B3 bijlagen toelichting Heeseind 35A en 37
Tekst van het document
2
te Nuland
beschikking
Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant hebben bij besluit van 2 juli 2002 de gebie den die deel uit gaan maken van de ecologische hoofdstructuur vastgesteld. Er is een werkkaart kwetsbare gebieden opgesteld. Op deze werkkaart staan de kwetsbare en zeer kwetsbare gebie den aangegeven waaraan bij beoordeling van vergunningaanvragen wordt getoetst. Uit metingen is gebleken dat het bedrijf is gelegen op ca. 400 meter van een voor verzuringsgevoelig gebied en derhalve buiten de 250 meter-zone ligt zodat genoemde bepalingen niet van toepassing zijn. Buiten de zone wordt alleen rekening gehouden met een kwetsbaar gebied indien de aangevraag de inrichting valt onder de werking van Richtlijn nr. 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie (PbEG L 257) (IPPC-richtlijn). Uit bijlage I van deze richtlijn blijkt onder 6.6 dat de richtlijn niet van toepassing is op de aange vraagde inrichting. De inrichting voldoet derhalve aan de gestelde randvoorwaarden in artikel 4 t/m 7 van de Wet ammoniak en veehouderij.
Er wordt voor de stallen A, B en C geen gebruik gemaakt van groen-labelstallen voor de huisves ting van de genoemde dieren. Deze stallen zullen volgens het toekomstige Besluit ammoniakemis sie huisvesting veehouderij op 1 januari 2008 aan de maximale emissiewaarde moeten voldoen. Om deze reden is het niet redelijk om voor deze dierenverblijven door middel van een vergunning te eisen dat de emissie van een dierplaats, vooruitlopend op het in werking treden van het Besluit huisvesting aan de genoemde alara-norm voldoet. De oprichting van de inrichting voldoet hiermee aan het alara-beginsel De berekening van de ammoniakemissie is gebaseerd op de Regeling ammoniak en veehouderij diercategorie en afhankelijk van het huisvestingssysteem wordt berekend van 21 april 2002. wat de uitstoot van ammoniak is van de veehouderij. In tabel 1 is de berekening uitgevoerd.
Stank Op 1 mei 2003 is de Wet stankemissie in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden in werking getreden. Als gevolg hiervan is gelijktijdig de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden van toepassing geworden. In het kader van de Reconstructiewet zijn nog geen landbouwontwikkelingsgebieden, verwevingsgebieden en exten siveringsgebieden aangewezen. Voor het bepalen van de afstand tot een gevoelig object werden tot halverwege 2003 omrekeningsfactoren uit de richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 toege past. In de stankregeling zijn nieuwe omrekeningsfactoren opgenomen die zijn gebaseerd op lang durig wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd door een erkend onafhankelijk onderzoeksinstituut. In onderhavige vergunning is daarom de stankemissie berekend met de omrekeningsfactoren zoals genoemd in bijlage 1 van de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden. de stankregeling wordt alleen gebruik gemaakt van de in Bijlage 1 genoemde omrekeningsfactoren. De vaste afstanden zoals genoemd worden vooralsnog niet toegepast omdat deze zijn verbonden aan omgevingscategorieën. De nieuwe omgevingscategorieën uit de stankwet mogen pas worden toegepast als de landbouwontwikkelingsgebieden, verwevingsgebieden en de extensiveringsgebieden zijn vastgesteld.
Tot het moment van aanwij zing van de genoemde gebieden geldt de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996 als toetsings kader en voor zover uit jurisprudentie blijkt dat de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996 niet acceptabel is, tevens de Brochure Veehouderij en Hinderwet 1985.
