemming mogelijk gemaakt op een afstand van minimaal 95 meter vanaf de woningen die zich bevinden op de percelen van reclamant. In paragraaf 7.7 van de toelichting is op grond van de richtafstanden uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering aangetoond dat er bij realisatie van het planvoornemen sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van reclamant. Op het aspect trillingen, dat ook is onderzocht, wordt nader ingegaan bij punt 10 van deze beantwoording.

3. Reclamanten stellen dat het plan niet voldoet aan artikel 3.1.6, lid 2 Bro (ladder duurzame verstedelijking). Zij zijn van mening dat sprake is van een zodanige functiewijziging dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij is volgens reclamanten met name van belang dat het bestemmingsplan een functiewijziging van een agrarisch bedrijf naar een transportbedrijf mogelijk maakt, en het nieuwe bestemmingsplan geen beperkingen stelt aan het oppervlak voor verharding, waardoor de volledige bedrijfsbestemming kan worden benut voor de stalling van bedrijfsvoertuigen. Omdat sprake zou zijn van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de ontwikkeling volgens reclamanten te worden getoetst aan artikel 3.1.6, lid 2 Bro. Volgens reclamanten dient te worden getoetst aan artikel 3.1.6, lid 2 Bro. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Dus of het ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan het geldende bestemmingsplan toestaat. Het gaat dus om een stedelijke ontwikkeling die een nieuw of groter planologisch beslag legt op de ruimte. Wel is het zo dat ook moet worden bekeken of het plan, in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging met wezenlijke ruimtelijke effecten.

In dit geval voorziet het bestemmingsplan in een wijziging van een agrarisch bedrijf (veehouderij) naar een agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf (veetransportbedrijf). Het plan voorziet dus in een functiewijziging. Echter kent het perceel in het vigerende bestemmingsplan een agrarische bestemming, waarbinnen (agrarische) bedrijfsuitoefening is toegestaan. Ook is het perceel al een bouwvlak Nota van zienswijzen Bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ Pagina 8 van 12

opgenomen, dat vrijwel geheel mag worden bebouwd. De strijdigheid van de ontwikkeling met het bestemmingsplan zit alleen in het toestaan van agrarisch technisch hulpbedrijven en het beëindigen van de intensieve veehouderij. Er is geen sprake van een nieuw beslag op de ruimte. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Paragraaf 3.1.2 van de toelichting zal hierop worden aangepast.

4. Reclamanten stellen dat in de toelichting op het bestemmingsplan niet is gemotiveerd dat de bedrijfsbestemming passend is in de ontwikkelrichting van het gebied, waarmee niet duidelijk is of wordt voldaan aan de provinciale bepaling met betrekking tot vestiging van nietagrarische functies in landelijk gebied (artikel 3.73 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, hierna: IOV). Volgens reclamanten is een duidelijke ontwikkelingsvisie niet vastgesteld, waarmee niet kan worden voldaan aan de vereisten van deze bepaling. Bovendien is volgens reclamanten een veetransportbedrijf (miliecategorie 3.2) met een bedrijfsbestemming van 5000 m2 niet aan te merken als kleinschalig bedrijf dat geen onevenredige hinder veroorzaakt, waardoor ook niet kan worden voldaan aan lid 3 van de bepaling uit de IOV. Het planvoornemen is in paragraaf 3.2.3 van de toelichting getoetst aan artikel 3.73 van de IOV. Voor het onderhavig bestemmingsplan is bij deze toetsing een afweging gemaakt of het beoogde bedrijf een passende omvang heeft, gezien de omgeving. Blijkens de toelichting op het betreffende artikel heeft de provincie de overweging of in een specifiek geval sprake is van een passende omvang expliciet overgelaten aan het oordeel van gemeenten. Uit de toelichting bij artikel 3.73 blijkt tevens dat voorheen een omvang van 5000 m2 als een maximum voor passende omvang gold.

