b2 Ruimtelijke motivering Kloosterstraat
Tekst van het document
De ambitie voor de Dungense Polder is in zijn algemeenheid om tot een
ter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting
duurzaam ingericht en beheerd agrarisch cultuurlandschap te komen,
van de stad, wijken en dorpen geborgd.
Centraal staat dat het initiatief:
met ruimte voor natuur, recreatie en cultuurhistorie. Deze ambitie komt
is afgestemd met de omgeving (participatie), zie hoofdstuk 6;
ook terug in de voorgaand reeds beschouwde Visie Energielandschap
Bomen
passend is bij de maat en schaal van het landschap;
en is daarin concreter vertaald in relatie tot onderhavig initiatief. Met de
Voor bomen (houtopstanden) is aangesloten bij de uitgangspunten van
het laadvermogen (draagkracht) van het landschap niet overschrijdt,
hoofdambitie verband houdend is een aantal specifieke opgaven gefor-
het Bomenbeleidsplan 2017. Bomen dragen bij aan een betere waterop-
doordat veel ruimte wordt behouden voor landschappelijke inpas-
muleerd.
vang, leveren schaduw, een hogere luchtvochtigheid en dragen daar-
sing, waterberging en ecologische verbetering;
mee bij aan verkoeling. Ook dragen bomen bij aan een aantrekkelijke en
de kernkwaliteiten van de locatie niet aantast en de zichtbaarheid
Voor onderhavig initiatief is van belang dat het initiatief bijdraagt aan de
gezonde leefomgeving en zijn bepaalde houtopstanden waardevol voor
beperkt, onder meer door voldoende zichtlijnen te behouden, aan te
transformatie van een eentonig agrarisch landschap met beperkte land-
de leefomgeving. Daarom zijn in de verordening regels opgenomen om
sluiten op de bestaande landschappelijke structuren en door de be-
schappelijke, ecologische en recreatieve waarde naar een gevarieerder
categorieën houtopstanden die voor de gemeente van belang zijn te be-
perkte waarde die het huidige agrarische landschap kent;
landschap waarin deze waarden worden versterkt. Het initiatief draagt
schermen. Voor deze categorieën houtopstanden geldt onder meer een
nieuwe kwaliteiten toevoegt, waaronder in ieder geval een verster-
hieraan concreet bij door de realisatie van landschappelijke elementen,
vergunningplicht. Zonder een vergunning mogen deze houtopstanden
king van de biodiversiteit, meer ruimte voor waterberging en land-
behoud van doorzichten, realisatie van extra waterbergend vermogen
niet worden geveld.
schappelijke meerwaarde.
en meer (bio)diversiteit. Daarnaast draagt het initiatief bij aan de tot-
Zie hierover nader hoofdstuk 3, bijlage 1 en par. 4.2.2 van deze ruimte-
standkoming van de beoogde ecologische ontwikkelingszone binnen het
Water
lijke motivering. In hoofdstuk 3 is ook reeds beschreven op welke wijze
gebied.
Voor water gelden regels voor het lozen van grondwater en hemelwater.
specifiek met de kaders uit de Visie Energielandschap is omgegaan. Voor de uitwerking van de zonneladder wordt verwezen naar par. 4.1.1.
Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast Conclusie
en overstromingen door extreme neerslag toe, maar ook de kans op
Het initiatief is in lijn met de ambities voor de Groene Delta.
langdurige periodes van droogte. Om wateroverlast door extreme neer-
van onderhavige ruimtelijke motivering.
slag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het onder meer van 4.4.4
Verordening Bomen, Water en Groen (2021)
belang dat voldoende waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd.
Conclusie
De Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021 is door
Daarom is in de verordening onder meer de verplichting opgenomen om
Het plan is passend binnen de kaders van de Visie Energielandschap.
de gemeenteraad vastgesteld op 9 maart 2021. Deze verordening be-
hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarbij een hemelwatervoor-
staat uit drie onderdelen: bomen, water en groen en behoort bij de visie
ziening met een bepaalde capaciteit moet worden gerealiseerd.
4.4.3
Uitvoeringsprogramma Groene Delta II 2018-2021
's-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig. In de verordening worden
De gemeente ‘s-Hertogenbosch heeft in de periode 2008-2011 het uit-
regels gesteld over het vellen van houtopstanden (bomen), het lozen
Groen
voeringsprogramma Groene Delta opgesteld en uitgevoerd. Vanwege
van hemelwater en grondwater en het realiseren van groen. Het doel
In de verordening is een groennorm opgenomen voor plannen waarbij
het succes van dit programma, is een vervolg op dit programma opge-
hiervan is het beperken van de gevolgen van klimaatverandering. Door
meer dan 500 m² nieuwe/ vernieuwde verharding wordt gerealiseerd.
steld, in samenwerking met diverse andere partijen. Dit heeft geresul-
de gevolgen van klimaatverandering wordt de gemeente 's-Hertogen-
teerd in het Uitvoeringsprogramma Groene Delta II 2018-2021. De Dun-
bosch kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neer-
gense Polder is één van de gebieden waarop dit programma betrekking
slag. Ook is sprake van achteruitgang van de biodiversiteit. Met de re-
heeft.
Zonneweide Kloosterstraat
18
Doorwerking projectgebied
De betrokken partijen, waaronder waterschappen, gemeenten, de pro-
Bomen
vincie en Rijkswaterstaat, werken samen aan een plan om de waterber-
In het projectgebied is één solitaire boom aanwezig. Deze wordt behou-
gingscapaciteit te vergroten. Dit omvat maatregelen zoals het vasthou-
den en er wordt ruimte rondom de boom vrijgehouden van zonnepane-
den van water in hoger gelegen gebieden, het inrichten van polderge-
len. Er gaan geen bomen verloren voor de realisatie van het initiatief.
bieden als opvang en het optimaliseren van bestaande waterbergingslo-
Het landschappelijk inpassings- en inrichtingsplan voorziet in het realise-
caties.
ren van nieuw struweel en andere beplanting. Het plan is niet strijdig met het Bomenbeleidsplan.
Naast technische oplossingen wordt ook samengewerkt met inwoners en bedrijven om duurzame en praktische maatregelen te ontwikkelen.
