3. Bijlage 3 Tekst Toelichting Algemene Plaatselijke Verordening 2016 met wijzigingen
Tekst van het document
van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing te verklaren. Het verlenen van een vergunning van rechtswege kan ongewenst zijn in verband met de verkeersveiligheid. Eerste lid
15
Aan artikel 2:4 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Er valt hierbij te denken aan het verwijderen van straatstenen of het wijzigen van de bestrating. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. Tweede lid Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg. Derde lid Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling.
De formulering van de afbakeningsbepaling sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:4 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren 2016 (AVOI 2016). Artikel 2:5 Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen van een uitweg Deze vergunningsplicht valt onder de Wabo. De vergunning wordt daarom verleend door het bevoegd gezag. Uit de jurisprudentie omtrent artikel 14 Wegenwet is duidelijk geworden dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. Artikel 2:5 beoogt te voorkomen dat iedereen op willekeurige plaatsen uitwegen creëert. Dat zou de bruikbaarheid van de weg (bijvoorbeeld parkeerruimte aan de kant van de weg) te veel belemmeren.
Ten aanzien van het stellen van financiële voorwaarde aan een uitwegvergunning is uit jurisprudentie op te maken dat dit op zich zelf wel toelaatbaar is, indien die voorwaarde strekt ter behartiging van het belang waarvoor het vergunningvereiste is gesteld, bijvoorbeeld de vrijheid van het verkeer, de veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. Derde lid Een uitwegvergunning kan slechts worden geweigerd indien de weigeringsgronden zijn opgenomen in de verordening. Ten einde de bruikbaarheid van de weg te waarborgen is het toegestaan een vergunning te eisen en via voorschriften de wijze waarop wordt uitgeweegd te regelen. Daarmee komt de bepaling niet in strijd met de Wegenwet. Deze wet houdt o.a. een regeling in ter zake van de onderhoudsplicht van wegen en ziet niet toe op de bescherming van de bruikbaarheid ervan. Als voorschrift aan de vergunning kan o.a. een onderhoudsplicht opgelegd worden. Een weigeringsgrond die in het belang van de verkeersveiligheid is gesteld, strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet. Hetzelfde geldt ten aanzien van de weigeringsgrond die in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente wordt gesteld.
16
De grond ‘bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente’ kan bijvoorbeeld gebruikt worden ter weigering van het maken van een uitweg als daarbij een (gedeelte van) een gemeentelijk plantsoen moet wijken. Ook kunnen ter bescherming van groenvoorzieningen aan de vergunning voorschriften worden verbonden, zodat de groenvoorziening zo min mogelijk wordt aangetast. AFDELING 4 VEILIGHEID VAN DE WEG Artikel 2:6 Hinderlijke beplanting of voorwerp Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen ex artikel 125 Gemeentewet, verplichten om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien. Artikel 2:7 Rookverbod in bossen en natuurterreinen Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is. De periode waarin het rookverbod geldt zou van 1 maart tot 1 november kunnen zijn.
Afbakening In artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald: “Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan”. Artikel 2:8 Voorzieningen voor verkeer en verlichting Afbakening In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.
AFDELING 5 TOEZICHT OP EVENEMENTEN Artikel 2:9 Begripsbepaling Artikel 2:10 Evenement AFDELING 6 VOOR PUBLIEK OPENSTAANDE GEBOUWEN Artikel 2:11 Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen Algemeen Artikel 174 van de Gemeentewet geeft de burgemeester de mogelijkheid over te gaan tot sluiting indien sprake is van een ordeverstoring die concreet voorzienbaar is en een actuele dreiging vormt voor de ordelijke gang van zaken, waartegen onmiddellijk moet worden opgetreden. De sluiting kan dan slechts van korte duur zijn. Omdat artikel 174 Gemeentewet geen soelaas biedt wanneer een langere sluitingsduur geboden is, is artikel 2:11 opgenomen. In de APV's van andere grote steden is een artikel als het voorliggende 2:11 opgenomen. Met deze sluitingsmogelijkheid heeft de burgemeester ook een extra instrument bij de aanpak van bijv. heling.
17
De burgemeester zal o.a. tot het oordeel kunnen komen dat sluiting noodzakelijk is indien een van de volgende situaties zich voordoet: a) indien aannemelijk is, dat in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw activiteiten plaatsvinden, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het voor het publiek openstaand gebouw; b) indien in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw strafbare feiten worden gepleegd, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het voor het publiek openstaand gebouw; c) indien zich in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het voor het publiek openstaand gebouw gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het voor publiek openstaand gebouw. Op grond van dit artikel is de burgemeester bevoegd om voor het publiek openstaande gebouwen en de daarbij behorende erven en/of de voor het publiek openstaande gebouwen in een bepaald gebied voor langere duur te sluiten. De sluitingsbepaling laat een zekere beoordelingsmarge.
Het ligt niet in de rede gebruik te maken van een zware maatregel als sluiting indien er sprake is van een marginale overtreding van de voorschriften. Een sluiting moet voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Eerste lid Bij voor publiek openstaande gebouwen kan men denken aan uitzendbureaus, kapperszaken, pandjeshuizen, telefoonwinkels maar ook garagebedrijven. Dit artikel geldt niet voor de sluiting van seksinrichtingen en horecabedrijven. Daarvoor gelden afzonderlijke regels in respectievelijk hoofdstuk 3 van de Algemene plaatselijke verordening ’sHertogenbosch 2016 en de Horecaverordening ’s-Hertogenbosch 2017. Met dit artikel kan tevens niet in dezelfde situaties opgetreden worden als waarvoor artikel 13b Opiumwet is bedoeld. De burgemeester is op grond van artikel 13b Opiumwet bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Tweede lid Sluiting op grond van dit artikel zal veelal ook ten doel hebben de gang van bezoekers te doorbreken. Bekendmaking is dan noodzaak.
