20221025 toelichting OBP 'Kloosterstraat Johanneshof Nuland' - definitief
Tekst van het document
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 59
Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 5.15.2 Onderzoek Wettelijke gebiedsbescherming Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied en op een afstand van 10,2 kilometer tot Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. De afstand tot het Natura 2000-gebied Rijntakken bedraagt 11,1 kilometer, zie onderstaande figuur. Door de afstand van deze gebieden tot het plangebied heeft de ontwikkeling van 24 sociale huurappartementen geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen of kernkwaliteiten in deze gebieden.
Figuur 5.11: Afstand Natura 2000-gebied ten opzichte van het plangebied, rode stip (Bron: natura2000.nl/gebieden) 60
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied ligt niet in Natuur Netwerk Brabant. Het dichtstbijzijnde gebied ligt op een afstand van circa 370 meter aan de westzijde van Nuland. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Figuur 5.12: Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, kaart natuur en stiltegebieden (Bron: ruimtelijkeplannen.nl) Omdat de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 24 appartementen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening heeft uitgewezen of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. Dit onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 7. De AERIUS memo is te vinden in Bijlage 6. 61
Het onderhavige plan zal geen relevante significante cumulatieve effecten kunnen veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Hierdoor vormt het aspect stikstofdepositie geen belemmering voor de realisatie van het plan. Soortenbescherming Het plangebied bestaat momenteel uit een braakliggend grasland. Aan de straatzijde staan enkele bomen en de noordzijde wordt begrensd door struweel. In het oosten is een speeltuin en was tijdens het veldbezoek ook een pop-up speeltuin aanwezig. Voor de bouw van de 24 sociale huurappartementen zal het plangebied bouwrijp worden gemaakt en zal een deel van de begroeiing, met name aan de straatzijde, worden verwijderd. De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect, omdat met de kap van bomen via de Wet natuurbescherming beschermde soorten bedreigd kunnen worden. Op basis hiervan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het hele rapport is bijgevoegd in Bijlage 8. In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Tabel 5.2: Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen (Bron: BRO)
Houtopstanden In het plangebied zijn verschillende bomen aanwezig. Om de impact van het plan op de bomen te bepalen is een Boom Effect Analyse uitgevoerd, zie paragraaf 3.6. Aanleg parkeerplaatsen en ontsluitingen Voor de parkeerplaatsen aan de noordzijde van het plangebied, waar deze tussen de eiken nabij de noordelijke plangrens worden gerealiseerd, is grote kans op schade aan stabiliteitswortels van de bomen 5, 6, 8 en 13. Parkeerplaatsen dienen te worden verplaatst tot buiten de stabiliteitskluit van deze en andere bomen (Bijlage II uit rapport). Voor de aanleg van de parkeerplaatsen binnen de kwetsbare zone (kroonprojectie +1,5 meter) van bomen (in het huidige ontwerp 5 t/m 11 en 13) geldt de randvoorwaarde dat een maximale ontgraving van 20 centimeter-mv moet worden aangehouden. Ophogen met maximaal 10 centimeter, na verwijdering van de graszode en beplanting, is ook toegestaan. Uitgaande van het huidige maaiveldniveau.
62
De kroon van de eiken 5 t/m 8 en 10, 11 kunnen allen worden opgesnoeid zodat ter plaatse van de geplande ontsluiting en de parkeervakken de doorrijhoogte van 4,5 m +mv wordt behaald. Wel moet vermeldt worden dat de ingreep een significante verandering aanbrengt in de huidige structuur van de houtwal. Heester beplanting en opslag binnen de kwetsbare zone van te behouden bomen dienen onderaan te worden afgezaagd waarbij eventuele stobbes mogen worden gefreesd. Beplanting mag niet worden uitgetrokken. Aanwezig hekwerk dient handmatig of met licht materieel te worden gedemonteerd en mag tevens niet worden uitgetrokken. Eventueel aanwezige (paal)funderingen binnen de stabiliteitskluit van bomen mogen niet worden verwijderd. Verwijderen van funderingen op overige plaatsen dient plaats te vinden met een zo minimaal mogelijke ontgraving. Realisatie nieuwbouw Voor de realisatie van de prefab-fietsenstalling geldt dat een minimale ontgravingsdiepte (max. 20 centimeter -mv) moet worden aangehouden om onnodige wortelschade aan boom 2 en 4 te voorkomen. 5.15.3 Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:
Om kolonisatie door de rugstreeppad tijdens de werkzaamheden te voorkomen wordt geadviseerd om maatregelen te treffen, zoals het plaatsen van amfibieënschermen, of de vorming van ondiepe plassen en opslag van vergraafbaar zand te vermijden; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Verlichting op het parkeerterrein mag de houtwal aan de achterkant niet beschijnen.