3
beschikking
te Nuland
Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996 / Brochure Veehouderij en Hinderwet 1985/ Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden 2003
Tabel 2 Categorie
Mestvarkeneenheden
aantal
Soort
aanvraag vergund
factor
aanvraag
vergund
A.1.6.1
Melk- en kalfkoeien
4
2
o
0
A.3
Vrouwelijk jongvee
7
2
0
0
B.1
Schapen > 1 jaar
146
20
3
48.7
6.7
D.3.1.2
Vlees/ opfokvarkens
4
46
1
4
46
E.2.1
Legkippen
4
4
15
0.26
0.26
1.2
Konijnen
3
3
50
0.06
0.06
K.1
Paarden
2
2
0
0
K.3
Pony
1
1
0
0
53.02
53.02
Totaal
Vanwege jurisprudentie (E03.97.0115) waaruit blijkt dat de categorie-indeling van de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder onvoldoende milieuhygiënisch onderbouwd is, wordt de categorieindeling van de Brochure Veehouderij en Hinderwet gehanteerd. De aangevraagde veebezetting is aan de hand van de omrekeningsfactoren uit de op 1 mei 2003 in werking getreden " stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwe vingsgebieden" (RSV) omgerekend tot 53.02 mestvarkenseenheden (mve). De kortste afstand tussen de buitenzijde van het stankgevoelig object (in dit geval een burgerwoning van derden (categorie ll-omgeving)) en het emissiepunt van de veehouderij bedraagt 36 m. Gezien de mini maal te houden afstand van 50 meter kan hieraan niet worden voldaan. Op grond van de verleen de vergunning kan aanspraak worden gemaakt op maximaal 53,02 mestvarkenseenheden. De gevraagde bedrijfsomvang bedraagt 53,02 mve zodat vergunningverlening mogelijk is. • Cumulatie van stankhinder Naast bovenvermelde berekening van de stankhinder is tevens gekeken naar de cumulatieve stankhinder. Cumulatieve stankhinder is de totale stankhinder die door meerdere veehouderijen bij één stankgevoelig object wordt veroorzaakt.
Op grond van de brief van VROM, kenmerk DWL/ 98094958) wordt de berekening van cumulatieve stankhinder uitgevoerd conform de publicatie "Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij (publicatiereeks Lucht P 46), behoudens de afstandsbepaling, die conform de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996". Aangezien geen stallen zijn gewijzigd en het aantal mve gelijk blijft kan worden verwezen naar de bestaande cumulatieberekening. Hieruit volgt dat geen sprake is van ontoelaatbare cumulatieve stankhinder.
Ammoniakschade aan planten Bij een intensieve veehouderij dient rekening te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van de directe opname uit de lucht van ammoniak door planten en bomen. Voor de beoordeling van de gevolgen wordt volgens vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het rapport Stallucht en Planten uit juli 1981, verder te noemen: rapport, van het Insti tuut Plantenziektenkundig Onderzoek (IPO) gehanteerd. Blijkens dit rapport is onderzoek gedaan naar de mogelijke schade op planten en bomen als gevolg van de uitstoot van ammoniak uit stallen waarin dieren worden gehouden. Schade door de uitstoot van ammoniak kan zich in de praktijk voordoen bij intensieve kippen- en varkenshouderijen.
4
te Nuland
beschikking
Ter voorkoming van dergelijke schade blijkt dat een afstand van minimaal 50 meter tussen stallen en meer gevoelige planten en bomen, zoals coniferen, en een afstand van minimaal 25 meter tot minder gevoelige planten en bomen kan worden aangehouden. Toetsing aan dit rapport is, blijkens de uitspraak in de casus E03.98.011 8, nog steeds conform de meest recente, algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten. meter van de inrichting liggen geen percelen waar gevoelige gewassen, zoals vermeld in het rapport, worden geteeld. Tevens zijn er binnen 25 meter van de inrichting geen minder gevoe lige planten en bomen aanwezig. Het bedrijf voldoet aan de eisen die volgen uit het rapport, waar door directe ammoniakschade geen reden kan zijn om de aanvraag te weigeren. Afvalpreventie Aan de hand van de checklist 'indicatie omvang afval en emissies' uit de 'Leidraad afval- en emissiepreventie in de milieuvergunning' van InfoMil, is de score bepaald van de verschillende afvalstoffen. In onderstaand overzicht zijn alle afvalstromen met score vermeld.