Zesde lid De personen die worden bedoeld in het zesde lid zijn onder meer personen die het gebouw of erf direct moeten kunnen betreden voor het uitvoeren van noodzakelijke reparatie- of onderhoudswerkzaamheden. Zevende lid In het zevende lid van dit artikel wordt de mogelijkheid geboden dat de burgemeester een sluiting voor onbepaalde duur op verzoek van belanghebbende(n) opheft. In de praktijk sluit de burgemeester een inrichting meestal voor een bepaalde duur. Dit artikel voorziet niet in de mogelijkheid voor belanghebbende(n) om tussentijdse opheffing van een tijdelijke sluiting te vragen. Een dergelijk verzoek aan de burgemeester is dus niet-ontvankelijk. In zeer bijzondere gevallen (bijvoorbeeld bij wijziging van de bestemming van het pand, waarin de inrichting is gevestigd) kan de burgemeester ambtshalve een tijdelijke sluiting opheffen. AFDELING 7 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID Artikel 2:12 Plakken en kladden Eerste lid
18
In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term ‘bekladden’ ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR. Dit artikel wordt door middel van de toevoeging “roerende” ook van toepassing op roerende zaken. Onder roerende zaken wordt bijvoorbeeld verstaan: de (bouw)schuttingen, rolcontainers, semi- en ondergrondse containers. Toezichthouders kunnen op basis hiervan bij heterdaad een procesverbaal opmaken. Tweede lid Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een roerende of onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien. Vrijheid van meningsuiting Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:12 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voorzover door dat gebruik een anders recht wordt geschonden.
De eis dat ‘plakken’ slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid. Artikel 2:12 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 2:12 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde. Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel 10 EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van 1 plakbord of –zuil op de 10.000 inwoners. Zie daarover: M. Geertsema in de noot onder ABRS 05-06-2002 in JG 02.0221.
Doen plakken of doen aanbrengen Het verbod van het tweede lid, onder a, is in die zin uitgebreid dat nu ook het “doen” plakken of het op andere wijze “doen” aanbrengen van aanplakbiljetten onder de verbodsbepaling valt. Dit vanwege de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Onder “doen” aanplakken verstaat de Afdeling het geven van opdracht om te plakken of een actieve bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de gemeente dus met succes handhaven. Onder actieve bemoeienis wordt door de Afdeling niet verstaan: door het enkele verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan te brengen; het alleen maar niet tegengaan van het aanplakken; het op internet plaatsen van posters die men voor eigen gebruik kan uitprinten, terwijl onder dat eigen gebruik mede wordt verstaan het hangen van posters in de stad. Men moet bij de handhaving de opdrachtgever wel een redelijke termijn gunnen om bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven te achterhalen waar de betreffende posters geplakt waren en de verwijdering van die posters te bewerkstelligen. Naast de bestuurlijke mogelijkheden tot handhaving en kostenverhaal, kan de rechthebbende zijn kosten op de opdrachtgever ook verhalen met inschakeling van de burgerlijke rechter. Jurisprudentie Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24 uur aanplakbiljetten te verwijderen.
De vraag is of Loesje als “doen”-plakker” in de zin van de APV verantwoordelijk kan worden gehouden. Dit is niet het geval nu Loesje geen actieve bemoeienis heeft gehad met het aanbrengen van de posters. Loesje heeft de Loesje-posters slechts op internet geplaatst, waarbij is aangegeven dat een ieder de posters voor
19
eigen gebruik vrij kan uitprinten en dat onder eigen gebruik onder meer wordt verstaan het hangen van posters in de stad. Bovendien bevat de internetsite een disclaimer waarin erop wordt gewezen dat posters alleen mogen worden geplakt op plaatsen waar dit is toegestaan en verwezen is naar de toepasselijke APV. Rb. Den Haag 08-07-2004, LJN-nr. AQ5977. Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24 uur na de telefonische inkennisstelling al het aangeplakte te verwijderen. Exacte locaties waren ten tijde van de bestuursdwang niet bekend. Opplakken van de posters was aan een plakbedrijf uitbesteed. De Afdeling acht de termijn, waarbinnen appellante bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven moest zien te achterhalen waar de betreffende posters geplakt waren, en de verwijdering van die posters moest bewerkstelligen te kort. ABRS 11-08-2004, 200400185/1, LJN-nr. AQ6624. Artikel 2:13 Vervoer inbrekerswerktuigen Eerste lid
Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken.
Jurisprudentie: Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet. HR 07 06 1977, NJ 1978, 483 (APV Wassenaar). HR 28-02-1989, NJ 1989. 687 (APV Nijmegen) Derde lid Dit lid doelt op de zogenaamde geprepareerde tassen. Deze tassen zijn meestal voorzien van een bekleding aan de binnenzijde met een soort materiaal dat de detectiepoorten in winkels niet doet afgaan.
Regulerend optreden van de gemeente wordt onder andere beperkt door de particuliere sfeer. Dit houdt in dat een gemeente onbevoegd is zaken te regelen die zodanig de privé-sfeer van burgers raken, dat zij niet meer tot de huishouding van de gemeente gerekend kunnen worden. De vraag rijst of een verbodsbepaling inzake het vervoeren van een tas in de nabijheid van winkels die kennelijk is toegerust om winkeldiefstallen te plegen, inbreuk maakt op de privé-sfeer van burgers. Immers door het opnemen van een dergelijke bepaling wordt het mogelijk om elke willekeurige burger met een verdachte c.q. geprepareerde tas op straat aan te houden terwijl er nog geen strafbaar feit is gepleegd. Er bestaat discussie over de vraag of een dergelijke verbodsbepaling door de rechter onverbindend zou moeten worden verklaard. Op verzoek van de winkeliers zijn toch diverse gemeenten in Nederland ertoe overgegaan om deze verbodsbepaling in de APV op te nemen. De VNG geeft in haar modelverordening daarom ook een facultatieve bepaling opgenomen. Ook de Ondernemersvereniging Hartje Den Bosch heeft hierom verzocht. De politie heeft verklaard in de praktijk toch behoefte te hebben aan deze bepaling om preventief tegen notoire winkeldieven te kunnen optreden. Derhalve is dit artikel opgenomen.
