Bijlage 1.a Kader Wgr versie 20220702
Tekst van het document
KADER WIJZIGING WET GEMEENSCHAPPELIJKE REGELINGEN
Onderwerp: Aan: Van: Status: Datum: Doel notitie:
Kader voor de implementatie van de wijziging Wgr binnen de GR Algemeen Bestuur ODBN Dagelijks Bestuur concept 5 april 2022 ter bespreking
Achtergrond Op 1 juli 2022 is de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) in werking getreden. Lokale overheden werken steeds meer en intensiever met elkaar samen. Dat gebeurt op verschillende niveaus en op verschillende manieren. De Wet gemeenschappelijke regelingen maakt (publiekrechtelijke) samenwerking mogelijk tussen (bijvoorbeeld) provincies en gemeenten. In gemeenschappelijke regelingen draagt het lokale bestuur bevoegdheden over aan (het bestuur van) een regionaal, interbestuurlijk samenwerkingsverband. De afgelopen jaren is uit verschillende onderzoeken gebleken dat volksvertegenwoordigers (gemeenteraden en -raadsleden) een te grote afstand ervaren tot gemeenschappelijke regelingen. Daardoor komt de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen volgens de wetgever onder druk te staan. Met deze wetswijziging is beoogd om de betrokkenheid van volksvertegenwoordigers (gemeenteraden, provinciale staten en besturen van waterschappen) bij het bestuur van een samenwerkingsverband te verbeteren. Door enkele wijzigingen in de Wgr krijgen gemeenschappelijke regelingen de mogelijkheid om raden meer invloed te geven op besluiten van een gemeenschappelijke regeling (hierna: GR). Het algemeen bestuur van een GR wordt gevormd uit burgemeesters, gedeputeerden of wethouders van de deelnemers. De eigenaarsrol van de GR ligt bij dit algemeen bestuur.
De wet introduceert onder meer enkele nieuwe instrumenten waarmee gemeenteraden en Provinciale Staten hun controlerende en kaderstellende taken richting dit algemeen bestuur beter kunnen uitvoeren. In deze notitie komt de vraag aan de orde wat de consequenties van de gewijzigde Wgr zijn voor de ODBN. Wat is er gewijzigd in de Wgr en welke (nieuwe) instrumenten worden geintroduceerd. Wat voor consequenties heeft de wetswijziging voor onze GR en waar kunnen we keuzes maken die passen bij de ODBN? De wetgever was zich ervan bewust dat er veel verschillende gemeenschappelijke regelingen zijn. Dit is de reden dat er in veel gevallen voor is gekozen is om geen harde inhoudelijke bepalingen in de nieuwe wet op te nemen, maar alleen de verplichting om met elkaar daarover in de GR afspraken te maken. Dit betekent dat er voor verschillende onderwerpen nog ruimte is voor de GR-en en hun bestuur om hier een eigen invulling aan te geven. De wetswijziging dient binnen 2 jaar na inwerkingtreding, dus voor 1 juli 2024, te zijn geïmplementeerd in de eigen GR.
Regionaal proces In onze regio zijn meerdere GR-en actief. In het coordinatieteam adoptie GR (getrokken door gemeente Meierijstad) vindt afstemming plaats over onderwerpen die alle GR-en in de regio raken. Alle GR’en en hun besturen moeten het komende jaar een proces doorlopen, waarin zij bespreken hoe zij de wijziging van de Wet gemeenschappelijke Regelingen naar hun eigen GR willen vertalen. De algemeen besturen van de GR’en, en hun dagelijks bestuur ter voorbereiding, zijn nu aan zet om de implementatie vorm te geven. In dit proces zijn veel stakeholders: Zo zijn er de dagelijks en algemeen besturen als bestuurders van de GR-en; De colleges van B&W als deelnemer/ eigenaar van de GR-en; De provincie Noord-Brabant als deelnemer en mede-eigenaar van verschillende GR’en over Brabant heen, waaronder de drie Brabantse omgevingsdiensten; De gemeenteraden en Provinciale Staten (PS) die meer bevoegdheden krijgen; De griffiers die de gemeenteraden en PS hierbij adviseren en ondersteunen (de griffierskring heeft al een advies aan de raden uitgebracht over dit onderwerp, zie bijlage 2); De juristen van deelnemers die een voorstel om de GR te wijzigen juridisch zullen toetsen en daarover adviseren; De ODBN en OMWB die als collega-omgevingsdienst ook een GRwijzigingstraject doorlopen en waar naar verwachting voor dezelfde uitgangspunten zal worden gekozen.
