2. Verordening, bomen, water en groen 's-Hertogenbosch 2021
Tekst van het document
VERORDENING BOMEN, WATER EN GROEN ’S-HERTOGENBOSCH 2021 BEHORENDE BIJ DE VISIE ’S-HERTOGENBOSCH GROEN EN KLIMAATBESTENDIG
De gemeenteraad van ’s-Hertogenbosch in zijn openbare vergadering van 9 maart 2021; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 26 januari 2021, registratienummer 10714347; gelet op de Gemeentewet, de Waterwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer; besluit vast te stellen de Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021.
1
HOOFSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN AFDELING 1.1
BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 1.1
Begripsbepalingen De bijlage bij deze verordening bevat begrippen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen.
AFDELING 1.2
TOEPASSINGSBEREIK
Artikel 1.2
Toepassingsbereik Deze verordening geeft regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving specifiek wat betreft het vellen van beschermde houtopstanden, het lozen van grondwater en hemelwater en het verplicht realiseren van groen in het geval van verhardingstoename.
HOOFSTUK 2 DOELEN Artikel 2.1 Doelen van de verordening art. 2.1 lid 1. Het doel van deze verordening is het stellen van regels over houtopstanden, het lozen van grondwater en hemelwater en het verplicht realiseren van groen om de gevolgen van klimaatverandering te beperken en bepaalde houtopstanden te beschermen. art. 2.1 lid 2. Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels: a. het beschermen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; e. het behoud van het cultureel erfgoed; f. het beschermen van de biodiversiteit; g. het beheer van watersystemen; h. het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; i. het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen; j. het beheer van natuurlijke hulpbronnen; k. het beheer van natuurgebieden; l. de instandhouding van beschermde houtopstanden.
HOOFDSTUK 3 AANWIJZINGINGEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING AFDELING 3.1
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 3.1
Bevoegdheid college wijzigingen aanwijzingen Het college is bevoegd de in dit hoofdstuk weergegeven aanwijzingen, zoals opgenomen op de in bijlage 2 en bijlage 3 bij deze Verordening opgenomen Bomenkaart en Groenkaart te wijzigen.
AFDELING 3.2
AANWIJZINGEN VOOR HET VELLEN VAN HOUTOPSTANDEN
Artikel 3.2
Aanwijzing monumentale houtopstanden De beschermde monumentale houtopstanden zijn aangewezen als ‘monumentale houtopstanden’ op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze Verordening.
Artikel 3.3
Aanwijzing waardevolle houtopstanden De beschermde waardevolle houtopstanden zijn aangewezen als ‘waardevolle houtopstanden’ op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze Verordening.
2
Artikel 3.4
Aanwijzing houtopstanden binnen Structuren De Structuren zijn aangewezen als ‘Structuren’ op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze Verordening.
Artikel 3.5
Aanwijzing houtopstanden binnen Sfeervlakken De Sfeervlakken zijn aangewezen als ‘Sfeervlakken’ op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze Verordening.
Artikel 3.6
Aanwijzing begrenzing bebouwde kom Wet natuurbescherming De begrenzing van de bebouwde kom als bedoeld in artikel 4.1, aanhef en onder a, van de Wet natuurbescherming is aangewezen als ‘begrenzing bebouwde kom’ op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze Verordening. Binnen deze begrenzing zijn de regels over houtopstanden van de Wet natuurbescherming niet van toepassing.
AFDELING 3.3
AANWIJZINGEN GEBIEDEN VOOR HET VERPLICHT REALISEREN VAN GROEN
Artikel 3.7
Aanwijzing gebieden groennorm De gebieden voor het verplicht realiseren van groen in het geval van verhardingstoename en waarvoor een groennorm geldt zijn aangewezen op de Groenkaart, zoals opgenomen in bijlage 3 bij deze Verordening.
HOOFDSTUK 4 REGELS VOOR ACTIVITEITEN AFDELING 4.1
INLEIDENDE BEPALINGEN
Artikel 4.1
Op wie van toepassing Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de betrokken activiteit verricht of laat verrichten, tenzij anders is bepaald.
Artikel 4.2
Algemene aanvraagvereisten vergunning of verzoek om ontheffing Een aanvraag voor een vergunning of een verzoek om ontheffing en de daarbij behorende gegevens en bescheiden worden ingediend bij het college via de vastgestelde indieningsprocedure en het daarvoor bestemde digitale formulier.
Artikel 4.3 art. 4.3 lid 1.
Algemene weigeringsgronden Het college weigert een vergunning of ontheffing in ieder geval indien de activiteit in strijd zou zijn met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regeling. Het college kan een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren als: a. dat naar hun oordeel nodig is in het belang van de doelen van deze verordening, zoals opgenomen in artikel 2.1, lid 2. b. niet wordt voldaan aan bij of krachtens deze verordening gestelde vereisten om voor de vergunning of ontheffing in aanmerking te komen.
art. 4.3 lid 2.