Vervolgens is uit de praktijk gebleken dat met name de passage ‘openbare plaats’ en ‘in de nabijheid van winkels’ verwarring oplevert. Dit impliceert namelijk dat het verbod om een bedoeld voorwerp (geprepareerde tas) bij te hebben niet geldt in een winkel. Dit is wel gewenst. Derhalve is het derde lid hier op aangepast. Artikel 2:14 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Op basis van artikel 2:14 kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden. Afbakening Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart.
Artikel 2:14a Groepsfietsen Eerste lid 20
Het eerste lid van dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om gebieden, wegen of weggedeelten aan te wijzen waarop het verboden is zich te bevinden met een groepsfiets. Er kan voor gekozen worden om de aanwijzing te laten gelden voor een bepaalde tijd. Een belangrijk motief dat ten grondslag ligt aan dit verbod is het voorkomen van hinderlijk gedrag en geluidsoverlast, zoals baldadigheid, openbare dronkenschap, wildplassen, geschreeuw en gejoel, afkomstig van personen op een groepsfiets te voorkomen. Ook kan hiermee de openbare orde worden bewaakt doordat groepsfietsen bij mensenmassa’s tijdens evenementen kunnen worden voorkomen. Daarnaast levert dit verbod vanuit het oogpunt van de openbare orde een instrument op om verkeershinder en verkeersonveilige situaties mee te kunnen voorkomen. Wegenverkeerswetgeving blijft de exclusieve grondslag om verkeersmotieven mee te dienen. De definitie van de groepsfiets (artikel 1 lid 10 ) is zo geformuleerd dat niet alleen de bierfiets als groepsfiets wordt aangemerkt, maar dat ook andere fietsen waar men met vier of meer personen op kan rijden onder het verbod vallen. Deze ruime formulering maakt het mogelijk varianten op de bierfiets te weren, waarbij bijvoorbeeld geen alcohol op de fiets wordt geconsumeerd, maar waarbij per groepsfiets van café naar café wordt getrokken.
Deelname van deze lijvige en vaak trage groepsfietsen aan het verkeer kan, zeker op drukke locaties en smalle wegen en/of in combinatie met overlast gevend gedrag, snel leiden tot hinder. Tweede lid
Het toepassingsbereik van het verbod wordt dusdanig uitgebreid dat naast de bestuurder ook de exploitant van de groepsfiets kan worden aangemerkt als overtreder. Derde lid
Bij een algeheel verbod dient ook een ontheffingsmogelijkheid gecreëerd te worden omdat er zich altijd situaties kunnen voordoen waardoor een belanghebbende in zijn belang geschaad wordt.
Artikel 2:15 Verboden drankgebruik en glasoverlast
In dit artikel is een verbod opgenomen om in bepaalde gevallen en in door het college aan te wijzen gebieden, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met alcohol bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Alcoholwet, toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt, alcoholhoudende drank te verstrekken. Omvang gebied Artikel 50 van de oude APV ging uit van de mogelijkheid om gebieden aan te wijzen waar het verboden is om op straat alcohol te nuttigen, bijvoorbeeld een park of plein waar regelmatig overlast veroorzaakt wordt. In de praktijk bleek dat de overlastlocaties zo divers zijn en zo wisselend, dat het aanwijzen van al deze gebieden een goede handhaving van het verbod bijna onmogelijk maakt. Bovendien leidt het aanwijzen van grote gebieden of bijvoorbeeld van de gehele bebouwde kom, ertoe dat het verbod ook zou gelden in gevallen dat er geen overlast is en aanwijzing onnodig is.
Er is daarom voor gekozen om het gebruik van alcohol in de openbare ruimte alleen te verbieden “indien dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of dit anderszins overlast veroorzaakt of indien hiervoor gerechtvaardigde vrees bestaat.” Dit verbod is opgenomen in het eerste lid.
21
Krachtens het tweede lid houdt de burgemeester de bevoegdheid om specifieke plaatsen aan te wijzen, waar het verboden is alcohol te nuttigen of aangebroken flessen of blikjes met alcohol bij zich te hebben. Deze bevoegdheid is vooral opportuun in gevallen dat concrete incidenten hiertoe aanleiding geven. Een gebied kan worden aangewezen als gerechtvaardigde vrees bestaat voor aantasting van de openbare orde of als de openbare orde is al aangetast. Verstoring openbare orde Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van artikel 2 en 12 van de Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven. Niet naleving daarvan is strafbaar op grond van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. Ook kan in bepaalde gevallen gebruik worden gemaakt van artikel 2:14 van deze APV (hinderlijk gedrag op openbare plaatsen)
Soms (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stukgegooid) zal optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in de praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan dit artikel, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de ‘voorfase’ - dus het bier drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt. Vierde lid Dit lid ziet toe op de aanpak van het probleem dat er glas (drinkglazen en glazen flessen) op straat belandt. Bij valpartijen kan het verwondingen veroorzaken, maar het kan ook als steekwapen worden gebruikt. De genoemde risico’s op het gebied van openbare orde en veiligheid kunnen door de politie effectief worden bestreden door het glas in te nemen. Belangrijker nog is het maatschappelijk effect. De veronderstelling is, dat het repressiemiddel (regulering en handhaving) preventieve werking krijgt. Vijfde lid Om te voorkomen dat er ook een verbod geldt voor het veilig vervoeren van glas, wordt dit lid opgenomen. Glas dat zodanig is verpakt zodat het niet onmiddellijk kan worden gebruikt, bijvoorbeeld wanneer het is opgeborgen in een afgesloten tas, wordt uitgezonderd van het verbod.
