CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 4 (toelichting en regels)

Gemeenteraad 12 december 2023, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Herstelbesluit bestemmingsplan Van Rijckevorselweg 429.806 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

23

waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden.

Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. 5.1.2 Beleid waterbeheerder Waterbeheerplan 2016 - 2021 In het waterbeheerplan 2016 - 2021 "Werken met water. Voor nu en later" staat hoe waterschap Aa en Maas het waterbeheer in het werkgebied in de komende jaren wil uitvoeren. Het waterbeheerplan beschrijft de uitgangspunten voor het beheer, de ontwikkelingen die de komende jaren verwacht worden en de belangrijkste keuzen die het waterschap moet maken. Daarnaast geeft het waterbeheerplan een overzicht van maatregelen en kosten. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. De visie en doelen ten aanzien van water zijn op hoofdlijnen opgenomen in het Waterbeheerplan 2016-2020. Het waterbeheerplan biedt de basis voor de uitwerking van maatregelen die voor het behalen van de doelen noodzakelijk zijn. Keur waterschap Aa en Maas 2015 Een van de instrumenten van het waterschap om zijn taken uit te oefenen is de Keur Waterschap Aa en Maas 2015. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater.

Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast mag men zonder Keurontheffing geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren. Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een ontheffing bij het waterschap moet worden gevraagd.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

24

Legger watergangen Rondom het plangebied liggen meerdere watergangen die door het waterschap zijn aangemerkt op de legger watergangen. Uit de Keur is op te maken dat bij het verrichten van werkzaamheden in of nabij a-watergangen een watervergunning aangevraagd dient te worden. Daarnaast is er een verbod opgenomen om binnen 5,00 meter breedte uit de insteek aan beide zijden van een a-watergang obstakels te plaatsen of te hebben. Gelet op de waterhuishoudkundige belangen is het noodzakelijk om deze zone, de beschermingszone, vrij te houden van alle obstakels. 5.1.3 Beleid gemeente ’s-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig ’s-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig is een bouwsteen van de Bossche Omgevingsvisie, na vaststelling is ’s-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig een integraal onderdeel van de Bossche Omgevingsvisie. ’s-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig dient om ’s-Hertogenbosch beter bestand te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering door in te zetten op een groene en klimaatbestendige inrichting van de stad, wijken en dorpen. Bij stedelijke ontwikkelingen wordt voldoende regenwaterberging verplicht, om hevige neerslag op te kunnen vangen. Dit is vastgelegd in de verordening Verordening Bomen, Water en Groen.

Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021 Deze verordening geeft regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving specifiek wat betreft het vellen van beschermde houtopstanden, het lozen van grondwater en hemelwater, en het verplicht realiseren van groen in het geval van verhardingstoename. Voor hemelwater en het realiseren van groen gelden onderstaande regels. Artikel 4.15 Verbod op het lozen van hemelwater 1. Het is verboden om bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. 2. De perceeleigenaar heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarvoor geldt dat: a. Bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van 500 m² of meer, dan dient de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 60 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak te kunnen verwerken; b. Bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van minder dan 500 m², dan dient de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 10 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak te kunnen verwerken; c.

Deze verplichting geldt niet indien voor de betreffende oppervlakte aan nieuwe verharding of vernieuwde bestaande verharding, een groen dak wordt gerealiseerd met een minimale bergingscapaciteit van 25 mm per m²; 3. In afwijking van het tweede lid geldt dat indien een perceel is aangesloten op drukriolering, de eigenaar van het betreffende perceel de verplichting heeft het hemelwater volledig op eigen terrein te verwerken; 4. Indien voor het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding een vergunning voor een andere activiteit is benodigd, worden bij de aanvraag voor die vergunning de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een berekening van de wateropgave;

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

25

b. een situatietekening van de hemelwatervoorziening. 5. De hiervoor bedoelde hemelwatervoorziening dient uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van de nieuwe verharding of vernieuwde bestaande verharding gerealiseerd te zijn. Aansluiting van de hemelwatervoorziening op gemeentelijke voorzieningen, zoals straatkolken, leidingen en de openbare weg, dienen volgens de eisen van het college als beheerder te worden uitgevoerd. Artikel 4.16 Ontheffing verbod op het lozen van hemelwater 1. Het college kan als beheerder op aanvraag ontheffing verlenen van de verboden en verplichtingen als bedoeld in artikel 4.15, indien van de perceeleigenaar redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel van het verbod; 2. Bij de aanvraag om een ontheffing geeft de perceeleigenaar een overzicht van de redenen waarom niet aan artikel 4.15 kan worden voldaan; 3. Aan de te verlenen ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op het voldoen van een geldelijke bijdrage, indien op het eigen perceel niet kan worden voldaan aan de minimale bergingseis voor hemelwater. Artikel 4.17 Kwaliteit te lozen hemelwater Het is verboden het afstromende hemelwater als bedoeld in artikel 4.15 te verontreinigen door het afspoelen of uitlogen van gebruikte bouwmaterialen of geloosde stoffen.

Artikel 4.18 Afstemming met regels andere overheden Indien regelgeving van andere overheden strengere eisen stelt aan het lozen van hemelwater en grondwater dan gelden de regels van die overheden in plaats van de regels in deze verordening. Artikel 4.20 Groennorm 1. Het is verboden meer dan 500 m2 nieuwe verharding te realiseren zonder daarbij te voldoen aan de groennorm die geldt voor een bepaald gebied, zoals opgenomen op de Groenkaart in bijlage 3 van deze Verordening, en te voldoen aan de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore, zoals opgenomen in bijlage 4b van deze Verordening; 2. De groennorm wordt ingevuld aan de hand van de kwantitatieve groenscore, zoals opgenomen in bijlage 4a van deze Verordening. De kwalitatieve biodiversiteitsscore wordt bepaald aan de hand van bijlage 4b van deze Verordening; 3. Het college is bevoegd de kwantitatieve groenscore en de kwalitatieve biodiversiteitscore, zoals opgenomen op de in bijlage 4a en bijlage 4b bij deze Verordening te wijzigen. Artikel 4.21 Ontheffing groennorm 1. Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in artikel 4.20 indien redelijkerwijs niet kan worden voldaan aan de groennorm of de minimaal te behalen kwalitatieve biodiversiteitscore; 2.

