4. Bijlagen deel 2 Vinkelsestraat 135, 139 en 139a Vinkel
Tekst van het document
pagina 8 van 14
documentkenmerk: 1901/141/JOW-07, versie 3
3.2 Oppervlaktewateren Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ten zuiden van het plangebied ligt de Grote Wetering.
3.3 Bodem Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat voor de Vinkelsestraat 135 en 139 grotendeels geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden en is er geen sprake van bodemverontreiniging. De bodemopbouw van de planlocaties bestaat tot 23 m-mv uit een zandige eenheid, bestaande uit matig fijn tot fijn zand, weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind. Vanaf 23 tot 46 m-mv bestaat de bodem hoofdzakelijk uit grof zand, grind en middencategorie zand, weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken. Vanaf 46 tot 75 m-mv bestaat de bodem uit grof en middencategorie zand, weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei. De maaiveldhoogte bedraagt ongeveer 6,1 meter +NAP. Er zijn in de bodem op de locatie Vinkelsestraat 139a plaatselijk verhoogde asbestconcentraties aangetoond. Deze liggen echter beneden de helft van de interventiewaarde. De aangetroffen lichte verontreinigingen in de grond kunnen hierdoor echter bij grondafvoer beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond omdat dan veelal andere normen gelden. De bodemopbouw in dit deel van Vinkel is te typeren volgens de infiltratiekaart van de provincie Noord-Brabant als ‘meestal kwel’.
Doordat in kwelgebieden een constante aanvoer van grondwater is, kennen deze gebieden weinig bergingsmogelijkheden in de bodem en zijn ze gevoelig voor (grond)wateroverlast. Derhalve zijn er in deze gebieden weinig infiltratiemogelijkheden. Voor onderhavig plangebied geldt dat de extreme neerslag met name in de zomer optreedt. In deze periode zal de grondwaterstand relatief laag zijn. Derhalve valt grondwateroverlast niet te verwachten.
pagina 9 van 14
documentkenmerk: 1901/141/JOW-07, versie 3
4.1 Afvoer hemelwater Conform het beleid van zowel gemeente als waterschap dient de uitbreiding van het verhard oppervlak hydrologisch neutraal te zijn. In onderhavige situatie is er echter sprake van een afname van verhard oppervlak zodat er geen compensatie is benodigd. In de toekomstige situatie zal er minder waterafvoer uit het gebied plaatsvinden dan in de huidige situatie. De ontwikkeling voldoet aan de vereisten van de gemeente om hydrologisch neutraal te ontwikkelen. Omdat er geen toename van het verhard oppervlak is, geldt vanuit de Keur geen verplichting om hemelwater te bergen c.q. te infiltreren (compensatie verplichting). De gemeente is het bevoegd gezag. Het gemeentelijk beleid is erop gericht dat hemelwater zoveel mogelijk ter plaatse te verwerken door middel van het aanleggen van infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen binnen de perceelgrenzen. Vinkelsestraat 135 In het plangebied wordt een inrit met drie parkeerplaatsen gerealiseerd. De woonboerderij en het woongebouw blijven behouden. De totale toegevoegde en/of vervangen verharding bedraagt hiermee 279 m². Er dient daarmee 16,74 m³ geborgen te worden. Op locatie zijn enkele groenvoorzieningen al aanwezig die behouden zullen blijven, zoals een haag, een afrastering met bomen, een bestaande struwelenhaag en een houtsingel.
Op locatie zijn enkele groenvoorzieningen al aanwezig die behouden zullen blijven, zoals een haag, een afrastering met bomen, een bestaande struwelenhaag en een houtsingel. Er zou gedacht kunnen worden aan het toepassen van groene daken; het design van de daken leent zich echter hier niet voor. Voor de terreinverharding (inclusief de parkeerplaatsen) zou gebruik gemaakt kunnen worden van halfverharding om het water te infiltreren. In het groen zou verder gedacht kunnen worden aan tijdelijke regenwaterbuffers. Daarnaast bergen de beplanting op het terrein alsmede eventueel lager gelegen delen mogelijk hemelwater. Naast de bebouwing zouden watervasthoudende plantenbakken of regentonnen gebruikt kunnen worden om het hemelwater mee vast te houden.