AFDELING 4.2
HET VELLEN VAN BESCHERMDE HOUTOPSTANDEN
Artikel 4.4 art. 4.4 lid 1.
Toepassing en doel van deze afdeling Deze afdeling is van toepassing op het vellen, doen vellen of laten vellen van beschermde houtopstanden. Het doel van de regels in deze afdeling over het vellen van beschermde houtopstanden is het behouden en beschermen van monumentale houtopstanden, waardevolle houtopstanden, beschermde houtopstanden gelegen binnen Structuren en beschermde houtopstanden gelegen binnen Sfeervlakken.
art. 4.4 lid 2.
Artikel 4.5 art. 4.5 lid 1.
Vergunningplicht monumentale en waardevolle houtopstanden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college op de Bomenkaart aangewezen monumentale houtopstanden of waardevolle houtopstanden te vellen, te doen vellen of te laten vellen. 3
art. 4.5 lid 2.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. houtopstanden die moeten worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het college; b. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; c. het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; d. het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan houtopstanden met achterstallig onderhoud; e. het vellen van houtopstanden op openbaar terrein in eigendom van de gemeente, wanneer dat gebeurt ter vervanging van beplanting die verloren is gegaan of dreigt te gaan.
Artikel 4.6 art. 4.6 lid 1.
Vergunningplicht houtopstanden binnen Structuren en Sfeervlakken Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college de volgende houtopstanden te vellen, te doen vellen of te laten vellen: a. in Structuren staande houtopstanden met een minimale stamomtrek van 0,35 meter gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld; b. in Sfeervlakken staand houtopstanden met een minimale stamomtrek van 1 meter gemeten op 1,30 meter boven het maaiveld. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor de volgende houtopstanden: a. houtopstanden die ook zijn aangewezen als monumentale of waardevolle houtopstanden, waarvoor op grond van artikel 4.5 van deze verordening al een vergunningplicht geldt; b. in Sfeervlakken staande houtopstanden, indien deze zijn gelegen buiten de bebouwde kom. Deze uitzondering geldt niet voor: 1. houtopstanden die staan in erven en tuinen; 2. houtopstanden die een zelfstandige eenheid vormen van minder dan 10 are; 3. houtopstanden die bestaan uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen gerekend over het totaal aantal rijen. c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden, behoudens het vellen van hoogstambomen; d. fijnsparren, niet ouder dan 20 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; e. kweekgoed; f.
uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 meter, en zijn aangelegd na 1 januari 2013. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. houtopstanden die moeten worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het college; b. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; c. het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; d. het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan houtopstanden met achterstallig onderhoud; e. dunning; f. het vellen van in Sfeervlakken staande houtopstanden in eigendom van de gemeente; g. houtopstanden waar voor het vellen ook een omgevingsvergunning nodig is voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of voor het uitvoeren van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, omgevingsplan of voorbereidingsbesluit is bepaald;
art. 4.6 lid 2.
art. 4.6 lid 3.
4
h. het vellen van houtopstanden op openbaar terrein in eigendom van de gemeente, wanneer dat gebeurt ter vervanging van een houtopstand die verloren is gegaan of dreigt te gaan. Artikel 4.7 art. 4.7 lid 1.
art. 4.7 lid 2.
Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde houtopstand worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een aanduiding van de te vellen houtopstand op een kaart, foto of tekening; b. de redenen voor het vellen van de houtopstand; c. beantwoording van de vraag of en zo ja op welke wijze het vrijkomende hout van de te vellen houtopstand duurzaam wordt hergebruikt; d. de mogelijkheid tot herbeplanten, en als het voornemen tot herbeplanten bestaat, de locatie daarvan, het aantal en de soorten. Het college kan verplichten dat bij de aanvraag om een omgevingsvergunning een Bomeneffectanalyse wordt overgelegd.
Artikel 4.8
Beoordelingsregels omgevingsvergunning monumentale houtopstanden Een omgevingsvergunning voor het vellen van een monumentale houtopstand wordt door het college alleen verleend indien alternatieven voor behoud zijn onderzocht en: a. indien naar boomdeskundige maatstaven instandhouding van de monumentale houtopstand niet langer verantwoord is ter voorkoming van door tak- of stambreuk veroorzaakt letsel of schade, ter voorkoming van onrechtmatige hinder of dat de houtopstand aan vervanging toe is, of b. een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de monumentale houtopstand of de levensverwachting van de monumentale houtopstand minder dan 5 jaar is.
