Bijlage 1 Bestemmingsplanregels en toelichting (incl. onderzoeken)
Tekst van het document
33
De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continue en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit) Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit)
Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden 34
(oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie.
Toetsing beleidsvisie De beoogde ontwikkeling voorziet in de planologisch-juridische ontwikkeling van één woning met een geïntegreerd bijgebouw, op een agrarisch perceel met een vergunning voor de realisatie van een akkerbouwbedrijf met een bedrijfgebouwen en een bedrijfswoning. De bewoners worden als normaal zelfredzaam beschouwd. Het object woning wordt beschouwd als beperkt kwetsbaar object (naar analogie van het Bevi). Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een groen gebied. Beperkt kwetsbare objecten zijn hierin toegestaan, wanneer een standaardverantwoordingkader is opgesteld. Het standaardverantwoordingskader is in onderstaande paragraaf nader beschreven.
Beschouwing risicobronnen Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied is gebruik gemaakt van de “Risicokaart Nederland” - www.risicokaartnederland.nl (samenwerking van het Rijk, de provincies en de gemeenten). Een uitsnede van de risicokaart is met aanduiding van het plangebied in figuur 12 opgenomen. In de directe nabijheid van het plangebied zijn op basis van de risicokaart geen risicovolle inrichtingen gelegen. De dichtstbijzijnde inrichting (Weteringsstraat 1) is op een afstand van circa 720 meter gelegen. Verder is een leiding van Gasunie op een afstand van circa 750 meter gelegen. In alle gevallen ligt het plangebied buiten de 10-6 contour en de invloedsfeer van deze bronnen.
Figuur 12 Uitsnede risicokaart waarop met zwarte stip het plangebied is aangeduid. www.risicokaar.nl bekeken op 15.01.2020)
(bron:
Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. In overleg met de regionale brandweer is besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter van relevante transportroutes (wegen of spoorwegen) geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld. Tevens is in het kader van de verantwoording van het GR niet meer nodig is om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer (Veiligheidsregio). Deze afspraak is tevens opgenomen in de gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. Een advies van de Veiligheidsregio is derhalve niet gevraagd en betrokken. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
35
5.7
Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project/planvoornemen) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren. Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 ìg/m3.
Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Uitgaande van een worst-case uiterst maximum van 1350 extra voertuigbewegingen gerealiseerd worden als gevolg van het plan zonder dat het extra verkeer in betekende mate bijdraag aan de luchtkwaliteit. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van één woning. Het gemiddeld aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal ten gevolge van één woning bedraagt 5. Hierdoor wordt ruimschoots onder de 1.350 extra voertuigbewegingen gebleven. Daarnaast is de realisatie van de woning aan te merken als Niet In Betekende Mate aangezien het aantal onder de 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg blijft. Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan.
Tabel 4: NIBM-tool Tot slot geldt dat het plangebied niet in de directe omgeving van intensieve veehouderijen is gelegen of nabij wegen met een hoge verkeersintensiteit. Er wordt redelijkerwijs verondersteld dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te borgen.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
36
5.8
Bodem
Algemeen Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. Bodemsituatie In 2020 is de locatie onderzocht (Veedijk 9, 12 februari 2020, Aelmans Eco B.V., Verkennend bodem- en asbestonderzoek, bijlage 2 ). Het onderzoek stelt in zijn conclusie en aanbevelingen (p. 21 en 22) :
Algemeen Zintuiglijk zijn er tijdens het verrichten van de veldwerkzaamheden geen noemenswaardige bodemvreemde materialen aangetroffen. Naar aanleiding van de visuele bevindingen zijn een viertal grondmengmonsters samengesteld en onderzocht op het NEN-5740 pakket voor grond.
Bovengrond De bovengrond tot een diepte van 0,5 m-mv, is analytisch onderzocht in de grondmengmonsters 1 en 2. Uit de analyseresultaten van grondmengmonster 1 blijkt, dat geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden overschrijden. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan de bovengrond als klasse AW2000 grond bestempeld worden. Uit de analyseresultaten van grondmengmonster 2 blijkt, dat de concentraties kobalt, nikkel, zink en lood de achtergrondwaarden overschrijden. Daarnaast overschrijdt de concentratie nikkel tevens de bodemindex (0.68) doch niet de interventiewaarde. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan voornoemde bodemlaag als klasse industrie grond worden gekwalificeerd. Formeel gezien zouden de deelmonsters van grondmengmonster 2 separaat op nikkel onderzocht moeten worden. Voor de beoogde bestemmingsplanwijziging vormen de aangetroffen overschrijdingen geen directe belemmeringen derhalve is gekozen om voornoemd grondmengmonster niet uit te splitsen. Temeer daar de grond alwaar de woning is geprojecteerd als klasse AW2000 grond wordt gekwalificeerd.
Ondergrond De ondergrond is analytisch onderzocht in de grondmengmonsters 3 en 4. Uit de analyseresultaten van grondmengmonster 3 blijkt, dat geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden overschrijden. Uit de analyseresultaten van grondmengmonster 4 blijkt, dat de concentraties kobalt en nikkel de achtergrondwaarden overschrijden doch niet de bodemindex en/of interventiewaarden. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan de ondergrond van het gehele perceel, ondanks de lichte overschrijdingen als klasse AW2000 grond worden gekwalificeerd.
