Be758072-d253-4cfe-938a-0b7360a4ac92
Tekst van het document
Vanwege de overschrijding van de streefwaarde zijn maatregelen onderzocht: Voor het verlagen van het geluidsniveau van de verkeersaantrekkende werking zijn geen effectieve maatregelen mogelijk. Voor het maximale geluidsniveau zijn de berekende waarden als aanvaardbaar te beschouwen vanwege het aantal keer dat de niveaus optreden en de meest recente inzichten over slaapverstoring In het kader van het Activiteitenbesluit zijn in een later stadium maatwerkvoorschriften nodig, vanwege de berekende geluidsniveaus die in parkeergarage P1 ontstaan. Cumulatieve geluidsbelasting Het hoogst berekende gecumuleerde geluidsniveau van het wegverkeer is 63 dB. Vanwege het parkeerdek en het wegverkeer ontstaat geen relevante cumulatie.
Rho adviseurs voor leefruimte
32 Geluidbeleid 's-Hertogenbosch Omdat de berekende geluidsbelasting van het wegverkeer hoger is dan de voorkeurswaarde en geluidsmaatregelen op bezwaren stuiten, zijn hogere waarden nodig. De gemeente 's-Hertogenbosch stelt in haar geluidbeleid voorwaarden voor het vaststellen van een hogere waarde. In het beleid is opgenomen dat nieuwe woningen bij een geluidsbelasting boven een bepaalde waarde, moeten zijn voorzien van een geluidluwe zijde en buitenruimte die voldoet aan de ambitiewaarde. Uit het onderzoek blijkt dat een deel van de woningen niet zijn voorzien van een geluidluwe zijde en een buitenruimte die voldoet aan de ambitiewaarde. Daarom is voor een aantal woningen gebouwmaatregelen nodig. In een nader onderzoek is onderbouwd welke maatregelen worden genomen om voor de woningen een geluidluwe gevel en buitenruimte die voldoet aan de ambitiewaarde te creëren (M.2019.1500.05a.R001). Daarnaast toont de ontwikkelaar in de vergunningsaanvraag voor het bouwen aan dat het plan voldoet aan de geluidseisen op grond van het Bouwbesluit 2012. Hiervoor is zowel nader onderzoek naar de gevelmaatregelen als de installaties van de parkeergarages nodig. Voor het plan zullen, in mandaat, hogere grenswaarden worden vastgesteld. Deze procedure tot het vaststellen van de hogere grenswaarden zal separaat aan de planologische procedure worden doorlopen.
5.3.2 Railverkeerslawaai Langs alle spoorwegen bevinden zich conform de Wgh geluidszones. De breedte van de zone is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond. De beoogde ontwikkeling ligt niet in de zone. 5.3.3 Industrielawaai Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder 'Zones rond industrieterreinen' en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder. Het projectgebied is niet gelegen binnen de geluidzone van geluidgezoneerde industrieterreinen. In het projectgebied is vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. De inrichtingen die binnen het projectgebied mogelijk worden gemaakt vormen geen belemmering voor de geluidgevoelige functies zoals wonen. Binnen het projectgebied worden commerciële voorzieningen mogelijk gemaakt. Deze voorzien allen aan de richtafstanden vanuit het VNG, zie paragraaf 5.2.
5.4
Trillingen
Bij trillingen in het ruimtelijk spoor gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillingshinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'.
Rho adviseurs voor leefruimte
33 Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem). Het projectgebied ligt nabij de Randweg. Aangezien op de locatie op dit moment geen bebouwing aanwezig is, zijn er geen klachten ten aanzien van trillingen bekend. De ontwikkeling bestaat volledig uit nieuwbouw. Bij de bouw van de ontwikkeling wordt rekening gehouden met het voorkomen van trillingen door het nemen van de nodige maatregelen. Het is dan ook niet aannemelijk dat er door de Randweg en de bouw trillingsoverlast ontstaat. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van trillingen is niet noodzakelijk.
5.5
Verlichting
Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. In onderhavige omgeving is geen kunstmatige verlichting (anders dan verlichting van openbaar gebied) aanwezig. Hierdoor is hinder in beginsel niet aannemelijk. Hinder als gevolg van de openbare straatverlichting is niet aannemelijk. Bij onderhavig project is lichthinder niet relevant te noemen.