Artikel 2:15a Glasverbod (horeca)bedrijven Eerste lid
Deze verbodsbepaling voorkomt dat op bepaalde feestdagen/evenementen – waarbij het risico van glasincidenten extra groot is – door (horeca)bedrijven glas en (open of gesloten) glazen flessen worden gebruikt of verstrekt. Het verbod geldt voor horecabedrijven en voor niet-horecabedrijven die een ontheffing hebben op grond van de Alcoholwet. Het gaat dan bijvoorbeeld om evenementenbars. Het verbod geldt ook voor de terrassen. De terrassen maken namelijk onderdeel uit van het horecabedrijf. Behalve horecabedrijven vallen ook bedrijven zoals supermarkten, slijterijen, warenhuizen, broodjeszaken, bakkerijen en slagerijen onder het verbod. Tweede lid
Er zijn echter uitzonderingen voor gevallen waarin de risico’s zo klein zijn dat een verbod niet noodzakelijk is. Daarom en om administratieve lasten en kosten te voorkomen, is gekozen voor een algemene uitzondering. Het gaat in de eerste plaats om de inpandige delen van restaurants en, gelet op de risico’s, afgescheiden restaurantgedeeltes. Om discussie over allerlei gelegenheden te voorkomen, wordt het begrip restaurant(gedeelte) hier nauwkeurig toegelicht. Daarbij wordt een nationale uitleg gevolgd (Kamerstukken II1997/98, 25 727, nr. 3, p. 21-22 en rechtspraak van het College van beroep voor het bedrijfsleven). Een restaurant(gedeelte) is de inrichting (of het gedeelte daarvan) die is gericht op het verstrekken van een warme driecomponentenmaaltijd (vlees, vis of vegetarisch; groente; aardappelen, rijst of pasta) en niet op merendeels afzonderlijke gerechten. Daadwerkelijke restaurants zullen dus niet onder het verbod vallen, maar cafetaria’s, snackbars, pizzeria’s en shoarmazaken wel. Een ruimte waar gerede etenswaren worden verkocht valt niet onder de definitie van een restaurant. Het verbod geldt ook niet voor de bijbehorende terrassen van voornoemde res22
taurants, mits deze niet aan de weg liggen. Wat een weg is, staat in artikel 1:1 tweede lid. Het is niet toegestaan om glaswerk vanuit het inpandige deel van het restaurant, het afgescheiden restaurantgedeelte of bijbehorend terras dat niet aan de weg is gelegen naar de openbare weg te verplaatsen. De exploitant dient hierop toe te zien en zo nodig gebruik te maken van plastic glazen.
Tot slot wordt een uitzondering gemaakt voor de gevallen waarbij het zeer aannemelijk is dat het in glaswerk verpakte product niet voor onmiddellijk gebruik zal of kan worden aangewend. Gedacht kan worden aan leveranciers die hun producten laden of lossen of aan de situatie waarbij een persoon overduidelijk boodschappen naar huis vervoert. Derde lid
Bij een algeheel verbod dient ook een ontheffingsmogelijkheid gecreëerd te worden omdat er zich altijd situaties kunnen voordoen waardoor een bepaald (horeca)bedrijf in zijn belang geschaad wordt. Artikel 2:16 Verboden gedrag bij of in gebouwen Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:14 (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen). Artikel 2:17 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord ‘ruimte’ gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip ‘weg’. Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd. Desgewenst kan deze reeks van voorbeelden met andere worden uitgebreid. Het ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede “zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze” in de bepaling tot uitdrukking gebracht.
Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te beschermen. Artikel 2:17a Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet Algemeen Per 1 juli 2017 is de Wet aanpak woonoverlast in werking getreden. Deze wet behelst het opnemen van een nieuw artikel 151d in de Gemeentewet. Hiermee wordt mogelijk gemaakt dat de gemeenteraad de burgemeester de bevoegdheid toekent om bij ernstige en herhaaldelijke woonoverlast gedragsaanwijzingen op te leggen aan de overlastgever. Ultimum remedium Uit de wet volgt dat dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium.
Het tweede lid van het wetsartikel regelt dat het instrument van de bestuursdwang (voor de goede orde, dat impliceert dat de burgemeester ook een last onder dwangsom kan opleggen) alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken. Bij een besluit om op grond van deze bepaling een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen zal de burgemeester dus moeten motiveren dat er geen andere geschikte instrumenten waren om de woonoverlast tegen te gaan. Alleen al daarom zal er aan zo’n besluit een stevig dossier ten grondslag moeten liggen. Het meest overtuigend zou zijn als uit het dossier blijkt dat andere instrumenten als buurtbemiddeling al zijn geprobeerd zonder het gewenste resultaat.
23
Het ultimum remedium karakter geldt in nog sterkere mate als er sprake is van een huisverbod als bedoeld in het derde lid van artikel 151d. Een zo zware maatregel, die een inbreuk betekent op het grondwettelijk beschermde woonrecht, is alleen mogelijk wanneer de ernst van de situatie dat eist en er werkelijk geen andere optie meer open staat. Eerste lid Dit lid is geformuleerd als een zorgplichtbepaling. Een bewoner hoort zich zo te gedragen dat zijn of haar buren daar geen ernstige hinder van ondervinden. Bij ernstige of herhaaldelijke hinder kan ook de verhuurder worden aangesproken. In artikel 2:17a van de APV is een zorgplicht opgenomen voor gebruikers en verhuurders van woningen om geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden te veroorzaken. De burgemeester kan op grond hiervan gedragsaanwijzingen geven aan overlastgevers in zowel huur- als koopwoningen en aan verhuurders. Tot 1 januari 2021 was de gedragsaanwijzing aan verhuurders alleen mogelijk als de persoon die overlast gaf niet als ingezetene in de desbetreffende gemeente stond ingeschreven. Met de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur van woonruimte (Stb. 2020, 460) op 1 januari 2021 is die beperking vervallen. Om woonoverlast beter tegen te gaan, geldt de zorgplicht voortaan in alle gevallen voor verhuurders van woonruimten.