Dit maakt duidelijk dat regionale afstemming over het te doorlopen traject wenselijk en noodzakelijk is. Tegelijkertijd is het wenselijk dat het bestuur van elke GR, dus ook de ODBN, uiteindelijk de mogelijkheid heeft om zelf keuzes te maken die het meest passend zijn voor de eigen situatie om dat voorstel vervolgens (gemotiveerd) ter besluitvorming voor te leggen aan de deelnemers. Om de GR te kunnen wijzigen, dienen alle deelnemers in te stemmen. Het is dus belangrijk om breed draagvlak te creëren voor de wijzigingen. In onze regio heeft op 2 februari 2023 een regionaal ambtelijk overleg plaatsgevonden, georganiseerd door de adoptiegemeente Meijerijstad, waar onder leiding van een Wgr-deskundige is gesproken over de belangrijke wijzigingen in de Wgr en welke opties een GR heeft om die uit te werken in de eigen GR. Bij dit overleg waren onder meer juristen (uit het Regionaal Overleg Algemeen Recht), griffiers (namens de kring van griffiers) en vertegenwoordigers van gemeenten, provincie en gemeenschappelijke regelingen aanwezig. In dit overleg is afgesproken dat het coördinatieteam een voorstel zal doen over het vervolgproces. Daarbij wordt in elk geval aandacht besteed worden aan een regionale tijdlijn.
Het is namelijk wenselijk dat alle GR-en de voorstellen tot wijzigiging van de tekst van hun gemeenschappelijke regeling tegelijk aanbieden, zodat deze voorstellen tegelijk in een raadsvergadering behandeld kunnen worden.Ook zal aan de orde komen op wat voor wijze verder nog regionale afstemming wenselijk is, bijv. waar het gaat om voorlichting aan de raden/ staten. Samenwerking met OMWB, ODZOB en PNB: Verder is tussen de drie Brabantse omgevingsdiensten en PNB afgesproken om gezamenlijk op te trekken in het traject om te komen tot een wijziging van de GR. De organisatiejuristen van de drie diensten en de regelgeving-juristen van PNB komen
pagina 2 van 12
maandelijks bij elkaar en bereiden daar de inhoudelijke wijzigingen van de GR-teksten voor, conform de wensen van de omgevingsdiensten. De regelgeving-juristen ondersteunen de diensten bij het opstellen van juridisch correct teksten. Waar dat mogelijk is, is het streven om te kiezen voor uniformiteit, zowel qua tijdlijn als inhoudelijke GR-wijzigingen ter uitvoering van de Wgr. De gelegenheid wordt ook aangepakt om de tekst van de gemeenschappelijke regelingen zo nodig op andere punten te actualiseren, als een omgevingsdienst dit wenselijk acht. Voor de ODBN betreft dit slechts enkele kleine technische wijzigingen. Verder is het voornemen om de teksten van de 3 GR-en te herschrijven zodat ze – regeltechnisch en qua structuur – gaan voldoen aan de aanwijzingen voor de regelgeving. Benadrukt wordt dat alle (inhoudelijke) lokale keuzes die in het verleden zijn gemaakt in de tekst van de drie gemeenschappelijke regeling ongewijzigd blijven. Afgezien van de wijzigingen die voortvloeien uit de Wgr, wordt de GR dus niet inhoudelijk gewijzigd. Tijdlijn ODBN: De ODBN heeft een tijdlijn uitgewerkt (zie blz. 10-12 van deze memo) waarin is vermeld welke werkzaamheden er gedaan moeten worden en welke besluitvormingsprocedures doorlopen moeten worden.