5.6
Wind
5.7
Externe veiligheid
Voor deze ontwikkeling is een onderzoek naar het windklimaat uitgevoerd (DGMR, Onderzoek windklimaat, Willemspoort-Zuid, 's Hertogenbosch, 17 januari 2020, zie bijlage 3). Het doel van het onderzoek is het vaststellen van het windklimaat op maaiveldniveau in en rond het projectgebied. Uit het onderzoek blijkt dat er geen sprake van windgevaar binnen het projectgebied is.
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Rho adviseurs voor leefruimte
34 Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (106/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit) Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art.
3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit) Risicobronnen In 2020 is het aspect externe veiligheid onderzocht (DGMR, Onderzoek externe veiligheid Willemspoort Zuid, 16 januari 2020, zie bijlage 7). Uit het onderzoek blijkt dat de onderstaande risicobronnen aanwezig zijn in de nabijheid van de ontwikkeling: een LPG-tankstation en transport van geklasseerde stoffen over het spoor. Op ruim 150 meter van het projectgebied is een tankstation aanwezig. Tot 2018 werd hier ook LPG opgeslagen en verkocht, maar de vergunning voor deze activiteiten is ingetrokken. Wel wordt nog CNG, benzine en diesel verkocht. Omdat het tankstation niet meer onder het Bevi valt, hoeven externe risico's van dit tankstation niet te worden beschouwd. De bevoorrading van het tankstation kan langs het projectgebied gaan, maar vormt vanwege de beperkte effecten van deze brandstoffen een verwaarloosbaar risico.
Rho adviseurs voor leefruimte
35 Op 600 meter van het projectgebied ligt de spoorlijn 's-Hertogenbosch - Vught en op ruim 2 kilometer liggen de snelwegen A2. A59 en A65. Toxische stoffen die over deze transportassen worden vervoerd kunnen een extern risico voor het projectgebied vormen, hoewel de kans vanwege de afstanden zeer klein is. In paragraaf 3.2 van het onderzoek heeft DGMR een aanzet gegeven voor de verantwoording van dit groepsrisico. De gemeente moet de Veiligheidsregio Brabant Noord in de gelegenheid stellen advies uit te brengen over deze verantwoording ten aanzien van bestrijdbaarheid van een ramp en zelfredzaamheid. Uit de verantwoording van het groepsrisico blijkt dat het risico aanvaardbaar is.
5.8
Lucht
Het doel van de Wet milieubeheer (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM 10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren. Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 ìg/m3.
Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. In 2020 is de locatie onderzocht (DGMR, analyse luchtkwaliteit Willemspoort Zuid, 13 januari 2020, zie bijlage 7). Binnen het plan Willemspoort Zuid wordt de bouw van ongeveer 500 woningen mogelijk gemaakt. Met dit aantal wordt ruimschoots voldaan aan de grens (1.500 woningen) uit de regeling. Het plan Willemspoort Zuid heeft daardoor geen betekenende bijdrage op de luchtkwaliteit voor de omgeving. Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan. Uit het onderzoek blijkt verder dat de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10) voldoen aan de advieswaarden van de WHO. Op basis van de achtergrondconcentraties binnen het plan is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor het aspect luchtkwaliteit.
Rho adviseurs voor leefruimte
36
5.9
Bodem
Algemeen Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. Bodemsituatie In 2020 is de locatie onderzocht (Heijmans Infra, 9 januari 2020, verharding-, fundering- en bodemonderzoek, zie bijlage 8). De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik.
5.10
Geur
Industriële geur Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij 'het voorkómen van nieuwe geurhinder' (nieuwe geurgehinderden) voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Uit paragraaf 5.2 blijkt dat in de omgeving van het projectgebied geen industriële bedrijven zijn gelegen. Van geurhinder binnen het projectgebied is dan ook geen sprake. Agrarische geur Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Gezien de typering van het projectgebied, namelijk stedelijk gebied is geur hier geen relevant aspect.
Rho adviseurs voor leefruimte
37
5.11
Hoogspanningslijnen
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.
De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005, en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. In de buurt van het projectgebied zijn geen hoogspanningslijnen gelegen. Voor onderhavig project houdt het in dat de gevoelige objecten buiten de magneetveldzones van hoogspanningslijnen zijn gelegen.