Dat betekent dat verhuurders zorgdragen dat de woningen die zij verhuren geen ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken. Als de verhuurder zich niet of op een verkeerde manier inzet tegen ernstige en herhaaldelijke hinder, kan de burgemeester direct een verhuurder aanspreken en hoeft de burgemeester daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken. Dit is wenselijk wanneer verschillende huurders van dezelfde verhuurder hinder hebben veroorzaakt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in panden waar meerdere huurders wonen of waar huurders snel wisselen. De burgemeester kan dan dus – als ultimum remedium – direct aan een verhuurder een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen. Tweede lid Als last onder bestuursdwang of dwangsom kan de burgemeester gedragsaanwijzingen opleggen aan de overtreder. Het tweede lid schrijft ook voor dat de burgemeester in beleidsregels vastlegt hoe hij of zij invulling geeft aan deze bevoegdheid. Derde lid In het derde lid regelt de raad in welke gevallen de burgemeester toepassing kan geven aan deze bevoegdheid. Overwogen is om daarbij ook ernstige ‘vervuiling en verwaarlozing van een woning of een erf’ op te nemen. Daarbij is het punt dat artikel 7:21 van het Bouwbesluit de facto hetzelfde regelt, ook met het tegengaan van overlast als motief.
Dit artikel zal naar verwachting met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen, maar daar zal de nodige tijd over heen gaan. Artikel 2:18 Gebiedsontzeggingen Eerste lid Op grond van het eerste lid is de burgemeester bevoegd om een persoon een verbod op te leggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van 24 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen. Om voor een dergelijk verbod in aanmerking te komen, dient deze persoon een strafbaar feit te plegen. Een dergelijk verbod wordt een gebiedsontzegging genoemd. De burgemeester stelt beleidsregels op voor het opleggen van gebiedsontzeggingen. In deze beleidsregels wordt bepaald welke strafbare feiten aanleiding kunnen zijn voor het opleggen van een gebiedsontzegging en wat de rol van de politie daarbij is. Daarover vindt overleg plaats in de lokale driehoek. Tweede lid Indien na het opleggen van een gebiedsontzegging van 24 uur wordt geconstateerd dat opnieuw een strafbaar feit wordt gepleegd, kan een gebiedsontzegging van ten hoogste vier weken opgelegd worden. Derde lid Aan een persoon kan slechts een gebiedsontzegging worden opgelegd voor een langere periode dan 24 uur (maximaal 4 weken) als hij zich na een eerdere gebiedsontzegging, binnen 6 maanden daarna, opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit.
24
Vierde lid Indien de betrokkene kan aantonen dat hij een zwaarwegend belang heeft om zich in een bepaald gebied op te houden, dan houdt de burgemeester daar rekening mee bij het bepalen van plaatsen en/of tijden in het op te leggen verbod. Doorgaans zal dat gaan om belangen in de persoonlijke sfeer, zoals wonen, werken, het bezoek aan een huisarts, advocaat of hulpverleningsinstanties. Indien het verbod gedurende bepaalde uren van de dag niet van kracht hoeft te zijn ter bescherming van de belangen waarvoor het wordt gegeven, kan de burgemeester die uren uitsluiten. Dat kan bijvoorbeeld overdag het geval zijn als de overlast zich met name ‘s-avonds en ’s-nachts voordoet. Artikel 2:19 Neerzetten van fietsen e.d. In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst. Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn.
Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid. Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg moeten banen. Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van bestuursdwang. Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het publiek bekend te maken, bijvoorbeeld door mededeling in het gemeenteblad, de plaatselijke krant of een huis-aanhuisblad, met affiches en dergelijke, dat onjuist geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd.
Tevens is het raadzaam aan te geven waar de verwijderde fietsen weer kunnen worden opgehaald en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden. Derde lid Het college kan middels een aanwijzingsbesluit plaats en termijn bepalen voor het stallen van fietsen of bromfietsen in daarvoor bestemde voorzieningen. Op grond van locale omstandigheden kunnen de termijnen tussen locaties verschillen. Het ligt in de rede dat bij het station een kortere termijn geldt dan elders. Op grond van artikel 5:5 kan opgetreden worden tegen (brom)fietswrakken. Artikel 2:20 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden gebracht. Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen worden besmeurd, nylonkousen sneuvelen.
Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein worden kenbaar gemaakt.
25
Artikel 2:21 Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie Artikel 2:21 beperkt het loslopen van honden op een openbare plaats, zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag. In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen: - de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht; - het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden; - het voorkomen van hinder voor voetgangers; - het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, e.d.); - het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan. Op grond van het tweede lid is het mogelijk dat het college een hondenuitlaatplaats aanwijst. Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kunnen op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) de honden gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is. Ook artikel 4 van de Wet op de dierenbescherming kan worden toegepast.
Het eerste lid van dit artikel geeft ambtenaren van de politie de bevoegdheid honden en katten op te vangen die ‘s nachts elders dan op het erf van de eigenaar of houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het tweede lid van artikel 4 bepaalt dat het hoofd van politie de eigenaar of houder moet berichten van een en ander en hem gelegenheid moet geven om het dier gedurende veertien dagen na de datum van het bericht op te halen. Het ter plaatse doden van loslopende honden en katten is geregeld in artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wet op de dierenbescherming. De mogelijkheid van het ter plaatse doden van loslopende honden en katten wordt in drie opzichten beperkt: 1. De hond of de kat moet een onmiddellijk gevaar vormen voor zich op erven of in het veld bevindende dieren, waarvan de instandhouding gewenst is. 2. Geen ander middel ter afwering van het gevaar mag ten dienste staan. 3. De bevoegdheid komt slechts toe aan de bezoldigde ambtenaren van politie en de door de minister van justitie aangewezen onbezoldigde ambtenaren van politie. Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging van het dier op zich nemen.
In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken. De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige redenen is vereist. Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een ‘gevonden dier’. Beide genoemde regelingen over het doden van dieren zijn uitputtend bedoeld. De gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van loslopende honden in het geheel niet regelen. Artikel 2:22 Verontreiniging door honden Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid.