Figuur 4: de verdieping van de oude greppel
Er wordt echter gekozen om de ten zuiden van het plangebied liggende oude greppel opnieuw uit te diepen om het water van de daken en verharding op te vangen en te laten infiltreren.
pagina 11 van 14
documentkenmerk: 1901/141/JOW-07, versie 3
Door op deze manier het vasthouden en afvoeren van hemelwater in het plangebied te verwerken voorziet het plan in het uitgangspunt ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’. Uiteraard kan er voorts voor een combinatie van oplossingsrichtingen worden gekozen indien de verdieping niet toereikend genoeg wordt bevonden. De exacte locatie, dimensionering en uitwerking van de maatregelen is in samenspraak met de gemeente 's-Hertogenbosch bepaald (zie figuur 4). De definitieve voorzieningen dienen bij de aanvraag van de omgevingsvergunningen op tekening te worden gezet (locatie en maten) met daarbij de hemelwateropgave. Voor alle oplossingsrichtingen geldt sowieso dat het vuilwater naar het gemeentelijk riool in de straat wordt afgevoerd. Hier mag geen (overtollig) hemelwater op worden afgevoerd. Het (overtollig) hemelwater wordt volledig op eigen terrein verwerkt. Vinkelsestraat 139 De Vinkelsestraat 139 kent een al bestaande inrit, alsmede een bestaand woonhuis en een bestaand bijgebouw waar niks aan veranderd wordt. Op de bestaande inrit worden twee parkeerplaatsen gerealiseerd. Er wordt geen verharding toegevoegd of vervangen zodat een compensatieverplichting niet aan de orde is. Vinkelsestraat 139a In de huidige situatie staat op het perceel bebouwing die gesloopt zal worden.
In plaats hiervan worden twee gebouwen op het terrein gerealiseerd, alsmede 3 parkeerplaatsen en terreinverharding. Er wordt gedacht aan het aanleggen van een hemelwaterretentie en -infiltratie op eigen terrein. De bebouwing zal circa 413 m² bedragen. De terreinverharding (inclusief parkeerplaatsen) zal circa 134 m² groot zijn. Dit betekent dat op het perceel 60 mm per m2 totale toename en vernieuwing van verharding geborgen moet worden. De totale verharding bedraagt 547 m², waardoor er 32,82 m³ dient te worden geborgen. Het inpassingsplan benoemt mogelijkheden om aan deze waterbegingseis te voldoen. De inrit is bij voorkeur van halfverharding van ‘Padvast’ of een andere waterdoorlatende steen. Er is verder veel groen aanwezig op het terrein met onder andere solitaire bomen en een beukenhaag. De gemeente bemoedigt het gebruik van groene elementen op daken. De design van de daken maken het gebruik van deze elementen echter niet goed mogelijk. Naast de bebouwing zouden watervasthoudende plantenbakken of regentonnen gebruikt kunnen worden om het hemelwater mee vast te houden. In het groen zou verder gedacht kunnen worden aan tijdelijke regenwaterbuffers, in de vorm van een wadi en/of verlagingen in het groen. Daarnaast bergen de beplanting op het terrein alsmede eventueel lager gelegen delen mogelijk hemelwater.
Figuur 5: de zaksloot
pagina 12 van 14
documentkenmerk: 1901/141/JOW-07, versie 3
Er wordt echter gekozen om de een zaksloot aan te leggen in het westelijke deel van het plangebied. Door op deze manier het vasthouden en afvoeren van hemelwater in het plangebied te verwerken voorziet het plan in het uitgangspunt ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’. Uiteraard kan er voorts voor een combinatie van oplossingsrichtingen worden gekozen indien de zaksloot niet toereikend genoeg wordt bevonden. De exacte locatie, dimensionering en uitwerking van de maatregelen is in samenspraak met de gemeente ’s-Hertogenbosch bepaald (zie figuur 5). De definitieve voorzieningen dienen bij de aanvraag van de omgevingsvergunningen op tekening te worden gezet (locatie en maten) met daarbij de hemelwateropgave. Voor alle oplossingsrichtingen geldt sowieso dat het vuilwater naar het gemeentelijk riool in de straat wordt afgevoerd. Hier mag geen (overtollig) hemelwater op worden afgevoerd. Het (overtollig) hemelwater wordt volledig op eigen terrein verwerkt. Door op voornoemde wijze het vasthouden en afvoeren van hemelwater in het plangebied te regelen, voorziet het plan in het uitgangspunt ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’.