Water
De komende jaren worden elf mogelijke oplossingen (bouwstenen) on-
Dit onderdeel is uitgewerkt in de waterparagraaf in hoofdstuk 5. Hierin is
derzocht en uitgewerkt tot concrete acties. Dit is een cruciaal project
concreet ingegaan op de eisen die de verordening in dit opzicht stelt. De
voor de regio, aangezien de impact van hoogwater niet alleen economi-
compensatie voor de geringe toename aan verharding wordt gereali-
sche schade kan veroorzaken, maar ook het dagelijks leven van inwo-
seerd door de zuidelijke watergang (langs de Kloosterstraat, B-water-
ners raakt.
gang) te voorzien van een flauwe oever met beplanting. In de waterparagraaf is een principeprofiel hiervoor opgenomen. Hiermee sluit het ini-
Doorwerking projectgebied
tiatief aan bij de doelstelling van de verordening.
Het projectgebied van de Kloosterstraat, als onderdeel van de Dungense Polder, is aangewezen als één van de 11 bouwstenen binnen
Groen
HoWaBo die worden onderzocht om de regionale wateropgave op te
Het initiatief voorziet slechts in beperkt nieuw verhard oppervlak. In to-
lossen. Op dit moment ligt de NRD ter inzage en wordt de PlanMER Ho-
taal is in de toekomstige situatie circa 262 m² verharding voorzien. De
WaBo opgesteld. Het doel is om eind dit jaar (2025) een Programma
ontwikkeling blijft daarmee onder de 500 m² verharding, zoals gesteld in
HoWaBo vast te stellen. De locatie krijgt dan mogelijk een
de groennorm. Daarom kan een nadere uitwerking aan de hand van de
gebiedaanwijzing waaruit duidelijk wordt dat het gereserveerd is voor
groennorm achterwege blijven. Dit laat onverlet dat het planvoornemen
waterretentie. Mocht voor realisatie onverhoopt toch blijken dat de
voorziet in het toevoegen van kwalitatief aardevolle groenelementen en
HoWaBo in dit gebied gerealiseerd moet worden, dan zal er naar een
hierdoor wel aansluit bij de uitgangspunten en ambities, die in de veror-
oplossing worden gezocht of en hoe de zonneweide dan ingepast kan
dening zijn geformuleerd.
worden.
4.4.5
Hoogwater Aanpak Brabant Oost (HoWaBo)
HoWaBo is een initiatief om ’s-Hertogenbosch en omgeving te beschermen tegen overstromingen veroorzaakt door extreem hoogwater en hevige neerslag. Door klimaatverandering neemt de frequentie van dergelijke periodes toe, waardoor er behoefte is aan een structurele aanpak.
Zonneweide Kloosterstraat
19
5
Milieuaspecten in de fysieke leefomgeving
5.1
Milieueffectrapportage (m.e.r.)
5.1.1
Toetsingskader
Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, wordt conform artikel 16.43 van de Omgevingswet bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen waarvoor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Daarnaast kan de m.e.r.-(beoordelings)plicht nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.
Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn; b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het
Zonneweide Kloosterstraat
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkre-
5.2
Bodem
gen.
5.2.1
Toetsingskader
De Omgevingswet definieert bodem als ‘het vaste deel van de aarde Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren deelt dit
met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen
voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel
en organismen’ (bijlage A bij artikel 1.1 Omgevingswet).
16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie.
Het nieuwe wettelijke instrumentarium voor bodem onder de Omgevingswet berust op drie pijlers (memorie van toelichting bij Aanvullings-
5.1.2
Onderzoek
wet bodem Omgevingswet):
Op basis van het Omgevingsbesluit kan een zonnepark (mogelijk) wor-
het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie);
den beschouwd als een:
het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede af-
Stedelijk ontwikkelingsproject;
weging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies
Landinrichtingsproject;
(evenwichtige toedeling van functies aan locaties);
Industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom, en warm water.
het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen).
Op basis van de jurisprudentie (zie uitspraak ABRvS 14 augustus 2019,
Elke pijler kent zijn eigen instrumenten die ontleend worden uit de Om-
ECLI:NL:RVS:2019:2770) is vastgesteld dat de realisatie van een zon-
gevingswet. Zo worden nieuwe verontreinigen en aantastingen in/aan
nepark geen stedelijk ontwikkelingsproject dan wel een landinrichtings-
de bodem voorkomen door gebruik van de zorgplicht en algemene re-
project of een industriële installatie bestemd voor de productie van elek-
gels voor burgers en bedrijven.
triciteit, stoom en warm water. Ook is een zonnepark niet opgenomen in de lijst van energie-industrie onder C van bijlage V van het Omgevings-
Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afwe-
besluit. Er is daarmee geen algemene maatregel van bestuur, zoals be-
ging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot een evenwich-
doeld in artikel 16.43 van de Omgevingswet, waarin zonneparken als
tige toedeling van functies aan locaties, krijgt vorm in de omgevingsvisie
m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit zijn aangemerkt.
en het omgevingsplan. In gevallen waarin de bodem van mindere kwali-
Een zonnepark heeft gezien de aard van de activiteit ook geen aanzien-
teit is, biedt dit de instrumenten om keuzes te maken en om een balans
lijke milieu- en/of hindereffecten.
te vinden tussen risico’s en maatschappelijk gewenste activiteiten. De provincie en gemeenten krijgen daarmee een belangrijke rol. Zij krijgen
Tevens betreft een zonneweide geen object met een hoge infrastructu-
de primaire verantwoordelijkheid voor de bodemkwaliteit met veel moge-
rele waarde. Op basis van het voorgaande is er geen sprake van een
lijkheden voor eigen beleid. Lokale en regionale regels kan de ge-
m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit.
meente dus vastleggen in het omgevingsplan en de provincie in een omgevingsverordening om onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid
5.1.3
Conclusie
en het milieu te voorkomen (artikel 2.29, lid i Omgevingswet).
Er is geen sprake van een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht.
