Bijlage 1 Bestemmingsplanregels en toelichting (incl. onderzoeken)
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Veedijk 9 te Rosmalen’
Bestemmingsplan Veedijk 9 te Rosmalen vastgesteld
april 2021
2
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3
Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3
5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 5.13 5.14 5.15
Hoofdstuk 6 6.1 6.2 Hoofdstuk 7 7.1 7.2 Hoofdstuk 8 8.1 8.2 8.3
5 Inleiding Aanleiding Begrenzing plangebied Leeswijzer Huidige situatie Beschrijving locatie en ligging Ruimtelijke structuur Functionele structuur Geldend bestemmingsplan Verleende bouwvergunning Planbeschrijving Bebouwing Landschappelijke inpassing Gebruik Verkeer en parkeren Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid 4.3.1 Structuurvisie 4.3.2 Bomen Milieu, duurzaamheid en waarden Inleiding Bedrijven en milieuzonering Geluid 5.3.1 Wegverkeerslawaai 5.3.2 Railverkeerslawaai 5.3.3 Industrielawaai Trillingen Verlichting Externe veiligheid Lucht Bodem Geur Hoogspanningslijnen Water Duurzaamheid Milieueffectrapportage Ecologie Archeologie en cultuurhistorie 5.15.1 Archeologie 5.15.2 Cultuurhistorie Juridisch-bestuurlijke aspecten Planmethode Opzet van de regels Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Procedure Inspraak Wettelijk vooroverleg Ontwerp
7 7 8 8 9 9 10 11 11 13 15 15 17 19 19 21 21 22 26 26 26 29 29 29 30 31 32 33 33 33 33 36 37 38 39 40 41 42 42 45 45 45 47 47 47 51 51 51 53 53 53 54
3
Bijlagen bij toelichting
55
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
57 59 61 63 65 67 69
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Verkennend bodem- en asbestonderzoek Landschappelijk Inpassingsplan Energievisie Visie duurzaam bouwen Quickscan flora en fauna Verslag omgevingsdialoog
Regels
71
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch Artikel 4 Wonen Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Artikel 6 Algemene bouwregels Artikel 7 Algemene gebruiksregels Artikel 8 Algemene afwijkingsregels Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 10 Overgangsrecht Artikel 11 Slotregel
73 73 78 79 79 80 83 83 84 85 86 87 89 89 90
Bijlagen bij regels
91
Bijlage 1
93
4
Landschappelijk inpassingsplan
Toelichting
5
6
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1
Aanleiding
Initiatiefnemer is eigenaar van het perceel Veedijk 9 te Rosmalen. Het perceel is momenteel als akkerland in gebruik en gelegen ten zuiden van Veedijk 7 en tegenover Veedijk 28. Het perceel omvat een agrarische bestemming, met een vergunning voor het oprichten van een akkerbouwbedrijf met een totale bebouwingsmassa van 2.150 m3, bestaande uit twee schuren van ieder 150 m2 en een bedrijfswoning. Gezien de huidige ontwikkelingen in de agrarische sector en de milieu impact van een akkerbouwbedrijf op deze locatie in relatie tot de omgeving, heeft de eigenaar aan de gemeente verzocht om aan de Veedijk 9, in plaats van het vergunde akkerbouwbedrijf met stallen en bedrijfswoning, één woning met geïntegreerd bijgebouw te ontwikkelen met een maximale inhoud van 1.000 m3. Om de ontwikkeling van deze woning planologisch-juridisch te organiseren, dient voor een deel van het perceel de bestemming in 'wonen' te worden gewijzigd om ter plaatse een burgerwoning met een geïntegreerd bijgebouw toe te staan. Voorliggende bestemmingsplan (art. 3.1 Wet ruimtelijke ordening) voorziet in het planologisch-juridisch mogelijk maken van een woning aan de Veedijk 9 te Rosmalen en omvat een nadere verantwoording dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
7
1.2
Begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Veedijk 9 te Rosmalen. Het plangebied omvat één perceel van 5.000 m2, kadastraal aangeduid met nummer 3005 vallend onder sectie D van de kadastrale gemeente Rosmalen. De ligging en begrenzing van het plangebied is in figuur 1 weergegeven.
Figuur 1 Ligging en begrenzing plangebied, aangeduid met een wit gestreept contour (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
1.3
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie van de directe omgeving en het plangebied zelf gegeven. Hoofdstuk 3 bevat de planbeschrijving. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente 's-Hertogenbosch beschreven. In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieuthema's de revue. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de juridisch-planologische aspecten. Hoofdstuk 7 beschrijft de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 tenslotte beschrijft de procedure.
8
Hoofdstuk 2 Huidige situatie 2.1
Beschrijving locatie en ligging
Het plangebied is gelegen aan de Veedijk 9 en ligt ten zuidoosten van bebouwde kom van Rosmalen en de kern Maliskamp in het buitengebied van de gemeente 's-Hertogenbosch. Het plangebied omvat een onbebouwd agrarisch perceel dat momenteel in gebruik is al akkerland. In figuur 2 is de ligging van het plangebied in de bredere ruimtelijke context weergegeven. Het plangebied wordt aan de oostzijde begrensd door de Veedijk, een smalle weg die aan beiden zijden wordt geflankeerd door een laanbeplanting van fraaie eiken. In noordoostelijke richting grenst het plangebied aan een woning met garage (Veedijk 7), waarbij op de grens een houtsingel is gesitueerd bestaande uit een diversiteit aan oudere bomen en struiken. In zuidelijke en westelijke richting grenst het gebied aan het groter agrarisch perceel dat kadastraal is aangeduid met nummer 3006. De losse bomenrij die evenwijdig aan de Veedijk op dit grotere perceel is gesitueerd, geeft het plangebied een omsloten karakter. In figuur 3 is een straatbeeld van Veedijk op het plangebied weergegeven.