Landbouw plastic
0,5 m3/jr ~ x 300 kg/jr
0.4 Punten
Naast deze afvalstromen komt nog huishoudelijk afval en papier vrij. Deze hoeveelheden zijn dus danig gering dat deze afvalstromen in het kader van afvalpreventie niet relevant zijn.
Volgens de systematiek uit de Leidraad is sprake van een indicatie 'gering" bij minder dan 100 punten, 'redelijk' bij 100 tot 1000 punten en 'aanzienlijk' bij een score van 1000 punten of meer. Bij de indicatie 'redelijk' en 'aanzienlijk' moet bekeken worden of mogelijkheden voor afvalpre ventie aanwezig zijn. Uit het overzicht blijkt dat op alle afvalstromen de indicatie 'gering' van toepassing is. Daarom is er verder geen aandacht aan het aspect preventie besteed in deze vergunning.
Kadavers Het opslaan van kadavers kan stankhinder en bodemverontreiniging veroorzaken en ongedierte aantrekken. Ook het ter destructie aanbieden van kadavers aan de openbare weg kan worden gezien als indirecte hinder die is toe te rekenen aan het in werking zijn van de inrichting. Om de nadelige gevolgen van het opslaan en het aanbieden van kadavers te voorkomen, danwel zoveel mogelijk te beperken, zijn de voorschriften onder I.2 opgenomen. Afvalwater Binnen de inrichting komt afvalwater vrij afkomstig van het schoonmaken van stallen, spoelplaats voor veewagens, kadaveropslagplaats. Het afvalwater van de inrichting wordt op de gierkelder geloosd. Aangezien geen bedrijfsafvalwater op de gemeentelijke riolering wordt geloosd, zijn hiervoor geen lozingsvoorschriften opgenomen. het lozen van afvalwater op de gierkelder, kan als gevolg van het uitrijden van gier verontreiniging van de bodem optreden. Daarom mogen gevaarlijke stof fen niet op de gierkelder worden geloosd. Dit is opgenomen in voorschrift D.1. Waterbesparing Uit de aanvraag blijkt dat geen waterbesparende maatregelen zijn getroffen. Uit de aanvraag blijkt dat volgens de systematiek uit de Leidraad Afval- en emissiepreventie in de milieuvergunning ) de omvang van waterverbruik gering is (7 punten), zodat geen voor(InfoMil, Den schriften inzake waterbesparing zijn opgenomen.
5
beschikking
te Nuland
Bodem De bodembedreigende activiteiten bestaan uit de opslag van mest en gier, de stalling van tracto ren en machines. Omdat betonnen vloeren zijn gerealiseerd, is op grond van de Nederlandse richt lijn bodembescherming (NRB) sprake van een verwaarloosbaar risico voor bodemverontreiniging. Aan deze vergunning zijn de voorschriften verbonden, die zijn gericht op de bescherming van de bodem en het grondwater. In voorschrift E.1 is opgenomen dat daar waar tractoren worden ge stald en daar waar getankt wordt een vloer bestand tegen olie aanwezig moet zijn. Omdat bij naleving van deze gedragsregels en voorzieningen, gezien de aangevraagde activitei ten, de kwaliteit van de bodem en het grondwater niet in relevante mate nadelig zullen worden beïnvloed, is geen nulsituatie-onderzoek voorgeschreven (zie ook jurisprudentie ABRS 21 januari 1997, nr. E03.95.0821 en ABRS 28 juli 1998, nr. E03.96.0332.) Energie De Circulaire 'Energie in de milieuvergunning' (uitgave van het ministerie van VROM en EZ, okto ber 1999) is als richtlijn gehanteerd bij het bepalen of een energie-onderzoek noodzakelijk is en of energiebesparende maatregelen nodig zijn. Het energieverbruik bedraagt 9530 kWh en 2457 m3 gas, omgerekend bedragen de energiekosten € 2317,- (1 kWh a € 0,14 en 1 m3 gas a € 0,40 ).