26
De strafbaarheid wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd. Er zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen aan te pakken. Een goed overzicht van mogelijke maatregelen en een goed overzicht van literatuur op dit terrein is te vinden in de publicatie “Gemeentelijk hondenbeleid. Een handleiding ter bestrijding van de overlast door hondenpoep in Nederland” van het Multidisciplinair onderzoeksinstituut in Utrecht. Al zal de handhaving (betrapping op heterdaad) niet meevallen, het is te hopen dat er op den duur preventieve invloed van deze bepaling uit zal gaan .Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie. Artikel 2:23 Gevaarlijke honden Jurisprudentie Muilkorfgebod op grond van de APV voor Argentijnse Dog na bijtincident met dodelijke afloop voor andere hond. Het college heeft bij het opleggen van een dergelijke maatregel een ruime mate van beoordelingsvrijheid. Niet onevenredig. Vz.ABRS 22-05-2001, KG 2001,179, JG 01.0139 m.nt. M. Geertsema. Artikel 2:24 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd.
Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Voorzover het college bij een aanwijzing die betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren. Het is niet gewenst om Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing te verklaren. Het verlenen van een ontheffing van rechtswege kan ongewenst zijn in verband met overlast en schade voor de openbare gezondheid. AFDELING 8 DRUGSOVERLAST Artikel 2:25 Drugshandel op straat Afbakening met de Opiumwet Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het bepaalde in de Opiumwet” opgenomen.
De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden genoemd op lijst I (“harddrugs”) en II (“softdrugs”) die behoren bij deze wet. Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft. Steeds meer gemeenten hebben in de afgelopen jaren een coffeeshopbeleid (inzake de verkoop van softdrugs)vastgesteld. Onderdeel van een coffeeshopbeleid - ongeacht de vraag of er in een gemeente al dan niet coffeeshops worden toegestaan - moet zijn dat de handel op straat wordt bestreden. Dergelijke handel is immers een gevaar voor de beoogde scheiding van de hard- en softdrugmarkten. Artikel 2:26 Verzameling van personen in verband met drugs Met behulp van dit artikel kan onder andere worden opgetreden tegen drugstoerisme. Dit geschiedt veelal groepsgewijs. Desondanks kan er niet echt worden gesproken van een samenscholing als bedoeld in artikel 2:1 van deze verordening. Daarom is er voor deze vorm van overlast een speciale bepaling geredigeerd.
Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing, indien de verzameling van personen geen verband houdt met drugs. De politie zal dit in het concrete geval moeten
27
beoordelen op basis van ervaring en concrete omstandigheden, zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties, het ruziën tussen aanbieders en afnemers enzovoort. Artikel 2:27 Openlijk gebruik De bepaling heeft ten doel het openlijk gebruik van verdovende middelen op straat, in portieken en in voor het publiek toegankelijke gebouwen tegen te gaan. Het gebruik gaat veelal met overlast gepaard en werkt onveiligheid in de hand, alsmede sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid bij anderen die van de openbare ruimte gebruik kunnen of moeten maken. Volgens artikel 172 van de Gemeentewet is de burgemeester en de onder zijn gezag staande politie bevoegd overtreding van wettelijke voorschriften die op de openbare orde betrekking hebben, te beletten en te beëindigen. De bepaling geeft dus een rechtstreekse grondslag om tegen openlijk gebruik op te treden. Ook voorwerpen die worden gebezigd als hulpmiddel voor dat gebruik, vallen onder het verbod. Het gaat hierbij niet zozeer om de opsporing van de voorwerpen op zich, maar om het openlijk voorhanden hebben. De bepaling heeft een ander motief dan de Opiumwet, namelijk de openbare orde, en is daarom niet in strijd met deze wet.
Bij “daarop gelijkende waar” kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt (denk aan lachgas), maar nog niet op de lijst voorkomen en waartegen wel moeten worden opgetreden of aan nepdrugs (bijvoorbeeld waspoeder). Het is dan van belang dit goed te motiveren.
AFDELING 9 BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN EN CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN Artikel 2:28 Bestuurlijke ophouding Artikel 2:28 is gebaseerd op - een uitwerking van - artikel 154a Van de Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats van ophouding is hieronder begrepen. Bij grootschalige ordeverstoringen moet gedacht worden aan situaties als risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit de hand lopende demonstraties en krakersrellen. De toepassing van het bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke ophouding vereist (een bepaling in) een verordening waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij groepsgewijze niet-naleving van specifieke voorschriften bestuurlijk op te houden. Artikel 2:28 voorziet hierin. De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn vastgelegd in artikel 154a van de Gemeentewet. De zinsnede “overeenkomstig 154a van de Gemeentewet” impliceert dan ook dat aan alle voorwaarden moet worden voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen. Deze voorwaarden zijn hiervoor beschreven. De bepaling spreekt overeenkomstig de wet van “door hem [= de burgemeester] aangewezen groepen”.
Dit verplicht de burgemeester concreet de groep te benoemen waarop bestuurlijke ophouding wordt toegepast. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door de formulering “degenen die zich door kleding, uitrusting of gedraging manifesteren als supporter van .../deelnemer aan de actie tegen ...”. Verder kan de groep nader worden aangeduid door de plaats aan te geven waar de groep zich bevond op het moment dat het besluit tot ophouding werd genomen, de handelingen die de leden van de groep op dat moment verrichtten, de grootte van de groep of door vermelding van de taal, herkomst of nationaliteit van de leden van de groep. De bepaling geeft een opsomming van de concrete voorschriften die zich bij groepsgewijze nietnaleving lenen voor het overgaan tot bestuurlijke ophouding. Artikel 2:29 Veiligheidsrisicogebieden Jurisprudentie ABRvS 09-11-2005, 200503854/1, LJN-nr. AU5839. De direct betrokkene (regelmatige bezoekster van het veiligheidsrisicogebied) is belanghebbende bij het besluit van de burgemeester tot het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied op grond van artikel 151b Gemeentewet. Rechtbank Alkmaar heeft op 28 juni 2004, LJN-nr. AP5618, onterecht geconcludeerd dat er geen rechtstreeks belang is bij het aanwijzingsbesluit (het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied). De aanwijzing van de burgemeester markeert de ruimte waarbinnen van de bevoegdheden gebruik mag worden gemaakt.