Bij de aanvraag om een ontheffing geeft de aanvrager een overzicht van de redenen waarom niet aan de groennorm of de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore kan worden voldaan; 3. Aan de te verlenen ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op het voldoen van een geldelijke bijdrage.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

26

5.2

Onderzoek Door Antea Group is een watertoets uitgevoerd. Deze watertoets is opgenomen als bijlage 7. Hieronder zijn de resultaten beschreven. Huidige situatie Het plangebied bevindt zich tussen Nuland en Vinkel en is gelegen ten zuiden van de afrit 51 Nuland (rijksweg A59). Het maaiveld varieert van ca. NAP +4,9 m tot ca. NAP +5,5 m. de bodem bestaat tot een diepte van 50 à 60 m onder NAP uit zand, met daaronder een kleilaag. De grondwaterstand is afgeleid aan de hand van de aanwezige peilbuizen in het gebied uit DINOloket. Hieruit blijkt dat de gemiddelde grondwaterstand in de periode 1995 tot 2004 ligt op NAP +3,87 m, oftewel 1,04 m -mv. De GLG ligt op NAP +3,57 m, oftewel 1,34 m -mv; de GHG ligt op NAP +4,14 m, oftewel 0,77 m -mv. Stijghoogtes in het eerste watervoerende pakket liggen dieper dan de grondwaterstanden in het freatische pakket, er is zodoende geen sprake van kwel. Het plangebied wordt aan de oostkant begrensd door een A-watergang met beschermingszone en aan de zuidkant door een B-watergang. Toekomstige situatie De Gemeenschappelijke Regeling Heesch West is voornemens om Van Rijckevorselweg 4 te Vinkel te herontwikkelen. In de huidige situatie zijn er een varkenshouderij en een woning aanwezig, in de toekomstige situatie zal er een agrarisch aanverwant transportbedrijf, een woning en een wasplaats voor varkens aanwezig zijn.

Er zullen geen varkens binnen het plangebied gehouden worden in de toekomstige situatie. De bestaande bedrijfsbebouwing (stallen) zal worden gesloopt, het is nog onbekend of de huidige woning blijft staan of dat deze wordt gesloopt en er een nieuwe woning wordt gebouwd. Ook is het onduidelijk of er bestaand groen/bomen zijn en of deze worden ingepast. Er zal sowieso aan kwaliteitsverbetering landschap invulling gegeven moeten worden. Waterberging Het totale plangebied bedraagt 18.320 m2, waarvan in de huidige situatie ca. 8.400 m2 verhard is. In de toekomstige situatie bedraagt het verhard oppervlak maximaal 5.000 m2. De afname verhard oppervlak is dus maximaal 3.400 m2. Vanwege de afname aan verhard oppervlak zijn er geen nadelige gevolgen voor de waterhuishouding. Vanuit de verordening bomen, groen en hemelwater geldt de eis dat bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van 500 m² of meer, de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 60 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak te kunnen verwerken. Het worstcasescenario voor waterberging is dat er 5.000 m2 verharding nieuw wordt gerealiseerd of vernieuwd wordt. Het volume water wat verwerkt dient te kunnen worden binnen het plangebied is zodoende 5.000 m2 * 0,06 m = 300 m3. In de huidige situatie is er ca.

8.400 m2 verhard oppervlak aanwezig binnen het plangebied, waarvoor 8.400 m2 * 0,06 m = 504 m3 water verwerkt dient te kunnen worden. Aangezien in de huidige situatie geen problemen wat betreft waterberging ervaren worden, is de verwachting dat er in de toekomstige situatie ook geen problemen op zullen treden. De benodigde 300 m3 water kan in het hele plangebied verwerkt worden. Vanuit het waterschap is er voorkeur voor hergebruik van hemelwater, het verzamelde hemelwater kan gebruikt worden voor het spoelen van toiletten of groenbeheer. Verzamelen van hemelwater kan middels regentonnen. Na hergebruik is infiltratie de volgende voorkeur van het waterschap Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

27

voor hemelwater. Infiltratie gaat makkelijk in het plangebied, vanwege de zandgrond en de diepe grondwaterstand. Een aandachtspunt in grondwaterbeschermingsgebied is dat er voldoende lutum in de grond zit, dit om eventuele vervuilingen te absorberen. In dit plangebied zit er voldoende lutum in de grond, namelijk in de kleilaag. Eventuele vervuilingen zullen daar worden opgevangen en niet terecht komen in het eerste watervoerende pakket. Afwatering en riolering Er wordt ingeschat dat er drukriolering is binnen het plangebied. De capaciteit zal naar verwachting voldoende zijn voor de woning. Belangrijk aandachtspunt is de capaciteit voor de afvoer van de wasplaats die gerealiseerd gaat worden, deze dient voldoende te zijn. De gemeente heeft aangegeven dat maximaal 5 m³ per uur geloosd mag worden op de drukriolering. Een overschot in vuilwaterafvoer zal gebufferd moeten worden. Omtrent de wasplaats is het treffen van een voldoende zuiverende voorziening een doelvoorschrift, waarbij het aan de initiatiefnemer is aan te tonen dat hieraan voldaan wordt. De uiteindelijke beoordeling zal plaatsvinden aan de hand van gedetailleerde informatie over de activiteit die ondernomen gaat worden en een detailweergave van de toe te passen voorziening. Alvorens een melding te doen, is het raadzaam contact op te nemen met de ODZOB door een e-mail te sturen naar: grondwater@odzob.nl.