Het energieverbruik ligt onder de verbruikscriteria (50.000 kWh en 25.000 m3 gas) waarbij ener giebesparing zinvol wordt geacht. Behalve een registratievoorschrift (G.3) en het overwegen van het energieverbruik bij vervanging en plaatsing van nieuwe apparatuur (G.1) zijn geen voorschrif ten opgenomen ten aanzien van energiebesparing.
Geluid De geluidproducerende activiteiten bestaan uit het rijden met een tractor en een vrachtauto (ver keer op het terrein van de inrichting) alsmede aan- en afrijdend verkeer op de openbare weg. Om geluidshinder te voorkomen zijn aan de vergunning voorschriften verbonden in hoofdstuk B. De voorschriften zijn, met uitzondering van die voor de maximale geluidniveaus, gebaseerd op de richtlijnen genoemd in de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening van 1998 (de Hand reiking). De voorschriften voor de maximale geluidniveaus zijn gebaseerd op de Circulaire Indu strielawaai van 1979 (de Circulaire). Geluidnormen vigerende vergunning In de vigerende vergunning is een norm opgenomen voor de etmaalwaarde (dagwaarde = etmaalwaarde, avondwaarde = etmaalwaarde - 5, nachtwaarde = etmaalwaarde - 10) van 40 dB(A) voor het equivalente geluidniveau ter plaatse van woningen van derden. Voor het maximale geluidniveau zijn normen opgenomen van 60/55/50 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
Beoordelingspunt Bepalend voor de op te nemen geluidnormen is het beoordelingspunt. De Handreiking geeft als uitgangspunt dat het beoordelingspunt van de geluidnorm op de dichtstbijzijnde woning van der den moet worden gelegd tenzij de afstand van de woning tot het bedrijf te groot is om ter plaatse een meting te kunnen uitvoeren. De dichtstbijzijnde woning ligt op ongeveer 40 meter van de in richting. Deze afstand is niet te groot om een goede geluidmeting te kunnen uitvoeren. De norm is derhalve ter plaatse van de gevels van woningen van derden gelegd. Normstelling LAr.LT Uitgangspunt bij de normstelling voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lat,lt ) is tabel 4 uit de Handreiking. Het bedrijf ligt in een buurtschap aan een doorgaande weg. Deze omgeving komt overeen met een landelijke omgeving, zoals bedoeld in tabel 4.
6
te Nuland
beschikking
Voor een dergelijke omgeving geeft de Handreiking een etmaalwaarde van 40 dB(A) voor het langtijdgemiddeld geluidniveau. Op grond hiervan is, rekening houdend met het beoordelingspunt, een etmaalwaarde van 40 dB(A) als geluidnorm opgenomen in voorschrift B.1. Gelet op de aard en bedrijfsduur van de geluidproducerende aktiviteiten kan het bedrijf aan deze geluidnorm vol doen.
Normstelling Lamax Maximale geluidniveaus (LAmax) binnen de inrichting worden veroorzaakt door het rijden met een tractor. Volgens de circuliare moet worden gestreefd naar het voorkomen van maximale geluid niveaus die hoger zijn dan 70/65/60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Gelet op de aard en bedrijfsduur van de geluidproducerende aktiviteiten kan het bedrijf aan deze geluidnorm voldoen.
Derhalve is in voorschrift B.2 een norm van 70/65/60 dB(A) opgenomen voor het maximale geluidniveau in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode op de gevel van de woning.