5.12
Water
Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de 'Startovereenkomst Waterbeheer' door verschillende overheden, is de watertoets van toepassing op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch vastgelegd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De watertoets moet ingevuld worden als een procedure. Het omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Kansen worden benut en functies zoveel mogelijk gecombineerd. De beleidsdoelen voor integraal waterbeheer zijn door de gemeente vastgesteld in het Waterplan (2017). Hierin staat dat we in 's-Hertogenbosch een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem willen creëren ook is hierin het hemelwaterbeleid vastgelegd. Dit is gebiedsspecifiek gedaan, kijkend naar de watersystemen en de uitgangspunten per wijk. Het hemelwaterbeleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Hemelwater en Grondwater 2017. De doelen van het waterschap Aa en Maas zijn vastgelegd in de Keur (2015).
De afspraken uit de watertoets worden in een waterparagraaf vastgelegd. In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden.
Rho adviseurs voor leefruimte
38 Uitgangspunten voor integraal waterbeheer De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. infiltratie/bergen 3. afvoer; Hydrologisch neutraal ontwikkelen, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties. Dit betekent dat: De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. Daarnaast zien we water als kans voor meervoudig ruimtegebruik en vergroting van de beleving van water. Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem.
Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit plan. In 2020 is een waterhuishoudkundig plan opgesteld (IvInfra b.v., Waterhuishoudkundig plan Willemspoort Zuid te 's-Hertogenbosch, 12 november 2020, zie bijlage 9). Afvalwater en hemelwater Het vuile water wordt via een ringleiding in het binnenterrein naar de reeds aanwezige DWA ringleiding rondom het projectgebied geleid. Voor de woningen grenzend aan de Henri Dunantstraat kan gekozen worden om de woningen via een parallelleiding direct aan te sluiten op de bestaande leiding in de Henri Dunantstraat. Deze keuze zal worden gemaakt bij de definitieve inrichting van Willemspoort Zuid. Onderhavig plan geeft minder verharding dan de huidige situatie. Dit betekent dat watercompensatie in beginsel niet nodig is. Echter, op grond van de Keur dienen wel maatregelen te worden genomen om hemelwater te kunnen bergen. Hiervoor zijn diverse maatregelen mogelijk, die nog nader dienen te worden beoordeeld. Zo is het gebruik van de groenstrook/wadi naast de Henri Dunantstraat een belangrijke component binnen de waterberging. Vooralsnog wordt geadviseerd om in het middengebied een strook kratten (breedte ca. 2,5m) aan te leggen over de volle lengte. De weg rondom het groene binnengebied kan eenvoudig afwateren op de 'krattenrij'.
De HWA aansluitingen vanuit de woningen zouden via de wegverharding op deze 'krattenrij' kunnen worden aangesloten. Indien krattenveld vol zit zal dit overstorten op een HWA leiding richting de wadi. De wadi kan vervolgens overstorten naar het HWA-IT stelsel. Hierbij kan nog worden overwogen om de aanleg van een HWA stelsel rondom het groene middengedeelte achterwege te laten (de rij kratten neemt de functie over). De keuzes hierin zullen pas daadwerkelijk aan de orde zijn bij het realiseren van het plan. Grondwater en bodem Het projectgebied heeft een maaiveldhoogte van ca. 4m +NAP. Voor de grondwaterstand in Willemspoort Noord is 1,80 m +NAP aangehouden. Bij IV-Infra is niet bekend of dit een gemiddelde of hoogste grondwaterstand betreft. Daarmee wordt een drooglegging bereikt van 2,2m. Dit is ruim voldoende voor de aanleg van woningen en/of wegen. Bovendien wordt het binnenterrein opgehoogd naar ca. 7,5m +NAP.
Rho adviseurs voor leefruimte
39 Aan de zuidkant van Willemspoort Zuid ligt het natuur- en wateroverloopgebied de Gement. In dit gebied kan in extreme situaties maximaal 0,70m water staan, op een maaiveldniveau van ca. 2,4 m +NAP. Dit waterpeil zal van tijdelijke aard zijn en ligt onder de keldervloer van de nieuwe inrichting. De bodemkundige situatie betreft met name fijn tot matig fijn zand met enkele verstorende veenlagen op verschillende diepten: ca. 1,50 – mv. Gezien de diepteligging van deze veenlagen zullen deze nauwelijks/geen invloed hebben op het infiltreren van hemelwater vanuit de wadi en vanuit de poreuze hemelwater riolering parallel aan de Henri Dunantstraat.