37
PFAS Uit de resultaten van het PFAS onderzoek blijkt, dat in alle twee de grondmonsters licht verhoogde concentraties PFAS worden aangetroffen. De aangetroffen overschrijdingen zijn dermate marginaal, dat deze geen directe belemmeringen opleveren voor de geplande graafwerkzaamheden en de uiteindelijke kwalificatie van de onderzochte bodemlagen.
Grondwater Uit de analyseresultaten van het onderzocht grondwater blijkt, dat onderhavig grondwater veelal diffuus verontreinigd is met diverse zware metalen. De aangetroffen overschrijdingen zijn veelal van dien aard dat deze de betreffende streefwaarden overschrijden doch niet de interventiewaarden. Voornoemde overschrijdingen zijn van dien aard dat geen directe belemmeringen opleveren voor de beoogde herinrichting van het te onderzoek plangebied. Temeer daar de overschrijdingen welke in het grondwater worden aangetroffen niet worden aangetroffen in de bovenliggende grond.
Asbest Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetoond. Op basis van de bevindingen van voornoemd zintuiglijk en het analytisch bodemonderzoek kan de hypothese "onverdacht" met betrekking tot asbest worden bevestigd. Toetsing hypothese De hypothese "onverdacht" dient op basis van de onderzoeksresultaten te worden verworpen. Resumé Voor wat betreft de onderzoekslocatie zijn er geen directe aanleidingen om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of het doelmatig is om de deelmonsters van grondmengmonster 2 aanvullend op nikkel te analyseren.
5.9
Geur
Industriële geur Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij 'het voorkómen van nieuwe geurhinder' (nieuwe geurgehinder) voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Het plangebied is in het buitengebied gelegen en voorziet in de realisatie van een woning op een agrarisch perceel. De woning vormt geen geuroverlast voor de nabije omgeving. De woning kan wel worden gekwalificeerd als geurgevoelig object. Zoals beschreven in paragraaf 5.2 Bedrijven en milieuzonering zijn er in de omgeving van het plangebied geen bedrijven gesitueerd. Het aspect industriële geur is hierdoor niet van invloed op het planvoornemen.
38
Agrarische geur Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Gezien de typering van het plangebied, in het buitengebied is geur hier een relevant aspect. Geur kan in de leefomgeving in meer of minder mate hinder veroorzaken en kan om die reden ook gezondheidsrisico's met zich meebrengen. De geuremissie verspreidt zich via de lucht en op de woon- en leefomgeving wordt een geurbelasting veroorzaakt. Er dient een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig te zijn, maar tevens dienen omliggende bedrijven (veehouderijen) niet in hun bedrijfsontwikkeling(en) worden belemmerd. In onderstaande figuur is de achtergrondbelasting voor geurhinder weergegeven, berekend op basis van gegevens uit het Web-BVB van de provincie Noord-Brabant. In de omgeving van Veedijk 9 (2 km) zijn geen grote intensieve veehouderijen gelegen. Op korte afstand van de locatie zijn twee rundveebedrijven te vinden met een bescheiden tak vleeskalveren. Daarnaast zijn er in de omgeving nog enkele andere veehouderijen te vinden met een bescheiden omvang van geuremissie. De achtergrondbelasting geurhinder is derhalve laag en bedraagt slecht 1 Ou op het beoogde bouwvlak.
Het leefklimaat ten aanzien van geurhinder wordt op basis van de achtergrondbelasting beoordeeld als “zeer goed” (Classificatie RIVM/GGD Richtlijn geurhinder oktober 2002, Handreiking Wet geurhinder en veehouderij 2007). Ook aan de vaste afstanden ten aanzien van veehouderijen (50 m) wordt ruimschoots voldaan. Ten aanzien van eventuele beperkingen ten aanzien van de bedrijfsvoering van deze agrarische bedrijven kan worden gesteld dat er in de nabijheid andere woonhuizen reeds aanwezig zijn die maatbepalend zijn. De bedrijven worden door de realisatie van de woning met een geïntegreerd bijgebouw hierdoor niet beperkt. Daarmee zijn er voor wat betreft het aspect agrarische geurhinder geen bezwaren tegen het voorgenomen planvoornemen.
Figuur 13 Achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder (bron: tonnaer)
5.10
Hoogspanningslijnen
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Vanwege de afwezigheid van hoogspanningsleidingen in de directe omgeving van het plangebied is het aspect hoogspanningsleidingen voor dit planvoornemen beschouwd als niet relevant. 39
5.11
Water
Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de 'Startovereenkomst Waterbeheer' door verschillende overheden, is de watertoets van toepassing op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch vastgelegd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).
De watertoets moet ingevuld worden als een procedure. Het omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Kansen worden benut en functies zoveel mogelijk gecombineerd.