4.2 Aandachtspunten Extreme neerslag Wateroverlast vanwege extreme buien wordt voorkomen door bij het bepalen van het bouwpeil van de nieuwe woningen te zorgen voor het hiervoor noodzakelijke hoogteverschil met de omliggende infrastructuur. Extreme neerslag zal derhalve dan niet meteen tot natte voeten leiden. Materiaalgebruik De gemeente streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink en lood) om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat deze het vrijkomende regenwater niet onnodig vervuild en daarom geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt. In het afwateringssysteem van de daken moeten voorzieningen worden aangebracht om vaste bestanddelen als bladeren, zand, ander sediment en dergelijke achter te houden zodat het systeem niet verstopt raakt of dicht gaat slibben na verloop van tijd. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven, om ze regelmatig te kunnen onderhouden en reinigen. Het is niet toegestaan chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de af te koppelen verharde oppervlakken. Het is in beperkte mate toegestaan tijdens gladheid door bevriezing of sneeuwval zout als gladheidbestrijdingsmiddel op de bestrating en parkeerplaatsen e.d. toe te passen. Een alternatief kan bijvoorbeeld zand zijn.
Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat het systeem blijft functioneren. Ook dienen standleidingen op de juiste manier te worden toegepast zodat voldoende beluchting en ontluchting van de binnenriolering is.
pagina 13 van 14
documentkenmerk: 1901/141/JOW-07, versie 3
5 Eindconclusie Uit het vorenstaande blijkt voor onderhavig plangebied vanuit het beleid van het waterschap dat er geen sprake is van een compensatieverplichting. Uit de hemel- en grondwaterverordening van de gemeente blijkt dat er voor iedere m² verharding die vervangen wordt en/of wordt aangelegd, 60 mm hemelwaterberging per m² dient te worden gerealiseerd. Het plan dient hydrologisch neutraal te worden bewerkstelligd. Voor de Vinkelsestraat 135 en Vinkelsestraat 139a wordt een toename en/of vernieuwing van de verharding gerealiseerd. Ten zuiden van de Vinkelsestraat 135 ligt een oude greppel die gebruikt zal worden om water op te vangen. Voor de Vinkelsestraat 139a wordt gebruik gemaakt van halfverharding. Naast de bebouwing zouden watervasthoudende plantenbakken of regentonnen gebruikt kunnen worden om het hemelwater mee vast te houden. In het groen zou verder gedacht kunnen worden aan tijdelijke regenwaterbuffers, in de vorm van een wadi en/of verlagingen in het groen. Daarnaast bergt de beplanting op het terrein alsmede eventueel lager gelegen delen mogelijk hemelwater. Er zijn voldoende kansen om aan de bergingsopgaven van 16,74 m³ en 32,82 m³ te voldoen. Het plangebied is gelegen in een kwelgebied. Voor onderhavig plangebied geldt echter dat de extreme neerslag met name in de zomer optreedt. In deze periode zal de grondwaterstand relatief laag zijn.