Artikel 4.9
Beoordelingsregels omgevingsvergunning waardevolle houtopstanden Een omgevingsvergunning voor het vellen van een waardevolle houtopstand wordt door het college alleen verleend indien alternatieven voor behoud zijn onderzocht en: a. indien naar boomdeskundige maatstaven instandhouding van de waardevolle houtopstand niet langer verantwoord is ter voorkoming van door tak- of stambreuk veroorzaakt letsel of schade, ter voorkoming van onrechtmatige hinder of dat de houtopstand aan vervanging toe is, of b. een algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de waardevolle houtopstand of een zwaarwegend individueel belang van niet tijdelijke aard opweegt tegen duurzaam behoud van de waardevolle houtopstand of de levensverwachting van de waardevolle houtopstand minder dan 5 jaar is.
Artikel 4.10
Beoordelingsregels omgevingsvergunning houtopstanden binnen Structuren of Sfeervlakken Een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden binnen Structuren of Sfeervlakken kan door het college worden verleend indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden: a. natuurwaarden van de houtopstand; b. landschappelijke of stedenbouwkundige waarden van de houtopstand; c. cultuurhistorische waarden van de houtopstand; d. beeldbepalende waarden van de houtopstand; e. dendrologische waarden van de houtopstand; f. waarden van de houtopstand voor de leefbaarheid; g. waarden van de houtopstand voor de bijdrage aan het klimaat en klimaatadaptie.
Artikel 4.11 art. 4.11 lid 1.
Bijzondere voorschriften omgevingsvergunning vellen van houtopstanden Aan een omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde houtopstand kan het voorschrift worden verbonden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant. In het betreffende voorschrift wordt bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.
5
art. 4.11 lid 2.
art. 4.11 lid 3.
Indien het ter plaatse niet mogelijk is om te herplanten kan aan een omgevingsvergunning het voorschrift worden verbonden dat een geldelijke bijdrage dient te worden gestort in het Bomenfonds. De geldelijke bijdrage kan worden vastgesteld op grond van de boomwaarde of de vervangingswaarde. Aan een omgevingsvergunning kan het voorschrift worden verbonden dat pas tot vellen van de houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien andere vergunningen of toestemmingen zijn verleend of ruimtelijke plannen zijn vastgesteld en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.
Artikel 4.12
Bijzondere intrekkingsgrond omgevingsvergunning vellen houtopstanden Het college kan een omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde houtopstand in ieder geval intrekken indien binnen een termijn van één jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning daarvan geen gebruik is gemaakt.
AFDELING 4.3
HET LOZEN VAN GRONDWATER EN HEMELWATER
Artikel 4.13 art. 4.13 lid 1.
Toepassing en doel van deze afdeling Deze afdeling is van toepassing op alle lozingen van grondwater op de gemeentelijke riolering of een gemeentelijke hemelwatervoorziening en het lozen van hemelwater voor de handelingen waarvoor in artikel 4.15 een verbod is opgenomen. Het doel van de regels in deze afdeling over het lozen van grondwater en hemelwater is het voorkomen van overlast door hevige neerslag en het tegengaan van verdroging als gevolg van klimaatverandering.
art. 4.13 lid 2.
Artikel 4.14 art. 4.14 lid 1. art. 4.14 lid 2.
Artikel 4.15 art. 4.15 lid 1. art. 4.15 lid 2.
art. 4.15 lid 3.
art. 4.15 lid 4.
art. 4.15 lid 5.
Verbod op het lozen van grondwater Het is verboden grondwater te lozen op de gemeentelijke riolering of een gemeentelijke hemelwatervoorziening. Het college kan als beheerder ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien van de perceeleigenaar redelijkerwijs geen andere wijze van lozen van het grondwater kan worden gevergd. Verbod op het lozen van hemelwater Het is verboden om bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. De perceeleigenaar heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarvoor geldt dat: a. bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van 500 m2 of meer, de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 60 mm per m 2 toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak kan verwerken; b. bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van minder dan 500 m2, de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 10 mm per m2 toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak kan verwerken.
Deze verplichting geldt niet indien voor de betreffende oppervlakte aan nieuwe verharding of vernieuwde bestaande verharding, een groen dak wordt gerealiseerd met een minimale bergingscapaciteit van 25 mm per m2. In afwijking van het tweede lid geldt dat indien een perceel is aangesloten op drukriolering de eigenaar van het betreffende perceel de verplichting heeft het hemelwater volledig op eigen terrein te verwerken. Indien voor het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding een vergunning voor een andere activiteit is benodigd, worden bij de aanvraag voor die vergunning de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een berekening van de wateropgave; b. een situatietekening van de hemelwatervoorziening. De hiervoor bedoelde hemelwatervoorziening dient uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van de nieuwe verharding of vernieuwde bestaande verharding gerealiseerd te zijn. Aansluiting van de hemelwatervoorziening op gemeentelijke 6
voorzieningen, zoals straatkolken, leidingen en de openbare weg, dienen volgens de eisen van het college als beheerder te worden uitgevoerd. Artikel 4.16 art. 4.16 lid 1.
art. 4.16 lid 2. art. 4.16 lid 3.