De beleidsdoelen voor integraal waterbeheer zijn door de gemeente vastgesteld in het Waterplan (2017). Hierin staat dat we in 's-Hertogenbosch een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Ook is hierin het hemelwaterbeleid vastgelegd. Dit is gebiedspecifiek gedaan, kijkend naar de watersystemen en de uitgangspunten per wijk. Het hemelwaterbeleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Hemelwater en Grondwater 2017. De doelen van het waterschap Aa en Maas zijn vastgelegd in de Keur (2015). De afspraken uit de watertoets worden in een waterparagraaf vastgelegd. In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan in relatie tot het planvoornemen. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Uitgangspunten voor integraal waterbeheer bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:
Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: a. Hergebruik b. infiltratie/bergen c. afvoer; Hydrologisch neutraal ontwikkelen, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. Daarnaast wordt water gezien als kans voor meervoudig ruimtegebruik en vergroting van de beleving van water. Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit plan.
40
Beschouwing watersituatie Het plangebied is in de huidige situatie volledig onverhard en in gebruik als akkerland. Met het planvoornemen wordt binnen dit agrarisch perceel van 5.000 m2 in een bestemming 'Wonen' voorzien van 1.497 m2. De woning heeft een afmeting van 10x25 meter. Daarnaast wordt een gedeelte van het bestemmingsvlak 'Wonen' verhard. In het waterschap gehanteerde Keur (1 maart 2015) is bepaald dat indien het verharde oppervlak als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling minder is dan 2.000 m2, er geen retentie van hemelwater vereist wordt binnen het plangebied. Dit is bij het onderhavige plan aan de orde. Het bebouwd oppervlak en oppervlak aan verharding blijft hier ruimschoots onder. De Keur is hierdoor niet van toepassing op het planvoornemen. Hierdoor vormt het de Verordening hemelwater en grondwater 's-Hertogenbosch 2017 het toetsingskader. De Verordening hemelwater en grondwater stelt onder meer regels over het brengen van afvloeiend hemelwater of grondwater op of in de bodem of in de gemeentelijke riolering en hemelwatervoorziening. De bevoegdheid om deze verordening vast te stellen is vastgelegd in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer. Hierin is onder ander opgenomen dat het hemelwater op eigen terrein moet worden opgevangen. Het perceel is voldoende groot om een wadi te realiseren met voldoende bergingscapaciteit om regenwater op te vangen.
Een ontwerp van een wadi binnen het perceel is opgenomen als onderdeel van de landschappelijke inpassing (zie Bijlage 3).
Betreft waterkwaliteit mag enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. Er wordt bij de bouw afgezien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en koper) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen. Het plangebied ligt op de hoge zandgronden in het grondwaterdeelgebied 179938. Het planvoornemen voorziet niet in een wijziging van de grondwaterstand. Ten aanzien van grond- en bodemwater zijn er door het planvoornemen dan ook geen veranderingen te verwachten. Het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op de bestaande drukriolering van de Veedijk.
Reservering waterberging De planlocatie is gelegen binnen een gebied met de aanduiding reservering waterberging, zie artikel 3.36 van de lOV. De insteek van de lOV (art. 3.36) is of er nog wel voldoende ruimte voor opvang van water in de toekomst is (behoud waterbergend vermogen). In het uiteindelijke bouwplan dat onderdeel dient uit te maken van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zullen derhalve maatregelen worden opgenomen die de gevoeligheid voor wateroverlast kunnen beperken en daarbij rekening houdend met klimaatverandering. Hierdoor zal ondanks de toename van bebouwing er ook in de toekomst voldoende vrije ruimte zijn om water op te vangen zoals vereist in artikel 3.36 van de lOV.
Conclusie In deze waterparagraaf is de waterbergingsopgave van het plangebied bepaald en ingevuld met een passend ontwerp voor hemelwater, grondwater en afvalwater. Bij het nader uitwerken van het ontwerp en de inrichting van de tuin zal aangegeven worden op welke wijze (hoogstwaarschijnlijk wadi) en op welke locatie deze de infiltratie voorzien wordt.
5.12
Duurzaamheid
We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte.
41
Duurzaamheid vormt binnen de gemeente 's-Hertogenbosch een belangrijk thema. Energie vormt hierin een belangrijk speerpunt, waarbij het beleid gericht is op het enerzijds op het realiseren van duurzame energiebronnen en anderzijds door het energiezuinig (neutraal) laten bouwen. Tevens zijn er landelijke regels van kracht voor de bouw van woningen. Zo mogen nieuwe woningen en andere nieuwe kleinverbruikers niet meer op aardgas worden aangesloten vanaf 1 juli 2018. Vanaf 1 januari 2021 moet nieuwbouw aan zogenaamde 'BENG-eisen' voldoen. BENG staat voor “Bijna Energie Neutraal Gebouw”. Het planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van één woning met een geïntegreerd bijgebouw op het agrarisch perceel, waarvoor met het planvoornemen de huidige vergunning voor het oprichten van een akkerbouwbedrijf met bedrijfsgebouwen en en bedrijfwoning komt te vervallen. Dit komt de kwaliteit van de leefomgeving ten goede, waarbij onder andere het bebouwd oppervlakte fors wordt verkleind ten op zichte van de reeds vergunde situatie. Met de nieuwbouw wordt ingestoken op een toekomstbestendige en energiezuiinige bouw. De woning zal confrom de gestelde eisen gasloos worden gerealiseerd en voldoen aan de BENG-eisen (zie ook Bijlage 4). De wijze waarop met het plan invulling wordt gegeven aan overige duurzaamheidsaspecten, is beschreven in Bijlage 5.