Figuur 2 Ligging Veedijk 9 (bron: Google Maps)
9
Figuur 3 Straatbeeld huidige situatie vanuit de Veedijk (bron: Google Street view)
2.2
Ruimtelijke structuur
Het plangebied maakt deel uit van het buitengebied van 's-Hertogenbosch, behorende bij het grote cultuurlandschap van de Meierij en het deelgebied Hooge Heide Zuid. Het landschap in de omgeving van het plangebied ligt op de overgang tussen de hogere gelegen zandruggen van de Maliskamp en het beekdal van de Grote Wetering. Het gebied kan als mozaïeklandschap worden gekenmerkt, dat afwissend uit bosgebieden en akker- en graslanden bestaat. Het gebied wordt in de noordzijde doorsnede door de A59. Ten noorden en noordoosten van het plangebied bevinden zich oude bossen, die naast een natuurfunctie ook een recreatieve functie hebben. In het noordelijke bos is tevens de kern Maliskamp gelegen. Het plangebied aan de Veedijk 9 is onderdeel van het beekdal van de Grote Wetering dat wordt gekenmerkt door een kampenlandschap: een coulisselandschap met houtwallen, dijkjes en singels. Het verkavelingspatroon is hier grillig en variërend in grootte en vorm. De graslanden en akkerlanden zijn relatief kleinschalig en deels omsloten door houtsingels en houtwallen. Deze kenmerken, karakteristiek voor de oude zand ontgingen, zijn nog duidelijk herkenbaar in het landschap. De ruimtelijke structuur wordt verder gekenmerkt door de ruilverkavelingsperiode, waarbij het landschap op bescheiden schaal in rationele en grootschaliger verkavelingspatroon is getransformeerd.
Dit is met name zichtbaar aan het verkavelingspatroon aan de overzijde van de Veedijk. Tevens heeft daarbij bebouwing plaatsgevonden, waarbij nieuwe bebouwing verspreid is gerealiseerd in de reeds bestaande bebouwingsstructuur. Deze bebouwing wordt gekenmerkt door een pragmatisch opzet, een zadeldak en een gevelbekleding in een lichtere baksteen. De gehele bebouwingsstructuur wordt gekenmerkt voor boerenerven die in lintvorm langs de straat zijn gesitueerd. Verschillende boerenerven zijn hierbij niet meer agrarisch in gebruik en zijn omgevormd tot woonbestemming met behoud van de ruimtelijke kenmerken.
10
Figuur 4 Landschapstypen Hooge Heide Zuid (Bron: Structuurvisie Landgoed Coudewater)
2.3
Functionele structuur
Het plangebied maakt zoals gesteld onderdeel uit van het buitengebied van 's-Hertogenbosch. Het mozaïeklandschap met relatief kleine en grillige kavels verliest door de huidige veranderingen zijn oorspronkelijke agrarische functie. Voor wonen, toerisme en recreatie is het gebied steeds meer van betekenis, door de aanwezigheid van verschillende vakantieparken, fiets en wandelroutes in de omgeving. Verschillende boerderijen/agrarische percelen zijn buiten bedrijf genomen en omgevormd tot woonbestemming, waarbij verschillende nieuwe woningen zijn gecreëert . Het plangebied is gelegen in een bebouwingslint, als onderdeel van een kleinschalig agrarisch gebied. De directe omgeving is met name in gebruik voor wonen en omgeven door agrarische percelen die als grasland en akkerland in gebruik zijn. Het meest dichtbij gelegen agrarische bedrijf is op een afstand van circa 150 meter gelegen. Met het planvoornemen wordt een deel van het huidige agrarische bouwperceel (waarvoor vergunning is verleend) uit bedrijf genomen en herstemd als 'wonen' voor de realisatie van één woning. Dit past binnen de beschreven functionele tendens die dit landelijk gebied kenmerkt.
2.4
Geldend bestemmingsplan
Het geldende bestemmingsplan voor het plangebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied', dat op 20 juli 2011 onherroepelijk is bevonden. In figuur 5 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan weergegeven. De gronden binnen het plangebied hebben de bestemming 'Agrarisch'. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen verharde en onverharde paden, wegen en parkeervoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; extensief recreatief medegebruik.
In het bestemmingsplan 'Buitengebied' zijn voor de 'Agrarisch' bestemde gronden bouwregels opgenomen voor 'Bouwwerken geen gebouwen zijnde'. Het bouwen van gebouwen, zoals woningen is hierdoor in deze bestemming niet mogelijk. Verder zijn onder bepaalde voorwaarde drie wijzigingsbevoegheid opgenomen voor de 'vormverandering bestemmingsvlak 'Agrarisch-Bedrijf'' (artikel 3.3.1), 'vergroting bestemmingsvlak 'Agrarisch-Bedrijf' (artikel 3.3.2) en 'Wijzigen naar Natuur' (artikel 3.3.3). 11
Naast de bestemming 'agrarisch' is de aanduiding ''reconstructiewetzone-verwervingsgebied' van toepassing op het plangebied. Deze aanduiding is van invloed op de wijzigingsbevoegdheid 'vergroting bestemmingsvlak 'Agrarisch-Bedrijf'. Het planvoornemen heeft betrekking op de realisatie van één woning. Het vigerende bestemmingsplan maakt het niet mogelijk om de voorgenomen woonfunctie in het plangebied te realiseren. Een herziening van het geldende bestemmingsplan (art. 3.1 Wet ruimtelijke ordening) is derhalve noodzakelijk.
Figuur 5 Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan, met het plangebied rood omkaderd. (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
12
2.5
Verleende bouwvergunning
In 2006 is door de gemeente 's-Hertogenbosch een bouwvergunning in afwijking van het bestemmingsplan 'Buitengebied' verleend voor de realisatie van een agrarisch akkerbouwbedrijf bestaande uit een bedrijfswoning met twee schuren. Echter, het planvoornemen is gewijzigd en inmiddels bestaat de wens een woning met een geïntegreerd bijgebouw te realiseren. Dit is niet passend binnen de verleende bouwvergunning. Derhalve is sprake van afwijking van het bestemmingsplan en is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. De bouwvergunning voor de realisatie van een agrarisch akkerbouwbedrijf bestaande uit een bedrijfswoning met twee schuren wordt ingetrokken. De intrekking van de verleende vergunning van 4 oktober 2006 (onherroepelijk sinds 25 september 2013) voor het realiseren van een akkerbouwbedrijf is vastgelegd in een anterieure overeenkomst onder voorbehoud van het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan.