Hemelwater Hemelwater wordt afgevoerd via infiltratie in de bodem. Voor de afvoer van hemelwater in de bodem geldt een meldingsplicht. Bij de afvoer van schoon hemelwater hanteert Waterschap Aa en Maas de stappen hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer. Ter vergelijking is in Figuur 2-15, opgenomen in bijlage 7, de te verwachten wateroverlast in de huidige situatie bij een neerslagevent van 140 mm/2u weergegeven. Droogtestress Door de afname van verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie zal de droogtestress in het plangebied afnemen. Het is nog onduidelijk of er bestaand groen/bomen zijn en of deze worden ingepast. Groen en bomen vragen in droge perioden een extra waterbehoefte, maar ze zijn wel positief voor de biodiversiteit en hittestress. Het water dat nodig is voor sproeien is echter een fractie van de hoeveelheid water die op jaarbasis extra wordt geïnfiltreerd. Hemelwater kan ook worden opgevangen voor het bewateren van groen, dit kan middels regentonnen. Daarnaast zouden infiltratiekratten een mogelijkheid kunnen zijn, deze houden geïnfiltreerd hemelwater langer vast en zorgen dat dit langzamer de diepere bodem inzakt. Grondwater De grondwaterstand nabij het plangebied bedraagt 1,04 m onder maaiveld. Hierbij is uitgegaan van een maaiveldhoogte van NAP 4,91 m en een grondwaterstand van NAP +3,87 m.

De GLG bedraagt 1,34 m -mv en de GHG bedraagt 0,77 m -mv. De stijghoogtes in het eerste watervoerende pakket zijn lager dan de grondwaterstanden in het freatische grondwater, er is derhalve geen sprake van kwel. Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied ligt in een grondwaterbeschermingsgebied, hier gelden regels om het grondwater niet te vervuilen. Binnen deze gebieden zijn woningen, wegen en bedrijven toegestaan, maar er

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

28

gelden wel wettelijke regels om vervuiling van het grondwater te voorkomen. De volgende activiteiten zijn verboden: - Een locatiegebonden milieubelastende activiteit; - Het bedrijfsmatig gebruik of aanwezig hebben van voor het grondwater schadelijke stoffen; - De toepassing van IBC-bouwstoffen. Voor een aantal activiteiten geldt een meldplicht: - Het verrichten van werkzaamheden in de bodem op een diepte van drie meter of meer; - Het lozen van afstromend hemelwater van gebouwen op of in de bodem; - Het lozen van afstromend hemelwater van verharde wegen op of in de bodem; - Het inrichten of hebben van een parkeerterrein. Bodemwerkzaamheden dieper dan 3 meter zullen waarschijnlijk niet nodig zijn, aangezien er geen parkeergarage of kelder gerealiseerd gaat worden. Indien dit toch wel het geval is, dient er melding gedaan te worden. Het lozen van afstromend hemelwater via zowel gebouwen als verharde wegen zal wel plaats gaan vinden, evenals het inrichting of hebben van een parkeerterrein, hier dienen zodoende meldingen voor gedaan te worden. Waterkwaliteit Er is sprake van een afname aan verhard oppervlak, er zijn daardoor mogelijk nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit. Door de afname aan verhard oppervlak is er meer onverhard oppervlak waar water met eventuele verontreinigingen kan infiltreren.

Vanwege de locatie van het plangebied in grondwaterbeschermingsgebied mogen er geen verontreinigende stoffen in het grondwater terecht komen. De wasplaats is een belangrijk aandachtspunt, er dienen geen verontreinigende stoffen in het grondwater terecht te komen als gevolg van de wasplaats. Oppervlaktewater In het landschappelijk inpassingsplan zijn een houtwal en hagen beoogd in de beschermingszone van de Awatergang die aanwezig is in het plangebied. Voor de beschermingszone van een watergang gelden beperkingen en voorschriften voor het verrichten van handelingen of het realiseren van werken. Dit betekent dat ofwel moet worden voldaan aan één van de Algemene regels Keur 2015, of dat een vergunning nodig is. Geadviseerd wordt om een watervergunning te verkrijgen en nadere afstemming met het waterschap te hebben. Alvorens een watervergunning te kunnen krijgen, is het noodzakelijk om een zakelijk recht te laten vestigen om het onderhoud aan de watergang op lange termijn goed te kunnen blijven uitvoeren. Waterkeringen Er zijn geen waterkeringen aanwezig binnen of nabij het plangebied. Juridische borging Er wordt op de plankaart geen water aangeduid. Waterberging wordt als nevenfunctie mogelijk gemaakt. In de regels is middels de aanduiding Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ geborgd dat het schone hemelwater moet worden geborgen en geïnfiltreerd. 5.3

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in dit plan.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

29

6

Archeologie en cultuurhistorie

6.1

Kader Erfgoedwet In de Erfgoedwet d.d. 1 juli 2016 is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die halverwege 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2022. Het gaat daarbij om de volgende zaken: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie • Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Gemeentelijk archeologiebeleid In Bernheze is bescherming van archeologische waarden geregeld is de Erfgoedverordening 2019. Basis voor bescherming is de archeologische verwachtingenkaart. Maasdonk valt sinds de samenvoeging met 's-Hertogenbosch onder het Bossche archeologiebeleid.

6.2

Onderzoek Onderzoeksbureau Antea Group heeft een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder worden de conclusies beschreven. Het volledig rapport is opgenomen in de bijlage (bijlage 5) bij deze toelichting. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat op grond van de de geologische en bodemsituatie geen aantrekkelijke plek vormde voor bewoning in het verleden. Dit gebied heeft dan ook een (zeer) lage trefkans op archeologische resten. In het vigerende bestemmingsplan is geen dubbelbestemming opgenomen, en het is niet bekend of de gemeente andere beleidsinstrumenten gebruikt waardoor archeologisch onderzoek toch noodzakelijk is. Op basis van deze informatie wordt archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht

6.3

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in dit plan.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

30

7

Milieu

7.1

Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden vanuit diverse milieuaspecten inzichtelijk gemaakt. Waar nodig moet een vertaling plaatsvinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.