Derhalve valt grondwateroverlast niet te verwachten. De exacte locatie, dimensionering en uitwerking van de maatregelen is in samenspraak met de gemeente ’s-Hertogenbosch bepaald. De definitieve voorzieningen dienen bij de aanvraag van de omgevingsvergunningen op tekening te worden gezet (locatie en maten) met daarbij de hemelwateropgave. Voor alle oplossingsrichtingen geldt sowieso dat het vuilwater naar het gemeentelijk riool in de straat wordt afgevoerd. Hier mag geen (overtollig) hemelwater op worden afgevoerd. Het (overtollig) hemelwater wordt volledig op eigen terrein verwerkt. Het aspect water vormt met het bovenstaande in acht nemende geen belemmering voor het planvoornemen. Wij gaan ervan uit u hiermee op passende wijze van dienst te zijn geweest. Met vriendelijke groet, Tritium Advies B.V.
Junior projectleider RO
pagina 14 van 14
Bijlage 7 QuickScan flora en fauna 2019
Quickscan flora en fauna Vinkelsestraat 135, 139 en 139a Vinkel
documentkenmerk: 1901/141/JOW-01, versie 2
Inhoudsopgave pagina 1
Inleiding
1
2
Bronnenonderzoek
3
2.1
Gebieden
3
2.2
Soorten
5
3
Veldbezoek
6
4
Resultaten
7
4.1
Flora
7
4.2
Vogels
7
4.3
Grondgebonden zoogdieren
8
4.4
Vleermuizen
8
4.5
Amfibieën, reptielen en vissen
9
4.6
Ongewervelden/ overige soorten
9
5
Conclusies
10
5.1
Beschermde gebieden
10
5.2
Soorten
10
5.3
Zorgplicht
11
5.4
Eindconclusie
12
5.5
Advies
12
6
Literatuurlijst
13
Bijlagen 1.
situatietekening plangebied
2.
fotobijlage veldbezoek van 19 februari 2019
documentkenmerk: 1901/141/JOW-01, versie 2
2.2 Soorten Aan de hand van literatuuronderzoek is informatie verzameld over het voorkomen van soorten in de directe omgeving van het plangebied. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van voornoemde zoogdierenatlas en de “Werkatlas amfibieën en reptielen van Noord-Brabant”. In de werkatlas wordt het voorkomen van soorten per kilometerhok aangeduid. In de zoogdierenatlas wordt dit aangegeven per atlasblok, met afmetingen van 5 bij 5 kilometer. Het plangebied is gelegen in de kilometerhokken X:161 / Y:412 en X:161 / Y:413. Aangezien het plangebied slechts een klein gedeelte van de kilometerhokken c.q. het atlasblok beslaat is het niet zeker dat de geregistreerde soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen het plangebied. Uit gegevens van de zoogdieren verspreidingsatlas blijkt dat de volgende zoogdieren of sporen van deze soorten (o.a. in braakballen) in de periode van 1989 tot 2019 zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: bosmuis, ree, huisspitsmuis, laatvlieger, egel, haas, steenmarter, das, aardmuis, veldmuis, huismuis, wezel, bunzing, Amerikaanse nerts, beverrat, rosse woelmuis, rosse vleermuis, muskusrat, konijn, ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, bruine rat, eekhoorn, dwergspitsmuis, mol en vos.
Uit gegevens van de Werkatlas amfibieën en reptielen blijkt dat er in de periode van 1995 tot en met 2004 geen amfibieën en reptielen zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied. In de periode 1990-2019 blijkt uit de gegevens van de NDFF en Ravon dat de volgende soorten zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: gewone pad, kleine watersalamander, bastaardkikker en bruine kikker.
pagina 5 van 13
documentkenmerk: 1901/141/JOW-01, versie 2
3 Veldbezoek Het plangebied is op 19 februari 2019 in de ochtend bezocht. Er was sprake van zonnig, half bewolkt weer, met windkracht 3 Bft en een temperatuur van circa 7 graden Celsius. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk informatie verzameld met betrekking tot de aanwezigheid of afwezigheid van beschermde soorten. De te verzamelen informatie bestaat onder andere uit zichten geluidwaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Op basis van terreinkenmerken is voorts beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Het kan voorkomen dat soorten niet worden waargenomen tijdens het veldbezoek aangezien een quickscan een momentopname betreft. Hierdoor kan slechts in beperkte mate uitsluitsel worden gegeven over de aan- of afwezigheid van soorten. Aan de hand van expert-judgement en bekende ecologische principes zal derhalve een inschatting worden gemaakt over het wel of niet voor kunnen komen van beschermde plant- en diersoorten. Verder is de quickscan geen veldinventarisatie. Veldinventarisaties omvatten meerdere opnamerondes die seizoensgebonden zijn en volgens standaardmethoden worden uitgevoerd. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit twee woningen met agrarische bedrijfsgebouwen en weiland.