Bij de bepaling van de oppervlakte van de bedrijfsbestemming voor onderhavig plan is het agrarisch bouwvlak als uitgangspunt genomen, waarbij de oppervlakte voor bedrijvigheid juist is verkleind ten opzichte van het bestaande agrarische bouwvlak. Tegelijkertijd biedt de gekozen oppervlakte voldoende ruimte voor de bedrijfsvoering van het te vestigen bedrijf. De oppervlakte van de bedrijfsbestemming is tevens in het kader van het informeel vooroverleg afgestemd met de provincie en akkoord bevonden. In de formele vooroverlegreactie van de provincie wordt de omvang van de bedrijfsbestemming dan ook niet als strijdigheid met artikel 3.73 IOV genoemd.

5. Reclamanten stellen dat het planvoornemen in strijd is met de ter plaatse geldende structuurvisie ‘Buitengebied Maasdonk 2012’, waarin voor het betreffende gebied is vastgesteld dat omschakeling van agrarisch naar andere bedrijfsvoering slechts is toegestaan voor bedrijven van maximaal milieucategorie 2 (p.34). In dit geval wordt een bedrijf gevestigd in de milieucategorie 3.2. In de ter plaatse geldende structuurvisie ‘Buitengebied Maasdonk 2009’ zijn richtinggevende beleidskaders neergelegd voor functiewijziging van locaties in het landelijk gebied naar nietagrarische functies. Daarbij wordt onder meer aangegeven dat functiewijziging niet mag leiden tot onevenredige milieuhinder, waarbij in ieder geval milieucategorieën 1 en 2 zijn toegelaten. Dit laat echter onverlet om gemotiveerd aan te tonen dat functiewijziging in een specifiek geval niet leidt tot onevenredige milieuhinder, waarmee afwijking van deze beleidsregel mogelijk is. Hoewel met onderhavig planvoornemen sprake is van de vestiging van een bedrijf met milieucategorie 3.2, wordt in paragraaf 7.7 van de toelichting, op grond van de richtafstanden uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering, aangetoond dat er bij realisatie van het planvoornemen sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van reclamant.

Dit is ook nader omschreven in de punten 2 en 10 van de beantwoording van deze zienswijze. 6. Reclamanten stellen dat de omgeving van het plangebied ten onrechte wordt aangemerkt als gemengd gebied zoals bedoeld in de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering, waardoor de te beschouwen richtafstanden niet met één afstandsstap kunnen worden verkleind van 100 naar 50 meter. De woning van reclamanten valt dientengevolge binnen de richtafstand vanwege het aspect geluid.

Nota van zienswijzen Bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ Pagina 9 van 12

In de VNG-brochure wordt onder ‘gemengd gebied’ verstaan een gebied met een matige tot sterke functiemenging, waarin direct naast woningen ook andere functies voorkomen. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren volgens de definitie eveneens tot het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In dat kader heeft in de overweging een rol gespeeld dat het perceel van reclamant zeer nabij hoofdinfrastructuur is gelegen (direct ten zuiden van (de op- en afrit van) de A59). Aangezien deze op- en afrit van belang zijn van de toegang van de wijde omgeving van en naar de A59, is sprake van zodanige verkeersintensiteiten dat niet kan worden gesproken van een rustige woonwijk dan wel buitengebied. Er is bij het bepalen van de richtafstanden dus terecht uitgegaan van een gemengd gebied.

7. Er zijn geen regels gesteld met betrekking tot parkeergelegenheid voor vrachtwagens, zoals bij bestemmingsplan Heesch West, waarin regels zijn opgenomen die voorschrijven dat vrachtauto’s ten minste vijf meter achter de voorste bouwgrens voor hoofdgebouwen dienen te parkeren. Reclamant is van mening dat bij het onderhavig plan, ter voorkoming van verrommeling van het buitengebied en parkeren in openbare ruimte, ook een dergelijke bepaling dient te worden opgenomen. Bovendien is er volgens reclamanten in de parkeerregels (artikel 11.2 van de bestemmingsplanregels) geen sprake van een dynamische verwijzing naar de Nota Parkeernormering, terwijl dit wel noodzakelijk is voor het actueel blijven van het bestemmingsplan. Zoals beschreven in paragraaf 2.1.2 van de toelichting is bij de planontwikkeling onder meer uitgegaan van voldoende ruimte en parkeergelegenheid voor vrachtwagens. Dit uit zich onder meer in de oppervlakte van de bedrijfsbestemming en de beoogde perceelsinrichting, waarbij rekening is gehouden met draaicirkels voor vrachtwagens.