Ontheffing verbod op het lozen van hemelwater Het college kan als beheerder op aanvraag ontheffing verlenen van de verboden en verplichtingen als bedoeld in artikel 4.15, indien van de perceeleigenaar redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel van het verbod. Bij de aanvraag om een ontheffing geeft de perceeleigenaar een overzicht van de redenen waarom niet aan artikel 4.15 kan worden voldaan. Aan de te verlenen ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op het voldoen van een geldelijke bijdrage, indien op het eigen perceel niet kan worden voldaan aan de minimale bergingseis voor hemelwater.
Artikel 4.17
Kwaliteit te lozen hemelwater Het is verboden het afstromende hemelwater als bedoeld in artikel 4.15 te verontreinigen door het afspoelen of uitlogen van gebruikte bouwmaterialen of geloosde stoffen.
Artikel 4.18
Afstemming met regels andere overheden Indien regelgeving van andere overheden strengere eisen stelt aan het lozen van hemelwater en grondwater dan gelden de regels van die overheden in plaats van de regels in deze verordening.
AFDELING 4.4
HET VERPLICHT REALISEREN VAN GROEN
Artikel 4.19 art. 4.19 lid 1.
Toepassing en doel van deze afdeling Deze afdeling is van toepassing op het verplicht realiseren van groen in geval van het realiseren van nieuwe verharding, waarvoor in artikel 4.20 een verbod is opgenomen. Het doel van de regels in deze afdeling over het verplicht realiseren van groen is het komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene leefomgeving.
art. 4.19 lid 2.
Artikel 4.20 art. 4.20 lid 1.
art. 4.20 lid 2.
art. 4.20 lid 3.
Artikel 4.21 art. 4.21 lid 1.
art. 4.21 lid 2.
art. 4.21 lid 3.
Groennorm Het is verboden meer dan 500 m2 nieuwe verharding te realiseren zonder daarbij te voldoen aan de groennorm die geldt voor een bepaald gebied, zoals opgenomen op de Groenkaart in bijlage 3 van deze Verordening, en te voldoen aan de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore, zoals opgenomen in bijlage 4b van deze Verordening. De groennorm wordt ingevuld aan de hand van de kwantitatieve groenscore, zoals opgenomen in bijlage 4a van deze Verordening. De kwalitatieve biodiversiteitsscore wordt bepaald aan de hand van bijlage 4b van deze Verordening. Het college is bevoegd de kwantitatieve groenscore en de kwalitatieve biodiversiteitscore, zoals opgenomen op de in bijlage 4a en bijlage 4b bij deze Verordening te wijzigen. Ontheffing groennorm Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in artikel 4.20 indien redelijkerwijs niet kan worden voldaan aan de groennorm of de minimaal te behalen kwalitatieve biodiversiteitscore. Bij de aanvraag om een ontheffing geeft de aanvrager een overzicht van de redenen waarom niet aan de groennorm of de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore kan worden voldaan. Aan de te verlenen ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op het voldoen van een geldelijke bijdrage.
7
HOOFDSTUK 5 BEHEER EN ONDERHOUD AFDELING 5.1
ONDERHOUD- EN INSTANDHOUDINGSVERPLICHTINGEN
Artikel 5.1
Instandhoudingsplicht beschermde houtopstanden Indien een beschermde houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is als bedoeld in afdeling 4.2 in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om: a. overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen; b. een Bomeneffectanalyse op te stellen en aan te bieden aan het college.
Artikel 5.2 art. 5.2 lid 1.
Herplantplicht beschermde houtopstanden Indien een beschermde houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is als bedoeld in afdeling 4.2 zonder omgevingsvergunning van het college is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen en binnen een door hen te stellen termijn. Daarbij wordt eveneens bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. De verplichting als bedoeld in het eerste lid kan worden opgelegd aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is. Indien het ter plaatse niet mogelijk is om te herplanten kan het college verplichten dat een geldelijke bijdrage dient te worden gestort in het Bomenfonds. De geldelijke bijdrage kan worden vastgesteld op grond van de boomwaarde of de vervangingswaarde. Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.
art. 5.2 lid 2.
art. 5.2 lid 3.
art. 5.2 lid 4.
Artikel 5.3 art. 5.3 lid 1. art. 5.3 lid 2. art. 5.3 lid 3.
Artikel 5.4 art. 5.4 lid 1.
art. 5.4 lid 2.
art. 5.4 lid 3.
Onderhoud, beheer en instandhouding hemelwatervoorziening De eigenaar is verantwoordelijk voor het onderhoud en beheer van zijn hemelwatervoorzieningen. Het is verboden een gerealiseerde hemelwatervoorziening te verwijderen, onvoldoende te beheren of onderhouden. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing in geval een hemelwatervoorziening wordt veranderd of vervangen, mits het totale bergend vermogen van de hemelwatervoorziening niet afneemt en de kwaliteit van de voorziening beter of vergelijkbaar is. Onderhoud, beheer en instandhouding groenmaatregelen De eigenaar is verantwoordelijk voor het onderhoud en beheer van maatregelen ter invulling van de groennorm en de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore, als bedoeld in artikel 4.20 van deze Verordening. Het is verboden gerealiseerde maatregelen ter invulling van de groennorm en de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore te verwijderen, onvoldoende te beheren of onderhouden. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing in geval een maatregel wordt veranderd of vervangen, mits de kwaliteit van de verandering beter of vergelijkbaar is.