7.2

M.e.r.-beoordeling Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer geldt er een beoordelingsplicht. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Voorgenomen ontwikkeling betreft één bedrijf en is daarmee geen stedelijke ontwikkeling of bedrijventerrein zoals bedoeld in D11 van het Besluit m.e.r.. Een m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn daarnaast verderop in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen.

Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren. Uit de afweging is gebleken dat er als gevolg van de realisatie van het plan geen (significante) nadelige milieueffecten optreden.

7.3

Mobiliteit

7.3.1 Ontsluiting en verkeersgeneratie Op basis van het huidige en toekomstige programma is de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling berekend, gebruikmakend van de cijfers uit de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. De mate van stedelijkheid en de ligging van het projectgebied zijn bepalend voor de hoogte van de verkeersgeneratie en de parkeernormen. Voor het projectgebied wordt uitgegaan van de gemiddelde kencijfers behorende bij de stedelijkheidsgraad ‘sterk stedelijk’. Het projectgebied ligt binnen de stedelijke zone ‘buitengebied’.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

31

Huidig programma Veehouderij Bedrijfswoning

CROW-categorie Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief Koop, huis, vrijstaand

Aantal/ m2 5.675 m2 1

Kencijfer (maximaal) 5,7 per 100 m2 bvo

Verkeersgeneratie 323,5

8,6

8,6

Tabel 2.1: berekening verkeersgeneratie huidige situatie

Toekomstig programma Veetransportbedrijf* Bedrijfswoning

CROW-categorie n.v.t. Koop, huis, vrijstaand

Aantal/ m2 1.000 m2 1

Kencijfer (maximaal) n.v.t. 8,6

Verkeersgeneratie 67 8,6

Tabel 2.2: berekening verkeersgeneratie toekomstige situatie

* Voor het veetransportbedrijf wordt uitgegaan van 14 personeelsleden die met de auto (kunnen) komen. Inclusief bezoekers komt dit uit op 51 ritten per etmaal. Daarnaast wordt uitgegaan van het gebruik van circa 8 vrachtwagens, die één keer per dag op en neer rijden. Dit komt neer op circa 16 verkeersbewegingen. Het aandeel vrachtverkeersbewegingen zal niet significant toenemen ten opzichte van de huidige situatie. De totale verkeersgeneratie van het veetransportbedrijf bedraagt 67 ritten per etmaal. Uit tabel 2.1 en 2.2 blijkt dat door de voorgenomen ontwikkeling de verkeersgeneratie afneemt. Het projectgebied wordt ontsloten via de Van Rijckevorselweg richting de A59. 7.3.2 Parkeren Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de Nota Parkeernormering 2021. De nota geeft normen en richtlijnen voor functies, gebaseerd op kentallen van het CROW, voor de zes verschillende zones binnen de gemeente. De nota geeft alleen voor de meest voorkomende functies, te weten wonen, werken en winkels, parkeernormen. Voor de ontwikkeling van andere functies gelden richtlijnen hoe met parkeren omgegaan moet worden. Bij het toelaten van initiatieven moet inzichtelijk zijn dat in de parkeerbehoefte van auto's en fietsen voorzien kan worden.

Dat moet in principe op eigen terrein. Wanneer dat niet mogelijk is en er binnen loopafstand geen parkeerruimte is kan dat leiden tot ruimtebeslag voor (meer) parkeren in de openbare ruimte. Dit ruimtebeslag mag de verkeersveiligheid en een goed woon- en leefklimaat niet aantasten. De locatie is gelegen in het buitengebied, in de Nota Parkeernormen aangeduid als ‘overig gebied’. Met het planvoornemen wordt voorzien in een bebouwd oppervlak van maximaal 1.000 m2 (exclusief de bestaande bedrijfswoning). Voor het vee/varkenstransportbedrijf wordt aangesloten bij de parkeernormen voor ‘Bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief’, te weten 1,4 parkeerplaats per 100 m2 bvo. In totaal dienen er dus 14 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Voor de bestaande bedrijfswoning geldt een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen. Gezien het oppervlak van het bedrijfsperceel is voldoende ruimte aanwezig om in de parkeerbehoefte op eigen terrein te voorzien. Het planvoornemen voldoet hiermee aan de gemeentelijke nota Parkeernormering 2016.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

32

7.4

Bodemkwaliteit

7.4.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.

Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Ww) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. Gemeentelijk bodembeleid De gemeentelijke Bodemkwaliteitskaart geeft een beeld van de diffuse bodemkwaliteit (ook wel achtergrondkwaliteit genoemd) van de gemeente. In de daaraan gekoppelde Nota bodembeheer is aangegeven welke regels gelden met betrekking tot grondverzet binnen de gemeente. 7.4.2 Onderzoek en conclusie Door Antea Group is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 8 bij deze toelichting.

Op basis van de resultaten uit dit onderzoek wordt geadviseerd om, om vast te stellen of er op de locatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, ter plaatse van de eerder aangetroffen sterk en matig verhoogde gehalten een nader bodemonderzoek uit te voeren. Daarnaast dient een nader asbestonderzoek te worden uitgevoerd om vast te stellen of sprake is van een geval van bodemverontreiniging met asbest.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

33

In verband met de aanwezige bebouwing en verhardingen wordt geadviseerd om het nader bodemonderzoek en nader asbestonderzoek uit te voeren wanneer de bebouwing en verharding verwijderd is. Dit onderzoek zal dan ook in een later stadium worden uitgevoerd. Als dit pas het geval is nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, dan worden hier ten tijde van de vergunningverlening afspraken over gemaakt. 7.5

Geluid

7.5.1 Kader Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woonen leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. Indirecte hinder Bij de beoordeling of het veetransportbedrijf past in haar omgeving moet ook de ’indirecte hinder’ betrokken worden. Onder indirecte hinder wordt hier ingevolge artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer verstaan de nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt door activiteiten die, hoewel plaatsvindend buiten het terrein van de inrichting, aan de inrichting zijn toe te rekenen. Een belangrijke vorm van indirecte hinder is af- en aanrijdend verkeer, met name vrachtverkeer.