De tijdlijn maakt duidelijk dat er nog veel stappen doorlopen moeten worden, maar dat het wel haalbaar is om voor 1 juli 2024 onze GR aan te passen en te voldoen aan de verplichtingen uit de gewijzigde Wgr. De ODBN heeft deze tijdlijn gedeeld met de adoptiegemeente en gevraagd om, op basis hiervan, ook een regionale tijdlijn op te stellen. De OMWB en ODZOB volgen al een vergelijkbare tijdslijn. Aandachtspunt in de tijdlijn is dat in de Wgr ook de procedure om een GR te wijzigen is aangepast. De raden/staten mogen eerst een zienswijze geven over een voorgenomen besluit tot wijziging in de GR, en pas nadat dit heeft geleid tot een definitief voorstel, dienen zij aan het college van B&W/GS vervolgens toestemming te verlenen om in te stemmen met de wijziging.
Voorgestelde wijze van implementatie van de wetswijziging De Wgr is op een aantal punten gewijzigd. De belangrijkste punten worden hieronder toegelicht. Daarbij wordt een voorstel gedaan over de wijze waarop de wetswijziging geimplmenteerd kan worden, op een manier die passend is voor de ODBN. A. Mogelijkheid tot het instellen van een adviescommissie van raadsleden In artikel 24a van de gewijzigde Wgr is geregeld dat, als de raden en PS van alle deelnemers gezamenlijk aan het AB van de GR vragen om een adviescommissie in te stellen, het AB zo’n adviescommissie dient in te stellen. De adviescommissie kan het bestuur van een GR adviseren omtrent voorgenomen besluiten, zelf aandacht voor een onderwerp vragen en (gezamenlijke) standpunten van de raden van de deelnemers op het punt van de regeling voorbereiden en daaromtrent adviseren. Er is geen sprake van delegatie van bevoegdheden aan de gemeenschappelijke adviescommissie. Deze nieuwe commissie heeft geen (formele) rol in het besluitvormingsproces en zienswijzen blijven door raden en PS gegeven worden, eventueel voorbereid door de adviescommissie.
pagina 3 van 12
Wij zien een paar haken en ogen aan dit nieuwe instrument, waarbij we ons aansluiten bij het advies dat de griffiers uit de regio eerder hebben gegeven (zie bijlage 2). Zij wijzen erop dat een duidelijk mandaat ontbreekt en dat een commissielid nooit alle geledingen uit de eigen raad kan vertegenwoordigen. Verder merken de griffiers op dat de raden al overbelast zijn, terwijl het werk in een adviescommissie weer extra tijd zal kosten. De griffiers verwachten dat het instellen van een adviescommissie geen wezenlijke bijdrage zal leveren aan een betere politieke discussie over het werk van samenwerkingsverbanden en adviseren om die niet in te stellen. Voor de ODBN komt daar nog als extra argument bij dat de omgevingsdienst als uitvoeringsorganisatie beleidsarm is, waardoor in het Algemeen Bestuur niet over beleid wordt gesproken. Bij een beleidsrijke GR zou een adviescommissie eerder een rol kunnen pakken. Dat neemt niet weg dat de Wgr de gezamenlijke raden wel de mogelijkheid biedt om zo’n adviescommissie in te stellen. Alle raden dienen daar mee in te stemmen. Omdat dit al in de wet zelf is geregeld, is het niet noodzakelijk om hierover een artikel op te nemen in onze GR. Het is wel belangrijk om in de toelichting bij het voorstel om de GR te wijzigen toe te lichten dat de raden en PS daar gezamenlijk altijd voor kunnen kiezen.
De precieze bevoegdheden, taken, vergoeding en de werkwijze van de commissie kunnen door het Algemeen Bestuur zo nodig later worden opgenomen in een aparte verordening. Conclusie: in onze GR hoeft niets te worden opgenomen over de mogelijkheid tot het instellen van een adviescommissie van raadsleden.