Verkeersbewegingen van en naar de inrichting buiten het terrein van de inrichting Uitgaande van de door VROM uitgebrachte circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegver keer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" d.d. 29 februari 1996, nr. MBG 96006131 moeten verkeersbewegingen van en naar de inrichting buiten het terrein van de inrichting, voor zover deze aan de inrichting moeten worden toegerekend (akoestisch herkenbaar zijn), getoetst worden aan de voorkeurs grenswaarde wegverkeerslawaai, zijnde 50 dB(A) etmaalwaarde. te Nuland zijn op gevels van omliggende woningen De verkeersbewegingen op het akoestisch herkenbaar ten opzichte van het overige (doorgaande) verkeer. Het weggedrag van de voertuigen van en naar de inrichting wijkt op de genoemde delen van de openbare weg af van dat van doorgaande voertuigen. Het betreft afremmen, optrekken en indraaien naar de inrichting. Derhalve is dit verkeer (akoestisch) herkenbaar. Na 200 meter wordt dit verkeer geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. De verkeersbewegingen zijn getoetst aan de voor keursgrenswaarde van 50 dB(A) en kunnen voldoen. Als normstelling is 50 dB(A) etmaalwaarde opgenomen (voorschrift B.5).
Uitgaande van genoemde circulaire behoeven verkeersbewegingen buiten het terrein van de in richting niet getoetst te worden aan het maximale geluidniveau. Derhalve is geen norm ten aan zien van het maximale geluidniveau opgenomen voor verkeersbewegingen buiten het terrein van de inrichting. Toekomstige ontwikkelingen Er zijn met betrekking tot de inrichting en het gebied waarin de inrichting is gelegen geen ontwik kelingen te verwachten die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu.
CONCLUSIE Gezien het voorgaande concluderen wij dat door het stellen van voorschriften de nadelige gevol gen voor het milieu door de verandering van de inrichting in voldoende mate kunnen worden voorkomen dan wel beperkt.
7
beschikking
te Nuland
OVERIGE REGELGEVING Naast de voorschriften gesteld in deze vergunning zijn direct van toepassing:
•
Hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer (ontdoeners van gevaarlijke afvalstoffen zijn verplicht gevaarlijke
afvalstoffen door een vergunninghouder te laten afvoeren en afgiftebewijzen aan het bevoegd gezag te kunnen overleggen).
•
Provinciale milieuverordening Noord-Brabant (PMV) (ten aanzien van de afgifte van bedrijfsafvalstoffen dient te worden voldaan aan de in de PMV opgenomen meldings- en registratieverplichtingen.
•
Besluit gebruik dierlijke meststoffen.
•
Grondwaterwet (grondwateronttrekking).
OVERIGE INFORMATIE Ter informatie wijzen wij u op het volgende:
I.
Deze vergunning geldt voor een ieder die de inrichting drijft. Deze vergunning vervalt, voor een ge deelte dan wel het geheel indien de inrichting niet binnen 3 jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht.
II.
Na het van kracht worden van deze vergunning, vervangt deze de onderliggende vergunning d.d. 17 juni 1998; de onderliggende vergunning vervalt na het onherroepelijk worden van deze vergun
ning. III.
Veranderen van de inrichting
Indien veranderingen worden doorgevoerd die milieu-neutraal dan wel milieupositief zijn, kan over eenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer worden volstaan met het doen van een melding.
Voor veranderingen die ongunstige gevolgen hebben voor het milieu dient een vergunning te wor
den aangevraagd. Bij veranderingen binnen uw bedrijf, dient u vooraf contact op te nemen met het bevoegd gezag. Datzelfde geldt bij verhuizing van het bedrijf. IV.
overdracht van het bedrijf door vergunninghouder, verzoeken wij u voordat werkelijke over dracht plaatsvindt, melding te doen aan het bevoegd gezag.
V.
ongewone voorvallen die nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) veroorzaken moeten wor
den gemeld bij het bevoegd gezag. Als bodemverontreiniging ontstaat of dreigt te ontstaan moet dit, op grond van de Wet bodembescherming, eveneens worden gemeld bij de provincie (artikel 17.1 Wet milieubeheer en artikel 30 Wet bodembescherming).