De bouw van het appartementengebouw heeft na verwijdering van boom 16 geen noemenswaardig effect op overige te behouden bomen. Voor de bomen 14 en 16 is onderzocht wat de bovengrondse knelpunten zijn wanneer de geplande parkeerplaatsen binnen de stamvoet van deze bomen worden verplaatst. Hierbij is geconstateerd dat er sprake zal zijn van een fatale belemmering door kroonschade op boom 16. Boom 14 kan op deze manier wel worden behouden. Ook voor boom 13 is het wenselijk dat de huidige 6 parkeerplaatsen zoals deze aanwezig zijn aan de Kloosterstraat als zodanig in gebruik blijven, zodat geen graafwerkzaamheden binnen de invloedssfeer van bomen aan deze straat hoeven plaats te vinden. Mochten de parkeerplaatsen toch worden gesplitst, maar in een andere vorm, dan dient dit nieuwe ontwerp te worden getoetst middels een vervolg-BEA.
5.16
Archeologie en cultuurhistorie
5.16.1 Toetsingskader De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.
63
5.16.2 Onderzoek Ter plaatse van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie -2', zoals te zien is in figuur 5.12. Binnen deze dubbelbestemming zijn geen bouwwerkzaamheden toegestaan, die een grondoppervlakte betreffen groter dan 100 m2 en meer dan 0,5 meter beneden maaiveld. Het bevoegd gezag kan toch een omgevingsvergunning voor bouwwerkzaamheden verlenen, mits een door deskundigen opgesteld archeologisch rapport wordt overlegd.
Figuur 5.13: Uitsnede bestemmingsplan 'Kom Nuland' met dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie -2' (Bron: ruimtelijkeplannen.nl) Een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek is opgesteld in september 2021. Dit rapport is bijgevoegd in Bijlage 9. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 64
Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek De verwachting voor het voorkomen van de resten is laag voor het (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum en middelhoog voor de perioden Neolithicum tot en met Nieuwe tijd. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat in het hele plangebied matig fijn zwak siltig zand voorkomt dat bovenin (de A-horizont), met uitzondering van één boring waar de A-horizont ontbreekt maar waarschijnlijk sprake is van een opgebracht pakket zand en puin, zwak tot matig humeus was. De A-horizont was plaatselijk puinhoudend. Onder de A-horizont is overal een geroerde laag vastgesteld met daaronder de C-horizont. 5.16.3 Conclusie Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem (voor zover dat kon worden vastgesteld) in het plangebied verstoord is. Onder de voormalige bebouwing is de bodemopbouw niet bekend en door het ontbreken van bouwdossiers kunnen hier ook geen uitspraken over gedaan worden.
De vastgestelde verstoringsdiepte, alhoewel deze varieert binnen het plangebied, is van dien aard dat verwacht wordt dat er geen behoudenswaardige archeologische waarden in het plangebied aanwezig zijn. Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven.
65
66
Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.
6.1
Algemeen
In het voorgaande hoofdstuk zijn de uitgangspunten van dit bestemmingsplan geformuleerd. In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven. Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. de SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting.
Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijk als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.