20
Ook is het belangrijk om verstandig om te gaan met resterende histori-
Toelaatbare kwaliteit van de bodem
Meldplicht
sche verontreinigingen, zodat de gezondheid van mensen, planten en
De gemeente stelt in het omgevingsplan een waarde vast voor de toe-
Een omgevingsplan regelt dat het verboden is om het bouwen van een
dieren worden beschermd.
laatbare kwaliteit van de bodem in het omgevingsplan, die het meest
bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, die niet ver-
recht doet aan alle belangen die lokaal een rol spelen, zoals de huidige
gunningplichtig is op grond van het omgevingsplan, te verrichten zonder
Bodemgevoelige locatie en bodemgevoelig gebouw
bodemkwaliteit, het ambitieniveau voor het gebied, mogelijke gezond-
dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden (artikel 5.89, lid
De regels in het omgevingsplan hebben betrekking op het bouwen op
heidsrisico’s, de bouwopgave, kosteneffectiviteit, energietransitie, ruim-
l Bkl). Dit is uiteraard niet van toepassing wanneer een overschrijding
verontreinigde bodem. Niet elke bouwactiviteit valt onder het toepas-
telijke kwaliteit, en andere belangen van de fysieke leefomgeving (artikel
van de toelaatbare kwaliteit van de bodem is uit te sluiten.
singsbereik. Er moet sprake zijn van een bodemgevoelige locatie, dus
5.89, lid i Bkl). De gemeente kan gebruik maken van de waarden, be-
een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar
doeld bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving. De gemeente
Informeren voor ingebruikname
personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen
kan ook per stof een andere waarde vaststellen. Deze waarde mag niet
De initiatiefnemer heeft, als uit onderzoek blijkt dat de toelaatbare
zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit.
hoger zijn dan de waarde die correspondeert met een blootstelling ho-
waarde is overschreden, een informatieplicht voordat het bodemgevoe-
ger dan het maximaal toelaatbaar risiconiveau, zoals opgenomen in bij-
lig gebouw in gebruik wordt genomen.
De regels zijn alleen van toepassing op vergunningplichtige gebouwen
lage VA en de waarden voor toelaatbare concentraties in lucht en geur-
op grond van het omgevingsplan.
waarden, zoals opgenomen in bijlage VB en moet per locatie worden
5.2.2
berekend.
Een zonneweide betreft geen gebouw en valt derhalve niet onder het
Onderzoek
bereik van artikel 5.89 lid g van het Bkl. Het betreft ook geen bodemge-
Omgevingsplan Het belangrijkste instrument voor gemeenten om bouwen op verontrei-
Bodemonderzoek
voelige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89 sub h Bkl. Verder betreft een
nigde bodem te reguleren is het omgevingsplan. Een omgevingsplan
Het toelaten van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit bestaande uit
zonneweide ook geen bodembedreigende functie. Ook is er slechts zeer
bevat, op grond van een aantal instructieregels van het Rijk (artikel 2.24
een bouwactiviteit (bodemgevoelig gebouw) op een bodemgevoelige lo-
beperkt sprake van bodemroerende werkzaamheden. Zorgvuldigheids-
Omgevingswet), voor bodemgevoelige locaties en de gemeentelijke am-
catie is het aangrijpingspunt om een bodemonderzoek uit te voeren en
halve is niettemin een bodemonderzoek uitgevoerd om de huidige situa-
bitie in ieder geval:
af te wegen of er eventuele maatregelen nodig zijn (paragraaf 5.2.2
tie van de bodem (nulsituatie) in beeld te brengen. Dit onderzoek is op-
waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor locaties
Bal). Dit bodemonderzoek bestaat minimaal uit een vooronderzoek. Al-
genomen in bijlage 5.
waar een bouwactiviteit is toegelaten (bijlage IIA Bal);
leen als uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie verdacht is op het
verplichte maatregelen als de toelaatbare kwaliteit van de bodem
voorkomend van een bodemverontreiniging en deze niet eerder onder-
Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem blijkt, dat er geen sprake
wordt overschreden; (dit komt neer op een bouwverbod, omdat het
zocht zijn, is verder (fysiek) bodemonderzoek nodig.
is van bodembelasting, anders dan een regionale of landelijke diffuse
achtergrondbelasting in de grond en het grondwater. Op de locatie wor-
bouwen zonder die maatregelen in strijd is met het omgevingsplan
en dus een omgevingsplanactiviteit is, die op grond van de wet ver-
Als de bodemkwaliteit van een bepaald gebied of locatie al voldoende
den geen verontreinigende stoffen verwacht in gehalten boven de lande-
boden is zonder omgevingsvergunning);
bekend is, kan de gemeente in het omgevingsplan aangeven dat afge-
lijk of regionaal geldende achtergrondwaarde voor grond en/of de streef-
een meldplicht voor aanvang van de bouwactiviteit met bodemon-
zien kan worden van de verplichting om een bodemonderzoek uit te
waarde voor grondwater. Dit geldt zowel voor natuurlijke achtergrondge-
derzoek;
voeren. Dit zijn bijvoorbeeld gebieden die voldoende schoon worden ge-
halten als voor "antropogene" achtergrondgehalten, waarvan de oorzaak
een informatieplicht voor ingebruikname van een gebouw op een
acht of gebieden waarvoor al bodemonderzoek is uitgevoerd.
niet eenduidig is aan te wijzen.
dergelijke locatie. Het is mogelijk dat daar waar grondverzet zal plaatsvinden, een verkennend bodemonderzoek gewenst is, volgens de strategie "onverdacht,
Zonneweide Kloosterstraat
21
niet lijnvormig" (ONV-NL). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoeks-
cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Op basis hiervan is het
Relatie planvoornemen t.o.v. cultuurhistorische waarden
hypothese dat de bodem niet verontreinigd is, bijvoorbeeld ter plaatse
verplicht om de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de
Uit een confrontatie met de plannen is naar voren gekomen dat, gezien
van een transformatorstation.
afweging van belangen.
de huidige toestand van het gebied in relatie tot de belangrijkste, hiervoor genoemde waarden er in het geval van Kloosterstraat wel sprake is
Gelet op bovenstaande is geen aanleiding te verwachten dat de bodem-
5.3.2
kwaliteit een belemmering zal vormen voor de realisatie van de plannen.