5.13
Milieueffectrapportage
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Onderhavige ontwikkeling kan niet worden gezien als een stedelijk project. Daarnaast zullen, gelet op de kenmerken van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieueffecten optreden. Voor de ontwikkeling is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
5.14
Ecologie
Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. 42
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Onderzoek Het plangebied omvat een agrarische perceel dat wordt ontsloten door en aan noordzijde grenst aan de Veedijk. Deze weg wordt aan beide zijden geflankeerd door fraaie eiken. In noordoostelijke richting grenst het plangebied aan de woonbestemming Veedijk 7, waarbij op de grens een houtsingel is gesitueerd bestaande uit een diversiteit aan oudere bomen en struiken. Het perceel is momenteel in gebruik als akkerland, waardoor het een lage ecologische verwachtingsgraad heeft. Op basis van een quickscan flora en fauna (Bijlage 6) is gekeken of een negatieve effecten op de aanwezige flora en fauna van toepassing zijn. In de quickscan wordt aangegeven dat het plangebied momenteel een 43
beperkte natuurwaarde heeft. Het voornemen bestaat om binnen het plangebied een woning met geïntegreerd bijgebouw en tuin te realiseren. Door de inrichting van de tuin worden nest- en rustplaatsen gecreëerd voor kleine vogelsoorten. De inrichting van de tuin kan tevens positief zijn voor insecten, vleermuizen (fourageergebied) en kleine marterachtigen. Bij de bouw zouden eventueel foeragerende vleermuizen verstoord kunnen worden. Bij de bouw van de woning en geïntegreerd bijgebouw dient voorkomen te worden dat eventuele bouwlampen lichtverstoring veroorzaken voor foeragerende vleermuizen. Op basis van het uitgevoerde veldonderzoek ter plaatse van het plangebied kan verder worden uitgesloten dat de voorgenomen ontwikkeling een negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming. Een nader ecologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Mitigerende maatregelen en/of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming zijn niet noodzakelijk. Tevens dient te worden nagegaan of het planvoornemen van invloed is op het op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied. Het plangebied ligt in landelijk gebied en op circa 7 km van Natura 2000-gebied Rijntakken, Vlijmens Ven, Moerputten &Bossche Broek.
De grote afstand en de beperkte ontwikkeling van één woning met geïntegreerd bijgebouw is geen significant negatief effect op dit Natura 2000-gebied te verwachten. Immers de woning wordt gasloos gerealiseerd en uit de 'Handreiking woningbouw en Aerius' blijkt dat de indicatieve deposite bij 50 woningen op een afstand van 7 km zowel voor gebruik als aanleg 0,00 mol/ha/jaar bedraagt (zie onderstaande tabel).
Tabel 5 Indicatieve depositie Conclusie Het planvoornemen heeft geen negatieve invloed op beschermde beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming. Een nader ecologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Mitigerende maatregelen en/of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming zijn niet noodzakelijk. Wel dient bij de bouw van de woning met een geïntegreerd bijgebouw voorkomen te worden dat eventuele bouwlampen lichtverstoring veroorzaken voor foeragerende vleermuizen.
44
5.15
Archeologie en cultuurhistorie
5.15.1 Archeologie Toetsingskader De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. Onderzoek Op de plankaart is het plangebied aangeduid met een lage archeologische verwachting. In het bestemmingsplan Buitengebied is voor het plangebied geen dubbelbestemming voor archeologische waarden opgenomen.
Figuur 14 Uitsnede Archeologische waardenkaart (2010) met indicatie plangebied Conclusie Op basis van de Archeologische waardenkaart en het bestemmingsplan 'Buitengebied' heeft het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde. Nader archeologisch onderzoek voor de realisatie van het planvoornemen is derhalve niet noodzakelijk. Wel geldt de algemene zorgplicht en meldingsplicht op grond van de Monumentenwet. 5.15.2 Cultuurhistorie Onderzoek Het plangebied is cultuurhistorisch onderdeel van de regio Meierij waarbij het deel uitmaakt van een oude zandontginning. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart 2015 is geen specifieke cultuurhistorische waarden in of in de directe omgeving van het plangebied aangeduid. 45
Ten zuidwesten van het plangebied is het landgoed De Wamberg, aangeduid als Complex van cultuurhistorisch belang het meest directe aangeduide cultuurhistorisch belang op de CHW 2015. Tevens is in het zuidoosten het oude buurtschap Loofaert een drietal rijksmonumenten gesitueerd. Op de Cultuurhistorische Waardekaart (CHW) 2006 is het buurtschap Loofaert als geheel aangeduid als 'historische stedenbouw van redelijk hoge waarden'. Op de CHW 2006 is tevens de laanbeplanting Veedijk aangeduid als historisch groen met een aanduiding van een redelijk hoge waarden. De groenstructuur bestaat uit Zomereik en Amerikaanse Eik, aangeplant rond 1910.
Figuur 15 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart 2015 Conclusie Dit betekent dat het beoogde planvoornemen niet van invloed is op vastgestelde cultuurhistorische waarden.
46
Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.