AFDELING 5.2
OVERIGE BEPALINGEN HOUTACHTIGEN
Artikel 5.5 art. 5.5 lid 1.
Bestrijding van boomziekten Indien zich op een terrein één of meer houtachtigen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij 8
art. 5.5 lid 2.
art. 5.5 lid 3.
aanschrijving vast te stellen termijn: a. de houtachtige te vellen; b. conform de richtlijnen van het college de gevelde houtachtige direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een grondslag voor het opleggen van een last onder bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van de aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht. Het is verboden zonder vergunning van het college de gevelde houtachtige of delen daarvan voor handen of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een soort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.
Artikel 5.6
Bescherming gemeentelijke houtachtigen Het is verboden om houtachtigen, die eigendom van de gemeente ‘s-Hertogenbosch zijn, te beschadigen, te bekladden, te vellen of te beplakken, daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door of in opdracht van ambtenaren ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak.
Artikel 5.7
Afstand tot de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek, is vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen.
HOOFDSTUK 6 PROCESREGELS Artikel 6.1 art. 6.1 lid 1.
Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht De artikelen 6.2 tot en met 6.4 zijn niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 6.2 art. 6.2 lid 1.
Beslistermijn Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag om ontheffing, tenzij in een andere wettelijke regeling een andere beslistermijn is gesteld of afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard. Het college kan de beslistermijnen eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Dit besluit wordt bekendgemaakt binnen de beslistermijn. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking deelt het college het besluit mee op dezelfde wijze als is kennisgenomen van de aanvraag.
art. 6.2 lid 2. art. 6.2 lid 3.
Artikel 6.3 art. 6.3 lid 1. art. 6.3 lid 2.
Voorschriften Het college kan aan een omgevingsvergunning of ontheffing voorschriften verbinden. Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.
Artikel 6.4
Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden Het college kan de vergunning of ontheffing in ieder geval wijzigen of intrekken indien: a. de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b. veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de vergunning of ontheffing is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften niet zijn of worden nageleefd; d. de voor de houder van de vergunning of ontheffing geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd; e. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; f. de vergunninghouder dit verzoekt.
9
HOOFDSTUK 7 HANDHAVING AFDELING 7.1 STRAFBAARSTELLING Artikel 7.1
Strafbepaling Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij gegeven voorschriften wordt, voor zover niet al bij of krachtens de wet strafbaar gesteld, gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. Ook kan overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
AFDELING 7.2 TOEZICHT EN HANDHAVING Artikel 7.2
Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: a. de ambtenaren aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering; b. de toezichthouders WABO van de afdeling Vergunningverlening Toezicht en Handhaving; c. de medewerkers van de afdeling Stadstoezicht die zijn belast met toezicht en handhaving openbare ruimte; d. de andere bij besluit van het college aangewezen personen of groep van personen.
HOOFDSTUK 8 OVERGANGSRECHT Artikel 8.1 art. 8.1 lid 1.
art. 8.1 lid 2.
art. 8.1 lid 3.
Overgangsbepaling Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of een verzoek om ontheffing op grond van een verordening bedoeld in artikel 9.1 is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag of verzoek is beslist, worden daarop de bepalingen van de verordeningen bedoeld in artikel 9.1 toegepast. Op een aanhangig beroep- of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 9.2 is ingekomen binnen de voordien geldende bezwaar- en beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordeningen bedoeld in artikel 9.1. Vergunningen of ontheffingen verleend op grond van de verordeningen bedoeld in artikel 9.1 gelden als vergunningen of ontheffingen op grond van deze verordening.
HOOFDSTUK 9 SLOTBEPALINGEN Artikel 9.1
Intrekking bestaande verordeningen De Bomenverordening ’s-Hertogenbosch 2010 en de Verordening hemelwater en grondwater ’s-Hertogenbosch 2017 worden, tegelijkertijd met de inwerkingtreding van deze verordening, ingetrokken.
Artikel 9.2
Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.
Artikel 9.3
Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021”.