Bij een dergelijk voorval dienen onmiddellijk maatregelen te worden getroffen om verdere veront
reiniging te voorkomen. Tevens dienen de nadelige gevolgen voor het milieu zo mogelijk op milieu hygiënisch verantwoorde wijze ongedaan gemaakt te worden dan wel beperkt. Vergunninghouder
dient leidingen die met verontreinigende stoffen in aanraking zijn geweest, te (laten) controleren op aantasting en, indien nodig, (laten) herstellen of vervangen.
9
te Nuland
beschikking
BEDENKINGEN, BEROEP, SCHORSING, INWERKINGTREDING VERGUNNING I.
Gedurende zes weken na de dag dat de definitieve beschikking ter inzage is gelegd staat bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep open voor: • degenen die tegen de ontwerp-beschikking bedenkingen hebben ingebracht; • de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over de ontwerp-beschikking; • degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van deze beschikking zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerp; • belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen de ontwerp-beschikking. Gedurende deze termijn liggen de stukken ter inzage in de publieksruimte op de gemeentescretarie van Maasdonk, te Geffen op maandag t/m vrijdag van 08.30 tot 12.30 uur en op dinsdag van 16.00 tot 19.00 uur.
n.
Het beroepsschrift moet voor het einde van deze termijn worden gezonden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 AE 's-Gravenhage.
hl
Tegelijk met of na het instellen van beroep kan worden verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe moet een verzoek worden ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
IV.
Deze beschikking wordt van kracht met ingang van de dag na de dag waarop de beroepstermijn afloopt. Indien gedurende de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, wordt de beschikking niet van kracht voordat op het verzoek is beslist. Indien de betrokken bouwvergunning na de hiervoor genoemde termijnen wordt verleend, is deze beschikking niet eerder van kracht dan nadat deze bouwvergunning is verleend.
V.
Voor het instellen van beroep en/of het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zijn griffiekosten verschuldigd. U wordt hiervan door de Raad van State op de hoogte gesteld.
VERZENDING BESCHIKKING Een exemplaar van deze beschikking is gezonden aan:
de
10
(44|
I Cë
te Nuland
8
GEMEENTE
ARSCHRMI,
•SSier
EKA
heschikkinn N
MAASDONK Voorschriften behorende bij de beschikking op de aanvraag om revisievergunning ingevolge de Wet milieubeheer voor een veehouderij/ veehandel, gelegen aan het te Nuland.
behoort bij beschikking van
_ 4 MRÏ 2004
INHOUDSOPGAVE A.
ALGEMEEN
1
B.
GELUID
1
C.
AFVALSTOFFEN...................
2
C. 1. Algemeen....................... C.2. Gevaarlijke afvalstoffen
2 3
(AFVAL)WATER........
3
D.1. Algemeen........... D.2. Hogedrukreiniger D.3. Spoelplaats........
3 3
E.
BODEM
4
F.
BRANDVEILIGHEID
4
G.
ENERGIE
5
H.
GASGESTOOKTE INSTALLATIES
6
H.1. Algemeen................................. H.2. Ruimteverwarming................ .
6 7
D.
HET HOUDEN VAN VEE................
I.
1.1. I.2. I.3.
I.4. I.5.
7
7 8 8 8 9
Algemeen ............................................. Kadavers .............................................. Kuilvoer................................................. Behandeling en bewaring van mest Opslag voer..........................................
BEGRIPPEN
BIJLAGE: ACTIES
pagina 1
beschikking
te Nuland
A. ALGEMEEN 1. De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren. 2. De bevindingen van voorgeschreven registraties, zoals afgifte gevaarlijk afval, energieverbruik, keuringen, controles, controlemetingen en periodiek onderhoud dienen te worden vastgelegd in een logboek of een kaartsysteem dat altijd aan een vertegenwoordiger van het bevoegd gezag moet kunnen worden getoond. In dit logboek dient ten minste aanwezig te zijn: • afgiftebewijzen van (gevaarlijke) afvalstoffen • het energieverbruik • het waterverbruik Deze gegevens moeten gedurende 5 jaar worden bewaard en altijd aan een vertegenwoordiger van het bevoegd gezag kunnen worden getoond.