Figuur 6 Verbeelding verleende bouwvergunning. (Bron: gemeente 's-Hertogenbosch)
13
14
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1
Bebouwing
Het planvoornemen omvat het planologisch-juridisch mogelijk maken van de realisatie van een woning met een geïntegreerd bijgebouw op het agrarisch perceel aan de Veedijk 9 in plaats van de realisatie van een akkerbouwbedrijf waarvoor een bouwvergunning is verleend (zie paragraaf 2.5). Hiervoor wordt, direct grenzend aan de Veedijk, een bestemmingsvlak 'Wonen' opgenomen van 1.500 m2. Het overige deel van het perceel D3005 buiten de bestemming 'Wonen' behoudt een agrarische bestemming. De oppervlakte en positionering van de bestemming is gebaseerd op het oppervlak van het bebouwingconcentratiegebied zoals opgenomen in de vergunning van 2006. Om dit te bewerkstelligen wordt, in overeenstemming met deze vergunning, de achterste en de voorste begrenzing van het bebouwingsconcentratiegebied richting de Veedijk verschoven. De afmetingen en positioning van de op te nemen bestemming zijn in figuur 6 weergeven.
15
Figuur 7 Verbeelding bestemmingsplan Veedrijk 9 te Rosmalen (Bron: 's-Hertogenbosch stadsontwikkeling) Passend bij de lintbebouwing aan de Veedijk, is de te realiseren woning vrijstaand. De woning is aan de wegzijde van het perceel gelegen, waarbij de voorgevel van de woning parallel aan de Veedijk is gesitueerd. Dit is tevens in de stedenbouwkundige randvoorwaarden opgenomen, waarvoor een bouwvlak is opgenomen van 10 x 25 meter. Het bouwvolume mag maximaal 1000 m³ bedragen. Bijgebouwen dienen in het hoofdvolume te zijn geintegreerd. Het bouwvolume is langwerpig en is voorzien van een eenvoudige kap in de lengterichting, parallel aan de weg. Met een maximale goothoogte van 3,5 meter en een maximale nokhoogte van 7,6 meter (één bouwlaag met kap), wordt qua vormgeving aangesloten op de architectuur van de bebouwing in de omgeving. Passend bij de typologie van een langgevel)boerderij of wel schuurwoning worden dakkappelen ondergeschikt aan het dakvlak vormgeven.
16
Figuur 8 Voorlopig ontwerp situatietekening (Bron: Sloven architectenbureau, voorlopig ontwerp 16.04.2019) Passend bij het gesloten karakter wordt aan de rand van het woonperceel een extra bomenrij toegevoegd, waardoor de woning wordt afgeschermd van de naastliggende woning (Veedijk 7). Tevens is rekening gehouden met de privacy van omliggende woonpercelen, door het bouwvlak aan de zuidelijke kant van het perceel te situeren. Naast het behoud van privacy ten op zichtte van de huidige woningen wordt op deze manier tevens het open agrarische karakter aan de Veedijk behouden.
3.2
Landschappelijke inpassing
De woning met een geïntegreerd bijgebouw wordt landschappelijk ingepast, waarbij gebruik wordt gemaakt van gebiedseigen soorten en aangesloten wordt op de bestaande landschapskarakteristiek. De landschappelijke inpassing vindt plaats in de agrarische bestemming. Naast een Landschappelijk Inpassingsplan is een tegenprestatie geëist in de vorm van een fysieke kwaliteitsverbetering.
17
Figuur 9 Landschappelijk Inpassingsplan Rondom het woonperceel, dus achter en naast de woning: ter plaatse van het agrarische deel van het plangebied, komen bomen en planten zodat er kamers ontstaan. Aan de linkerzijde komt een rij knotwilgen. Deze bomenrij loopt door tot het einde van het perceel. Langs deze zijde van het woonperceel wordt tevens een knip-/scheerheg aangelegd met verschillende soorten struiken. De haag zorgt voor een natuurlijke omkadering van het woonperceel, maar geeft tevens de benodigde beschutting tegen de wind, met name de meest heersende zuid-/zuidwestwind. Aan de achterzijde van het woonperceel wordt parallel aan de Veedijk een beukenhaag geplaatst, voorzien van één of enkele doorzichten. De erfgrens aansluitend aan het zij-erf van Veedijk 7 is voorzien van diverse bomen. Deze structuur is belangrijk voor het behoud van het 18
coulisselandschap. Gaten in de structuur worden met nieuwe bomen en struweelbeplanting aangevuld. In de voortuin worden hagen geplaatst waarachter de geparkeerde auto’s aan het zicht worden onttrokken. De weide achter en naast het woonperceel wordt uitgevoerd als een extensief beheerde bloemrijke weide en sluit aan bij het open weidelandschap. In deze weide worden enkele solitaire inheemse bomen geplant. Tevens worden in dit plandeel enkele fruitbomen aangeplant. In dit gedeelte van het plan wordt afhankelijk van de heersende lokale grondwaterstand een vijver of wadi aangelegd. De beplanting wordt hier te zijner tijd op afgestemd. De extensief beheerde (bloemrijke) weide is er bij gebaat dat deze langere tijd vocht vast kan houden. Om de weide weerbaarder te maken tegen droogte worden in het plan geen sloten aangelegd. Op de weide wordt een verschralingsbeheer toegepast, zodat de maaifrequentie kan worden teruggedrongen tot één of twéémaal per jaar. Een bloemenweide is mooi, maar helpt zeker ook bijen en vlinders een handje. Het is daarom van belang dat er voor de bijen en vlinders dus steeds nectar en stuifmeel beschikbaar is. Door de bloemenweide ’gefaseerd’ te maaien genereert dit bloeispreiding. Dit is niet alleen tijdens het zomerseizoen van belang, maar juist ook in het najaar.
Veel bijen en vlinders vliegen rond tot eind oktober en hebben tot dan dus nog steeds nectar en stuifmeel nodig. Daarnaast kunnen door gefaseerd maaibeheer kortlevende en tweejarige plantensoorten goed in zaad komen en zich uitzaaien. Voorbeelden zijn Margriet, Peen, Slangenkruid en Zandblauwtje. Door een gefaseerd maaibeheer blijft steeds een deel van de vegetatie staan en wordt een deel gemaaid. Hiermee kan worden gespeeld en ervaring worden opgedaan. Kleinschalig kunnen tevens allerlei fraaie patronen worden uitgemaaid. Een gefaseerd maaibeheer werkt het beste bij een bloemenweide die al redelijk schraal is. In de beginjaren is het wellicht nodig een iets steviger maaibeheer aan te houden. Het gedeelte van de weide dat als bloemrijke weide wordt ingericht verplaatst zich dus over de 3.500 m2 weide, maar zal niet minder zijn dan de berekende 1.000 m2.