Dat tot
28
daadwerkelijk uitoefening van de bevoegdheden pas kan worden overgegaan nadat de officier van justitie daartoe een bevel heeft gegeven, doet er niet aan af dat de betrokkene door het aanwijzingsbesluit rechtstreeks in zijn belang is getroffen. Artikel 2:30 Cameratoezicht op openbare plaatsen Per 1 juli 2016 is de Wijziging van de Gemeentewet in verband met de verruiming van de bevoegdheid van de burgemeester tot de inzet van cameratoezicht (Stb. 2016/130) in werking getreden. Op grond van het hierbij gewijzigde artikel 151c van de Gemeentewet kan de raad thans de burgemeester de bevoegdheid verlenen om, als dat in het belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, te besluiten om voor een bepaalde duur camera’s in te zetten ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties en bij andere verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn. Niet langer is deze mogelijkheid beperkt tot het plaatsen van vaste camera’s, thans behoort ook flexibel cameratoezicht tot de mogelijkheden. Dit betekent dat de burgemeester gebieden kan aanwijzen waar cameratoezicht wordt toegepast. Met de wijziging van artikel 2:30, eerste lid, van de APV (het woord ‘vaste’ komt te vervallen) wordt van de mogelijkheid om de bevoegdheid van de burgemeester te verruimen, gebruik gemaakt.
Of deze (verruimde) bevoegdheid wordt ingezet blijft uiteindelijk ter beoordeling van de burgemeester, die hierbij onder andere gehouden is aan de kaders en procedures zoals deze zijn uiteengezet in artikel 151c van de Gemeentewet. Alle camerabeelden van de openbare ruimte kunnen in de cameratoezichtruimte ’s-Hertogenbosch worden uitgekeken. De gemeenteraad wordt, als de situatie het toelaat, vooraf geïnformeerd over te plaatsen camera’s. AFDELING 10 VOETBALWEDSTRIJDEN Artikel 2:31 Betaald voetbalwedstrijden De gemeente ’s-Hertogenbosch hanteert een stelsel waarbij de organisator een kennisgeving geeft voor het spelen van een wedstrijd. De burgemeester kan met betrekking tot een voetbalwedstrijd aan de organisator voorschriften opleggen in belang van de openbare orde en veiligheid. Dit is wenselijk in verband met de openbare orde problematiek rondom betaald voetbalwedstrijden. Zo kan de burgemeester voorschriften geven of een wedstrijd verbieden. Ook biedt het stelsel een mogelijkheid om voorafgaand met de organisator goede afspraken te maken omtrent het bewaren van de openbare orde en veiligheid. Bovendien vergemakkelijkt het stelsel de handhaving. Immers wedstrijden kunnen nu zonder meer verboden worden indien blijkt dat geen schriftelijke kennisgeving is gedaan.
Overigens laat het bepaalde in deze afdeling de bevoegdheden die de burgemeester heeft in het kader van de Gemeentewet onverlet. Achtste lid De burgemeester kan een wedstrijd aanwijzen als een risicowedstrijd, indien naar zijn oordeel daaraan een verhoogd risico is verbonden voor de openbare orde en veiligheid. Deze aanwijzing is een voorwaarde voor het kunnen toepassen van artikel 2:32 Artikel 2:32 Aangewezen routes Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid aan voetbalsupporters op de dag waarop een risicowedstrijd wordt gespeeld, voor te schrijven welke route zij dienen te volgen. Het vervolgens afwijken van deze route is verboden. De burgemeester kan hiermee de supporters van de bezoekende club voorschrijven een verplichte route van het station naar het stadion te volgen, waardoor zij gescheiden kunnen blijven van de supporters van de thuisclub. Reden hiervoor is de angst dat door het uitwaaieren van de groep supporters over de stad verstoringen van de openbare orde te verwachten zijn. Artikel 2:33 Verwijderingsplicht voetbalsupporters Deze bepaling verleent de politie de bevoegdheid supporters bevel te geven zich buiten de gemeentegrenzen te begeven, dan wel zich naar een bepaalde plaats (bijvoorbeeld het stadion of een station) te begeven. De politie kan daarbij in het belang van de openbare orde en veiligheid aanwijzingen geven.
Deze aanwijzingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het aangeven dat supporters gebruik moeten maken van een bepaalde route of van voor het vervoer van supporters gereserveerde bussen. Deze bepaling voorziet in een bij de handhaving van de openbare orde gevoelde behoefte, in het bijzonder om supporters die op eigen gelegenheid reizen, dan wel zonder toegangsbewijs voor de wedstrijd naar Den Bosch reizen, op ordelijke wijze naar het stadion te begeleiden c.q. bij (dreigende) wanordelijkheden uit de gemeente te verwijderen. Het gaat hier eigenlijk om reeds bestaande bevoegdheden van de politie die zijn gestoeld op de artikelen 2 en 12 van de Politiewet. Artikel 2 Politiewet geeft de
29
algemene politietaak weer, waaronder handhaving van de rechtsorde, en op grond van artikel 12 Politiewet wordt duidelijk dat hieronder handhaving van de openbare orde begrepen is. Deze bevoegdheid wordt herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling zoals artikel 2:33 Apv een aanwijzing, last, bevel of oordeel van een politieambtenaar een element vormt. Het artikel is (tevens) een aanvulling op artikel 184 van het Wetboek van strafrecht. Dit artikel stelt het niet voldoen aan een door of vanwege bevoegd gezag gegeven bevel strafbaar. Artikel 2:34 Stadionomgevingsverbod Eerste lid De wijze waarop de burgemeester gebruik maakt van deze bevoegdheid wordt beschreven in de beleidsregel ‘Stadionomgevingsverboden ’s-Hertogenbosch 2016’. Tweede lid Het verbod geldt voor een bepaalde periode. Een stadionomgevingsverbod tast de bewegingsvrijheid van de persoon in kwestie meer aan dan een stadionverbod. Daarom wordt er voor gekozen bij het stadionomgevingsverbod de maximale termijn aan te geven. Het maximum is gesteld op een periode van twee jaar. Derde lid In het belang van de openbare orde kan de burgemeester een stadionomgevingsverbod opleggen. Hiertoe ontvangt hij informatie van de politie, waaruit blijkt dat een persoon de openbare orde in (de omgeving van) het stadion heeft verstoord.