Uit de erfgoed- en monumentenkaarten van de gemeente ’s-Hertogen-
Nader onderzoek voor de onderhavige procedure is niet nodig.
bosch volgt dat het projectgebied niet behoort tot van gemeentewege
De openheid is hier nog in grotere mate aanwezig omdat het gebied, in
aangewezen cultuurhistorisch waardevolle gebieden of objecten. Het
plaats van aan drie kanten, maar van een kant visueel geblokkeerd
5.2.3
Conclusie
Onderzoek
van aantastingen van de openheid, met name vanaf die Kloosterstraat.
projectgebied behoort wel tot een cultuurhistorisch waardevol gebied
wordt. Het open karakter van het gebied is op deze plaats de enige
Het aspect bodem levert geen belemmering voor de realisatie van het
volgens de provinciale omgevingsverordening. Er is daarom door RAAP
waarde en kan vanaf de wegen en paden door het gebied op maaiveld-
plan op.
een onderzoek uitgevoerd naar de cultuurhistorische waarden i.r.t. de
hoogte goed beleefd worden, waaronder direct naast het zonnepanelen-
voorgenomen ontwikkeling voor zowel de Kloosterstraat als het project-
veld vanaf de Kloosterstraat, maar ook elders vanaf de Kloosterstraat in
gebied voor de Dungense Polder. Navolgend worden de belangrijkste
andere windrichtingen. Het gaat hier bovendien om de grootste open
5.3
Cultuurhistorie
5.3.1
Toetsingskader
Onder de Omgevingswet wordt een samenhangende benadering van diverse belangen beoogd. Eén van die belangen is cultureel erfgoed. Sinds 2016 is de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Omgevingswet zorgt deze wet voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Provincies en gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om cultureel erfgoed te beschermen via hun omgevingsplannen. Hierbij worden de instructieregels
conclusies beschreven, voor het volledige rapport wordt verwezen naar
ruimte die nog in dit deel van het Bossche Broek bestaat. Door de komst
bijlage 10.
van zonnepanelen met een hoogte aanzienlijk boven ‘ooghoogte’ zouden nu nog vrije zichten vanuit het zuidoosten (met alleen de lage A2-
Historisch-landschappelijke ontwikkeling
structuur van de Meerse Plas op de achtergrond), vanuit het zuidwesten
open landschappen uit de middeleeuwen, waarvan de landschapsstruc-
en vanuit het noordoosten verstoord raken. Concluderend: de openheid
tuur door ontwikkelingen in de tweede helft van de 20e eeuw is veran-
zoals die beschreven wordt in de provinciale Cultuurhistorische Waar-
derd. De openheid is hier echter nog wel gaaf. Beide plangebieden,
denkaart en Omgevingsverordening wordt door deze ingreep in de di-
Dungense Polder en Kloosterstraat, hebben een middenwaarde – de
recte zone rondom het zonnepark aangetast.
laatstgenoemde scoort wat hoger dan de eerste. Hoewel het landschap een hoge ouderdom heeft, is het door de beschreven ontwikkelingen
Advies
vanaf de jaren 50 sterk gewijzigd. De bewoning van dit gebied lijkt veel
Ten aanzien van de nog relatief aanwezige openheid rondom het onder-
verder in de tijd terug te gaan.
zoeksgebied is naar ons inzicht nog steeds sprake van een (beperkte
in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (rijksmonumenten en werelderfgoed) in acht genomen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen bevatten gezamenlijk de wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van
dijk op de achtergrond, van een andere orde dan met de hoge groen-
Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat we te maken hebben met
maar reële) aantasting van de openheid. Hoewel de ten opzichte van Aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten
eerdere plannen doorgevoerde verlaging van de constructiehoogte tot
De omgeving van het onderzoeksgebied is sinds de middeleeuwen ver-
1,70 meter een duidelijke verbetering betekent ten opzichte van het
anderd door herverkavelingen, nieuwbouw en herinrichting. Het open
oorspronkelijke plan, blijft het zonnepark zichtbaar aanwezig in het
karakter van het Bossche Broek is nog aanwezig en herinnerd aan het
maaiveldperspectief. Pas bij een constructiehoogte van ongeveer een
eens natte landschap.
meter zal deze situatie vanaf korte afstand door elke passant als 'relatief open' worden beschouwd, omdat een groot deel van de lichaamslengte dan boven de panelen uitkomt. De mate waarin dit als onevenredig moet worden beschouwd, ligt bij het bevoegde gezag.
Zonneweide Kloosterstraat
22
Uit het onderzoek blijkt het volgende. Binnen het westelijke deel van het 5.3.3
plangebied is in 1983 al een vlakdekkende opgraving uitgevoerd. Hier
Conclusie
De ontwikkeling levert een geringe inbreuk op de cultuurhistorische waarden op. Deze zal niet geheel behouden blijven tijdens de exploitatieperiode van de zonneweide. Daarbij voorkomt een zonneveld andere ruimtelijke ontwikkelingen (zoals in het verleden beoogd) als industrieterreinen en woningen. Waarmee indirect de openheid wordt gewaardborgd, gezien de tijdelijke karakter (25 jaar) van de zonneweide. Voor versterking van de waarden zullen informatieborden over o.a. opgravingen, voormalig klooster Eikendonk en Linie van 1629 geplaatst worden. Met behulp van augmented reality kunnen verloren ontwikkelingen juist weer tot leven komen.
worden geen archeologische waarden meer verwacht. In het oostelijke deel van het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting voor alle periodes vanaf het (Laat-)Paleolithicum tot en met de VroegeMiddeleeuwen. Voor de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd geldt een lage verwachting voor het aantreffen van bewoningssporen. Voor de zuidoostelijke rand geldt specifiek een hoge verwachting voor het aantreffen van sporen van de vestingwerken uit de 17e eeuw. Op basis van een verkennend booronderzoek uit 2004 blijkt dat de top van de bovengrond grotendeels is verploegd en de bodemopbouw over het algemeen bestaat uit een AC-profiel. Toch kunnen er in de bodem nog, met name diepere, archeologische sporen aanwezig zijn, mogelijk ook op de delen van de dekzandrug Eikendonk, die in de jaren
5.4
Archeologie
1960-1970 zijn vergraven. Uit het booronderzoek is namelijk niet
5.4.1
Toetsingskader
duidelijk in hoeverre (het midden van) deze dekzandrug is vergraven.
In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruim-
In de gebieden met een lage archeologische verwachting (westelijk
telijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt:
deel) is geen vervolgonderzoek nodig en kunnen de gronden worden
vrijgegeven.
De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te
5.5
Activiteiten en milieuzonering
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet) is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige activiteiten worden toebedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: 1.
menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is;
2.
scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.
Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. 5.5.1
Toetsingskader
Het is van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: 1. menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan én gewenst is; 2. scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.
worden bewaard.
Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening
In de gebieden met een hoge archeologische verwachting, namelijk het
te worden gehouden met het aspect archeologie.
oosten, kunnen nog archeologische waarden in situ in de bodem aanwezig zijn. Bij de geplande aanleg van het zonnepark zal de bodem echter in zeer geringe mate verstoord worden. De zonnepanelen zullen op
5.4.2
Onderzoek
palen geplaatst worden met een klein oppervlakte van circa 45 cm².
Ter plaatse van het projectgebied is geen archeologische dubbelbestemming van toepassing volgens het huidige bestemmingsplan ‘Buitengebied Noord en Kloosterstraat’. De archeologische verwachtingswaarde is dan ook laag. Er geldt geen onderzoeks- of vergunningplicht. Zorgvuldigheidshalve is een archeologisch vooronderzoek voor het plangebied uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 8.
Deze palen hebben een onderlinge afstand van minimaal 4,4 meter. De kans op het verloren gaan van archeologische resten is zeer klein. Deze is op basis van het palenplan voor dit project kleiner dan bij het uitvoeren van onderzoek. Indien er binnen de gebieden met een hoge archeologische verwachting toch bodemverstorende ingrepen zullen plaatsvinden, waaronder het aanleggen van ondergrondse leidingen of het uitgraven van nieuwe watergangen, kunnen de eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. Alleen in dat geval is een archeolo-
Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Daarbij moet worden voldoen aan de instructieregels uit het Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl) ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten. Met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied. De term ‘activiteiten met
gisch proefsleuvenonderzoek noodzakelijk. 5.4.3
Zonneweide Kloosterstraat
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het plan.
23
gebruiksruimte’ kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten die het mi-
Het beoogde zonnepark betreft geen milieugevoelige functie. Omlig-
5.6
Elektromagnetische straling
lieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Besluit activi-
gende milieubelastende bedrijven vormen daarmee geen belemmering
5.6.1
Toetsingskader
teiten leefomgeving (Bal). De term is dus ruimer dan de veelgebruikte
voor het oprichten van een zonnepark.
Elektromagnetische velden Magnetische velden ontstaan bij het transport en het gebruik van elektri-
term ‘milieubelastende activiteiten’. Ook dient te worden onderzocht, of het woon- en leefklimaat ter plaatse
citeit/stroom. Voorbeelden van voorzieningen die zorgen voor elektro-
Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of
van omliggende woningen (milieugevoelige functies) niet onevenredig
magnetische velden zijn antennes, hoogspanningslijnen, mobiele tele-
mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus
wordt aangetast als gevolg van het zonnepark. Daarom dient te worden
foons en elektrische apparaten. De kracht van het elektromagnetische
belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat
getoetst of in de omgeving van het projectgebied functies voorkomen
veld kan per voorziening verschillen. In het kader van de planologie zijn
betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek
die een belemmering kunnen vormen voor de nieuwe ontwikkeling. Ten
met name antennes en hoogspanningslijnen van belang, aangezien dit
te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die
aanzien van de zonnepanelen zelf kan aangenomen worden dat geen
vaste objecten zijn.
voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie,
milieuhinder (geluid, geur of stof) te verwachten is. Voor de bijbeho-
In het kader van gezondheid en milieu is het bij nieuwe ontwikkelingen,
net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet
rende transformators kan enige geluidproductie overdag worden ver-
waar sprake is van gevoelige gebouwen zoals woningen, scholen en
op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er
wacht. Op basis van bijlage A5 van de handreiking kan de beoogde
kinderopvang, van belang dat er rekening wordt gehouden met mag-
sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving.
nieuwe functie worden ingeschaald in ten hoogste zone 2. Het project-
neetvelden. Dergelijke projecten moeten buiten een magneetveldzone
gebied is gelegen langs de A2, aan de overzijde van het bedrijventerrein
liggen. De sterkte van elektromagnetische velden is het grootst dichtbij
Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’
‘De Brand’. In de directe omgeving van het gebied is weinig bebouwing
de bron en neemt af als de afstand tot de bron groter wordt.
De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG biedt onder
aanwezig. In de omgeving zijn enkele agrarische bedrijfswoningen aan-
de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en ver-
wezig, maar deze liggen op minimaal 400 meter afstand.
vangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer
Gelet op de ruime afstand tot woningen kan aangenomen worden dat er
van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling
geen verslechtering zal plaatsvinden van het woon- en leefklimaat. Er is
code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daar-
geen sprake van geluidsoverlast vanwege de afstand van de zonne-
van wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor
weide tot gevoelige objecten (circa 400m). De afstand is vele malen gro-
geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van
ter dan de richtafstand in tabel 5.2. De transformatoren zijn verder alleen
geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende as-
actief als er zon is. ’s-Nachts zal er daarom geen geluidproductie plaats-
pect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels
vinden. Van geluidsoverlast afkomstig van de transformatoren zal
voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzone-ring’
daarom geen sprake zijn.
gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten.
5.5.3
Conclusie
De realisatie van de ontwikkeling levert geen onevenredige aantasting 5.5.2
Onderzoek
van het woon- en leefklimaat in de omgeving op. Vanuit het milieuaspect
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties
activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toede-
dient onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon-
ling van functies aan locaties.
en leefklimaat bij het projectgebied.
Zonneweide Kloosterstraat
24
Voorzorgsbeleid magneetvelden
men bij situaties van langdurige blootstelling. Aangezien er geen wonin-
5.7.1.2
Door de minister voor Klimaat en Energie is (samen met de toenmalig
gen zijn gelegen op een afstand van minder dan 4 meter, maar de af-
Een zonneweide betreft geen geluidgevoelig gebouw of terrein. Het uit-
minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en in afstem-
stand tot de woningen vele malen groter is, is nader onderzoek op elek-
voeren van een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
ming met de staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
tromagnetische straling niet noodzakelijk.
op 21 april 2023 een herijkt voorzorgsbeleid aan gemeenten, provincies en netbeheerders gezonden inzake de gezondheidsrisico’s van mag-
Gelet op de relatief ruime afstand van woningen tot het plangebied zal
neetvelden1. De kern van het herijkte voorzorgbeleid voor magneetvel-
er voor de omliggende woningen geen verslechtering plaatsvinden van
den is dat met de netbeheerders is afgesproken dat deze bronmaatre-
het woon- en leefklimaat.