7.5.2 Onderzoek en conclusie Een transportbedrijf is een meldingsplichtig bedrijf, deze valt onder het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit is de term ‘indirecte hinder' niet terug te vinden. De toelichting op het Activiteitenbesluit beschrijft de mogelijkheid om door middel van een maatwerkvoorschrift, gekoppeld aan de zorgplichtbepaling, indirecte hinder veroorzaakt door een inrichting te reguleren. Via het zorgplichtartikel uit het Activiteitenbesluit is het mogelijk met maatwerk onderzoek naar indirecte hinder te verlangen. Maatwerkvoorschriften kunnen ook inhouden dat de door de inrichting te verrichten activiteiten worden beschreven en dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht om de mate waarin de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt te bepalen. De resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen aanleiding zijn maatwerkvoorschriften vast te stellen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het voorschrijven van maatregelen en gedragsvoorschriften. Verkeersbeeld Van Rijckevorselweg Onderstaand overzicht is afgeleid uit het bredere verkeersonderzoek dat heeft plaatsgevonden voor de ontwikkeling van bedrijventerrein Heesch-west.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

34

Wegvak

Van Rijckevorselweg (tussen Rekken en Nulandse Weerscheut) Van Rijckevorselweg t.h.v. A59 (tussen Rijksweg en Rekken)

Voertuigclassificatie2

Licht Middelzwaar Zwaar TOTAAL Licht Middelzwaar Zwaar TOTAAL

Telling 2018

WERKDA G 2.309 103 124 2.536 -

WEEKDA G 2.173 83 100 2.356 -

Verkeersmodel (t.b.v. verkeersonderzoek Heesch West) Huidig Referentie Plan HW (2015) (2030) (2030) 2.500 2.500 2.200 200

200

400

2.700 7.800

2.700 9.200

2.600 8.100

700

800

1.100

8.500

10.000

9.200

* Voertuigclassificatie op basis van ascombinaties: L = Licht verkeer (2 assen, asafstand < 3,7 m) M = Middelzwaar verkeer (2 assen, asafstand > 3,7 m) Z = Zwaar verkeer (3 of meer assen)

Qua autonome groei zien we geen toe/-afnames van verkeer op de Van Rijckevorselweg. Uitgaande van een toename van 16 vrachtbewegingen vanaf Van Rijckevorselweg no. 4 richting het noorden (“worst case benadering”), komt dat neer op een relatieve toename van 8% vrachtverkeer (minder dan 1% toename o.b.v. totaal aantal motorvoertuigen). Conclusie Gezien de afstand en het heersend verkeersbeeld op de van Rijckevorselweg, veroorzaken de verkeersbewegingen van en naar de inrichting geen wezenlijke toename aan hinder op omliggende geluidgevoelige bebouwing. Over het algemeen is er sprake van een afname van de verkeersintensiteit (zie onder de paragraaf Mobiliteit, 7.3). 7.6

Luchtkwaliteit

7.6.1 Kader Luchtkwaliteit is afhankelijk van de aanwezigheid van stoffen in de buitenlucht die schadelijk zijn voor de gezondheid. Een maat voor de luchtkwaliteit is de concentratie van een dergelijke stof in de lucht, meestal uitgedrukt in microgrammen per kubieke meter (μg/m3). Bronnen die schadelijke stoffen uitstoten, kunnen lokaal (tot enkele kilometers) effect hebben op de concentraties in de lucht. Normen ten aanzien van concentraties en voorschriften voor het meten en rekenen aan luchtkwaliteit zijn in de Nederlandse wet vastgelegd. Gezien de ontwikkeling dient het onderzoek met name betrekking te hebben op de luchtverontreinigende stoffen NO2 (stikstofdioxide), PM10 (fijnstof) en PM2,5 (zeer fijnstof). De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 μg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 μg/m3 maximaal

2 Voertuigclassificatie op basis van ascombinaties: L = Licht verkeer (2 assen, asafstand < 3,7

m), M = Middelzwaar verkeer (2 assen, asafstand > 3,7 m), Z = Zwaar verkeer (3 of meer assen) Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

35

35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 μg/m3. Recent is in het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan Heesch-West, gelegen ten oosten van de bestemmingsplanlocatie, een luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek en een aanvullende berekening zijn voor dit bestemmingsplan de gevolgen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit hierna beschreven. 7.6.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. Op basis van de toekomstige verkeersbewegingen is met de NIBM-tool beoordeeld of het plan aan te merken is als NIBM. In de toekomstige situatie genereren het transportbedrijf en de bedrijfswoning samen 75,6 verkeersbewegingen per etmaal. In het kader van een worst-case benadering is geen rekening gehouden met de huidige verkeersbewegingen van en naar het perceel.

Op basis van de NIBM-tool blijkt dat de bijdrage van dit extra verkeer niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Jaar van planrealisatie

2023

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

75,6

Aandeel vrachtverkeer

0,8%

3

NO2 in μg/m

0,05

3

0,01

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Luchtkwaliteitsonderzoek Heesch West Daarnaast is in het luchtkwaliteitsonderzoek voor Heesch West, opgenomen als bijlage 9 bij deze toelichting, onder andere op 10 m van de weg en ter plaatse van bestaande woningen in de omgeving van het plan onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteitssituatie. Dat onderzoek had ook betrekking op de A59, de Rijckevorselweg en de betreffende woning in dit plan en andere woningen in de omgeving van dit bestemmingsplan. In het luchtrapport voor Heesch West zijn geen knelpunten aan de orde ten aanzien van de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit. Omdat jaarlijks de achtergrondconcentraties en de emissies van voertuigen worden geactualiseerd is een herberekening uitgevoerd op basis van de meest recente luchtkwaliteitsparameters.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

36

Voor deze berekening is gebruikt gemaakt van het Stacks-rekenmodel ondergebracht in het rekenmodel Geomilieu versie 2022.01. De belangrijkste bronnen die in dit onderzoek zijn betrokken betreffen de A59, en de hoofdwegen in de gemeenten langs deze rijksweg en de industriële emissie op het geplande industrieterrein Heesch -West. Het onderzoek naar de luchtkwaliteit is uitgevoerd langs de drukker bereden wegen en ter plaatse van bestaande woningen langs deze infrastructuur. Gerekend is voor de plansituatie, waarmee in dit geval de realisatie van Heesch West en de daarmee gepaard gaande emissie van luchtverontreinigende stoffen wordt bedoeld. De extra verkeersproductie van Heesch West is ook in de berekening meegenomen. Op de navolgende afbeeldingen wordt de berekende jaargemiddelde concentratie NOx, PM10 en PM2,5 gepresenteerd ter plaatse van de woning Van Rijckevorselweg 4 en haar omgeving.