5.13
Duurzaamheid
We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vast gelegd in de 'visie duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019). Met de vast gestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's: 1. Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging) 2. CO2 neutrale omgeving (energie) 3. Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) 4. Duurzame mobiliteit Conform de visie houden we rekening met veranderingen in het klimaat met meer extreme buien en hete zomers. We zorgen voor een veilig watersysteem en werken aan vergroening van onze omgeving. Op het gebied van energie (om een CO2 neutrale gemeente te worden) werken we enerzijds aan het verminderen van de energievraag en anderzijds het opwekken van duurzame energie op diverse manieren. Ook maken we stappen om de gemeente op termijn aardgasloos te laten zijn.
Ten aanzien van grondstoffen zijn we ons er van bewust dat deze dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking en toenemende welvaart in de wereld. Beschikbare grondstoffen dienen derhalve zo efficiënt mogelijk te worden gebruikt (en hergebruikt) en we gaan er bewust mee om. Ten aanzien van het vervoer werken we aan schonere, slimmere en duurzame mobiliteit. Op deze wijze bouwen we samen aan een duurzaam 's-Hertogenbosch. Woningen Vanaf 1 juli 2018 mogen nieuwe woningen en andere nieuwe kleinverbruikers niet meer op aardgas worden aangesloten. Vanaf 2021 moet nieuwbouw voldoen aan zogenaamde 'BENG-eisen' voldoen. BENG staat voor “Bijna Energie Neutraal Gebouw”. Het bestuursakkoord 2018-2022 zet bij ontwikkelingen in om vooruit te lopen op de landelijke norm (zoals deze zich nu laat aanzien). Dit houdt in dat ontwikkelingen (nieuwbouw) op dit moment dienen aan te sluiten bij de toekomstige BENG-norm. De ambitie is en blijft een energieneutrale bebouwde omgeving in 2035.
Rho adviseurs voor leefruimte
40 Willemspoort Zuid wordt ontwikkeld vanuit de gedachte dat een gebiedsontwikkeling niet moet onttrekken, maar moet toevoegen. Willemspoort Zuid moet geen energie, ruimtelijke kwaliteit en materialen onttrekken, maar deze juist toevoegen aan zijn omgeving. Deze ambitie concretiseren we in de volgende thema's: Klimaatbestendigheid Circulariteit Energie Multimodaliteit Biodiversiteit Vitale cohesie Klimaatbestendigheid Willemspoort Zuid moet bestendig zijn tegen klimaatverandering zoals temperatuur, en neerslagstijging. De verwachting is dat deze veranderingen zullen leiden tot langere natte en droge periodes, extremere neerslag en frequentere hittegolven. Om hierop in te spelen zullen we Willemspoort Zuid klimaatbestendig en waterveilig in richten. Duurzaam waterbeheer draait om ‘vasthouden-bergenafvoeren/infiltreren’. Het vasthouden en bergen van water door zo min mogelijk verharding en waar mogelijk groene daken toe te passen. Het water dat niet direct vastgehouden of geborgen kan worden wordt via robuuste infrastructuur afgevoerd. Willemspoort Zuid kent een hoge bebouwingsintensiteit. Dat vergroot de opgave om hittestress aan te pakken. Het grote hof speelt daar een prominente rol bij. Omdat hier sprake is van volle grond is het mogelijk volwaardige bomen te plaatsen die een goede bijdrage leveren aan hittestress.