Verder is, in tegenstelling tot hetgeen reclamanten stellen, in artikel 11.2 van de regels wel een dynamische verwijzing naar de Nota Parkeernormering 2021 opgenomen. Uit een letterlijke lezing van de tekst van deze bepaling blijkt voldoende duidelijk dat de zinsnede ‘en diens rechtsopvolgers’ verwijst naar ‘de Nota Parkeernormering 2021 van de gemeente 'sHertogenbosch'. In de vast te stellen versie van het bestemmingsplan is artikel 11.2 van de regels verduidelijkt en zijn concrete parkeernormen opgenomen voor de beoogde functies.

8. In de plantoelichting wordt volgens reclamanten voor de berekening van verkeersbewegingen ten onrechte uitgegaan van een bedrijfsoppervlakte van 1000 m2 aan Nota van zienswijzen Bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ Pagina 10 van 12

vee/varkenstransportbedrijf. In de planregels is weliswaar een maximum aan m2 bebouwd oppervlak opgenomen van 1000m2, echter de bestemming ‘Bedrijf’ behelst ca 5000m2. De berekening van de verkeersgeneratie als gevolg van de nieuwe situatie is in de toelichting waar nodig verduidelijkt. Daarbij heeft maatwerk plaatsgevonden, waarbij als uitgangspunt een ‘worst case scenario’ is genomen, waarin alle personeelsleden van het veetransportbedrijf met de auto komen. Deze berekening is opgenomen in paragraaf 7.3 van de toelichting. De berekende verkeersgeneratie is vervolgens als uitgangspunt genomen bij de bepaling van de gevolgen voor het woon- en leefklimaat van reclamanten, en de berekening van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. 9. Daarnaast wordt overwogen dat er voor het transportbedrijf wordt uitgegaan van het gebruik van circa 8 vrachtwagens die één keer per dag op en neer rijden (16 verkeersbewegingen), waarmee volgens de toelichting geen sprake is van significante toename aan verkeersbewegingen. Dit roept de vraag op waarom er in het landschappelijk inpassingsplan maar 3 parkeerplekken voor vrachtwagens worden gerealiseerd. Dit roept bij reclamanten de vraag op of er voldoende stallingsruimte is binnen de bedrijfsbestemming.

Zoals beschreven in paragraaf 2.1.2 van de toelichting is bij de planontwikkeling onder meer uitgegaan van voldoende parkeergelegenheid voor vrachtwagens. De wijze waarop ruimte is gecreëerd voor het parkeren van vrachtwagens uit zich onder meer in de oppervlakte van de bedrijfsbestemming, die voldoende oppervlakte heeft om naast bebouwing ook parkeergelegenheid voor vrachtwagens te realiseren. Dit is ook afgestemd met het veetransportbedrijf. De bedoelde aanduiding op de tekening betrof de ruimte tussen de achterste perceelsgrens en de getoonde situering van de loods, waar mogelijkheid was voor het stallen van 3 vrachtwagens. Aangezien het doel van de bijlage een landschappelijke inpassing betrof die als zodanig ook met een voorwaardelijke verplichting is gekoppeld aan de nieuwe bedrijfsactiviteiten, zijn alle daar niet relevant voor zijnde aanduidingen verwijderd. 10. Reclamanten stellen dat uit de toelichting en daarbij behorende bijlagen niet blijkt dat onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. Reclamanten stellen dat er sprake is van cumulatie van zowel geluid, trilling en lichthinder. Naast de hierboven reeds genoemde vrees voor geluidshinder en trilling (vanwege verkeersbewegingen) vrezen reclamanten hinder van licht als gevolg van verlichting op het bedrijfsperceel, vrachtwagenbewegingen en straatverlichting.