Het is tevens mogelijk een dergelijk verbod op te leggen aan een persoon aan wie een stadionverbod is opgelegd. Dit moet blijken uit de registers van de organisator (FC Den Bosch NV) en/of de KNVB. Vierde lid onder a Het is gebleken dat met betrekking tot de plaats van voetbalvandalisme een ontwikkeling heeft plaatsgevonden. De overlast, voor en na de wedstrijd, blijft niet beperkt tot in het stadion, maar strekt zich tevens uit tot buiten het stadion, richting centrum en cafés. Om deze reden is het gebied zoals genoemd in artikel 2:33A, lid 4 sub a zo breed mogelijk opgenomen. Vierde lid onder b De burgemeester kan op basis van de APV nadere plaatsen en/of gebieden aanwijzen waar het stadionomgevingsverbod geldt. Om de supporters te kunnen weren die zich schuldig maken aan openbare ordeverstoringen buiten het stadion en om herhaling te voorkomen is het noodzakelijk om het gebied uit te kunnen breiden. AFDELING 11 NAAKTRECREATIE Artikel 2:35 Naaktrecreatie De gemeentelijke bevoegdheid tot regulering van de naaktrecreatie wordt begrensd door artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht.
Dit artikel luidt als volgt: “Hij die zich buiten een door de gemeenteraad als geschikt voor ongeklede openbare recreatie aangewezen plaats, ongekleed bevindt op of aan een voor het openbaar verkeer bestemde plaats die voor ongeklede recreatie niet geschikt is, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.” Deze bepaling is gebaseerd op het uitgangspunt, dat naaktrecreatie anno heden niet (langer) overal schennis van de eerbaarheid oplevert. Dat geldt zeker op die plaatsen waarop ter zake een zekere maatschappelijke aanvaarding heeft plaatsgevonden, dan wel daar waar verwacht mag worden dat de grote meerderheid van de aldaar aanwezigen dat geen bezwaar zou achten. Artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht bevat een “uitputtende” regeling van deze materie. Er is ten aanzien van ongeklede recreatie dan ook geen plaats meer voor een gemeentelijke verbodsbepaling. De gemeenteraad mag alleen nog gebieden aanwijzen die hij voor ongeklede recreatie wél geschikt acht. Bij de behandeling van dit artikel in de Tweede Kamer is gebleken dat niet alleen op plaatsen die de gemeenteraad geschikt acht ongeklede recreatie mag plaatsvinden, maar dat in feite op alle voor het
30
openbaar verkeer bestemde plaatsen, die daarvoor geschikt zijn, ongekleed gerecreëerd mag worden. De rechter maakt in het concrete geval uit of er inderdaad sprake is van een “geschikte plaats” als in het even vermelde artikel is bedoeld. Slechts indien de aard van de plaats of de omstandigheden zo zijn, dat in redelijkheid niet meer kan worden gesproken van geschiktheid, blijft het feit een zekere mate van strafwaardigheid behouden. De minister van justitie noemde tijdens de Kamerbehandeling reeds een aantal factoren, dat zijns inziens bij de afweging, of er sprake is van een geschikte plek voor ongeklede recreatie, betrokken moet worden, te weten: het feit, dat de grote meerderheid van de ter plaatse aanwezigen geen bezwaren moet hebben tegen ongeklede recreatie; de lokale omstandigheden; de tijdsomstandigheden; (soms) het tijdstip van de dag. De woorden “op of aan een voor het openbaar verkeer bestemde plaats” stellen tenslotte buiten twijfel, dat er slechts sprake is van overtreding van artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht, indien het gebeuren plaatsvindt in het openbaar gebied, of daarmee te vergelijken plaatsen.
Conclusie van het bovenstaande: door het aanwijzen van bepaalde – concreet omschreven – gebieden voor ongeklede recreatie, zoals in artikel 2:34 gebeurt, geeft de gemeenteraad expliciet aan, dat hij andere gebieden in beginsel niét geschikt acht voor ongeklede recreatie. Indien personen in die andere gebieden echter tóch ongekleed recreëren, dan hangt het van het inzicht van de rechter af of deze personen strafbaar zijn of niet. De rechter bepaalt immers in laatste instantie of een bepaald gebied voor ongeklede recreatie geschikt is. De aanwijzing van gebieden door de gemeenteraad heeft dus in zekere zin een relatieve betekenis. De jurisprudentie zal op dit punt verdere duidelijkheid moeten scheppen. Naar de mening van de Minister van Justitie valt onder “ongeklede recreatie” zowel geheel als gedeeltelijk ongeklede recreatie. Wel liet de Minister blijken dat het topless recreëren niet snel schending van artikel 430a zal betekenen. Dit vindt meestal plaats op stranden of daarmee te vergelijken plaatsen, en is aldaar op dit moment vrij algemeen aanvaard, aldus de minister. De rechter heeft hierover echter het laatste woord. AFDELING 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen De gemeente ’s-Hertogenbosch wil een helingaanpak implementeren in de strijd tegen vermogenscriminaliteit, een van de prioriteiten uit het Integraal Veiligheidsplan 2015-2018.