Afbeelding 7.1: Jaargemiddelde concentratie NOx

Afbeelding 7.2 : Jaargemiddelde concentratie PM10 (links) en PM2,5 (rechts)

Langs wegen en de ter plaatse van de bestaande woningen is de hoogst berekende jaargemiddelde concentratie maximaal 20 μg/m3.Deze concentratie is daarmee ruim lager dan de grenswaarde van 40 μg/m3. De hoogst berekende concentraties PM10 en PM2,5 zijn eveneens berekend langs de A59 en bedragen voor PM10 maximaal 19 μg/m3 en voor PM2,5 12 μg/m3. Deze concentraties zijn eveneens ruim lager dan de grenswaarden.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

37

7.6.3 Conclusie Omdat de gestelde grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit voor de concentraties van de beschouwde stoffen op geen enkel punt worden overschreden wordt geconcludeerd dat de grenswaarde uit de Wet luchtkwaliteit niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan. 7.7

Milieuzonering

7.7.1 Kader Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woonen leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren. Richtlijn Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudo-wetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ‘rustige woonwijk’.

Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter). 7.7.2 Onderzoek De directe omgeving van de van Rijckevorselweg 4 is agrarische gebied, met agrarische bedrijvigheid, gelegen aan een ontsluitingsweg van Vinkel. De locatie ligt op ongeveer 250 meter van de Rijksweg. Gelet op de agrarische activiteiten, de ligging aan een ontsluitingsweg en de Rijksweg kan hier gesproken worden van een gemengd gebied. Een (vee)transportbedrijf met een omvang van meer dan 1000 m² behoort tot milieucategorie 3.2 op basis van de indeling uit de VNG-brochure: 6024 6024 6321

494 494 5221

0 1 2

Goederenwegvervoerbedrijven (zonder schoonmaken tanks): b.o. > 1000 m² - Goederenwegvervoerbedrijven (zonder schoonmaken tanks) b.o. <= 1000 m² Stalling van vrachtwagens (met koelinstallaties)

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

0 0 10

0 0 0

100 C 50 C 100 C

30 30 30

100 50 100

3.2 3.1 3.2

3 G 2 G 2 G

1 1 1

38

Aangezien sprake is van een gemengd gebied, mag de richtafstand worden verlaagd met één afstandsstap. Dit betekent dat de richtafstand van 100 meter kan worden verlaagd naar 50 meter. Binnen de richtafstand van 50 meter zijn geen gevoelige bestemmingen noch bouwvlakken waar gevoelige bestemmingen mogelijk zijn aanwezig. 7.7.3 Conclusie Gezien de afstand tot aan omliggende gevoelige bestemmingen is hier sprake van een voldoende goed woon-en leefklimaat. 7.8

Externe veiligheid

7.8.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. 7.8.2 Onderzoek Door Antea Group is een ‘EV beschouwing’ opgesteld in een memo. Deze memo is opgenomen als bijlage 6. Hieronder zijn de resultaten uit deze memo beschreven. Op circa 310 meter ten noorden van het plangebied ligt de rijksweg A59. Het invloedsgebied van de A59 bedraagt 880 meter (stofcategorie: LT2). Hiermee valt het plangebied binnen het invloedsgebied van de A59. Hierbij is enkel het toxisch scenario relevant. Het plangebied valt niet binnen het explosieaandachtsgebied, waardoor enkel artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van kracht. Conform artikel 7 Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) dient de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid te worden beschouwd.

Toxisch scenario Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval een lekkage ontstaat en zich een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

39

Zelfredzaamheid Bij een calamiteit waarbij toxische gassen kan vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. Ten aanzien van de zelfredzaamheid is relevant dat de ontwikkeling niet het verblijf van zeer kwetsbare groepen beoogt. Bescherming wordt geboden door na een incident met gevaarlijke stoffen op de A59 ramen en deuren te sluiten en de mechanische ventilatie af te schaken. Als de Omgevingswet van kracht is, moet bij nieuwbouw de mechanische ventilatie handmatig afschakelbaar worden uitgevoerd. Bestrijdbaarheid Ten aanzien van de bestrijding van een incident beschikt de veiligheidsregio over protocollen om een dergelijk incident te bestrijden. Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. 7.8.3 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A59. Er is een beschrijving gegeven van de zelfredzaamheid en de beschrijdbaarheid.