B. Aanwijzen van besluiten waarvoor een zienswijzeprocedure geldt In de Wgr is opgenomen dat in de GR moet worden bepaald voor welke besluiten verplicht een zienswijzeprocedure – bij de raden en staten – moet worden doorlopen. Op grond van de Wgr was het al zo dat voor de begroting een zienswijzeprocedure wordt gevolgd. De gewijzigde Wgr maakt het mogelijk om zo’n procedure ook voor andere zwaarwegende besluiten te volgen, zoals zoals besluiten met een aanzienlijk financieel belang, politiek gevoelige besluiten of beleidsmatige keuzes (MvT). Aangezien een zienswijzeprocedure een sturend instrument is voor de gemeenteraad, c.q. de Staten kan het hier alleen gaan om een besluit dat de bevoegdheid is van het algemeen bestuur. De raden/staten hebben immers geen bevoegdheden ten aanzien van besluiten van het dagelijks bestuur. Er kan overwogen worden om een verplichte zienswijzeprocedure op te nemen voor het vaststellen van de kadernota. Ook de griffiers hebben dit geadviseerd. De ODBN heeft dat tot 2021 in de praktijk al gedaan, omdat dit in het coördinatieteam adoptie GR-en zo was afgesproken. Het algemeen bestuur heeft vanaf 2021 echter bewust de keuze gemaakt om de kadernota al in december definitief vast te stellen.
Aan de raden wordt nog steeds de mogelijkheid geboden om een reactie te geven over de kadernota, maar deze reactie wordt sindsdien betrokken bij het opstellen van de ontwerp-begroting. Bij de ontwerp-begroting wordt een memo gevoegd waaruit blijkt hoe de reacties zijn meegewogen bij het ontwerpen van de ontwerp-begroting. Deze werkwijze is onlangs geëvalueerd door het algemeen bestuur en werd gezien als een verbetering. Er zit namelijk maar weinig tijd tusssen het vaststellen van de kadernota en het opstellen van de ontwerpbegroting, waardoor het niet zinvol is om de kadernota (na ontvangst van de reacties) eerst gewijzigd vast te stellen. In formele zin is deze
pagina 4 van 12
nieuwe werkwijze echter geen zienswijzeprocedure, zoals bedoeld in de Wgr. Het is daarom niet wenselijk om in onze GR de verplichting op te nemen dat voor de kadernota een zienswijzeprocedure moet worden gevolgd. Het is belangrijk om te realiseren dat de ODBN hier afwijkt van enkele andere GR-en in de regio, waar het nog wel de praktijk is om een zienswijzeprocedure te doorlopen over de kadernota. In de prakijk kan ook bij de ODBN echter gewoon op de kadernota gereageerd worden door de raden en wordt daar in de reactie-memo actief over teruggekoppeld, zodat de raden/staten in de praktijk nauwelijks verschil zullen merken. Bij de andere omgevingsdiensten in Brabant wordt geen zienswijze-procedure gevolgd en wordt ook niet om een reactie gevraagd. Bij andere GR-en in de regio zien we verder de ontwikkeling dat soms ook meerjarenbeleidsprogramma’s via een zienswijzeprocedure aan de raden worden voorgelegd. De gedachte daarachter is dat het gaat om een belangrijk instrument dat de koers van de organisatie voor meerdere jaren beschrijft, waarbij het voor een breed draagvlak wenselijk is om ook de inbreng van de raden mee te wegen. Ook de griffiers hebben dit geadviseerd (bijlage 2). De ODBN kent als VTH-uitvoeringsorganisatie echter geen meerjarenbeleidsprogramma. Dit is ook zo voor de andere omgevingsdiensten in Brabant.
Daarom is het niet zinvol om dit artikel op te nemen in de GR van de ODBN. Conclusie: Het niet wenselijk om in de GR voor te schrijven dat een zienswijzeprocedure wordt gevolgd over de kadernota en het meerjarenbeleidsprogramma.
C. Invulling geven aan de actieve informatieplicht Er komt een algemene informatieverplichting voor het bestuur van de GR. Dit is geregeld in artikel 17 van de Wgr. Daarin is bepaald dat het bestuur de raden van alle deelnemende gemeenten ongevraagd alle inlichtingen moet verstrekken die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun taken (artikel 17 Wgr). Deze informatieplicht is niet beperkt tot te nemen of genomen besluiten. In de GR moet worden vastgelegd op welke wijze de inlichtingen worden verstrekt. De huidige informatiestromen kunnen als volgt schematisch worden weergegeven:
pagina 5 van 12
1. 2.
3.
Het collegelid dat lid is van het algemeen bestuur heeft een actieve en passieve informatieplicht naar de gemeenteraad/ staten. Leden van de raad/staten kunnen het algemeen bestuur van de GR om inlichtingen vragen (art 17 Wgr) waarop het bestuur verplicht is te antwoorden (passieve informatieplicht). Ten slotte wordt aan artikel 17 dus een nieuw lid toegevoegd dat regelt dat het bestuur van de GR de raden/staten alle inlichtingen geeft die zij nodig hebben. Een actieve informatieplicht dus.