3.3
Gebruik
Het planvoornemen voorziet in een wijziging voor een deel van perceel 3005 van 'agrarisch' naar 'wonen'. De rest van het perceel blijft agrarisch in gebruik in combinatie met de beoogde landschappelijke inpassing en het gefaseerde maaibeheer. Dit geldt tevens voor perceel 3006 wat als reguliere landbouwgrond in gebruik blijft.
3.4
Verkeer en parkeren
Verkeer Het plangebied is gelegen aan de Veedijk en wordt omsloten middels één inrit aan de noordkant van het perceel, op deze Veedijk. De inrit is hierbij in de nabijheid van de inrit van de Veedijk nr. 7 gelegen en heeft een breedte van circa 4 meter. Met de realisatie van een woning met een geïntegreerd bijgebouw en de omzetting van de huidige bestemming 'Agrarisch' naar 'Wonen' wordt de verkeersaantrekkende werking van het plangebied vergroot. De extra verkeersbewegingen die echter met de realisatie van één woning worden gerealiseerd zijn dusdanig klein (gemiddeld 5 motorvoertuigbewegingen per etmaal) dat geen negatieve gevolgen voor de ontsluiting van de Veedijk worden verwacht. Daarbij wordt de verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen aanzienlijk minder dan wanneer het vergunde akkerbouwbedrijf zou worden gerealiseerd.
Parkeren Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de Nota Parkeernormering 2016 Auto en Fiets dat is vastgesteld op 21 september 2016. De nota geeft normen en richtlijnen voor functies, gebaseerd op kentallen van het CROW, voor de zes verschillende zones binnen de gemeente. De nota geeft alleen voor de meest voorkomende functies, te weten wonen, werken en winkels, parkeernormen. Voor de ontwikkeling van andere functies gelden richtlijnen hoe met parkeren omgegaan moet worden.
19
Bij het toelaten van initiatieven moet inzichtelijk zijn dat in de parkeerbehoefte van auto's en fietsen voorzien kan worden. Dat moet in principe op eigen terrein. Wanneer dat niet mogelijk is en er binnen loopafstand geen parkeerruimte is kan dat leiden tot ruimtebeslag voor (meer) parkeren in de openbare ruimte. Dit ruimtebeslag mag de verkeersveiligheid en een goed woon- en leefklimaat niet aantasten. De locatie is gelegen in het buitengebied. Met het planvoornemen wordt voorzien in een bouwvlak van 25 x 10 meter voor de realisatie van een woning met een geïntegreerd bijgebouw. Voor een woning groter dan 150 m2 wordt voor het buitengebied een parkeernorm van 2,1 parkeerplaatsen per woning opgenomen. Met het planvoornemen worden twee parkeerplekken op eigen terrein (woonperceel) in het plangebied gerealiseerd. Gezien het oppervlak van het woonperceel (1.497 m2) is hiervoor voldoende ruimte aanwezig om in de parkerenbehoefte op eigen terrein te voorzien. Het planvoornemen voldoet hiermee aan de gemeentelijke nota Parkeernormering 2016.
Tabel 1 Te hanteren parkeernormen (bron: Nota Parkeernormering 2016, september 2016)
20
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. Met de Structuurvisie brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid: 1. een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; 2. ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; 3. ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; 4. efficiënt gebruik van de ondergrond; 5. een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen; 6. betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen; 7. het instandhouden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen; 8. verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's; 9.
ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; 10. ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; 11. ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; 12. ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; 13. zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Het laatstgenoemde nationaal belang houdt in dat bij stedelijke ontwikkelingen de ladder van duurzame verstedelijking (zoals opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro) dient te worden gemotiveerd. Hierbij geldt voor wonen dat er bij woningbouwlocaties vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. 21
Het planvoornemen betreft de ontwikkeling van één woning op een agrarisch perceel in het buitengebied van 's-Hertogenbosch. De voorziene ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing aangezien het hier slechts 1 woning betreft. Verder is het plangebied niet gelegen in of in de nabijheid van een gebied waarin het Rijk een nationaal belang heeft aangewezen.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) omvat, als instrument van de nieuwe omgevingswet, de rijksvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving. De NOVI treed in werking met de omgevingswet, waarbij het de huidige SVIR vervangt als nationaal strategisch omgevingsbeleid. In het gedachtegoed van de omgevingswet is de NOVI een breed gedragen plan, dat met veel partijen is gemaakt, maar enkel voor Rijk juridisch bindend is. De NOVI beschrijft op hoofdlijnen het toekomstperspectief op 2050 voor de leefomgeving, in de breedste zin van het woord. De Ontwerp Nationale Omgevingsvisie heeft deze zomer ter inzage gelegen en wordt naar verwachting in de loop van 2020 vastgesteld. In de NOVI zijn 21 nationale belangen opgenomen waarbij het rijk systeemverantwoordelijkheid draagt. Deze belangen zijn samengevoegd in vier prioriteiten waarop het Rijk wil sturen en richting geven. Deze prioriteiten zijn:
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Sterke en gezonde steden en regio's
Voor de belangenafweging zijn in de NOVI drie uitgangspunten opgenomen:
combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal aftwentelen wordt voorkomen
Met de NOVI wordt de huidige lijn die met de decentralisatie doorgezet en benadrukt dat een gebiedspecifieke aanpak de voorkeur heeft. Het planvoornemen betreft de ontwikkeling van één woning op een agrarisch perceel in het buitengebied van 's-Hertogenbosch. Met het planvoornemen in een gebied specifieke oplossing voorzien, waarbij in een toekomstbestendige ontwikkeling in het landelijk gebied wordt voorzien. Daarbij wordt met het planvoornemen de vergunde vestiging van een akkerbouwbedrijf inclusief bijgebouwen en bedrijfswoning voorkomen, wat ten goede komt aan de milieukwaliteit, waterbergingscapaciteit en kwaliteit van de leefomgeving. Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen passend is binnen de (Ontwerp-) Omgevingsvisie.