gelen gaan treffen om de sterkte en grootte van magneetvelden zo veel
5.7.1.3 Conclusie Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 5.7.2
Milieuzonering van zonnepark
5.7.2.1
Toetsingskader
mogelijk te beperken. Het beleidsadvies is erop gericht om zoveel als re-
5.6.3
delijkerwijs mogelijk te voorkomen dat mensen langdurig worden bloot-
Vanuit het milieuaspect elektromagnetische straling is er sprake van een
wen in hoeverre een gewenste ontwikkeling inpasbaar is in de omgeving
gesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van elektriciteitsinfrastruc-
evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
voor wat betreft het aspect geluid. Wanneer een milieubelastende func-
tuur en die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla2. De
Conclusie
Onderzoek
5.7
Geluid
5.7.1
(spoor)wegverkeer
van 0,4 microtesla komen. Het is een waarde uit voorzorg, die alleen
5.7.1.1
Toetsingskader
van toepassing is bij bovengrondse hoogspanningslijnen. Daarnaast
Geluid door (spoor)wegen
wordt in het advies geadviseerd om bij een ligging nabij een boven-
Het Bkl bevat geluidsregels voor onder meer (spoor)wegen. De regels
grondse hoogspanningslijnen een magneetveldzone te berekenen. Op
voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen
basis van deze berekening kan worden bekeken hoeveel gevoelige be-
geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing
stemmingen in de magneetveldzone liggen.
van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe ge-
waarde van 0,4 microtesla geldt als gemiddelde voor een heel jaar. Tijdens dat jaar kan de veldsterkte regelmatig boven en onder de waarde
luidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. 5.6.2
Onderzoek
Uit onderzoek van het RIVM3 over gezondheid en elektromagnetische
Geluidsgevoelige gebouwen
velden als gevolg van de aanwezigheid van transformatorstations is ge-
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 van
concludeerd dat de sterkte van de velden afneemt wanneer de afstand
het Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte
tot de bron groter wordt. Uit het onderzoek blijkt dat 0,4 μT (jaargemid-
van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie
delde) wordt bereikt op een afstand van 1,5 tot 4 meter van het transfor-
heeft.
matorstation. Dit wordt door de Rijksoverheid als grenswaarde aangeno-
In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te beschou-
tie mogelijk wordt gemaakt, dient te worden beschouwd in hoeverre sprake is van een acceptabele geluidssituatie ter plaatse van omliggende geluidsgevoelige objecten. Bij individuele milieubelastende functies, niet zijnde geluidsgezoneerde industrieterreinen, wordt het relevante toetsingskader gevormd door de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2023’ van de VNG. 5.7.2.2
Onderzoek
Een zonnepark is een milieubelastende functie die zorgt voor de productie van geluid. Dit heeft te maken met de aanwezige transformatoren en het EOS. Daarom zal moeten worden verkend in hoeverre sprake is van een acceptabele geluidssituatie ten opzichte van omliggende geluidsgevoelige objecten ten aanzien van geluid afkomstig van de zonneweide en bijbehorende installaties. Aangezien wordt voldaan aan de richtafstanden (o.a. voor geluid) ten opzichte van omliggende milieugevoelige functies, is het niet noodzakelijk een akoestisch onderzoek industrielawaai uit te voeren. Voor een verdere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (activiteiten en milieuzonering).
1 2 3
https://www.kennisplatform.nl/verschil-tussen-limiet-100-microtesla-grens-0-4-microtesla/ https://www.infomil.nl/publish/pages/86406/beleidsadvies_vrom_2005_1.pdf https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/609300011.pdf
Zonneweide Kloosterstraat
25
Geurgevoelige gebouwen en locaties
5.9
Gezondheid
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect ge-
Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig ge-
5.9.1
Toetsingskader
luid (industrielawaai).
bouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de vol-
Gezondheid is een thema dat onderdeel uitmaakt van de belangenafwe-
gende functies onderbrengt:
ging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan loca-
a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
ties binnen de fysieke leefomgeving. Binnen de Omgevingswet hebben
b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambi-
c.
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties
ties en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten zoals de
daarvan;
omgevingsvisie, omgevingsverordening en programma's.
5.7.2.3
Conclusie
5.8
Geur
5.8.1
Toetsingskader
Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl ‘Geur’, onderdeel van paragraaf 5.1.4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroor-
d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
zaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties. Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur onderzocht te worden;
indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten.
indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van bestaande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten.
5.9.2
Onderzoek
De gemeente heeft nog geen integrale Omgevingsvisie of specifiek geEchter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen,
zondheidsbeleid met het oog op de fysieke leefomgeving vastgesteld.
zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geur-
Wel heeft de gemeente, in samenwerking met diverse partners, het pro-
gevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van men-
gramma Samen Gezond ‘s-Hertogenbosch opgezet, met onder meer het
sen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3
doel te zorgen voor een leefomgeving die uitnodigt om vaker gezonde
Bkl een nog niet bestaand gebouw, dat mag worden gebouwd op grond
keuzes te maken.
van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw be-
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een zonneweide, waar-
schouwd.
mee een duurzame energievoorziening wordt gerealiseerd. De realisatie van duurzame energievoorzieningen draagt bij aan een reductie (in de
Geurveroorzakende activiteiten
5.8.2
Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geur-
Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl wordt voor onderhavig project geen geur
daarmee gepaard gaande schadelijke gezondheidseffecten, die door
belasting of afstand acceptabel wordt geacht:
veroorzakende activiteit noch geurgevoelig gebouw gerealiseerd. Er is
niet-duurzame energievoorzieningen (kunnen) worden veroorzaakt. Een
Onderzoek
vorm van emissies voor het opwekken van energie) van vervuiling en
zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2);
zonnepark heeft zelf ook geen gezondheid beperkende werking. De
dan ook geen sprake van langdurig verblijf. Tevens produceert het plan-
houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf
voornemen geen geur. Nader onderzoek naar het aspect geur is niet
transitie naar duurzame energievoorzieningen draagt dus ook bij aan
5.1.4.6.3);
noodzakelijk.
het creëren van een gezonde leefomgeving. Ook het omzetten van land-
enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4).
bouwgrond naar een zonnepark met bijbehorende groenvoorzieningen
Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen
5.8.3
waarden en afstanden toegekend, enkel de algemene bepalingen van
Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig project.
