6. Bijlage Technische uitgangspunten begroting 2024
Tekst van het document
Bijlage 6 Technische uitgangspunten begroting 2024 Loonkostenontwikkeling Het loonkostenniveau is gebaseerd op de huidige cao, de salaristabellen vanaf januari 2023. De huidige cao loopt tot en met 31 december 2023. Voor de cao-ontwikkelingen in de periode januari 2024 t/m december 2024 hebben wij rekening gehouden met een loonstijging van: 4,0% per 1 januari 2024 (raming). Het gemiddelde percentage sociale lasten in de begroting 2024 is 28,87% (primitieve begroting 2023 29,98%). Voor de begroting 2024 is rekening gehouden met het vervallen van de premie voor voorwaardelijk pensioen en een stijging van de premie van het OP/NP pensioen. De overige premies laten wisselend lichte stijgingen en dalingen zien. Het loonkosten niveau in de begroting 2024 komt per saldo 7,34% hoger uit dan in de primitieve begroting 2023. Prijsontwikkeling Doorwerking voorgaande jaren 2024 Per saldo
+ 5,4% + 3,2% + 8,6%
Het percentage voor 2024 is overgenomen uit het Centraal Economisch Plan 2023 in de Maartraming 9 maart 2023. *De prijsontwikkeling uit het Centraal Economisch Plan 2023 wordt gecorrigeerd voor de prijsstijging energie. Deze zal separaat via de Actualisatie 2023 worden verwerkt. Bijgestelde loonkosten- en prijsontwikkeling gesubsidieerde instellingen Vanaf 2000 wordt met betrekking tot de loonontwikkeling het indexcijfer “Cao-loon bedrijven” (voorheen contractloon bedrijven) toegepast. De percentages zijn overgenomen zoals in het Centraal Economisch Plan 2023 in de Maartraming van 9 maart 2023 CPB vermeld. Voor de gesubsidieerde sector leidt het vorenstaande en de gangbare systematiek tot het volgende uitgangspunt: Correctie voorgaande jaren +/+ 1,8% Algemene loonontwikkeling 2024 5,0% Totaal 6,8% Voor alle subsidies (niet-betreffende de subsidies loonkosten) geldt dat de prijsontwikkeling 2024 gevolgd kan worden (inclusief correctie voorgaande jaren, maar exclusief correctie energiestijging), de toegestane indexering bedraagt dus 9,6%. Renteontwikkeling Het renteomslag percentage blijft gelijk, 0,75%. Tarieven belastingen, leges en heffingen Het gewogen indexcijfer bedraagt 8,47% (½ x 9,6% + ½ x 7,34%). Dit betekent dat de woonlasten enkel worden verhoogd met een inflatiecorrectie.
Onder woonlasten verstaan we de onroerend zaakbelasting, de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. Conform het uitgangspunt stijgt de OZB met 8,47%, wel rekening houdend met eventuele stijging van de WOZ-waarden. Voor zowel de afvalstoffen- als de rioolheffing worden, naast de toegestane indexering, uiteraard de kosten van eventuele autonome ontwikkelingen via het tarief omgeslagen, uitgaande van 100% kostendekking. Voor de berekening van de tarieven wordt uitgegaan van 1,5% rente toerekening aan de betreffende activa, hetgeen aansluit bij de daadwerkelijke rentekosten van de gemeente op haar financiering afgerond op een half procent. Uitgangspunten sociale domein Sinds de invoering van de decentralisaties in 2015 wordt er gestreefd naar een duurzaam evenwicht tussen de bestedingen in het sociaal domein en de daarvoor beschikbare rijksmiddelen. Doordat het Rijk de decentralisatie-uitkeringen in 2018 heeft ondergebracht in de algemene uitkering van het gemeentefonds is die rechtstreekse relatie komen te vervallen. Vanaf dat moment hebben we de budgetten bepaald op basis van meer algemene parameters van het gemeentefonds. Door de herijking van het gemeentefonds in 2023, en de daarmee gepaard gaande veranderingen in de parameters, is dat niet langer mogelijk.
Dat betekent dat we een andere manier moeten vinden om de budgetten, en de jaarlijkse aanpassing (indexering en volume-effect) voor de jeugdhulp, Wmo en participatiewet (exclusief de uitkeringen) te bepalen. Voor de overige budgetten binnen onze begroting passen wij in de meeste gevallen jaarlijks een indexering toe, conform de uitgangspunten voor loon- en prijsontwikkeling. Deze indexeringen stelt uw altijd in de voorjaarsnota vast. Zo ook dit keer.
De hoogte van de budgetten kan daarnaast wijzigen als gevolg van autonome ontwikkelingen. Vanaf de begroting 2024 zullen wij de budgetten in het sociaal domein jaarlijks eveneens aanpassen op basis van indexcijfers. Daarbij sluiten we aan bij indexcijfers, zoals die landelijk gehanteerd worden binnen de betreffende onderdelen van het sociaal domein. Voor de Jeugdwet en WMO worden de lonen geïndexeerd op basis van de OVA index (Overheidsbijdrage voor Arbeidskostenontwikkeling) en de materiele kosten op basis van de PPC index (Prijsindexcijfer Particuliere Consumptie). Voor de Participatiewet gaan we uit van o.a. de ontwikkeling Wettelijk Minimum Loon, de CAO Sociaal Werk en CAO Aan de Slag. Ten behoeve van de begroting 2024 werken wij dit verder uit. Bij het bepalen van de hoogte van de budgetten voor het sociaal domein in de begroting 2024 nemen we ook het effect van verwachte toe- en afnamen van de aantallen cliënten mee. Met het doel om de beschikbare middelen voor het sociaal domein te behouden is in 2015 de reserve sociaal en zorgfonds ingesteld. De herijking van het gemeentefonds roept ook de vraag op of dat aanpassingen vraagt ten aanzien van de reserve sociaal en zorgfonds. Het college onderzoekt op dit moment de mogelijkheden en biedt bij de begroting 2024 hiervoor een voorstel aan u aan.