Het is lastig om vooraf te bepalen om welke informatie het dan zou gaan, want het gaat om het brede begrip ‘voor de uitoefening van hun taken’. Ook moet duidelijk blijven dat het hier niet gaat over een verantwoordingsplicht. De formele besluitvormings- en verantwoordingslijnen blijven ongewijzigd. De verantwoordelijkheid voor het informeren van de raad blijft ook liggen bij het AB-lid. Het is vanzelfsprekend dat het eigen AB-lid het eerste aanspreekpunt blijft voor de raad/PS is ten aanzien van het reilen en zeilen in het bestuur van de GR. De actieve informatieplicht van het bestuur richting raad/PS is nu aanvullend dus ook geregeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen. De uitwerking daarvan dient opgenomen te worden in de eigen GR. ‘De regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop de inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, worden verstrekt.’ Het gaat hier niet om informatie die toch al werd gedeeld met de raden (zoals kadernota, begroting en jaarrekening), maar het zal gaan om aanvullende informatie over inhoudelijke onderwerpen. De griffiers zien meerwaarde in dit artikel en adviseren om met de GR-en afspraken te maken over op welke wijze invulling gegeven gaat worden aan de actieve informatieplicht, zodat het een stimulans kan zijn voor de informatievoorziening en beeldvorming van de raden.
In de regionale bijeenkomst werd gewezen op de mogelijkheid om periodiek, bijvoorbeeld na elke AB-vergadering, een AB-informatiebrief aan de raden te sturen. Tegelijk werd echter ook gewaarschuwd voor een overload aan informatie. Voor omgevingsdiensten zou ook
pagina 6 van 12
gedacht kunnen worden aan het actief delen van het jaarlijkse werkprogramma met de raden. Omdat de praktijk zal moeten leren op welke wijze het beste invulling kan worden gegeven aan deze verplichting, is het advies om het GR-artikel algemeen te houden. Zo kan in de GR een artikel worden toegevoegd waarin wordt beschreven dat het bestuur via een raadsinformatiebrief, dan wel op een andere wijze die in een concrete situatie passend wordt geacht, invulling geeft aan de actieve informatieplicht aan de raden/staten. Conclusie: In de GR dient een artikel te worden opgenomen waarin wordt beschreven dat het bestuur schriftelijk, dan wel op een andere passende wijze, de raden/staten alle inlichtingen verstrekt die zij nodig hebben voor de uitvoering van hun taken.
D. Invulling geven aan de participatie van burgers en belanghebbenden De wijziging van de Wgr introduceert de mogelijkheid om burgers (ingezetenen van de deelnemers en andere belanghebbenden) te betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het beleid van de GR (artikel 10 Wgr). In de GR moet worden opgenomen of burgers betrokken worden en zo ja, op welke wijze en bij welke beslissingen. Dat laatste zal afhangen van de mate waarin het door de gemeenschappelijke regeling gevoerde beleid de belangen van ingezetenen en andere belanghebbenden raakt. Bij gemeenschappelijke regelingen kunnen taken en bevoegdheden met grote maatschappelijke relevantie zijn belegd. Op gemeentelijk niveau kan via inspraak bij de gemeenteraad door inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties aandacht voor een bepaald onderwerp worden gevraagd. Die mogelijkheid bestaat niet wanneer een bevoegdheid of taak bij een gemeenschappelijke regeling is belegd, tenzij de regeling een procedure voor inspraak bevat. Deze wijziging ziet erop dat in elke regeling wordt beschreven hoe om te gaan met participatie. Er kan nog steeds de keus gemaakt worden dat er geen mogelijkheid tot participatie via de GR geboden wordt, maar ook dit moet dan wel in de GR worden benoemd. Er kan ook voor worden gekozen om deze inspraak te laten lopen via gemeenteraden/PS.