Op de planlocatie Vinkelsestraat 135 en op en rond het erf van de Vinkelsestraat 139 bevinden zich verschillende bomen. Buiten de planlocatie staan langs de Vinkelsestraat boomrijen. De in bijlage 2 opgenomen foto’s geven een duidelijk beeld van de huidige situatie van het plangebied.
pagina 6 van 13
documentkenmerk: 1901/141/JOW-01, versie 2
4 Resultaten Onderstaand volgen de resultaten en eerste conclusies van het uitgevoerde veldbezoek in relatie tot het planvoornemen.
4.1 Flora In de maand februari zijn nog enkele soorten planten zichtbaar. Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied echter geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Vanwege de voedselrijke omstandigheden waaruit het plangebied bestaat zijn ook geen beschermde soorten te verwachten. Beschermde soorten komen namelijk vooral voor op voedselarme, kalkhoudende grond. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroep.
4.2 Vogels Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat het plangebied slechts voor een aantal soorten vogels geschikt is als onderdeel van het leefgebied. Binnen het plangebied is bebouwing aanwezig zodat het verloren gaan van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vogels niet is uitgesloten. Het weiland en de aanwezige bomen en struiken kunnen wel dienen als broedgelegenheid. Daarnaast is het gebied geschikt als foerageergebied, echter zullen niet alle vogelsoorten van het gebied gebruik maken. Met name voor weidevogels en vogels die in het “stedelijk gebied” voorkomen zijn binnen en rond het plangebied gunstige biotopen aanwezig. Voor bos-, struweel- en watervogels zijn geen geschikte biotopen aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied aan de Vinkelsestraat 135 twee holenduiven (Columba oenas), één Turkse tortel (Streptopelia decaocto), twee pimpelmezen (Cyanistes caeruleus) en vier vinken (Fringilla coelebs) waargenomen. In één van de te slopen voormalige koeienstallen (nr. 4; zie bijlage 1) werden vier (oude) nesten van de boerenzwaluw (Hirundo rustica) aangetroffen. De boerenzwaluw is een vogelsoort die vaak terugkeert naar hun bestaande nest, maar wel over voldoende flexibiliteit beschikt om indien nodig, elders een nieuw nest te bouwen (categorie 5).
Daarom is deze soort en de verblijfplaatsen hiervan enkel jaarrond beschermd wanneer ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden’ dat rechtvaardigen. In dit geval zijn er voor deze vogel voldoende mogelijkheden in de directe omgeving aanwezig, zoals de te behouden bijgebouwen van omliggende percelen, om een nieuw nest te bouwen. De bestaande nesten van voornoemde soort zijn hierdoor niet jaarrond beschermd. Zowel bij de woning als de stallen werden verder geen andere nesten of sporen van uilen zoals braakballen, krijtsporen, veren, prooiresten of nesten aangetroffen. Op de oostelijke erfgrens van de Vinkelsestraat 139 hangen in de hoge eiken twee nestkasten voor de steenuil (Athene noctua). Hiervan is er één kast bezet door een paartje kauwen (Corvus monedula). De andere kast en de stal (nr. 3) zijn afwisselend in gebruik door een paartje steenuilen. Op het terrein werden tevens een holenduif en een koolmees (Parus major) waargenomen. In de heg naast de woning van de Vinkelsestraat 139 werden tenminste tien huismussen (Passer domesticus) aangetroffen. Deze vogelsoort waarvan de verblijfsplaatsen jaarrond beschermd zijn, maakt vermoedelijk ook gebruik van het pannendak van deze woning. De eerder genoemde stal blijft samen met de woning, de andere bijgebouwen en het omringende pagina 7 van 13
documentkenmerk: 1901/141/JOW-01, versie 2