4.2
Provinciaal beleid
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening in werking getreden. Hierin geeft de provincie Noord-Brabant de hoofdlijnen aan van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening haar biedt. De visie ondersteunt daarnaast het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch, mobiliteits-, sociaal, cultureel, milieu- en natuurbeleid. Met deze structuurvisie geeft de provincie ook (mede) gestalte aan nationale ruimtelijke belangen en doelen.
22
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie is uitgewerkt in dertien provinciale ruimtelijke belangen, zoals de concentratie van verstedelijking. De wijze waarop de provincie deze ruimtelijke belangen behartigt is uitgewerkt in vier manieren van sturen: regionaal samenwerken; ontwikkelen, zowel gebiedsgericht als thematisch zoals de Ecologische Hoofdstructuur en de herstructurering van bedrijventerreinen; beschermen van provinciale belangen zoals zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit, door middel van de Verordening ruimte; stimuleren, door middel van subsidies en door het beschikbaar stellen van kennis en informatie. In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.
Figuur 10 Uitsnede structurenkaart van de Structuurvisie 2010 - partiële herziening 2014 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Op de Structurenkaart behorende bij de structuurvisie is het plangebied aangeduid als 'Gemengd landelijk gebied', 'Waterbergingsgebied' en 'Zoekgebied verstedelijking'. De provincie beschouwd het hele landelijke gebied als een gemengd landelijk gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is. De mate van menging varieert hierbij van gebieden waarbinnen meerdere functies naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. De hoofddoelstelling is hierbij een evenwichtige ontwikkeling van landbouw, natuur, water en landschap, recreatie. Ontwikkelingen moeten qua aard, schaal en functie passen in de omgeving en rekening houden met de omgevingskwaliteiten. Tevens dient rekening te worden gehouden met de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bestaande functies, zoals volwaardige agrarische bedrijven, recreatiebedrijven of woonfuncties. Binnen de zoekgebieden verstedelijking is hierbij ruimte voor ontwikkeling van stedelijke functies aangeduid. Het waterbergingsgebied is, bij dreigende wateroverlast, van belang voor hoogwaterbescherming en waterberging.
Binnen de gebieden voor waterberging kunnen andere functies zoals grondgebonden, extensieve recreatie en natuurontwikkeling mits ze afgestemd zijn op de beoogde waterfunctie. Het planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van een woonbestemming op een agrarisch perceel. Het planvoornemen geeft hierbij invulling aan het gemengde karakter van het gebied en zorgvuldige verstedelijking van het gebied. Het planvoornemen wordt hierbij zorgvuldig afgestemd met de beoogde waterfunctie, zoals nader wordt beschreven in paragraaf 5.11. De ontwikkeling past qua aard en schaal bij het ontwikkelingsperspectief voor het plangebied en houd rekening met omliggende waarden. Een ander, samenhangend aspect, van invloed op het planvoornemen is het aspect zorgvuldig 23
ruimtegebruik. Met dit aspect onderstreept de provincie het belang voor behoud van een onderscheidend leef- en vestigingsklimaat ter versterking van de kenniseconomie in Brabant, De provincie zet hierbij in op concentratie van verstedelijking als één van de dertien provinciale belangen, zodat verschil tussen steden en landelijk gebied behouden blijft. In samenhang hiermee wordt zorgvuldig ruimtelijk gezien als belangrijk punt om kansen van een gebied voor functiemenging, inbreiding, herstructurering, intensivering en meervoudig ruimtegebruik optimaal te benutten. Tevens dient hierbij gekeken te zijn naar de kwantitatieve vraag, beheer en onderhoud. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn hiervoor specifieke regels opgenomen. Concluderend kan worden gesteld, dat het planvoornemen passend is binnen de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening. Met het planvoornemen wordt de vergunde vestiging van een akkerbouwbedrijf inclusief bijgebouwen en bedrijfswoning voorkomen, wat ten goede komt aan de kwaliteit van de leefomgeving en waterbergingscapaciteit omdat er minder bebouwing wordt gerealiseerd en het geheel landschappelijk wordt ingepast. Dit komt de ruimtelijke kwaliteit en de waterbergingscapaciteit ten goede.
De vestinging van één woning op het perceel kan dan ook als zorgvuldig ruimtegebruik worden gekarakteriseerd en is passend in een gemengd landelijk gebied, waar in de directe omgeving voornamelijk wordt gewoond en verschillende nieuwe woningen al zijn gerealiseerd in het afgelopen decennium.
Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt na het inwerking treden van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil laten zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's. Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaat proof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgave staan ten dienste van de basis opgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Naast inhoudelijke doelen, stelt de visie dat een transitie naar systeem denken noodzakelijk is om de gewenste doelen te behalen.
Een vernieuwende samenwerking wordt hierbij als randvoorwaarde beschouwd voor een succesvolle aanpak van de hoofdopgave, waarbij een 'diepe', 'ronde' en 'brede' manier van kijken in ogenschouw dient te worden genomen. Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken. Het planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van één burgerwoning met een geïntegreerd bijgebouw in het buitengebied in plaatse van een akkerbouwbedrijf waarvoor vergunning is verleend. Met de ontwikkeling wordt bijgedragen aan de woningvraag en de integratie tussen landbouw en natuur, buur en boer. Daarnaast wordt met het planvoornemen voorzien in een maatoplossing tussen de initiatiefnemer en de gemeente 's-Hertogenbosch. Het planvoornemen is hiermee in lijn met de Omgevingsvisie 'de Kwaliteit van Brabant'.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en de Omgevingsvisie, zoals beschreven in voorgaande paragrafen, vormen het beleidskader voor het provinciaal ruimtelijk beleid. Het juridische kader voor dit beleid is vastgelegd in de Verordening Ruimte en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Deze verordeningen vormen derhalve belangrijke uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren. Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. In deze Interim omgevingsverordening zijn de bestaande verordeningen samengevoegd en vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening 24
natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voorvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau. Voor het plangebied zijn naast de algemene 'rechtstreeks werkende regels voor activiteiten', zoals beschreven in hoofdstuk 2 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, de ínstructieregels aan gemeenten, beschrijven in hoofdstuk 3 en de 'instructieregels aan waterschappen', beschreven in hoofdstuk 4, regels voor gebiedsaanduidingen van toepassing. Het plangebied is hierbij op de verschillende kaarten behorende bij de interim omgevingsverordening Noord-Brabant aangeduid als:
(gemengd) landelijk gebied en stalderingsgebied; verstedelijking afweegbaar, en binnen het thema waterkwantiteit als normvrijgebied voor waterschappen, normen voor wateroverlast en reservering waterberging.