3. De in de inrichting aangebrachte of gebruikte verlichting moet zodanig zijn afgeschermd dat geen hinderlijke lichtstraling buiten de inrichting waarneembaar is.
4. De elektrische installatie moet voldoen aan NEN 1010.
5. De elektrische installaties moeten zodanig zijn, dat hierdoor in de omgeving van de inrichting geen storing optreedt in telecommunicatieverbindingen, alsmede in radio- en televisieontvangst. 6. Medicijnen dienen in een kast geplaatst te zijn. kast moet, behalve tijdens het inbrengen of uitnemen van de medicijnen met slot en sleutel gesloten zijn. 7. Het waterverbruik moet jaarlijks worden geregistreerd en te allen tijde ter inzage liggen voor het bevoegd gezag.
B. GELUID 1. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten (inclusief verkeersbewegingen binnen de inrichting) mag ter plaatse van hieronder genoemde beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
1.
dagperiode
avondperiode
Nachtperiode
Beoordelingspunt
07.00 en 1 9.00 uur
1 9.00 en 23.00 uur
23.00 en 07.00 uur
1.
40 dB(A)
35 dB(A)
30 dB(A)
gevels van woningen van derden
pagina 1
beschikking
te Nuland
2. Het maximale geluidsniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten (inclusief ver keersbewegingen binnen de inrichting), mag ter plaatse van in voorschrift B.1 genoemde beoordelingsplaatsen niet meer bedragen dan: dagperiode
avondperiode
Nachtperiode
Beoordelingspunt
07.00 en 1 9.00 uur
1 9.00 en 23.00 uur
23.00 en 07.00 uur
1.
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
3. Op zondagen en algemeen erkende feestdagen gelden tussen 07.00 en 19.00 uur de niveaus van de periode tussen 19.00 en 23.00 uur
4. Controle op of berekening van de in de voorschriften B.1 en B.2 gestelde beoordelingsniveaus moet geschieden overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai (HMRI 1999)", uitgegeven door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieube heer. Ook de beoordeling van de meetresultaten moet overeenkomstig deze handleiding plaats vinden.
5. Het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door verkeersbewegingen van en naar de inrich ting buiten het terrein van de inrichting mag op gevels van woningen van derden en andere geluid gevoeligebestemmingen nietmeer bedragen dan: 50 dB(A) in deuren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur; 45 dB(A) in deuren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur; 40 dB(A) in deuren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.
6. Controle op of berekening van de in de voorschrift B.5 gestelde geluidniveaus moet geschieden overeenkomstig de door VROM uitgebrachte circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het weg verkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" d.d. 29 februari 1996, nr. MBG 96006131.
C. AFVALSTOFFEN
C.1.
Algemeen
1. Afvalstoffen mogen niet worden verbrand, in de bodem worden gebracht of terecht kunnen komen. 2. Afvalstoffen, met afvalstoffen verontreinigd water, of water waaraan warmte is toegevoegd mogen niet in de bodem worden gebracht of terecht kunnen komen. Het bewaren of bezigen van afvalstoffen op de bodem moet zodanig plaatsvinden dat geen verontreiniging van de bodem kan optreden.
pagina 2
beschikking
te Nuland
3. Het in de inrichting vrijkomende landbouwplastic-afval moet worden verzameld, bewaard en afge voerd.
C.2. Gevaarlijke afvalstoffen
1. Het gebruik als brandstof van al dan niet bewerkte afgewerkte olie zoals genoemd in de Regeling Europese afvalstoffenlijst (Eural) is niet toegestaan.
2. Het in de inrichting vrijkomende afval dat is aan te merken als gevaarlijk afval, zoals afgewerkte olie, oliefilters, restant bestrijdingsmiddel, mag niet in de inrichting worden bewerkt en/of voor hergebruik worden aangewend. Gevaarlijke afvalstoffen dienen ten minste 2 X per jaar uit de inrichting te worden afgevoerd.