leefgebied dat o.a. in gebruik is als paardenweide, behouden. Hierdoor blijft het leefgebied van de steenuil en de huismus behouden. In de stal (nr. 5) aan de Vinkelsestraat 139a die goed is afgesloten en nog in gebruik is, zijn geen sporen van uilen aangetroffen. Deze stal bevat geen ruimtes die geschikt zijn als jaarrond beschermde verblijfplaats voor vogels. Ten westen van het plangebied hangt aan de oostelijke buitengevel van een loods aan de Vinkelsestraat 147a een kast voor de kerkuil (Tyto alba) die is geplaatst door de kerkuilenwerkgroep Heesch en Den Bosch. De kerkuilen van deze kast worden af en toe ook jagend door de eigenaar Vinkelsestraat 139 op en rondom haar terrein waargenomen. Zowel binnen het plangebied als in de directe omgeving daarvan zijn verder geen andere nesten aangetroffen. Conclusie: een aantal vogelsoorten zal het plangebied met name benutten als foerageergebied. Dit vormt echter geen belemmering voor het planvoornemen. Het plangebied zal geen essentieel foerageergebied zijn voor deze soorten en het gebied kan bovendien als foerageergebied (tuin of weide) in gebruik blijven. Wel wordt bij de voorgenomen bouw- en sloopwerkzaamheden verwezen naar de in hoofdstuk 5 omschreven werkwijze.
4.3 Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren of voortplantings- en/of verblijfplaatsen van soorten aangetroffen die zijn beschermd volgens de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Voor minder algemene soorten (nationaal beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld in de Wnb), zoals de das (Meles meles), is het plangebied geschikt, echter zijn er geen sporen aangetroffen van de das zoals een burcht, pootafdrukken, vraatsporen of uitwerpselen. Het plangebied kan wel als foerageergebied dienen, echter zal dit geen essentieel foerageergebied zijn. Het plangebied is ook geschikt voor kleine marterachtigen zoals de wezel (Mustela nivalis) en bunzing (Mustela putorius). Hiervan zijn echter ook geen sporen aangetroffen zoals holen, vraatsporen of uitwerpselen. De bunzing houdt vooral van gebieden met oppervlaktewater. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De wezel heeft de voorkeur voor open, droge natuur- en cultuurlandschap met in de omgeving voldoende dekking. De stallen in het plangebied zijn ongeschikt voor deze soort. Het overige terrein in het plangebied blijft behouden.
In de omgeving van het plangebied zijn voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van weilanden, akkers, houtwallen en enkele bosjes om als foerageergebied te dienen voor algemeen voorkomende soorten. Ook zal het plangebied beschikbaar blijven als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroep.
4.4 Vleermuizen Er is bebouwing aanwezig binnen het plangebied zodat de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen niet valt uit te sluiten. Tijdens het veldbezoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. De meeste stallen en schuren die gesloopt zullen worden staan al een tijd leeg. De golfplaten daken zijn enkel laags waardoor er geen kleine ruimtes aanwezig zijn die kunnen dienen als verblijfplaats. Tevens is het er tochtig en de afwezigheid van isolatie zorgt voor grote schommelingen in temperatuur. Hierdoor en ook vanwege het ontbreken
pagina 8 van 13
documentkenmerk: 1901/141/JOW-01, versie 2
van een spouw zijn deze gebouwen ongeschikt als vaste verblijfsplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. De woningen aan de Vinkelsestraat 135 en 139 blijven behouden. In de bomen, aanwezig binnen en op de grens van het plangebied, zijn geen geschikte holtes of scheuren aanwezig die dienst kunnen doen als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Ook zijn er geen sporen zoals ontlasting of vraatsporen in de vorm van vlindervleugels gevonden. Mogelijk zal het plangebied gebruikt worden als foerageergebied door vleermuizen. Het is echter geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen omdat in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn zoals de tuinen en de aanwezige weilanden, akkers, houtwallen en bosjes in de omgeving van het plangebied. Vleermuizen maken gebruik van vliegroutes om zich te verplaatsen van verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Hiervoor worden lange, aaneengesloten bomenrijen en andere lijnvormige landschapsstructuren zoals heggen en houtwallen gebruikt. De bomen in het plangebied vormen echter geen aaneengesloten bomenrijen. De bomen aan Vinkelsestraat (buiten het plangebied) die aansluiten op andere boomrijen in de omgeving blijven behouden. Deze bomen kunnen dienst blijven doen als vliegroute. Conclusie: er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied.