Bij de planontwikkeling is onderzocht of wijzigingen in de verkeersintensiteit (cumulatief) leiden tot hinder ter plaatse van de woning van reclamanten. In samenhang met omliggende ontwikkelingen is er sprake van een afname van de verkeersintensiteit (zie onder de paragraaf Mobiliteit, 7.3). Gezien de afstand en het heersend verkeersbeeld op de van Rijckevorselweg, veroorzaken de verkeersbewegingen van en naar de inrichting verder geen wezenlijke toename aan hinder op omliggende geluidgevoelige bebouwing. Daarmee kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat het planvoornemen niet zal leiden tot een toename van geluid en trilling vanwege verkeersbewegingen. Bovendien zijn door middel van de situering van het bedrijfsgebouw aan de noordzijde van het perceel de bedrijfsactiviteiten beperkt tot het zuidelijk deel, waarmee sprake is van een afschermende werking. Ten aanzien van te verwachten lichthinder is naast afschermende werking van bebouwing sprake van een inrichtingsplan waar houtwallen zijn voorzien aan de noordelijke en zuidelijke zijde. Hiermee is lichthinder afkomstig van koplampen van vrachtwagens in voldoende mate afgeschermd. De wasplaats is inpandig, zodat ook hiervan geen licht naar de omgeving te verwachten is.

11. In de stikstofdepositieberekening wordt als uitgangspunt genomen een ontwikkeling van 1.000 m2 bedrijvigheid. Reclamanten stellen dat de bestemming ‘bedrijf’ ca 5.000 m2 behelst en dat dit oppervlak als uitgangspunt dient te worden genomen. Op basis van de berekende uitgangspunten voor verkeersgeneratie (zie paragraaf 7.3 van de toelichting) en het aanpassen van de bedrijfsomvang van 1000 naar 5000 m2 heeft een herberekening van de stikstofdepositie plaatsgevonden (bijlage 4 bij de toelichting) met als resultaat 0,00 mol/ha/jaar. Nota van zienswijzen Bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ Pagina 11 van 12

12. Reclamanten stellen al jaren bezig te zijn met het herbestemmen van hun percelen, waaraan tot op heden geen medewerking wordt verleend. Dit terwijl aan allerlei ontwikkelingen in de omgeving wel medewerking wordt verleend. Reclamanten zijn van mening dat hierdoor ook herbestemming van hun percelen medewerking dient te worden verleend. Reclamanten geven aan dat hun situatie door de gemeente wel wordt onderkend, maar dat dit tot heden nog niet heeft geleid toto enig concreet plan of medewerking aan wijziging van de bestemming. De gemeente is met reclamanten in overleg over mogelijke ontwikkelingen voor hun perceel. De plannen voor dit perceel zullen op hun eigen merites worden beoordeeld en staan los van onderhavig bestemmingsplan of andere ontwikkelingen in de omgeving. Onderhavig planvoornemen en de genoemde ontwikkelingen in de buurt maken herontwikkeling van het perceel van reclamanten niet onmogelijk. Het verwijderen van de mogelijkheid om binnen het plangebied van onderhavig bestemmingsplan een intensieve veehouderij te exploiteren zorgt bovendien voor een extensivering van de locatie, waarmee de nu maximaal toegelaten milieuhinder vanuit het perceel juist minder wordt.

IV.

Conclusie

Zienswijze 1 geeft voor de onderdelen genoemd onder 4, 7, 9 en 11 aanleiding om het plan te wijzigen. Zienswijze 2 geeft voor onderdeel 11 aanleiding om het plan te wijzigen. Voor het overige zijn de zienswijzen ongegrond en geven deze geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Nota van zienswijzen Bestemmingsplan ‘Van Rijckevorselweg 4’ Pagina 12 van 12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12436379/1