6.2
Toelichting op bestemmingen
De bestaande bestemming 'Maatschappelijk' zal wijzigen in 'Wonen', 'Groen' en 'Verkeer'. 6.2.1 'Wonen' In overeenstemming met de bestemming 'Wonen' in de rest van Nuland is, op basis van het bouwplan zoals toegelicht in paragraaf 3.2, een bouwvlak met de bouwaanduiding 'gestapeld' opgenomen. Daarnaast is het maximum aantal wooneenheden van 24 opgenomen. Met de specifieke aanduidingen van de 'maximum gooten bouwhoogte' op de verbeelding is de maximale goot- en bouwhoogte geregeld en daarbij ook de twee hoogteaccenten. Aan de achterzijde is de goothoogte gelijk aan de bouwhoogte, omdat de achterzijde een galerij is. De voorzijde en de zijkanten hebben een kap met daarin de bovenste woonlaag. In de woonbestemming is op het achterterrein de aanduiding 'fietsenstalling' opgenomen. Met uitzondering van deze fietsenstalling zijn hier op grond van dit bestemmingsplan geen (bij)gebouwen toegestaan.
67
De balkons aan de voorzijde vallen (deels) buiten het bouwvlak. Hiervoor is een aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - balkons' aangegeven, zowel aan de rechterkant als aan de linkerkant van het gebouw. 6.2.2 'Groen' Ten zuiden, aan de voorkant, en aan de oostkant van het appartementengebouw wordt een openbaar toegankelijke tuin aangelegd met ruimte voor een nieuwe jeu-de-boulesbaan. Om deze openbare tuin ook juridisch-planologisch te verankeren krijgt het de bestemming 'Groen'. Het is niet toegestaan om gebouwen binnen deze bestemming te realiseren. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is een maximum hoogte en maximum oppervlakte opgenomen in de regels. 6.2.3 'Verkeer' Aan de linkerzijde zal een gedeelde inrit/uitrit worden gerealiseerd. Deze toegang leidt naar de parkeerplaatsen en de stoep aan de achterzijde van het gebouw. Deze toegangsweg en de parkeerplaatsen en de stoep aan de voorzijde hebben de bestemming 'Verkeer'.
68
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). De gronden zijn in het bezit van een ontwikkelende partij. Zij is, samen met de gemeente 's-Hertogenbosch initiatiefnemer van onderhavige bestemmingswijziging. Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. Tussen de ontwikkelende partij en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over de plankosten en planschadeverhaalskosten.
69
70
Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1
Omgevingsdialoog
Omdat een fysieke (inloop)bijeenkomst in januari 2022 nog niet mogelijk was door de coronamaatregelen is de tijdelijke website www.kloosterstraatnuland.nl opgezet. Op deze website is het schetsplan en de bijbehorende informatie gepresenteerd. Initiatiefnemer heeft direct omwonenden en belanghebbenden (ongeveer 35 adressen/ organisaties) uitgenodigd om via deze website kennis te nemen van het plan en hun vragen en/of opmerkingen te maken. Geïnteresseerde bezoekers van de website konden ook hun reactie op het schetsontwerp achter laten. Voor diegene die er behoefte aan had was er de mogelijkheid voor een persoonlijk gesprek. Het schetsontwerp is gedeeld met omwonenden en belanghebbenden. Het schetsontwerp is zo'n 190 keer bekeken. De initiatiefnemer heeft 10 reacties ontvangen en er zijn 5 persoonlijke gesprekken gevoerd. Geconcludeerd kan worden dat het plan overwegend positief is ontvangen. Twee omwonenden vrezen door de ontwikkeling voor hun woongenot en privacy. Initiatiefnemer heeft met hun bezwaren waar mogelijk rekening gehouden, maar kan deze zorgen en bezwaren niet volledig wegnemen.
8.2
Vooroverleg
In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht in samenhang met artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het ontwerpbestemmingsplan voorafgaand aan de terinzagelegging ervan toegezonden aan provincie Noord-Brabant en waterschap Aa en Maas. Provincie Noord-Brabant Naar aanleiding van de inventarisatie van belangen in het kader van het vooroverleg (door middel van het e-formulier over de in het voorontwerp betrokken ruimtelijke aspecten) geeft de provincie aan dat het plan haar geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Waterschap Aa en Maas Het waterschap concludeert dat de waterschapsbelangen op de juiste wijze zijn opgenomen in het plan en heeft daarom geen opmerkingen op het plan.
8.3
Ontwerpfase
Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro).
71
72