Het bevoegd gezag, de gemeenteraad van ‘s-Hertogenbosch kan deze elementen betrekken bij de besluitvorming ten aanzien van de ruimtelijke procedure. 7.9

Lichthinder

7.9.1 Kader Kunstmatige verlichting kan hinder opleveren in de directe omgeving. Er is echter geen specifiek beleid of wetgeving ten aanzien van lichthinder, wel zijn er in het activiteitenbesluit voor enkele specifieke activiteiten als het telen van gewassen in een kas en voor sportbeoefening in de buitenlucht eisen die gesteld kunnen worden ten aanzien van de verlichting. 7.9.2 Onderzoek Bij een veetransportbedrijf is lichthinder geen relevant onderwerp is, Daarbij is er sprake van een inrichtingsplan waar houtwallen zijn voorzien aan de noordelijke en zuidelijke zijde Hiermee is lichthinder afkomstig van koplampen van vrachtwagens in voldoende mate afgeschermd. De wasplaats is inpandig, zodat ook hiervan geen licht naar de omgeving te verwachten is. 7.9.3 Conclusie Er is geen lichthinder afkomstig van het veetransportbedrijf op gevoelige functies en bebouwing te verwachten.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

40

7.10 Geurhinder Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor geurgevoelige objecten (zoals woningen) moet het geuraspect meewegen. Het is niet toegestaan om zonder meer nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk te maken binnen de geurcontour van een bestaand bedrijf. Het feitelijk verwijderen van de veehouderij als onderdeel van het planvoornemen heeft echter een verbetering in de geursituatie als gevolg. Daarnaast wordt door middel van voorliggend plan de planologischjuridische mogelijkheid om op deze locatie een nieuwe intensieve veehouderij te vestigen duurzaam verwijderd. De bedrijfswoning die onderdeel uitmaakt van het planvoornemen heeft daarnaast geen gevolgen voor omliggende veehouderijen, aangezien er in de bestaande situatie reeds een geurgevoelig object in de vorm van een bedrijfswoning aanwezig is waarmee omliggende veehouderijen rekening dienen te houden. Het aspect geurhinder vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 7.11 Duurzaamheid 7.11.1 Kader Nationaal beleid Nationaal klimaatbeleid De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord.

In 2015 is er tijdens een VN-klimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energieagenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd. Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie. Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame opwekking, besparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES). De regio's krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES. Via de RES kan de besluitvorming omtrent de ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio.

Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Een belangrijk aandachtspunt is dat dit alleen geldt voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben een gasmeter tot en met G25 (een doorlaatwaarde tot en met 40 m³ per uur). Veel grotere kantoorpanden en bedrijven hebben een grotere aansluiting en hebben dus nog steeds recht op een aardgasaansluiting. Daarnaast biedt de Wet VET het college de

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

41

ruimte om gebieden aan te wijzen waar netbeheerders geen nieuwe aardgasaansluitingen meer mogen verzorgen. Van deze bevoegdheid mag alleen gebruik worden gemaakt als er is voorzien in alternatieve voorzieningen. Dit heeft echter alleen invloed op kleingebruikers. Voor grootverbruikers vervalt het recht op een gasaansluiting hiermee dus niet. De wetgeving biedt ook ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien. Energiezuinig bouwen De energiezuinigheid van woningen en utiliteitsgebouwen wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Het Bouwbesluit stelt bepaalde eisen aan de energiezuinigheid van gebouwen en daarmee de EPC-waarde van een gebouw. Voor een woning geldt een eis van 0,4 terwijl voor utiliteitsbouw een variatie aan normen wordt gehanteerd op basis van de functie. De EPC-eisen zijn vanaf 2021 vervangen door de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). In het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen wordt een strategie geschetst om te komen tot bijna-energieneutrale gebouwen, zowel bij nieuwbouw als transformatie van bestaande gebouwen. Het grote verschil tussen EPC en BENG is dat bij deze nieuwe eis energiebesparing belangrijker is dan energieopwekking.

Waar bij de EPC-eis het nog mogelijk was om energieverliezen met bijvoorbeeld zonnepanelen te compenseren, kan dit met de BENGeisen niet meer. Naast de BENG-eisen die vanaf 1 januari 2021 gelden is er ook nog een aanvullende eis bijgekomen: de TOjuli. TOjuli staat voor: TemperatuurOverschrijding juli. Het is namelijk gebleken dat zelfs als aan de BENG-eisen wordt voldaan er in de zomer problemen met betrekking tot oververhitting kunnen optreden. Om die reden moet bij vergunningaanvragen voor nieuwbouw niet alleen aan de BENG-eisen voldaan, maar ook aan de TOjuli eis. Provinciaal beleid Energieagenda 2019 - 2030 De provincie Noord-Brabant streeft naar een energieneutrale samenleving in 2050. Met de Energieagenda 2019-2030 maakt de provincie inzichtelijk welke ambities, principes en strategieën hieraan gekoppeld zijn. In de agenda staan urgentie en noodzaak van versnelling centraal. Alle opties voor verschillende soorten duurzame energiebronnen worden opengehouden. Er zal dus een mix van bronnen ontstaan. Zon- en windenergie bijvoorbeeld zijn variabels: het aanbod wisselt tussen dag en nacht, maar ook tussen seizoenen. Het systeem wordt meer aanbod gestuurd. Met flexibiliteit op het energienet is vraag- en aanbod te matchen. Ook digitalisering zal een cruciale rol spelen bij het realiseren van flexibiliteit in, en monitoring van het nieuwe decentrale energiesysteem.

De Energieagenda 2019-2030 is voor de eerstkomende periode vastgesteld. Dit is een tussendoel op weg naar 2050. De hieruit volgende ambities en hoofddoelen zijn opgenomen in de onderstaande tabel.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

42

De provincie zet fors in op het gebruik van duurzame energie, jaagt baanbrekende innovaties in de energiewereld aan en betrekt zo veel mogelijk Brabanders bij de energietransitie. Wat betreft de ruimtelijke inrichting en ontwikkeling heeft de provincie de taak om integrale afwegingen te maken met een ruimtelijke helicopterview, kijkend over de gemeentelijke grenzen heen. Hierbij wordt gezocht naar complementariteit. De mogelijkheden tussen de gemeenten verschillen, dus ook de mogelijkheden om bij te dragen aan de energietransitie. Ook streeft de provincie naar omgevingskwaliteit en besteedt zij aandacht aan de vormgeving van de energie-opwekking in het landschap, zoals in de Omgevingsvisie (2018) is toegelicht. Ze hanteert hierbij principes als meervoudig, efficiënt en zorgvuldig ruimtegebruik, met aandacht voor landschappelijke karakteristieken en waarden, die zijn geconcretiseerd in de Omgevingsverordening. Voor bedrijven(terreinen) zijn de volgende doelen relevant: • Energiedoelen zo veel mogelijk realiseren in samenhang met andere maatschappelijke opgaven, zoals mobiliteit, circulaire economie, klimaatadaptatie en stedelijke ontwikkeling, een nieuw bedrijventerrein en stedelijke transformatieopgaven. • Bevorderen van deelname door burgers aan opwekking van zon- en windenergie op bedrijventerreinen.