Conclusie
past in dit beeld en betekent onder meer een reductie van geurhinder. De realisatie van voldoende groen en waterberging in en rondom de
subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen
zonneweide past eveneens bij het bereiken van een gezondere fysieke
dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze
leefomgeving, in de vorm van emissies voor het opwekken van energie.
activiteiten op geurgevoelige gebouwen.
Zonneweide Kloosterstraat
26
5.9.3
Conclusie
Levensduur en hergebruik: Het ontwerpen van gebouwen met een
worden de waarden waaraan voldaan dient te worden bepaald aan de
Het initiatief levert een bijdrage aan het bereiken van een gezonde fy-
lange levensduur en de mogelijkheid tot aanpassing of hergebruik
hand van de gebruiksfuncties van het bouwwerk.
sieke leefomgeving.
van materialen om de hoeveelheid afval te verminderen.
5.10
Duurzaamheid
5.10.1
Toetsingskader
Duurzaamheid is een steeds belangrijker wordende kwestie voor onze samenleving. Het gaat hierbij om de manier waarop we omgaan met onze natuurlijke omgeving en hoe we ervoor zorgen dat we deze niet uitputten voor onze toekomstige generaties. Er bestaat geen vast omschrijving of definitie voor de term duurzaamheid. Over het algemeen wordt met duurzaamheid een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere delen van de wereld in gevaar te brengen bedoeld. Duurzaamheid is een aspect dat zowel op de korte termijn als lange termijn toegepast dient te worden. Er spelen diverse trends en ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid binnen nieuwbouw. Duurzaamheid bij nieuwbouw verwijst naar het ontwerpen, bouwen en onderhouden van gebouwen op een manier die zo min mogelijk impact heeft op het milieu. Tegelijkertijd ook efficiënt en gezond is voor de mensen die erin wonen of werken. Duurzaamheid is dus een breed begrip en omvat verschillende aspecten:
Energie-efficiëntie: het verminderen van energieverbruik door gebruik te maken van duurzame energiebronnen, zoals zonne-energie of windenergie.
Materialen: Het gebruik van duurzame en milieuvriendelijke materialen, zoals gerecyclede of hernieuwbare materialen.
Gezondheid en comfort: het creëren van een gezonde binnen omgeving met goede ventilatie, natuurlijke verlichting en materialen die de binnen kwaliteit verbeteren.
In het Bbl staat beschreven dat een woonfunctie een milieuprestatie De focus op duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkelingen is belangrijk om
moet hebben van maximaal 0,8 bepaald volgens de bepalingsmethode
de ecologische voetafdruk van de bouwsector te verminderen, een sec-
van de MPG. Hoe lager de score is, des te beter het pand scoort op
tor die historisch gezien veel grondstoffen verbruikt en bijdraagt aan ver-
duurzaamheid.
vuiling van het klimaat. Tot slot geeft het Bbl ook regels over de laadinfrastructuur van elektriDe eisen met betrekking tot duurzaamheid zijn opgenomen in afdeling
sche auto. Deze regels zorgen ervoor dat er voldoende leidingdoorvoe-
4.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Van belang zijn de
ren zijn voor eventuele oplaadpunten.
BENG normen en de MPG waarden. 5.10.2
Onderzoek
BENG Normen
Met onderhavig initiatief wordt er een nieuw zonnepark mogelijk ge-
BENG staat voor Bijna energie neutrale gebouwen, en zijn geformuleerd
maakt. De realisatie van deze duurzame ontwikkeling zal logischerwijs
met het doel om de CO2 uitstoot van nieuwbouw terug te dringen.
energie neutraal worden opgeleverd. Een zonnepark draagt op krach-
Er zijn drie verschillende manieren waarin BENG tot uitdrukking komt.
tige wijze bij aan duurzaamheid doordat het op grote schaal schone
Dit zijn de volgende:
energie opwekt zonder het milieu te belasten. Door een uitgestrekt ge-
BENG 1-eis: Terugbrengen van de energiebehoefte.
bied te benutten voor zonnepanelen kan het zonnepark, met een ver-
BENG 2-eis: Beperken van het fossiele energiegebruik (Bijvoor-
wachte opwek van ruim 8.000 MWh aan duurzame energie op jaarbasis,
beeld Gas en olie).
2.400 huishoudens van elektriciteit voorzien, zonder dat daarbij CO₂ of
BENG 3- eis: Benutten van hernieuwbare energie.
andere schadelijke stoffen vrijkomen. Dit maakt het een effectief alterna-
tief voor fossiele energiebronnen, die niet alleen eindig zijn, maar ook Naast deze drie eisen is er nog één aanvullende eis die van belang is
bijdragen aan klimaatverandering en luchtvervuiling. Bovendien zal het
met name in samenhang met klimaatadaptatie, dit is de indicator voor
zonnepark goed geïntegreerd worden in het landschap waardoor het
verlaging van het risico op oververhitting van gebouwen genaamd TO-
niet alleen energie oplevert, maar ook ecologische waarde kan toevoe-
Juli).
gen.
De BENG eisen gelden alleen voor nieuwbouw, bestaande bebouwing
5.10.3
hoeft dus niet aan deze eisen te voldoen.
Het initiatief houdt rekening met en levert een bijdrage aan het aspect
Conclusie
duurzaamheid. MPG Waarden MPG staat voor Milieuprestatie gebouwen. Een MPG berekening toont aan wat de milieu impact van een nieuw te bouwen bouwwerk is. Zo
Zonneweide Kloosterstraat
27
5.11
Lichthinder
gemaakt, die tot lichthinder voor de omgeving leiden. Daarmee vormt dit
5.13
Luchtkwaliteit
5.11.1
Toetsingskader
aspect geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.13.1
Toetsingskader
Er zijn diverse locaties met kunstmatige verlichting, waaronder (auto-
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter be-
snel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuin-
5.11.3
bouwbedrijven en sportterreinen.
Vanuit het milieuaspect lichthinder is er sprake van een evenwichtige
opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden
toedeling van functies aan locaties.
zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht
Conclusie
Deze verlichting kan verschillende negatieve effecten veroorzaken. Zo
scherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels
voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
kunnen mensen hinder ondervinden wanneer ze zich niet kunnen ont-
5.12
Lichtreflectie
trekken aan het aanwezige kunstlicht, terwijl ze daar wel behoefte aan
5.12.1
Toetsingskader
hebben, bijvoorbeeld om te kunnen rusten of slapen. Licht van objecten
Zonnepanelen worden vaak in verband gebracht met reflectie van licht.