In de regionale bijeenkomst is door de deskundige aangegeven dat, daar waar sprake is van een GR die beleidsrijk is (dat wil zeggen dat het algemeen bestuur vaak verordeningen en/of eigen beleid vaststelt), het interessant kan zijn om een een artikel over participatie op te nemen. Gaat het om een taak die vooral uitvoering betreft van door de gemeente/provincie reeds vastgesteld beleid (beleidsarm), dan is het niet voor de hand liggend om in de GR precies te regelen hoe met participatie wordt omgegaan. De inspraak over het beleid zal dan immers vaak nog steeds via de raad/PS verlopen, waar het beleid wordt vastgesteld. Onder de Omgevingswet zal participatie, bij het voorbereiden van beleid, alleen maar extra belangrijk worden. De ODBN is een VTH-uitvoeringsorganisatie, waardoor het niet voor de hand ligt om een uitgewerkt artikel over participatie toe te voegen in onze GR. Conclusie: We adviseren om in de GR een artikel toe te voegen waarin duidelijk wordt gemaakt dat de ODBN als uitvoeringsorganisatie beleidsarm is, en dat om die reden burgers niet actief worden betrokken bij het de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het beleid.
pagina 7 van 12
E. Veranderende termijnen in de P&C-cyclus Door de wetswijziging veranderen de termijnen van de P&C-cyclus. De gemeenteraad wordt meer tijd geboden voor het indienen van een zienswijze over de begroting, namelijk van 8 naar 12 weken. Dit betekent concreet dat er 12 weken moeten zitten tussen het beschikbaar stellen van de begroting door het DB aan de gemeenteraad/PS en het aanbieden van de begroting aan het AB. Deze termijn is verruimd zodat de raad minder onder tijdsdruk een zienswijze kan formuleren. In lijn daarmee is de termijn voor het indienen van de begroting bij het ministerie verschoven naar 15 september. De verwachting is dat deze nieuwe termijnen wel tot praktische problemen gaan leiden. Na het indienen van de zienswijze dient het DB de gelegenheid te hebben om een reactie te geven op de zienswijze en eventueel de begroting aan te passen. Deze reactie moet ambtelijk worden voorbereid. Aangezien er tijdens het zomerreces geen bestuurlijke vergaderingen worden gepland kan de verruiming van de termijn niet ten volle benut worden. Daarbij vindt de ODBN het eigenlijk wenselijk om de begroting al voor de zomervakantie vast te blijven stellen. De ODBN heeft er daarom dit jaar voor gekozen om de voorbereidingen voor het opstellen van de ontwerpbegroting iets naar voren te halen, zodat het hele proces toch nog nog net voor de zomervakantie kan worden afgerond.
Mocht dit (door een anders vallende zomervakantie of om bestuurlijke redenen) eens niet haalbaar zijn, dan kan er in een jaar ook voor worden gekozen om de vergadering van het AB waarin de begroting wordt vastgesteld naar september te verplaatsen. Het blijft wenselijk om, net als nu het geval is, via het coordinatieteam adoptie GR een collectieve afspraak te maken over de jaarplanning en daarin rekening te houden met de nieuwe termijnen uit de Wgr, zoals dit jaar al is gebeurd. Conclusie: er moet getoetst worden of de P&C-termijnen, zoals die nu in de GR zijn opgenomen, gewijzigd dienen te worden nu de Wgr is aangepast. De tekst moet de ruimte bieden om de begroting zowel voor als na de zomervakantie vast te stellen. Omdat de termijnen al zijn vastgelegd in de wet, zou ook overwogen kunnen worden om deze helemaal niet meer op te nemen in de GR. De juristen zullen op dit punt met een voorstel komen.
F. Evaluatie van de regeling Iedere GR moet een bepaling bevatten over de evaluatie van de regeling. De bepaling kan inhouden dat niet wordt geëvalueerd. Wordt wel geëvalueerd, dan zullen de bepalingen gaan over wat wordt geëvalueerd, hoe vaak en op welke wijze (nieuw artikel 11a Wgr). Het is goed om een eenmaal ingestelde gemeenschappelijke regeling om de zoveel tijd te evalueren. De wetswijziging ziet op een evaluatie van de juridische regeling, maar doelt ook op een evaluatie van het functioneren en de instelling van de GR als orgaan. Wetgeving en omgeving kunnen immers veranderen. In de GR ODBN is al een artikel opgenomen over evaluatie. Dit artikel beschrijft dat elke twee jaar het functioneren van de ODBN en de dienstverlening aan de deelnemers geëvalueerd wordt: “het algemeen bestuur rapporteert aan de colleges en gedeputeerde staten het resultaat van de uitgevoerde evaluaties onder vermelding van de daaruit getrokken conclusies. De wijze waarop de evaluatie en rapportage plaats zullen vinden, wordt nader vastgelegd door het algemeen bestuur”.