Het ontwerp voor het binnenterrein in samenhang met de vormgeving van de gevels is doorgerekend op hittestress. Tevens wordt de openbare parkeergarage grotendeels uitgevoerd met groen dak. Circulariteit In 2050 dient de Nederlandse economie volledig te draaien op herbruikbare grondstoffen. Met Willemspoort Zuid hebben we de kans om bij het inrichten en ontwerpen van de gebouwde omgeving een stempel te drukken op de toekomst. De ambitie is waarde toe te voegen aan het gebied in plaats van deze te onttrekken, dat geldt niet alleen voor materialen, maar ook voor ruimte, ruimtelijke kwaliteit en energie. Op een aantal smaakmakende manieren willen we deze circulariteit gestalte geven. Bij de keuze voor materialen en beplanting wordt uitgegaan van materialen die voldoen aan Label A van de NL Greenlabel-systematiek. Energie Willemspoort Zuid gaat voldoen aan de BENG-eisen die vanaf 2020 gelden voor de gebouwde omgeving. Voor de verwarming en koeling van het programma in Willemspoort Zuid wordt een collectieve WKOinstallaties gerealiseerd. Multimodaliteit Willemspoort Zuid moet voor alle modaliteit goed ontsloten zijn. Centraal daarbij staat het stimuleren van lopen en fietsen. Met name de bereikbaarheid voor de fiets in Willemspoort Zuid moet van uitmuntende kwaliteit zijn. De basis daarvoor vormen uiteraard de fietsroutes vanuit Willemspoort Zuid richting de stad en de Gement.
Aanvullend daarop zal maximale aandacht gegeven worden aan de fietsroutes en fietsenstallingen in het plan zelf. De drempel om gebruik te maken van de fiets moet minimaal zijn. Zo worden de inpandige fietsenstallingsgarages dichtbij de entrees van de gebouwen gepositioneerd en komen in de Gementhof een groot aantal fietsenstallingsplekken. Met name de doelgroep bewoners van de tiny apart-ments lenen zich voor carsharing; het delen van (elektrische) auto’s. Een fenomeen dat een steeds prominentere rol krijgt. In Willemspoort Zuid wordt uitgegaan van de realisatie van in ieder geval 15 deelauto’s.
Rho adviseurs voor leefruimte
41 Biodiversiteit In de huidige staat, met de parkeerplaats voor het Jeroen Bosch Ziekenhuis, biedt Willemspoort Zuid weinig op het vlak van natuur of ecologie. Onze ambitie is met de ontwikkeling van Willemspoort Zuid voor een verbetering van de biodiversiteit in het gebied te zorgen. Denk daarbij aan tactisch geplaatste boomgroepen en gevelbegroeiing, bijvoorbeeld in de wand van de openbare parkeergarage, voorzieningen voor vleermuizen, vogels en voor insecten. Het ligt voor de hand daarbij aan te sluiten bij de flora en fauna die voorkomen in de Gement. Het grote hof dat voorzien is in het plan heeft volle grond. Dat maakt het ook goed mogelijk een interessant ecologisch gebied te maken. Vitale Cohesie Willemspoort Zuid moet een vitaal gebied worden: een gebied dat veerkrachtig is en waar bewoners zich gezond en gelukkig voelen. Het gebied Willemspoort Zuid Een vitaal Willemspoort Zuid faciliteert ontmoeting; dit is goed voor zowel de fysieke als sociale gezondheid. Het zorgt ervoor dat mensen naar elkaar omkijken, ook als ze normaal niet snel met contact zouden hebben. Het grote hof en met name het paviljoen in het hof moeten hier voor zorgen. Vitaal Willemspoort Zuid is beweegvriendelijk. Dit kan om een specifieke plek gaan, zoals een trapveldje in het grote hof, maar ook om een looproute rondom het gebied. Een vitale wijk is verkeersveilig.
Het scheiden van de autostromen en de fiets- en loopstromen is een belangrijk thema dat aandacht heeft gekregen in het plan. Een vitaal Willemspoort is groen ingericht. Groen is gezond: het ontspant, zorgt voor voldoende zuurstof en reguleert de temperatuur. Een vitaal Willemspoort heeft een gemengd en flexibel programma. De diversiteit aan functies (de diverse woonvormen, werken, zorg) maakt het gebied bruisend. De bebouwing in Willemspoort Zuid moet levensloopbestendig zijn. Nu ouderen langer zelfstandig (moeten) blijven wonen ligt er een grote opgave voor levensloopbestendige woonvormen zoals deze in Willemspoort Zuid een invulling krijgt. Een vitaal gebouw is op maat gemaakt. In de woningbouw is de behoefte aan personaliseren een belangrijke trend. De bebouwing in Willemspoort Zuid moet bijdragen aan zelfstandigheid en regie van de bewoners. Technologische ontwikkelingen dragen eraan bij dat mensen zelfstandig kunnen blijven wonen.