Regionaal beleid Regionale Energie Strategie (RES) Noordoost-Brabant De decentrale overheden (gemeenten, waterschappen en provincies) werken vanaf het najaar 2018 in 30 regio's aan een Regionale Energie Strategie (RES). Deze samenwerking volgt uit afspraken gemaakt in het Klimaatakkoord van Parijs, het Regeerakkoord, het Interbestuurlijk Programma en het voorstel tot hoofdlijnen van het Klimaatakkoord. De RES is een instrument om met maatschappelijke partners, bedrijfsleven en bewoners te komen tot regionaal gedragen keuzen voor de opwekking van duurzame elektriciteit, de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de daarvoor benodigde opslag en energieinfrastructuur. De RES biedt een bouwsteen voor het omgevingsbeleid van gemeenten, provincies en Rijk, waarin integrale besluitvorming over de fysieke leefomgeving plaatsvindt. Tenslotte is de RES een product waarin staat beschreven welke strategie de regio hanteert om energiedoelstellingen te bepalen en te behalen. Nationale scope De onderdelen elektriciteit en gebouwde omgeving zijn door het Rijk verplicht gesteld. Daarnaast is het aan de regio's om de keuze te maken in hun bod naar het Rijk, en de scope van de RES te verbreden.Wat betreft de elektriciteit ligt de focus op ruimtelijke inpassing (techniek neutraal), gerelateerd aan de voorlopige kwantitatieve doelstelling van 35 TWh op land in 2030.

De opgave voor de gebouwde omgeving gaat uit van het voorzien in duurzame warmte, schone elektriciteit en goede isolatie van zeven miljoen huizen en één miljoen gebouwen voor 2050. Bestuurlijk startdocument RES Regio Noordoost Brabant De regio Noordoost-Brabant heeft hiertoe in februari 2019 een Startnotitie opgesteld. De startnotitie biedt het kader voor een regionale samenwerking om te komen tot een gedragen RES en daarmee het gezamenlijke regionale 'bod'. In het document zijn de huidige situatie en regionale opgave beschreven. Ook komen onder meer de projectorganisatie, participatie en communicatie, bestuurlijke borging, capaciteit en (financiële) middelen en de beoogde planning aan bod.

Bestemmingsplan “Van Rijckevorselweg 4” Toelichting Gewijzigde vaststelling

43

In 2020 zijn de Concept RES'en en door de gemeenten vastgesteld. De RES 1.0 is in 's-Hertogenbosch op 18 mei 2021 vastgesteld. Deze zijn aangeboden aan het Nationaal Programma RES. Gemeentelijk beleid Energietransitieprogramma's 's-Hertogenbosch 2016 - 2020 De hoofddoelstelling is het realiseren van energiebesparing en opwekking van duurzame energie van minimaal 0,4 PJ en maximaal 1,2 PJ per jaar in 2020 ten opzichte van 2015. Voor bedrijven(terreinen) zijn de volgende relevante doelen geformuleerd: • Geen gebruik meer van fossiele brandstoffen als aardgas en elektriciteit uit aardolie of kolen. • Energie zal duurzaam worden opgewekt, veel meer decentraal en kleinschalig. Bedrijven worden naast energieconsument ook energieproducent.

De ambitie is het scenario met maximaal haalbare maatregelen voor energiebesparing en duurzame energieopwekking: • Industrie: 35% energiebesparing (elk jaar 1% besparing tot en met 2050) • Verkeer: 35% energiebesparing (elk jaar 1% besparing tot 2050) • Zoveel mogelijk windmolens die passen binnen het provinciaal beleid (circa 20 molens van 3 MW) (0,5 PJ in 2050) • 300 hectare zonnepanelen op landbouwgrond, ongebruikte bedrijventerreinen en parkeerterreinen (1,1 PJ in 2050) • Alle geschikte daken vol met zonnepanelen (0,8 PJ in 2050) • Biomassa: alle reststromen van grasland, bos, akkerbouw en rioolwaterzuivering binnen de gemeente benutten (0,3 PJ in 2050) • Restopgave (6,5 PJ in 2050, nog geen oplossingen voor) Visie energielandschap (gemeente 's-Hertogenbosch) Gezien de impact van duurzame energieopwekking op het landschap acht de gemeente 's-Hertogenbosch een Visie energielandschap noodzakelijk. De Visie energielandschap richt zich dan ook uitsluitend op productiemethoden met ruimtelijke impact. namelijk zonne- en windenergie. De Visie is opgesteld om te bepalen waar en onder welke condities het mogelijk is om initiatieven met windturbines en zonnevelden verder uit te werken, zodat wordt bijgedragen aan de regionale energieopgave. De Visie is vastgesteld in juli 2020.

De ontwikkeling van zonne- en windenergie vergt een integrale benadering waarbij meerdere doelen met elkaar worden verenigd. Zonne-energie wordt bij voorkeur ontwikkeld op (zandwin)plassen en op en rondom snelwegen. Op andere locaties zijn ook mogelijkheden voor zonneenergie denkbaar. Enkel gebieden met hoge ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische en recreatieve kwaliteiten bieden in beginsel geen wenselijke locatie door zonne- en windenergie. In een separaat traject wordt gekeken of hier wel mogelijkheden zijn voor een duurzame polder. Verder moet de ontwikkeling leiden tot ruimtelijke kwaliteit en maatschappelijke meerwaarde. Daarbij wordt rekening gehouden met het woon- en leefklimaat, zoals gezondheid, en natuurwaarden. Ook kan in de toekomst gedacht worden aan andere vormen van energie, zoals het benutten van restwarmte of energie uit vergisting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13427110/1