Het planvoornemen betreft de ontwikkeling van een woning met een geïntegreerd bijgebouw op een agrarisch perceel als 'compensatie' voor een vergunning voor de realisatie van een akkerbouwbedrijf met bijgebouwen en bedrijfswoning. De vergunning komt met de ontwikkeling van de burgerwoning te vervallen. Het planvoornemen raakt hierbij aan twee belangrijke onderwerpen binnen de Interim omgevingsverordening, namelijk zorgvuldig ruimtegebruik, duurzame verstedelijking en kwaliteitsverbetering landschap. In de begripsbepaling is opgenomen er bij 'vestiging op een locatie waar ingevolge het geldende bestemmingsplan geen bebouwing of bedrijfsfunctie is toegestaan' sprake is van nieuwvesting. Het planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van één woning met een geïntegreerd bijgebouw op een 'agrarische bestemming. In strikte zin van de verordening is hierdoor sprake van nieuwvestiging van een stedelijke ontwikkeling buiten stedelijk gebied. Door de geldende bepaling 'Verstedelijking afweegbaar' is, in afwijking tot artikel 3.42 'Duurzame verstedelijking' verstedelijking mogelijk onder enkele voorwaarden. Het planvoornemen voorziet echter niet enkel in de ontwikkeling van één woning met een geïntegreerd bijgebouw, maar is er tevens sprake van een vergunde situatie, waarvoor in de realisatie van een akkerbouwbedrijf met bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning is voorzien.
Conform lid 1 van artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik kan dan ook worden gesteld dat de burgerwoning ontwikkeld wordt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. In het kader hiervan heeft de provincie in een voorgesprek gesteld dat de vergunning uit 2006 hiervoor mag worden benaderd als zijnde 'gebouwd' en dat de in 2006 vergunde akkerbouwbedrijf met bedrijfswoning met dit planvoornemen wordt getransformeerd naar een burgerwoning. Dit in ogenschouw genomen dat worden geconcludeerd dat het planvoornemen in lijn is met het provinciaal beleid, gezien er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Het planvoornemen voorziet niet in verdere verstedelijking van het landelijk gebied, worden potentiele negatieve effecten op leef- en milieukwaliteit door de vestiging van een akkerbouwbedrijf voorkomen en in een kwaliteitsverbetering van het landschap voorzien door de landschappelijke inpassing.
25
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1 Structuurvisie In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke StructuurVisie (RVS) vastgesteld, met de ondertitel 'Stad tussen stromen'. De Ruimtelijke StructuurVisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. In deze geactualiseerde structuurvisie integreert gemeente het provinciaal beleid. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. De structuurvisie bestaat uit het Ruimtelijk Casco, een visie geformuleerd op het gemeentelijk grondgebied. Een ruimtelijke analyse van de stad en het gemeentelijk beleid vormen de input voor deze visie. De visie formuleert de ontwikkelingskoers, beschrijft een wensbeeld van de stad voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het is een toetsingskader, en tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Zo wordt bepaald waar strakke contouren ter bescherming van kwetsbare waarden liggen en kansen voor ontwikkeling. En worden locaties aangeduid waar deze ontwikkeling tegen randvoorwaarden mogelijk zijn en afweegbare gebieden voor uitbreidingen en intensiveringen aangewezen.
Het 'ruimtelijk motto' van compacte, complete en contrastrijke stad als het uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkeling voor de stad blijft gehanteerd, in de overtuiging dat dit de juiste basis biedt voor een duurzame ruimtelijk hoofdstructuur. Als onderdeel van de RSV is het uitvoeringsplan 'De Groene Delta' opgenomen dat als doel heeft de huidige groenstructuur in en rond de stad om te bouwen naar een robuuste en samenhangende groenblauwstructuur. Het concept berust op vijf pijlers: natuur, water, landschap en cultuurhistorie, recreatie en landbouw en het overkoepelende thema: de relatie stad en land. Centraal staat hierbij een evenwichtige samenhang tussen stedelijke ontwikkelingen en het waarborgen van de kwaliteit van het landschap. De Groene Delta is opgebouwd in 'verbindingen' en 'groengebieden' gericht op 'consolidatie', 'transformatie' en 'landschappelijk waardevolle gebieden'. Het plangebied is hierbij in het 'groene transformatiegebied' gelegen. In deze gebieden ligt het accent op het realiseren van nieuwe natuur en landschappelijke waarden. Maatregelen die daarbij horen zijn bijvoorbeeld omvorming van landbouw naar natuur en rood voor groen op de schaal van het landschap. Daarnaast ligt het in een 'kleinschalig waardevol landschap', die als belangrijke drager van het groene Brabantse Mozaïeklandschap is aangeduid.
De Hooge Heide, waar het plangebied in is gelegen, wordt hierbij specifiek als voorbeeld genoemd. De omzetting van de agrarische bestemming in combinatie met de verleende vergunning voor een akkerbouwbedrijf naar een woonbestemming draagt bij aan het behoud en herstel van de landschappelijke kwaliteit passend binnen het beeld van een kleinschalig waardevol landschap. Tevens wordt met het planvoornemen de vestiging van het vergunde akkerbouwbedrijf met bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen voorkomen, waardoor in geest met de het aangeduide groene transformatiegebied uit de RSV de huidige omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en juist versterkt door de beoogde landschappelijke inpassing. 4.3.2 Bomen Het Bomenbeleidsplan 's-Hertogenbosch is door de gemeenteraad vastgesteld op 29 september 2017. Bij de ruimtelijke procedure vindt een afweging plaats ten aanzien van verschillende functies waaronder groen. De gemeente stelt daarbij voorwaarden ten aanzien van groen. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij beleidsuitgangspunten uit het Bomenbeleidsplan, zoals het zoveel mogelijk behouden van bomen, het verplanten van bomen en herplant en compensatie van groen. Afspraken over velling, herplant en compensatie wordt bij het plan vastgelegd zodat hierbij aangesloten kan worden bij de uiteindelijke vergunningprocedure. Het kan zowel om behoud als om ontwikkeling van nieuw groen gaan.