5.14
Milieueffectrapportage
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad a. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied (er komen beschrijving bouwenvelop) niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn.
Rho adviseurs voor leefruimte
42 ad b. Het projectgebied ligt in stedelijk gebied en op enkele tientallen meters van Natura 2000-gebied Rijntakken, Vlijmens Ven, Moerputten &Bossche Broek. De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen significant negatief effect hebben op het Natura 2000-gebied. De externe factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied zijn te verwachten, zie paragraaf 5.15. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde. Toetsing Er heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. Dit blijkt tevens uit de milieuparagraaf (hoofdstuk 5) van deze ruimtelijke onderbouwing. Het opstellen van een m.e.r. wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
5.15
Ecologie
Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Rho adviseurs voor leefruimte
43
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.
Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categoriesoorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen in Natura 2000-gebieden of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland of andere beschermde natuurgebieden. De afstand tot het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek is enkele tientallen meters. Om er zeker van te zijn dat het planvoornemen geen stikstofdepositie op dit Natura 2000gebied heeft, zijn berekeningen uitgevoerd, de resultaten zijn samengevat in de rapportage (Arcadis, Passende beoordeling Stikstof Willemspoort Zuid, 1 juli 2020, zie bijlage 10).
Uit de uitgevoerde berekeningen naar de gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt, zie bijlage 10. Uit de uitgevoerde berekeningen naar de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. In de passende beoordeling is onderzocht of uitgesloten kan worden dat de bouw van Willemspoort Zuid de natuurlijke kenmerken van Natura-2000 gebieden aantast. Uit de berekening van de depositie van stikstof met AERIUS Calculator blijkt dat er als gevolg van de aanlegfase in het best-case scenario een geringe toename optreedt van stikstofdepositie binnen 1 (bestcase) of 2 (worstcase) Natura 2000-gebieden. De grootste toename van 0,13 mol/ha/jaar treedt op in het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. De effecten van deze toenames zijn integraal beoordeeld.
Rho adviseurs voor leefruimte
44 Uit deze beoordeling volgt dat de zeer geringe toenames, mede dankzij reguliere beheermaatregelen, niet leiden tot meetbare veranderingen in de samenstelling van de aanwezige vegetaties, en daarmee niet leiden tot een significante verslechtering van de kwaliteit van de aanwezige habitattypen in de Natura 2000-gebieden. Ook cumulatieve significante effecten met andere projecten zijn uitgesloten. Hieruit volgt de conclusie dat de bouw van Willemspoort Zuid met zekerheid niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden, en uitgevoerd kan worden in overeenstemming met de Wet natuurbescherming. De stikstofberekeningen worden momenteel geactualiseerd op de nieuwe AERIUS2020, uitgave 15 oktober 2020. De eerder conclusie waaruit blijk dat geen sprake is van een stikstofdepositie hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar blijft van kracht. Soortenbescherming Om te voorkomen dat er in strijd met de geldende natuurwetgeving wordt gehandeld is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Heijmans, Ecologische quicksan Willemspoort-Zuid te 's-Hertogenbosch, 14 januari 2020, zie bijlage 6).
Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat: In het projectgebied zijn geen nesten die jaarrond beschermd zijn te verwachten; Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden; Zowel van vleermuizen als van overige zoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen en overige ongewervelden van de habitatrichtlijn zijn geen vaste rust- en/of verblijfslocaties of essentiële functionele leefomgeving aanwezig binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling; De locatie ontoegankelijk gemaakt moet worden voor de rugstreeppad; Het gebruik van het terrein door kleine marterachtigen en andere (niet vrijgestelde) soorten die vallen onder dit beschermingsregime kan redelijkerwijs worden uitgesloten; Tevens zijn de mogelijkheden voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen onderzocht (Heijmans, 14 januari 2020, zie bijlage 6). Hierin zijn de mogelijkheden voor het toepassen van natuur in de nieuwbouw opgenomen. Conclusie In algemene zin kan redelijkerwijs worden gesteld dat op grond van de mogelijke effecten de uitvoering van de ingreep niet door de Wet natuurbescherming wordt verhinderd, mits: Enkele maatregelen worden toegepast om te voorkomen dat de locatie gekoloniseerd wordt door de rugstreeppad gedurende de uitvoering van de werkzaamheden. Rekening wordt gehouden met het broedseizoen van vogels.