6.1
Planmethode
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemmingen in het plan voorkomen en waarop deze betrekking hebben. De regels geven aan wat de doeleinden zijn van elke bestemming. In aansluiting hierop bevatten de regels bepalingen met betrekking tot de toegelaten bebouwing. Dit alles gerelateerd aan de desbetreffende bestemming. De regels en de verbeelding vormen samen het deel van het bestemmingsplan dat voor een ieder bindend is. De toelichting is niet bindend, maar heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het bestemmingsplan en voor de uitleg van bestemmingen en regels.
Onderhavig bestemmingsplan heeft als doel om een juridisch-planologisch regeling te scheppen om de bouw en het gebruik van een woning met een geïntegreerd bijgebouw en bijbehorenden gronden mogelijk te maken. Het definitieve bouwplan van de woningmet een geïntegreerd bijgebouw dient te passen binnen de mogelijkheden van dit bestemmingsplan. De gronden zijn hiervoor bestemd als 'Wonen' met bijbehoren bouwvlak. Het resterende deel waar de landschappelijke inpassing is voorzien is bestemd als 'Agrarisch'.
Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de gemeentelijke bestemmingsplannen, meer in het bijzonder bij het voor een deel van het plangebied geldende en voor de omgeving straks nog steeds geldende bestemmingsplan 'Buitengebied'.
In paragraaf 6.2 wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen voorliggend bestemmingsplan.
6.2
Opzet van de regels
In deze paragraaf wordt ingegaan op de opzet van de planregels. De regels van het bestemmingsplan zijn verdeeld in vier hoofdstukken:
Hoofdstuk 1. Inleidende regels Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels 47
Hoofdstuk 3. Algemene regels Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels Het bestemmingsplan omvat twee bestemmingen: 'Agrarisch' en 'Wonen'.
Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan. Deze bepalingen gelden voor alle bestemmingen. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsbepalingen Agrarisch De gronden voor het resterende deel van het perceel (noord-, west- en zuidzijde) hebben de bestemming 'Agrarisch'. Op deze gronden kan het bestaande agrarische gebruik worden voorgezet en is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' de landschappelijk inpassing voorzien overeenkomstig het uitgewerkte landschappelijke inpassingsplan. De regels sluiten aan bij de regeling van de bestemming 'Agrarisch' van het bestemmingsplan 'Buitengebied'
Gebruik: De gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn primair bestemd voor agrarische doeleinden en landschappelijke inpassing met daaraan ondergeschikt en ten dienste van de bestemming paden/wegen, water/waterhuishoudkundige voorzieningen en extensief recreatief medegebruik. Bouwen: De bouwmogelijkheden zijn beperkt tot uitsluiten bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van de bestemming.
Wonen De gronden voor het woonperceel waar de woning met een geïntegreerd bijgebouw is voorzien zijn bestemd als 'Wonen met een bijbehorende bouwvlak. De woning is uitsluitend toegestaan binnen dit bouwvlak. Daarnaast zijn bijgebouwen enkel toegestaan indien ze in het hoofdgebouw zijn geïntegreerd.
Gebruik: Binnen deze bestemming is wonen de hoofdfunctie. Binnen de woonbestemming is wel de uitoefening van een aan huis verbonden beroepsactiviteit toegestaan, mits deze ondergeschikt blijft aan de woonfunctie. Dit betekent onder meer dat maximaal 35% van de oppervlakte van de begane grond van de opstallen, tot ten hoogste 50 m², mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden beroepsactiviteit. Daarnaast zijn aan het wonen gerelateerde groenvoorzieningen e.d. toegestaan.
ondergeschikte functies als parkeervoorzieningen,
Bouwen. De bouwmogelijkheden zijn terug te vinden op de verbeelding in samenhang met de regels. Het bouwen van hoofdgebouwen is uitsluitend toegestaan binnen het op de verbeelding opgenomen bouwvlak. Binnen dit bouwvlak is het oprichten van één vrijstaande grondgebonden woning toegestaan. In de regels zijn verder de bouwregels bepaald zoals aantal woningen, orientatie, kapvorm, maximum goothoogte, maximum bouwhoogte, maximum inhoud. Ten beboeve van de flexibiliteit zijn op de basisregeling verschillende afwijkingsmogelijkheden geregeld.
48
Paragraaf 3 Algemene regels In de algemene bepalingen komen de anti-dubbeltelbepaling, de algemene aanduidingsregels en de algemene afwijkingsregels alsmede de algemene procedureregels aan de orde. Deze bepalingen gelden voor het gehele bestemmingsplan.
Paragraaf 4 Overgangs- en slotbepalingen In deze paragraaf zijn tot slot de algemene, overgangs- en slotregels opgenomen, die voor het gehele bestemmingsplan gelden.
49
50
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 7.1
Economische uitvoerbaarheid
In deze paragraaf wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Wanneer voor gronden een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan (zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening) is voorgenomen, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Tussen de gemeente en initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten. In de anterieure overeenkomsten zijn ook afspraken vastgelegd over planschade.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Door initiatiefnemer is op vrijdag 6 maart 2020 een bijeenkomst georganiseerd waarbij de plannen voor de ontwikkeling voor Veedijk 9 zijn gepresenteerd aan omwonenden. De reacties hierbij waren overwegend positief. Er worden dan ook geen bezwaren verwacht op dit planvoornemen. De omgevingsdialoog heeft niet geleid tot aanpassing van het plan. Een verslag van de inloopavond c.q. de omgevingsdialoog is als Bijlage 7 aan deze onderbouwing toegevoegd.