De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aan-
langs (rijks)wegen, zoals een reclamezuil, kan ook hinder veroorzaken
Moderne zonnepanelen hebben echter niet veel reflecties om de een-
dachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concen-
en daarmee onveilige situaties creëren. Verder kan kunstmatige verlich-
voudige reden dat licht dat gereflecteerd wordt niet effectief is voor het
traties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10
ting in de nacht het gedrag van dieren beïnvloeden, met mogelijke ge-
opwekken van elektriciteit.
staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor
volgen zoals desoriëntatie, afstoting of aantrekking, wat kan leiden tot uitputting en sterfte. Kunstmatige verlichting kan ook fungeren als barrière voor dierlijke verplaatsingen. Deze negatieve effecten hebben niet alleen individuele gevolgen maar kunnen ook de instandhoudingsdoelstellingen van bepaalde soorten aantasten. Daarnaast kan kunstmatige
alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een 5.12.2
Onderzoek
Zorgvuldigheidshalve is voor onderhavig project een reflectie-onderzoek
ten in een open landschap tot wel 5 à 10 kilometer en boven zee tot maximaal 15 kilometer.
nomen in bijlage 7.
Het Bkl bevat daarom geen Rijksinstructieregels voor lichthinder, met uitzondering van rijksregels voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen, opgenomen in artikel 4.790 van het Bal. 5.11.2
hinderlijke reflectie ondervonden bij de keuze voor licht getextureerd glas met anti-reflectiecoating. Wenselijk voor de verkeersveiligheid is dat geen reflectie wordt waargenomen. Er is een kleine hoeveelheid reflectie die tot hinder kan leiden, maar die is verwaarloosbaar klein. Zonneweide Kloosterstraat zal daardoor niet voor problemen ten aanzien van
In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich de rijksweg A2, die een bron van lichthinder voor de omgeving betekent. In het project-
Niet in betekende mate altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
eventuele reflectie zorgen. 5.12.3
Onderzoek
men (artikel 5.51 Bkl).
De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtsgebied vindt niet Uit het onderzoek blijkt dat op geen van de onderzochte routes wordt
alle reflectie in het groene bereik van de modeluitkomsten ligt, of dat er Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen.
aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht ne-
uitgevoerd vanwege de ligging direct nabij de A2. Dit onderzoek is opge-
verlichting leiden tot horizonvervuiling of het verminderen van de donkerte op grotere afstanden, zoals het zichtbaar zijn van verlichte objec-
Aandachtsgebieden
Conclusie
Het aspect lichtreflectie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’
gebied zelf zijn geen functies en voorzieningen aanwezig, die lichthinder
vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet
veroorzaken. Onderhavig initiatief maakt geen nieuwe functies mogelijk
wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het
die gevoelig zijn voor lichthinder. Ook worden er geen functies mogelijk
Zonneweide Kloosterstraat
28
Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet bin-
5.14
Natuur en landschap
alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezen-
nen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detail-
5.14.1
Toetsingskader
lijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan
berekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt
Wettelijke gebiedsbescherming
overschreden.
De Omgevingswet heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrek-
met mitigerende maatregelen.
king op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelricht-
Houtopstanden
grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening vol-
lijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als
De bescherming van houtopstanden, conform Omgevingswet, heeft be-
doende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een een-
Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van pro-
trekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of
voudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt
jecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, die-
struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting
aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als
nen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een
die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom
aanvulling op de NIBM-tool.
voortoets. Projecten en activiteiten die een significant negatief effect
(bebouwingscontour houtkap). Wanneer houtopstanden worden geveld,
hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn ver-
niet vallende onder artikel 11.111, lid 2 Bal, geldt een meldingsplicht bij
Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit
gunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te ver-
Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 11.126 Bal).
Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via
wachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In
Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht ar-
het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).
dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, be-
tikel 11.129 Bal om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de
perkt, of ongedaan gemaakt worden.
houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten.
2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-
5.13.2
Onderzoek
Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstan-
In dit geval is er sprake van het oprichten van een zonneweide. Een
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
den die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
zonneweide kent een zeer lage verkeersaantrekkende werking. Er zal
Conform artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedepu-
Onder de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor houtop-
uitsluitend sprake zijn van sporadisch verkeer ten behoeve van onder-
teerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instand-
standen (artikel 11.116 Bal). Indien natuurbescherming, instandhouding
houd, controle en beheer. Op voorhand kan daarom met zekerheid wor-
houding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd
bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt,
den gesteld dat het initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de ver-
‘Natuur-netwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebie-
geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken
slechtering van de luchtkwaliteit. Omdat er geen sprake is van een ge-
den aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland
of ongedaan te maken, of achterwege te laten.
voelige functie, is een onderzoek naar de achtergrondwaarden in het ka-
(NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen
der van het woon- en leefklimaat niet aan de orde. Het projectgebied ligt
natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes
Soortenbescherming
bovendien niet binnen een aandachtsgebied luchtkwaliteit.
van het Natuurnet-werk loopt via het traject van de provinciale ruimte-
Conform de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een ‘activiteit
lijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Bra-
met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of
bant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecolo-
planten’. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten, en
Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige
gische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe
hiervoor geldt de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Er geldt een ver-
toedeling van functies aan locaties.
mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kern-
gunningsplicht wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd zo-
gebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszo-
als beschreven in paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal.
5.13.3
Conclusie
nes met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn
De Ow heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere
Zonneweide Kloosterstraat
29
en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal
tuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige ge-
Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als ge-
vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:
volgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen pre-
volg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.
Vogels (artikel 11.37 Bal);
ventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te
Europees beschermde soorten (artikel 11.46 Bal);
voorkomen.
Nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal).
Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens zowel de gebruiksfase
Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes
als de aanlegfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voor-
Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bij-
voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft
hand worden uitgesloten. Derhalve is er een stikstofdepositieberekening
lage A en B’ van de Ow (Bijlage IX onder A en B Bal). Beschermde
op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken
uitgevoerd welke is opgenomen in de bijlage. Uit vervolgonderzoek met
soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de
te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet
een AERIUS-berekening zijn bij zowel de aanleg- als de gebruiksfase