Mogelijk wordt er door vleermuizen gefoerageerd binnen en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. Indien de bouw- en sloopwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden, is een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Een nader onderzoek naar vleermuizen is derhalve niet aan de orde.
4.5 Amfibieën, reptielen en vissen Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde amfibieën en reptielen aangetroffen en zijn er geen sporen van deze soortgroepen aangetroffen binnen het plangebied. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezigheid van (beschermde) vissen kan derhalve worden uitgesloten. Eveneens is het plangebied ongeschikt voor beschermde amfibieën vanwege het ontbreken van geschikt voortplantingswater. Conclusie: er komen noch vissen noch beschermde soorten reptielen en amfibieën voor in het plangebied. De eventuele aanwezigheid van algemeen voorkomende soorten reptielen en amfibieën zoals bijvoorbeeld de gewone pad en bruine kikker vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.6 Ongewervelden/ overige soorten Beschermde soorten ongewervelden en overige soorten zijn niet waargenomen en ook niet te verwachten binnen het plangebied. Beschermde soorten stellen specifieke eisen aan een biotoop en gezien de afwezigheid van oppervlaktewater en de aanwezige beplanting is het plangebied voor veel soorten niet geschikt. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.
pagina 9 van 13
documentkenmerk: 1901/141/JOW-01, versie 2
5 Conclusies Doel van het onderhavige onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving.
5.1 Beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. De provincie Noord-Brabant hanteert geen externe werking als het gaat om NNB. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is met circa 12 kilometer op relatief grote afstand gelegen. Gezien deze afstand en de aard van de ingreep, sloop van een deel van de agrarische bebouwing en de bouw van een nieuwe woning, valt een significant negatief effect niet te verwachten. Door de opheffing van een veehouderijbedrijf zal tevens de ammoniakuitstoot vervallen en naar verwachting juist een vermindering van de stikstofdepositie optreden.
5.2 Soorten Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde soorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Er zijn twee jaarrond beschermde vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Op de oostelijke erfgrens van de Vinkelsestraat 139 hangen in de hoge eiken twee nestkasten voor de steenuil (Athene noctua). Hiervan is er één kast bezet door een paartje kauwen (Corvus monedula). De andere kast en de stal (nr. 3) zijn afwisselend in gebruik door een paartje steenuilen. Aan de Vinkelsestraat 139 werden tenminste tien huismussen (Passer domesticus) aangetroffen.
Deze vogelsoort waarvan de verblijfsplaatsen jaarrond beschermd zijn, maakt vermoedelijk ook gebruik van het pannendak van deze woning. De eerder genoemde stal blijft samen met de woning, de andere bijgebouwen en het omringende leefgebied dat o.a. in gebruik is als paardenweide, behouden. Hierdoor blijft het leefgebied van de steenuil en de huismus behouden. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden.
pagina 10 van 13
documentkenmerk: 1901/141/JOW-01, versie 2
Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden.
In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van weilanden en akkers en tuinen van woningen. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de bouw- en sloopwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.
5.3 Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen.
pagina 11 van 13
documentkenmerk: 1901/141/JOW-01, versie 2
Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).
5.4 Eindconclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: •
de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen;
•
om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen bouw- en sloopwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd;
•
nader onderzoek naar een categorie 5 vogelsoort is niet noodzakelijk, omdat in de directe omgeving voldoende alternatieven aanwezig zijn om een nest te bouwen, zoals in de te behouden bijgebouwen;
•
nader onderzoek naar soorten is niet noodzakelijk;
•
een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk;
•
voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft.