Het bestemmingsplan wordt daarnaast conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens de periode van ter inzage legging kunnen bewoners, bedrijven, dorps- en stadsraden en andere geïnteresseerden of belanghebbenden reageren op het plan. In dezelfde periode is ook overleg gevoerd met andere overheden over het plan. De resultaten van de ter inzage legging kunnen leiden tot aanpassingen, verbeteringen of wijzigingen van het plan.
51
52
Hoofdstuk 8 Procedure 8.1
Inspraak
In het kader van de bestemmingsplanprocedure is een omgevingsdialoog gevoerd met de buurtbewoners. Dit betreft de adressen:
Maliskampsestraat 63a; Maliskampsestraat 65; Maliskampsestraat 67; Maliskampsestraat 90; Maliskampsestraat 92; Veedijk 7; Veedijk 24; Veedijk 28; Veedijk 32; Veedijk 34.
Initiatiefnemers hebben het plan aan bovengenoemde buurtbewoners toegelicht. Buurtbewoners hebben geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling. In algemene zin zijn de reacties positief. Nu de omgevingsdialoog is gevoerd en het plan door de omgeving positief is ontvangen, is het doorlopen van de inspraakprocedure derhalve niet nodig.
8.2
Wettelijk vooroverleg
In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is onderhavig bestemmingsplan voorgelegd aan de wettelijke vooroverlegpartners (provincie Noord-Brabant en het waterschap Aa en Maas). De reacties uit het vooroverleg zijn verwerkt in onderhavige paragraaf. Reactie provincie: De provincie kan instemmen met deze ontwikkeling. Ambtelijk is afgesproken dat in de toelichting van het bestemmingsplan wordt opgenomen dat de bouwvergunning zal worden ingetrokken en dat de intrekking van de verleende vergunning van 4 oktober 2006 (onherroepelijk sinds 25 september 2013) voor het realiseren van een akkerbouwbedrijf wordt vastgelegd in een anterieure overeenkomst.
53
Het verzoek om intrekking wordt onderdeel van deze overeenkomst, waarbij door initiatiefnemer wordt verzocht tot intrekking van de bouwvergunning, met de opschortende werking, dat feitelijke intrekking pas plaatsvindt nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden. Door de gemeente is aangegeven dat de anterieure overeenkomst en het verzoek tot intrekking van de verleende vergunning voor het akkerbouwbedrijf, voor het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan door initiatiefnemer moet zijn ondertekend. Reservering waterberging De planlocatie is gelegen binnen een gebied met de aanduiding reservering waterberging (artikel 3.36 van de lOV). De provincie heeft verzocht om de aanduiding reservering waterberging op te nemen op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan. Op dit onderdeel is het bestemmingsplan aangepast. Aanvullend is opgemerkt dat in paragraaf 5.1.1 van de toelichting is opgenomen dat de keur van het waterschap niet van toepassing is op het plan omdat het verharde oppervlak als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling minder dan 2000 m2 is. Dat vindt men wat beperkt ingestoken, de keur van het waterschap is er ook vooral op gericht te voorkomen dat er extra water (van het verhard oppervlak) toestroomt naar het oppervlaktewater. Dit terwijl de insteek van de lOV (art.
3.36) meer is of er nog wel voldoende ruimte voor opvang van water in de toekomst is (behoud waterbergend vermogen). Op dit onderdeel is de toelichting aangepast. In de toelichting is opgenomen dat ondanks de toename van bebouwing er ook in de toekomst voldoende vrije ruimte is om water op te vangen. Reactie Waterschap: Het waterschap wijst er op dat de reserveringsgebieden (art. 3.36 IOV) daar zijn aangewezen waar het van nature al natter is en dus een groter risico is op wateroverlast. Dat risico zal door het veranderende klimaat alleen maar toenemen. De provincie heeft hier daarom ook geen norm opgelegd. Het veranderen van de bestemming van dit perceel zal niet kunnen leiden tot een andere (hogere) norm en beschermingsniveau dan dat van de omgeving (het reserveringsgebied). Het waterschap beveelt aan om te adviseren over maatregelen die de gevoeligheid voor wateroverlast kunnen beperken en daarbij rekening te houden met klimaatverandering. Initiatiefnemer is hierover geïnformeerd en zal hiermee bij zijn bouwplan rekening houden. Verder zijn er geen opmerkingen.
8.3
Ontwerp
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 7 december 2020 tot en met 18 januari 2021 ter inzage gelegen. Er zijn gedurende de terinzagelegging geen zienswijzen ingediend.