3. de binnen de inrichting aanwezige gevaarlijke afvalstoffen moet een administratie aanwezig zijn die aan een vertegenwoordiger van het bevoegd gezag moet kunnen worden getoond. De afgiftebonnen dan wel omschrijvings- of meldingsformulieren die betrekking hebben op het afvoe ren van gevaarlijke afvalstoffen moeten gedurende 5 jaar worden bewaard. Deze documenten moeten altijd aan een vertegenwoordiger van het bevoegd gezag kunnen wor den getoond.
4. Indien het olieverversen in het kader van onderhoudswerkzaamheden door derden wordt verricht, dient dit op de betreffende rekening te worden vermeld.
D. (AFVAL)WATER
D.1. Algemeen 1. Afvalwater afkomstig van het reinigen van de stallen en spoelen van de veewagen moet op de gierkelder worden geloosd en worden behandeld volgens het Besluit gebruik dierlijke meststoffen.
D.2. Hogedrukreiniger 1. Het werken met een hogedrukreiniger mag alleen op zodanige wijze geschieden, dat zich geen vloeistof of damp buiten de inrichting en/of in de bodem kan verspreiden. 2. Vloeibare brandstof voor een hogedrukreiniger moet zijn opgeslagen in een tank, die constructief deel uitmaakt van de hogedrukreiniger en mag geen grotere inhoud hebben dan 50 liter. De brandstoftank moet van een doelmatige constructie zijn en zodanig zijn afgeschermd, dat de inhoud onder normale omstandigheden geen hogere temperatuur kan krijgen dan 40°C.
pagina 3
beschikking
te Nuland
D.3.
Spoelplaats
1. Het reinigen van vrachtwagens gebruikt voor het aanleveren van varkens moet plaatsvinden op een speciaal daarvoor bestemde spoelplaats. Het reinigen moet op een zodanige wijze plaatsvin den dat zich geen waternevel buiten de inrichting kan verspreiden.
2. De vloeistofdichte verharding moet ten minste jaarlijks worden gecontroleerd op afschot en vloei stofdichtheid. Hierbij kan worden volstaan met een visuele controle. Beschadigingen aan de ver harding moeten terstond worden gerepareerd. 3. Het afvalwater moet worden afgevoerd naar de gierkelders.
E. BODEM 1. Het gedeelte van de inrichting waar ten gevolge van de bedrijfsvoering voor het milieu schadelijke (vloei)stoffen op of in de bodem kunnen komen, zoals de plaats waar de tractor en de vracht wagen worden gestald, moeten zijn voorzien van een vloer die bestand is tegen die (vloei)stoffen. De vloer moet zodanig zijn uitgevoerd dat (vloei)stoffen of verontreinigd hemelwater niet in de bodem en/of het oppervlaktewater kunnen geraken. 2. Het is verboden vloeistoffen definitief op of in de bodem te brengen. TOELICHTING: Oppervlaktewater, hemelwater of drinkwater zijn hiervan uitgezonderd, indien daaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie verontreinigende stoffen niet door een bewerking van het water is toegenomen en indien daaraan geen warmte is toegevoegd.
3. Een riolering voor de afvoer van afvalwater of verontreinigd hemelwater moet vloeistofdicht zijn en bestand tegen de daardoor afgevoerde (vloei)stoffen.
4. Bodembedreigende vloeistoffen moeten worden bewaard in doelmatige, goed gesloten containers of vaatwerk. Vaatwerk moet zijn opgeslagen op, in of boven een lekbak.
5. Voldoende absorptiemateriaal moet aanwezig zijn om eventuele gemorste of gelekte vloeistof op te nemen. Gebruikte absorptiemiddelen moeten als gevaarlijk afval worden behandeld en afge voerd.
F. BRANDVEILIGHEID
1. De in de aanvraag en in de daarbij overgelegde stukken aangegeven blusmiddelen moeten aanwe zig zijn.
pagina 4