pagina 8 van 12
In de praktijk wordt de dienstverlening tussen opdrachtgever en opdrachtnemer jaarlijks geëvalueerd. Dit leidt tot een jaarlijkse wijziging van het (gemeentelijk) werkprogramma en de provinciale opdracht. Een door het algemeen bestuur opgezette evaluatie van het functioneren van (en dienstverlening door) de ODBN heeft in de praktijk niet plaatsgevonden. Dit neemt niet weg dat er periodiek wel degelijk kritisch is gekeken naar het functioneren van de ODBN. Bijvoorbeeld in de BMC-review de leidde tot het Meerjarenontwikelplan (2018) en onlangs nog door de externe visitatiecommissie. Het instrument van de tweejaarlijkse evaluatie wordt in de praktijk echter niet gebruikt. Conclusie: We adviseren om dit momentum aan te grijpen om de GR op een praktische wijze aan te passen, en in de GR op te nemen dat, indien het algemeen bestuur dit wenst, een evaluatie zal plaatsvinden naar het functioneren van de ODBN en de dienstverlening aan de deelnemers.
G. Opstellen uittredingsvoorwaarden Elke GR moet straks regels bevatten over wijziging, opheffing, toetreding en uittreding (artikel 9 Wgr). Niet alleen de gevolgen van uittreding moeten worden vastgelegd, ook de voorwaarden waaronder een deelnemer kan uittreden moeten in de GR zelf worden opgenomen. Ons huidige artikel 39 lid 2 GR ODBN, waarin slechts staat dat het algemeen bestuur de voorwaarden van de uittreding vaststelt, volstaat dus niet meer. De bepalingen over uittreding omvatten in ieder geval bepalingen over de gevolgen voor het vermogen van de GR voor de deelnemende gemeenten. Deze aanvulling in de wet zal uitgewerkt moeten worden in een vrij technische wijziging. In de jurisprudentie zijn overigens wel richtlijnen ontwikkeld over wat te zien is als redelijke uittredingsvoorwaarden. Daarbij is het van belang dat een deelnemer niet plotsklaps mag uittreden, maar altijd sprake moet zijn van een stapsgewijze afname van de financiele bijdrage / afgenomen diensten. De uittredingsvoorwaarden mogen echter ook niet zo langdurig zijn, dat die uittreden in de praktijk onmogelijk maken. Uittreden bij een omgevingsdienst is overigens alleen mogelijk, als een deelnemer de keuze maakt om aan te sluiten bij een andere omgevingsdienst. Conclusie: Er moet een artikel in de GR worden opgenomen waarin wordt beschreven onder welke voorwaarden een deelnemer kan uitreden.
Afsluiting Met bovenstaand kader geven wij een leidraad voor de wijze waarop de Wgr-wijziging bij de ODBN geimplementeerd kan worden op een wijze die passend is voor onze organisatie. Dit kader wordt opinierend voorgelegd aan het algemeen bestuur op 3 april 2022. Eventuele aandachtspunten van het algemeen bestuur kunnen op deze manier al worden meegenomen, voordat een definitief voorstel aan het algemeen bestuur wordt voorgelegd. De tijdslijn die gevolgd moet worden is strak, dus het is belangrijk om vroegtijdig op de hoogte te zijn van eventuele specifieke wensen van het algemeen bestuur.
pagina 9 van 12
CONCEPT-TIJDLIJN PROCES AANPASSING GR ODBN IKV Wgr versie 13 februari 2022
ACTIVITEIT 1. Voorbereidende werkzaamheden: a. In de bijeenkomst wordt door een Wgr-deskundige (M. Hageman) uitleg gegeven over de wijzigingen in de Wgr en het te doorlopen pad. Doelgroep: griffiers, juristen, Wgrcontactpersonen. b.
c.