54
Bijlagen bij toelichting
55
56
Bijlage 1 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
57
58
Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting Veedijk 9 te Rosmalen (gem. Den Bosch)
Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting Veedijk 9 te Rosmalen (gem. Den Bosch)
Rapportnummer:
M199330.001.001.R1/GGO
Naam opdrachtgever:
Gemeente 's-Hertogenbosch de heer F. Verheul
Adres opdrachtgever:
Postbus 12345 5200 GZ 'S-HERTOGENBOSCH
Uitgevoerd door:
G.R.M. Goertz
Contactpersoon:
G.R.M. Goertz
Datum:
13 juli 2020
Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV Kerkstraat 4 6367 JE Voerendaal T (045) 575 32 55
Kerkstraat 2 6095 BE Baexem T (0475) 459 260
Parklaan 21 5261 LR Vught T (073) 303 27 00 info@aelmans.com
KvK 14091320 BTW 8170.53.189.B.01 Bankrekening 0115 2942 44 BIC RABONL2U IBAN NL06 RABO 0115 2942 44
www.aelmans.com
Op onze dienstverlening zijn de algemene voorwaarden van Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV van toepassing die u vindt op www.aelmans.com
Inhoud 1
Inleiding .............................................................................................................. 3
2
De Wet geluidhinder en het plangebied ............................................................... 5 2.1 Industrielawaai ....................................................................................................................... 5 2.2 Spoorweglawaai ..................................................................................................................... 5 2.3 Wegverkeerslawaai ................................................................................................................ 5 2.4 Dove gevels............................................................................................................................. 7 2.5 Cumulatie Wet geluidhinder .................................................................................................. 7 2.6 Goede ruimtelijke ordening.................................................................................................... 7 2.7 Bouwbesluit ............................................................................................................................ 8 2.8 Gemeentelijk geluidbeleid...................................................................................................... 8 2.9 Van toepassing op de huidige situatie.................................................................................... 8
3
Uitgangspunten................................................................................................... 9 3.1 Gebruikte wegverkeersgegevens ........................................................................................... 9 3.2 Toegepaste correcties .......................................................................................................... 10 3.3 Omgevingskenmerken .......................................................................................................... 10 3.4 Waarneempunten en -hoogten............................................................................................ 10
4
Resultaten......................................................................................................... 11 4.1 Resultaten wegverkeer ......................................................................................................... 11 4.2 Maatregelen / Motivatie HGW ............................................................................................. 11 4.3 Resultaten cumulatie............................................................................................................ 12 4.4 Karakteristieke geluidwering van de gevel ........................................................................... 13
5
Conclusie .......................................................................................................... 15 5.1 Wet geluidhinder .................................................................................................................. 15 5.2 Cumulatie ............................................................................................................................. 15 5.3 Karakteristieke geluidwering van de gevel ........................................................................... 16
6
Bijlagen ............................................................................................................. 17
M199330.001.001.R1/GGO
1 Inleiding Opdrachtgever, wenst een woning te realiseren op de locatie Veedijk 9 te Rosmalen (gem. Den Bosch). Om dit te kunnen realiseren wordt een bestemmingsplan opgesteld. Onderdeel hiervan is het opstellen van een akoestisch onderzoek. Namens opdrachtgever is dit onderzoek door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV uitgevoerd. In dit rapport is de geluidbelasting op de gevel (gevelbelasting) berekend ten gevolge van het omliggende wegennet voor het jaar 2020 + 10 jaar na realisatie en getoetst aan de normstelling uit de Wet geluidhinder. Tevens is voor deze “Nieuwe situatie” bepaald wat de cumulatieve geluidbelasting ter hoogte van het nieuwbouwproject is, zodat bezien kan worden of extra geluidwerende maatregelen noodzakelijk zijn. De berekeningen van de gevelbelasting zijn uitgevoerd met behulp van Standaard Rekenmethode II volgens het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. Hiertoe is gebruik gemaakt van het rekenprogramma Geomilieu van DGMR. De geluidwering van de gevel van het te realiseren geluidgevoelige object is niet berekend; het betreft momenteel een bestemmingsplanprocedure waarvoor in eerste instantie een bepaling van de gevelbelasting aan de orde is. De berekening van de geluidwering van de gevel zal, indien nodig, deel uitmaken van de later te volgen procedure. Figuur 1 (luchtfoto) geeft de ligging van de te onderzoeken planlocatie weer.
planlocatie
Figuur 1: Luchtfoto met aanduiding planlocatie
Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting Veedijk 9 te Rosmalen (gem. Den Bosch) Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
3
M199330.001.001.R1/GGO
In figuur 2 is het bouwplan weergegeven inclusief de te toetsen gevels.
gevel noord
gevel oost
gevel west gevel zuid
Figuur 2: Te toetsen gevels
4
Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting Veedijk 9 te Rosmalen (gem. Den Bosch) Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M199330.001.001.R1/GGO
2 De Wet geluidhinder en het plangebied 2.1
Industrielawaai De planlocatie ligt niet binnen een zone voor industrielawaai.
2.2
Spoorweglawaai De planlocatie ligt niet binnen een zone voor railverkeerslawaai.