5.5 Advies Checklist natuurvriendelijke maatregelen Bij het ontwerp van het nieuw te bouwen ruimte-voor-ruimtewoning met toekomstig bijgebouw wordt geadviseerd gebruik te maken van de checklist natuurvriendelijke maatregelen aan gebouwen van de Vogelbescherming. Diverse natuurbeschermingsinstanties en bedrijven geven hier meer informatie over. Erfbeplanting Indien er een erfbeplanting is gepland of wordt vernieuwd, adviseren wij deze met inheemse en streekeigen soorten bomen en struiken te realiseren. Informeer hiervoor bij uw provincie of gemeente.
pagina 12 van 13
documentkenmerk: 1901/141/JOW-01, versie 2
6 Literatuurlijst Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J., Buys, J.C. (2016) Atlas van de Nederlandse zoogdieren - deel 12 serie Nederlandse fauna. Knnv Uitgeverij Delft, J.J.C.W. van, Schuitema, W. (2005) Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant. Stichting Ravon NDFF (2019) Geraadpleegd op 4 april 2019 via www.verspreidingsatlas.nl Ravon (2019) Geraadpleegd op 4 april 2019 via www.ravon.nl Zoogdiervereniging (2019) Geraadpleegd op 4 april 2019 via www.zoogdiervereniging.nl
pagina 13 van 13
Situatietekening 1: 1901/141/JOW-01, Vinkelsestraat 135, 139, 139a te Vinkel
Te behouden en te slopen bebouwing Vinkelsestraat 135
Te behouden en te slopen bebouwing Vinkelsestraat 139 en 139a pagina 1
Situatietekening 2 : 1901/141/JOW-01, Vinkelsestraat 135, 139, 139a te Vinkel
Landschappelijke inpassing Vinkelsestraat 135
pagina 2
Situatietekening 2: 1901/141/JOW-01, Vinkelsestraat 135, 139, 139a te Vinkel
Landschappelijke inpassing Vinkelsestraat 139 en 139a pagina 3
Fotobijlage: 1901/141/JOW-01, Vinkelsestraat 135, 139 en 139A te Vinkel
Foto 1
Foto 2
Foto 3
pagina 1
Fotobijlage: 1901/141/JOW-01, Vinkelsestraat 135, 139 en 139A te Vinkel
Foto 4
Foto 5
Foto 6
pagina 2
Fotobijlage: 1901/141/JOW-01, Vinkelsestraat 135, 139 en 139A te Vinkel
Foto 7
Foto 8
Foto 9
pagina 3
Fotobijlage: 1901/141/JOW-01, Vinkelsestraat 135, 139 en 139A te Vinkel
Foto 10
Foto 11
Foto 12
pagina 4
Fotobijlage: 1901/141/JOW-01, Vinkelsestraat 135, 139 en 139A te Vinkel
Foto 13
Foto 14
Foto 15
pagina 5
Fotobijlage: 1901/141/JOW-01, Vinkelsestraat 135, 139 en 139A te Vinkel
Foto 16
Foto 17
Foto 18
pagina 6
Fotobijlage: 1901/141/JOW-01, Vinkelsestraat 135, 139 en 139A te Vinkel
Foto 19
Foto 20
Foto 21
pagina 7
Fotobijlage: 1901/141/JOW-01, Vinkelsestraat 135, 139 en 139A te Vinkel
Foto 22
Foto 23
Foto 24
pagina 8
Fotobijlage: 1901/141/JOW-01, Vinkelsestraat 135, 139 en 139A te Vinkel
Foto 25
Foto 26
Foto 27
pagina 9
Fotobijlage: 1901/141/JOW-01, Vinkelsestraat 135, 139 en 139A te Vinkel
Foto 28
Foto 29
Foto 30
pagina 10
Fotobijlage: 1901/141/JOW-01, Vinkelsestraat 135, 139 en 139A te Vinkel
Foto 31
Foto 32
Foto 33
pagina 11