Verdere procesafspraken (tijdlijn) worden gemaakt in het coördinatieteam adoptie GR. De juristen van de drie Brabantse OD-en komen maandelijks bij elkaar met de regelgevingjuristen van PNB om de Wgr-wijziging gezamenlijk voor te bereiden. Doel: waar mogelijk zorgen voor een vergelijkbaar tijdspad en identieke teksten.
TIJDSPAD
Stand van zaken
2 februari 2022
-
Nog geen datum vastgesteld maandelijks
afgerond
In het overleg is door PNB voor gepleit om de 3 GR-en ook meteen technisch te harmoniseren van 3 GR-en. Dat wil zeggen dat deze GRwijziging wordt gebruikt om ervoor te zorgen dat de drie teksten op dezelfde manier zijn opgebouwd qua regelgevingtechniek. De inhoudelijke keuzes die per GR nu anders zijn gemaakt, blijven bestaan en worden niet ter discussie gesteld.
d.
Stukken kader (zie hieronder) opstellen en bespreken in SMOen 3D overleg
Feb 2022
2. Kader (tijdspad + grove keuzes) Kader wordt voorgelegd aan het DB en AB van de GR.
5 april 2023 (AB)
pagina 10 van 12
In het kader wordt het tijdspad voorgelegd aan het AB. En er wordt al richtinggevend ingegaan op enkele belangrijke te maken keuzes, waarbij wordt toegelicht welke keuze past bij de ODBN. Bijv. Bepalingen omtrent de voorwaarde waaronder kan worden uitgetreden; Bepalingen over de besluiten van het bestuur waarover de raden en PS een zienswijze kunnen indienen; Bepalingen omtrent de wijze waarop belanghebbende worden betrokken; Bepalingen omtrent evaluatie; Bepalingen omtrent de wijze waarop de actieve informatieplicht wordt ingevuld; Het regelen van de bevoegdheden, de taken en de werkwijze en eventuele vergoeding van een gemeenschappelijke adviescommissie.
3. Opmerkingen AB n.a.v. kader verwerken en schrijven van ontwerpteksten op basis van deze input. a. Ontwerpregeling wordt geschreven door PNB-regelgeving juristen. b. Evt achterstallig onderhoud in GR wordt meteen meegenomen (n.a.v. input vanuit de 3 OD-en). c. Qua structuur technisch harmoniseren 3 GR-en.
April – juni ‘23
4. Vaststellen ontwerpregeling door het AB van de GR
AB 5 juli of uiterlijk tijdens heidag AB 27 september ‘23 afgerond 1 oktober
5. Ontwerpregeling voorleggen aan de deelnemers voor zienswijzeprocedure:
Oktober – december ’23 a. Aanbieden aan de colleges
pagina 11 van 12
a. Het DB legt de ontwerpregeling
voor aan de colleges van B&W en GS. b. Colleges nemen een voorgenomen besluit tot wijziging c. De colleges leggen de regeling voor aan de raad voor zienswijze (let op: gemengde regeling niet) d. zienswijzetermijn is 8 weken e. de colleges nemen ten aanzien van de zienswijzen een standpunt in en maken deze kenbaar bij het bestuur van de GR;
6.
Definitieve regeling voorleggen aan de deelnemers ter vaststelling: a. het DB overweegt welke zienswijzen leiden tot wijziging van de ontwerpregeling; b. de definitieve ontwerpregeling wordt vastgesteld door het AB; c. de ontwerpregeling wordt door het DB aangeboden aan de colleges ter vaststelling; d. colleges vragen toestemming aan de raad voor wijziging van de GR; e. na besluitvorming van colleges gaat de wijziging van de GR in (let op de bepalingen in je eigen GR, bijv. 2/3 meerderheid of alle deelnemers) f. door publicatie van de gewijzigde regeling treedt deze in werking
uiterlijk 1 oktober ‘23
e. raden bespreken het voorstel in de raad van december ’23.
Januari ‘24 – juni ‘24 a.
januari ‘24
b.
februari ‘24
c.
uiterlijk 1 maart ‘24
d. behandelen in raad van mei ‘24 e.
f.
Publicatie in juni zodat de regeling 1 juli ingaat.
pagina 12 van 12