Bij de ontwikkeling moeten bomen direct in beeld zijn. Hiervoor wordt een bomeninventarisatie uitgevoerd. Hierbij worden alle bomen in beeld gebracht en op waarde beoordeeld. De inventarisatie wordt gebruikt bij het ontwerpproces. De gemeente toetst hierbij de wijze waarop rekening wordt gehouden met de bomen.
26
De inventarisatie bestaat minimaal uit:
digitaal ingemeten tekening; boomsoorten; stamomvang op 1,30 meter boven maaiveld; kroonomvang; vitaliteit en levensverwachting van de boom.
Hieruit blijkt welke bomen waardevol en te behouden zijn. Deze bomeninventarisatie komt terug in het ontwerp waardoor te zien is welk effect het plan op het bestaande groen heeft. De bomendeskundige gebruikt de bomeninventarisatie vervolgens als basis om eisen te stellen aan inpassing en bescherming. Op deze manier kan worden geborgd dat er voldoende bomen behouden blijven.
Figuur 11 Waardevolle bomenstructuurkaart (bron: http://s-hertogenbosch.maps.arcgis.com) Op de kaart staat de Veedijk als waardevolle boomstructuur aangeduid. Er zijn verder geen monumentale bomen of andere waardevolle bomen op de kaart aangeduid die op het plangebied betrekking hebben. Het planvoornemen is niet van invloed op de bestaande bomen op de Veedijk of andere bomen in de directe omgeving. Er worden door middel van het landschappelijke inpassing extra bomen geplant, waardoor de landschappelijke kwaliteit wordt versterkt. Het planvoornemen geeft hiermee invulling het gemeentelijk boombeleid.
27
28
Hoofdstuk 5 Milieu, waarden 5.1
duurzaamheid
en
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.
5.2
Bedrijven en milieuzonering
Algemeen Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren. Richtlijn Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudowetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een 'rustige woonwijk'.
Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter). 29
Beschrijving Het planvoornemen betreft de ontwikkeling van een nieuwe woning met een geïntegreerd bijgebouw op een perceel dat reeds als agrarische is bestemd en waarvoor een vergunning voor de realisatie van een akkerbouwbedrijf en bedrijfswoning verleent is. Het plangebied is in het landelijk gebied gelegen. Met het planvoornemen, wordt de vergunde mogelijkheid voor de realisatie voor de vestiging van een akkerbouwbedrijf met bedrijfswoning vervangen door een woonfunctie (woning met een geïntegreerd bijgebouw), waarbij voor het overige deel van het perceel de huidige bestemming 'agrarisch' behouden blijft en gebruikt wordt voor landschappelijke inpassing. Hierdoor komt de hinderafstand van het plangebied op de omgeving te vervallen en wordt een hindergevoelig functie in de vorm van één woning gerealiseerd. Op basis van een inventarisatie van de omliggende functies op basis van de geldende bestemmingen alsmede het gebruik kan worden geconcludeerd dat de directe omgeving van het plangebied voornamelijk wordt gekenmerkt door een woonfunctie en agrarisch gebied. Tevens zijn er in de omgeving van het plangebied een aantal bedrijven aanwezig, zoals weergegeven in navolgende tabel.
Bestemming
Adres
Functie
330 m
2
Richtafstand tot 'rustige woonwijk'* 30
300 m
2
30
Las en constructie- 400 m werken
3.2
100
Autohandelaar
590 m
2
30
570 m
3.1
50
140 m
3.2
100
Maliskampse straat Agrarisch bedrijf 240 m 63A, Rosmalen * van bestemmingsvlak tot bestemmingsvlak, de kortste afstand.
3.2
100
Bedrijf
Werstkant 3, Berlicum Dierenpension
Wonen agrarische waarden Wonen agrarische waarden
+ Loofaert 61, Berlicum
Tuincentrum
+ Loofaert 63, Berlicum
Detailhandel
Hooghei 5, Berlicum
Recreatie
Wetering- straat 1, Camping Rosmalen Veedijk 20, Rosmalen Agrarisch bedrijf
A-B A-B
Afstand tot Milieu plangebied Categorie
Tabel 3 Richtafstanden bedrijven het plangebied Conclusie Het aspect bedrijf en milieuzonering is niet van invloed op het planvoornemen, aangezien met het planvoornemen de huidige hinder veroorzakende functie komt te vervallen en het plangebied buiten de richtafstanden van de bedrijven ligt. Omgekeerd vormt de met een geïntegreerd bijgebouw eveneens geen belemmering voor de aanwezige functies gezien de afstand en het feit dat veelal andere woningen op korter afstand gelegen zijn.
5.3
Geluid
Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 30
5.3.1
Wegverkeerslawaai
Wettelijk kader Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluidsonderzoekszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). De beoogde ontwikkeling ligt binnen de onderzoekszone van een 60 km/uur weg in het buitengebied (Veedijk en Maliskampsestraat). Voor de geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de wettelijke geluidszone van deze weg geldt een ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB. Onder voorwaarden is een hogere waarde mogelijk tot 58 dB. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Voor zulke maatregelen wordt onderstaande volgorde aangehouden:
Bronmaatregelen (bijvoorbeeld aanpassing intensiteiten of soort wegdekverharding) Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidsafscherming) Maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld aanbrengen extra geluidsisolatie aan de gevel of woningindeling)
Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan de gemeente onder bepaalde voorwaarden voor nieuwe geluidsgevoelige objecten een hogere (geluid)waarde verlenen. Voorwaarden die worden gesteld aan een te verlenen hogere waarde zijn ten gunste van de geluidsituatie en dus het woonen leefklimaat bij de gevoelige objecten. Hiervoor heeft gemeente 's-Hertogenbosch een 'hogere waarde beleid' vastgesteld. De voorwaarden waaronder een eventuele hogere waarde wordt verleend zijn afhankelijk van de hoogte van de geluidsbelasting en het type gebied waarin het plan zich bevindt. Per gebiedstype geldt een ambitie voor wat betreft de geluidsbelastingen. Zo wordt bijvoorbeeld in een (normaliter rustig) buitengebied een lager geluidsniveau nagestreefd dan in een rumoerig gebied langs een drukke snelweg met verhoogde geluidsbelastingen. Een hogere waarde mag – zoals gezegd - de maximale geluidsbelasting van 53 dB niet overschrijden. Voorwaarden voor een vast te stellen hogere waarde zijn bijvoorbeeld de aanwezigheid van een geluidsluwe (rustige) zijde en een geluidsniveau in de buitenruimte (zoals achtertuin/balkon) dat voldoet aan de ambitie voor het betreffende gebied. Voor geluidsbelastingen op gevels meer dan 53 dB kan formeel geen ontheffing worden verleend.