10
Bijlage 1: Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: Het vellen van beschermde houtopstanden & overige bepalingen houtachtigen bebouwde kom: bebouwde kom vastgesteld in het kader van artikel 4.1, aanhef en onder a, van de Wet natuurbescherming; beschermde houtopstand: houtopstanden die als zodanig zijn aangewezen op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze verordening en voor het vellen op grond van deze verordening een vergunningplicht geldt; bomeneffectanalyse: een beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een bestaande houtopstand; Bomenfonds: gemeentelijke voorziening ter financiering van herplant van houtopstand; boomwaarde: de monetaire waarde van een houtopstand zoals getaxeerd volgens de meest recente Richtlijn van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Hertogenbosch; dendrologische waarde: deze waarde houdt verband met de botanische waarde van bomen, heesters en in het algemeen houtachtige planten; dunning: het vellen uitsluitend bedoeld als verzorgingsmaatregel ter bevordering van groei van na dunning overblijvende houtopstand; hakhout: één of meer houtopstanden, vanuit landschappelijk of cultuurhistorisch oogpunt aangeplant als hakhout, die na periodiek
terugkerend vellen, opnieuw op de stronk uitlopen; herplant: in het kader van deze verordening of op grond van andere wettelijke voorschriften herplanten van houtopstand; houtachtige: een houtig opgaand en in beginsel overblijvend gewas; houtopstand: één of meer bomen of hakhout; kandelaberen: het tot op de hoofdtakken snoeien van de houtopstand; knotten: het afzagen van de kroon van de houtopstand; maaiveld: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse; monumentale houtopstand: beschermde houtopstand die als zodanig is aangewezen op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze verordening; sfeervlak: de op de Bomenkaart aangewezen sfeervlakken, waarin beschermde houtopstanden aanwezig zijn. structuren: de op de Bomenkaart aangewezen structuren, waarin beschermde houtopstanden aanwezig zijn. vellen: vellen, doen vellen of laten vellen. Dit is rooien, kappen, of verplanten of het snoeien van meer dan 20 procent van het kroonvolume of het wortelgestel, met inbegrip van voor de eerste keer kandelaberen of knotten. Dit is ook het verrichten van handelingen, zowel boven als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben; 11
vervangingswaarde: de kosten die gemaakt moeten worden om het bevoegd gezag voorgeschreven vervangende groen te realiseren. Het lozen van hemelwater en grondwater beheerder: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Hertogenbosch; bestaande verharding: verharding die is aangelegd voor de inwerkingtreding van deze verordening; bouwwerken: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van de bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; drukriolering: systeem van leidingen waarbij (afval)water wordt verpompt; eigen perceel: het perceel waarop een verandering van het verharde oppervlak plaatsvindt; gemengd riool: een riool bedoeld voor de afvoer van zowel afval- als hemelwater; groen dak: een doelbewust met planten begroeid dak, die een bepaalde waterbergende capaciteit beschikt; grondwater: water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat; hemelwatervoorziening: voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast; infiltratie: het proces waarbij hemelwater
wegzakt in de bodem; lozen: het zich ontdoen van afstromend hemelwater of grondwater; nieuwe verharding: verharding, niet van tijdelijke aard, die wordt aangelegd na de inwerkingtreding van deze verordening en wat leidt tot toename van het verhard oppervlak; perceeleigenaar: degene op wiens perceel het hemelwater valt of onder wiens perceel zich het grondwater bevindt; riolering: voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast; verhard oppervlak: oppervlakte voorzien van verharding; verharding: wegen, bestrating, daken en overige bouwwerken die de infiltratie van hemelwater ter plaatse belemmeren; vernieuwen: het vervangen of wijzigen van bestaande verharding.
Het realiseren van groen bouwwerken: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van de bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Hertogenbosch; nieuwe verharding: verharding, niet van tijdelijke aard, die wordt aangelegd na de inwerkingtreding van deze verordening en wat leidt tot toename van het verhard oppervlak; 12
verharding: wegen, bestrating, daken en overige bouwwerken.
13
Bijlage 2: Bomenkaart
14
Bijlage 3: Groenkaart
15
Bijlage 4a: Kwantitatieve groenscore Scoresysteem kwantitatieve groenscore Dit scoresysteem heeft als doel een groenscore te bepalen welke getoetst kan worden aan de groennorm zoals opgenomen in de Groenkaart van de Verordening (bijlage 3). De witte velden zijn om in te vullen. Indien er geen oppervlakte van is, dan 0 invullen.