5.16
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij mer-plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.
Rho adviseurs voor leefruimte
45 Onderzoek In 2009 is archeologisch advies uitgebracht voor de locatie Willemspoort (Gemeente 's-Hertogenbosch, Archeologisch advies Willemspoort, 20 april 2009, zie bijlage 11). Uit het onderzoek blijkt dat het projectgebied valt in de lage verwachting. In de directe nabijheid hebben in het verleden een tweetal inventariserende veldonderzoeken door middel van boringen plaats gevonden. Beide locaties hebben geen aanwijzingen voor archeologische waarden in het gebied opgeleverd. De belangrijkste oorzaak hiervoor is de grotendeels lage ligging van het gebied. Conclusie Aanvullend archeologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Rho adviseurs voor leefruimte
46
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Realisatie van het project geschiedt primair onder verantwoordelijkheid van de BV/CV Willemspoort (samenwerkingsverband tussen de gemeente, Heijmans en BrabantWonen). Tussen deze partijen is een samenwerkingsovereenkomst gesloten en is een BV opgericht. Partijen binnen de CV/BV Willemspoort hebben afgesproken dat alle partijen in gelijke verhouding de financiële gevolgen moeten dragen van de grondexploitatie. Het samenwerkingsverband zal zorgdragen voor het bouw- en woonrijpmaken van de locatie en zal de gronden uitgeven. Op basis van het stedenbouwkundig plan zijn alle kosten en opbrengsten geraamd en verwerkt in de grondexploitatie. Uit deze calculatie blijkt dat de kosten worden gedekt door de opbrengst van de gronduitgifte. Hiermee is de financieel-economische haalbaarheid in voldoende mate aangetoond. De gemeente is aandeelhouder in de vennootschap en is op dit moment nog eigenaar van de grond. Deze grond zal de gemeente onder markconforme condities verkopen aan de BV/CV Willemspoort. Voor het gemeentelijk aandeel in het project is ook een gemeentelijke grondexploitatie opgesteld.
Deze is sluitend, mede vanwege een reeds getroffen voorziening ten laste van de algemene reserve van het grondbedrijf.
Rho adviseurs voor leefruimte
47
Hoofdstuk 7
Inspraak en vooroverleg
Over het project wordt, overeenkomstig de gemeentelijke Inspraakverordening, gelegenheid tot inspraak geboden. Ook zal in deze fase het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) met diensten van het Rijk en de Provincie en met betrokken maatschappelijke organisaties plaatsvinden. De resultaten van zowel het vooroverleg als de inspraak worden in dit stuk verwerkt. Ten behoeve van de omgevingsdialoog heeft op 4 februari 2019 voorafgaand aan de wettelijke procedure reeds een inloopavond plaats gevonden. De avond had een informeel en informatief karakter waar het conceptplan aan de bewoners van Willemspoort Noord is gepresenteerd. Tijdens deze avond zijn tevens vragen over de ontwikkeling en te volgen procedure behandeld.
Rho adviseurs voor leefruimte
48
Rho adviseurs voor leefruimte
49
Bijlagen bij ruimtelijke onderbouwing
Rho adviseurs voor leefruimte
50
Bijlage 1 Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan
Rho adviseurs voor leefruimte
51
Bijlage 2 Verantwoording hoogteaccent gebouw C2
Rho adviseurs voor leefruimte
52
Bijlage 3 Windhinder
Rho adviseurs voor leefruimte
53
Bijlage 4 Parkeerbalans
Rho adviseurs voor leefruimte
54
Bijlage 5 Akoestisch onderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte
55
Bijlage 6 Ecologische quickscan en Natuurintensief bouwen
Rho adviseurs voor leefruimte
56
Bijlage 7 Externe Veiligheid en luchtkwaliteit
Rho adviseurs voor leefruimte
57
Bijlage 8 Bodemonderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte
58
Bijlage 9 Waterhuishoudkundig plan en hittestress
Rho adviseurs voor leefruimte
59
Bijlage 10 Passende beoordeling stikstof, Aeriusberekeningen
Rho adviseurs voor leefruimte
60
Bijlage 11
Rho adviseurs voor leefruimte
Selectieadvies Archeologie