Naast het toetsingskader en wettelijke eisen van de Wgh dienen er altijd zodanige gevelmaatregelen te worden genomen dat wordt voldaan aan de maximale geluidsbinnenwaarde op grond van het Bouwbesluit. Deze maximale geluidsbinnenwaarde is ten gunste van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in betreffend object. Met de aanvraag om omgevingsvergunning zal moeten worden aangetoond dat deze binnenwaarde wordt voldaan.
Beschrijving Binnen het plangebied wordt een geluidgevoelige bestemming mogelijk gemaakt, in de vorm van één woning, aan de Veedijk 9. Het plangebied ligt binnen de zones van de wegen Veedijk en Maliskampsestraat. Dit betreffen eenbaanswegen in het buitengebied, waarvoor in artikel 74 van de wet Geluidshinder een zone van 250 is aangeduid. Ten gevolge van het verkeerslawaai van de Maliskampsestraat bedraagt de maximale geluidsbelasting op 25 meter vanaf de as van de weg 48 dB. De nieuw te bouwen woning staat op een afstand van 115 meter t.o.v. deze Maliskampsestraat. De maximale geluidbelasting blijft dus onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Hiermee wordt voldaan aan de eisen uit de Wet geluidhinder (Wgh) voor de geluidshinder van het wegverkeer van de Maliskampsestraat op het planvoornemen. Ten gevolge van het verkeerslawaai van de Veedijk bedraagt de maximale geluidsbelasting op 25 meter vanaf de as van de weg eveneens 48 dB. De nieuwe woning staat op een afstand van circa 18 meter t.o.v. de Veedijk. De nieuwe woning staat op een korte afstand waardoor de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. 31
Akoestisch onderzoek Er heeft toetsing plaatsgevonden aan de normen uit de Wet geluidshinder door middel van het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV (rapportnr. M199330.001.001, d.d. 24 april 2020, zie ook Bijlage 1). Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Maliskampsestraat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van het bouwplan overschrijdt. De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op de Veedijk overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevels van het bouwplan met maximaal 1 dB op de eerste verdieping. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in buitenstedelijk gebied wordt echter nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien er overwegende bezwaren zijn de geluidbelasting door overdrachts- en bronmaatregelen terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Omdat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB alleen wordt overschreden door de geluidbelasting van de Veedijk, hoeft in het kader van de Wet geluidhinder de cumulatieve geluidbelasting niet bepaald te worden.
Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening en ten behoeve van de bepaling van de benodigde geluidwering van de gevels is de cumulatieve geluidbelasting wel bepaald inclusief alle gemodelleerde wegen en spoorwegen. De hoogste cumulatieve waarde bedraagt 54 dB. De maximaal benodigde geluidwering van de gevel (GA;k), volgens het Bouwbesluit 2012 de hoogste cumulatieve waarde minus 33 dB met een minimum van 20 dB, bedraagt in het onderhavige geval 21 dB.
Het is aannemelijk dat een gevel van een nieuwbouwwoning een grotere geluidwering heeft dan de minimale 20 dB uit het Bouwbesluit. Derhalve is ter waarborging van een binnenniveau van 33 dB een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet nodig.
Conclusie De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt met maximaal 1 dB op de eerste verdieping overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in buitenstedelijk gebied wordt echter nergens overschreden. Het is mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien er overwegende bezwaren zijn de geluidbelasting door overdrachts- en bronmaatregelen terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) of het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, civieltechnische, verkeerskundige en financiële aard. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Er is inmiddels besloten de hogere grenswaarde procedure te volgen. Er wordt voldaan aan de criteria voor de hogere grenswaarde procedure. Hiervoor wordt een aparte procedure gevolgd waarin de criteria nader worden toegelicht en afgewogen. Er is inmiddels besloten de hogere grenswaarde procedure te volgen. Er wordt voldaan aan de criteria voor de hogere grenswaarde procedure. Hiervoor wordt een aparte procedure gevolgd waarin de criteria nader worden toegelicht en afgewogen.
Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.3.2 Railverkeerslawaai Langs alle spoorwegen bevinden zich conform de Wgh geluidszones. De beoogde ontwikkeling ligt op een afstand van circa 2,4 km van het spoor en is niet in deze zone gelegen. Het aspect railverkeerlawaai is niet van invloed op het planvoornemen.
32
5.3.3 Industrielawaai Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder 'Zones rond industrieterreinen' en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder. De grootte van de zone is afhankelijk van de benodigde of gewenste geluidruimte van het gezoneerde industrieterrein. In het bestemmingsplan moet de zone, die niet kleiner mag zijn dan de 50 dB(A) contour, worden vastgelegd. Het planvoornemen voorziet in de relasatie van een woning, dit is een geluidsgevoelig object. Van vestiging van bedrijven vallend onder 'Onderdeel D' van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht is hierdoor geen sprake. Tevens is er geen industrieterrein in de omgeving van het plangebied aanwezig, waardoor Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder niet van toepassing is.
5.4
Trillingen
Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem). Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. Het planvoornemen ligt circa 2,4 km van het spoor. De wegen in de omgeving van het plangebied zijn geasfalteerd en daardoor effen. Er vinden in de in de omgeving geen industriële activiteiten plaats (waarvan trillinghinder verwacht wordt).Er zijn eveneens geen klachten bekend omtrent trillinghinder uit de omgeving. Trilling zijn hierdoor beschouwd als niet relevant op het planvoornemen.
5.5
Verlichting
Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. Het planvoornemen heeft geen betrekking op een relevante lichtbron die tot hinder is op de omgeving. De lantaarnpaal ten zuiden van het plangebied, ter hoogte van de bestaande inrit is als meest dominante lichtbron te beschouwen op het planvoornemen. Verlichting is derhalve niet van invloed op het planvoornemen.
5.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in een ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.