1 Hoe groot is het plangebied / projectgebied / perceel?
m2
2 Wat is de oppervlakte bebouwing (woning, bedrijf, garage, schuur, tuinhuis etc.)
m2
3 Wat is de oppervlakte groen en water (gras, plantenbakken, perkjes, vijver, wadi, tuin etc.)
m2
4 Wat is de oppervlakte verharding (in-/oprit, wegen, terras, looppaden etc)
m2
5 Wat is de oppervlakte half verharding (grasbetonstenen)
m
2
0 m2, 50% telt mee om score te berekenen
0 m2, moet gelijk zijn aan grootte plangebied/perceel
de groenscore Aanvullend
6 Is er sprake van een groen dak, dan oppervlakte groen dak invullen 7 Is er sprake van een groene gevel, dan oppervlakte groene gevel invullen 8 Is er sprake van kroonprojectie bomen, dan totale oppervlakte vd kronen invullen
m2
m2 (groen dak telt 75% mee in groenscore)
m2
m2 (groene gevel telt 4x mee in groenscore)
m2
m2 (kroonprojectie bomen telt 4x mee in groenscore)
de groenscore De te hanteren groennorm is vastgelegd op de Groenkaart van de Verordening (bijlage 3)
Groennorm
16
inclusief groen dak, groene gevel en kroonprojectie bomen (invullen van groennorm van Groenkaart)
Toelichting scoresysteem kwantitatieve groenscore Met de kwantitatieve groenscore kan worden getoetst of voldaan wordt aan de groennorm, zoals opgenomen op de Groenkaart in bijlage 3 van de Verordening. Met het scoresysteem kan worden aangetoond of en op welke wijze bij het realiseren van meer dan 500 m 2 nieuwe verharding wordt voldaan aan de groennorm. Het uitgangspunt is dat indien niet wordt voldaan aan de groennorm het plan, het project, de ontwikkeling, het initiatief of de activiteit wordt aangepast totdat er wel kan worden voldaan. Het scoresysteem betreft een detailberekening en kan worden gebruikt bij een inrichtingsschets, een stedenbouwkundig plan, een landschappelijk inpassingsplan, een bouwtekening of een concrete situatietekening. In het scoresysteem moeten de te hanteren oppervlakten ingevuld worden, te verdelen over bebouwing, verharding, halfverharding en aandeel groen en water. Onder het oppervlak groen en water wordt alles verstaan wat niet verhard (versteend) is. Ook spelen aanvullende elementen een rol in het scoresysteem. Dit betreft het aanleggen van een groen dak of een groene gevel en de kroonprojectie van bomen. Hieronder is per invullingselement een toelichting opgenomen.
Plangebied / projectgebied / perceel Het plangebied of projectgebied betreft het volledige gebied waarop de wijziging, ontwikkeling, activiteit of overige handeling ziet (oppervlak in m 2). Dit kan het gebied zijn waarop de ontwikkeling of het plan van toepassing is dan wel het gebied waarop de aangevraagde activiteiten plaatsvinden (perceel). Of bijvoorbeeld de omvang van het perceel van het gehele bedrijf waarop de nieuwe verharding van meer 500 m 2 wordt toegepast. Het is niet de bedoeling dat er gronden, waar bijvoorbeeld al groen aanwezig is, die geen samenhang hebben met het initiatief / de ontwikkeling worden betrokken, indien er hier geen veranderingen en/of wijzigingen plaatsvinden en daarmee dus ook niet tot het initiatief / de ontwikkeling behoren. Oppervlakte bebouwing De oppervlakte bebouwing omvat alle gebouwen die geprojecteerd en/of aanwezig zijn binnen het plangebied of projectgebied. Bebouwing betreft onder andere woningen, bedrijven en andere gebouwen zoals ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, bejaardencentra, ontmoetingsruimten. Ook tuinhuisjes, schuurtjes, garages, stallen en /of overige verblijven vallen daaronder. De oppervlakte van bebouwing wordt in m 2 ingevuld. Ook een te realiseren groen dak telt mee in de oppervlakte bebouwing. En wordt vervolgens ook apart ingevuld onder ‘aanvullend’ in het scoresysteem.
Dit om het positieve van realisering van een groen dak tot uiting te laten komen in de maatregelvarianten, zie in dit kader ook de uitleg onder het kopje over de aanvullende toetsingselementen. Oppervlakte groen en water De oppervlakte groen en water wordt bepaald door al het groen en water dat binnen het plangebied of projectgebied wordt gerealiseerd en dit in m2 uit te drukken. Hierbij wordt de oppervlakte op maaiveldniveau bepaald en niet bijvoorbeeld de boomkruin die ook over verharding kan vallen. Voor groen en water kan gedacht worden aan tuinen, gras, plantenbakken, perkjes, wadi’s, plantsoenen en dergelijke. Oppervlakte verharding Binnen het plangebied of projectgebied moet naast de (verharde) bebouwing, de oppervlakte aan overige verharding worden bepaald. Onder verharding wordt verstaan het oppervlak aan wegen, in- en opritten, verharde looppaden, terrassen en dergelijke. Ter verduidelijking: in het scoresysteem wordt dus een andere invulling van het begrip verharding gehanteerd als in de Verordening zelf. De oppervlakte aan halfverhardingen, zoals grasbetonstenen, moet apart worden ingevuld omdat dit oppervlak voor 50% meetelt in het bepalen van de groenscore.