2.3
Wegverkeerslawaai Artikel 82 tot en met 85 van de Wet geluidhinder geven nadere uitleg met betrekking tot de geluidbelasting in zogenaamde “Nieuwe situaties”. Is de geluidbelasting lager dan de voorkeursgrenswaarde dan legt de Wet geluidhinder geen restricties op aan het plan. Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, maar de geluidbelasting lager is dan de maximale ontheffingswaarde, kan de gemeente ontheffing verlenen indien maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde, op overwegende bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Wanneer het college van B&W een hogere waarde vaststelt, zullen er in het vervolgtraject zodanige maatregelen moeten worden opgenomen dat de geluidbelasting in geluidgevoelige ruimten niet meer bedraagt dan 33 dB. Voor nog niet-geprojecteerde geluidgevoelige objecten zijn de normen weergegeven in navolgende tabel. Grenswaarden wegverkeer in buitenstedelijk/stedelijk gebied Voorkeursgrenswaarde Maximale ontheffingswaarde Maximale ontheffingswaarde onderwijs-, kinderopvang- en gezondheidszorgfunctie Maximale ontheffingswaarde; agrarische bedrijfswoning Maximale ontheffingswaarde; vervangende nieuwbouw Maximale ontheffingswaarde; vervangende nieuwbouw gelegen binnen de bebouwde kom, binnen de zone langs een autoweg of autosnelweg
dB 48 / 48 53 / 63 53 / 63 58 / 58 / 68 63 / -
Tabel 1: Normen geluidbelasting in (buiten)stedelijk gebied
Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting Veedijk 9 te Rosmalen (gem. Den Bosch) Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
5
M199330.001.001.R1/GGO
2.3.1 Stedelijk en buitenstedelijk gebied De begrippen stedelijk en buitenstedelijk gebied zijn van belang in verband met de normstelling voor wegverkeerslawaai. In artikel 1 van de Wet geluidhinder zijn de definities opgenomen. Stedelijk gebied:
het gebied in de zone van een weg binnen de bebouwde kom, met uitzondering van het gebied langs een autosnelweg of een autoweg.
Buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor toepassing van de hoofdstukken VI en VII, het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersgegevens en verkeerstekens 1990. In geval er sprake is van een planlocatie binnen de geluidzone van een auto(snel)weg, worden in stedelijk gebied gelegen wegen, anders dan deze auto(snel)weg, getoetst als zijnde stedelijk gebied. 2.3.2 Zones langs wegen In artikel 74 Wgh zijn de geluidzones van wegen gedefinieerd. De geluidzone van een weg is gerelateerd aan het aantal rijstroken van de weg en het type weg (stedelijk of buitenstedelijk). De geluidzones zijn te beschouwen als aandachtsgebieden of onderzoeksgebieden. In navolgende tabel worden de breedten van de geluidzone van alle typen wegen weergegeven. Aantal rijstroken 1 of 2 3 of 4 5 of meer
Buitenstedelijk gebied 250 meter 400 meter 600 meter
Stedelijk gebied 200 meter 350 meter 350 meter
Tabel 2: Breedte van de geluidzone
2.3.3 Aftrek ingevolge artikel 110g van de Wet geluidhinder In artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 staat opgenomen dat het berekende resultaat met een waarde wordt verminderd alvorens de toetsing aan de grenswaarden plaatsvindt. Deze aftrek houdt verband met het stiller worden van voertuigen in de toekomst en bedraagt: - 2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt, tenzij de berekende geluidbelasting zonder aftrek 56 dB of 57 dB bedraagt. Dan geldt namelijk een aftrek van respectievelijk 3 of 4 dB; - 5 dB voor de overige wegen; - 0 dB bij toepassing van de artikelen 3.2 en 3.3 van het Bouwbesluit 2012 en bij toepassing van de artikelen 111b, tweede en derde lid, 112 en 113 van de Wet geluidhinder. 2.3.4 Artikel 3.5 Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 Binnen het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 is middels artikel 3.5 de mogelijkheid geboden om voor wegen met een snelheidsregime van 70 km/uur of meer rekening te houden met de toekomstige effecten van Europees bronbeleid. Artikel 3.5 schrijft hierover het volgende: - bij de berekening van het equivalent geluidniveau vanwege een weg wordt, voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt, 2 dB in mindering gebracht op de wegdekcorrectie bepaald overeenkomstig bijlage III
6
Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting Veedijk 9 te Rosmalen (gem. Den Bosch) Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
M199330.001.001.R1/GGO
-
bij deze regeling of als het wegdek bestaat uit dicht asfaltbeton, in afwijking van het gestelde in paragraaf 1.5 en 2.4.2 van bijlage III een wegdekcorrectie van 2 dB in rekening gebracht; in afwijking van het eerste lid wordt 1 dB in mindering gebracht voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt en het wegdek bestaat uit een elementenverharding of een van de volgende wegdektypen: Zeer Open Asfalt Beton; tweelaags Zeer Open Asfalt Beton, m.u.v. tweelaags Zeer Open Asfalt Beton fijn; uitgeborsteld beton; geoptimaliseerd uitgeborsteld beton; oppervlakbewerking.
De toepassing van dit artikel geschiedt automatisch door het gebruikte rekenprogramma.
2.4
Dove gevels Indien de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden en het terugbrengen van de geluidbelasting op de gevels door maatregelen niet mogelijk c.q. wenselijk is kunnen de betreffende geveldelen als “dove gevel” conform artikel 1b, lid 4 van de Wet geluidhinder worden uitgevoerd. Een “dove gevel” is namelijk geen gevel in de zin van de Wet geluidhinder. Dit betekent derhalve dat er ter plaatse van verblijfsruimten geen draaiende delen (ramen en deuren) in deze gevel zijn toegestaan. Hier dient in de uitwerking van het plan rekening mee te worden gehouden in verband met de noodzakelijk spuiventilatie.