Aanvullende toetsingselementen Het realiseren van een groen dak, een groene gevel of grote bomen zijn belangrijk voor het behalen van de doelstelling om een klimaatadaptieve, biodiverse, groene en daarmee gezonde omgeving te verkrijgen. Daarom zijn deze onderdelen als aanvullende toetsingselementen in het scoresysteem opgenomen. 17
Groen dak Indien er een groen dak wordt gerealiseerd moet het oppervlak hiervan volledig ingevuld worden in vierkante meters waarna het voor 75% meetelt in de bepaling van de groenscore. Ook als er zonnepanelen op het groene dak worden geplaatst en de vegetatie onder de panelen aanwezig is, telt het oppervlak groen dak mee voor 75%. Groene gevels Groene gevels worden extra gestimuleerd om de doelstelling te behalen. Dit extra zit in het meewegen van een groene gevel 4x het te realiseren groen oppervlak in m2. Het oppervlak groene gevel wordt bepaald door een realistisch en haalbaar verticaal oppervlak, te weten de grootte ervan na 5 jaar aanplanting. Dit oppervlak dient nader onderbouwd en toegelicht te worden. Kroonproject grote bomen Grote bomen worden ook extra gewaardeerd in relatie tot het realiseren van de doelstelling. Het oppervlak kroonprojectie bomen wordt bepaald door de aanwezige kroon van de bomen zoals feitelijk aanwezig en/of door het kroonoppervlak in te schatten 10 jaar na aanplant van deze boom/bomen. Indien de boom/bomen nog aangeplant moeten worden dient er een nadere toelichting over de kroonprojectie van de boom/bomen over 10 jaar te worden toegevoegd, zodat dit kan worden gecontroleerd en beoordeeld.
Het oppervlak van de kroonprojectie van bomen telt voor een factor 4 mee in de groenscore om het behoud van grote bomen te borgen en om nieuwe aanplant van (grote) bomen te bevorderen en stimuleren.
18
Bijlage 4b: Kwalitatieve biodiversiteitscore Scoresysteem kwalitatieve biodiversiteitscore Maximaal aantal punten:
13
Minimaal bij de aanleg van meer dan 500 m2 nieuwe verharding:
8
Punten Max Er wordt bij de inrichting van het plangebied, projectgebied of perceel uitvoering gegeven aan een samenhangend plan voor een hoge groenscore met veel ruimte voor biodiversiteit. 12/13
Het plan of project wordt beoordeeld op de volgende onderdelen: Er worden extra m2 groenblauw gerealiseerd of in stand gehouden boven de groennorm. De puntentelling is als volgt: - kwantitatieve groenscore 10 tot 20 % boven de groennorm: 1 punt - kwantitatieve groenscore > 20 % boven de groennorm: 2 punten A - kwantitatieve groenscore hoger dan 75 %: 3 punten.
B1
B2
Aanwezige bomen en andere groene kwaliteiten worden behouden en ingepast, indien aanwezig. Naast oude bomen gaat het om de inpassing van bestaande bosjes, oevers, riet, openwater, bloemrijke graslandjes. Maximaal 4 punten naar rato van de beschikbare ruimte. Er wordt leefgebied gemaakt voor gebiedseigen soorten. Het gaat hier om de inrichting van vollegrond of dak. Bijvoorbeeld het aanleggen van bloemrijk gras, vlindervegetatie, poel, ecologische oevers, moeras, aanplanten van bomen en struiken voor soorten die er voor kunnen komen. Ook als de buitenruimte een andere functionele invulling heeft, kan dat ingepast worden, zoals bij een moestuin met veel bloemen en afzien van bestrijdingsmiddelen, speeltuin zonder gesloten verharding en geen kunstgras, erfafscheiding die passeerbaar is voor egels. Naar rato van de beschikbare ruimte. Hiervoor wordt een onderbouwing aanbevolen. Maximaal 3 punten naar rato van de beschikbare ruimte.
C1
Er wordt voor nieuwe aanplant/inzaai gebruik gemaakt van inheemse soorten passend bij de groeiplaats / omgeving. De puntentelling is als volgt: - meer dan 33% van de nieuwe aanleg: 1 punt - meer dan 66% van de nieuwe aanleg: 2 punten.
C2
Er wordt een groene gevel aangelegd met inheemse planten zoals klimop, bosrank, kamperfoeli, hop. De inheemse planten maken een substantieel deel uit van de groene gevel (meer dan 33 %).
D
De bebouwing wordt voorzien van passende en goed geplaatste fauna voorzieningen zoals nestkasten voor vogels, vleermuisverblijfsplaatsen en insectenhotels. Voor een groot project gaat het om meer voorzieningen dan bij een klein project. De puntentelling is als volgt: - voorzieningen voor één soort: 1 punt - voorzieningen voor twee soorten: 2 punten - voorzieningen voor meer dan drie soorten: 3 punten.
19
3
4/3
3
2
1
3
Toegekend
Toelichting scoresysteem kwalitatieve biodiversiteitscore Voor het bepalen van de kwalitatieve biodiversiteitscore is een aantal regels opgesteld op grond waarvan punten behaald kunnen worden met een maximum van 13 punten. Voor nieuwe ontwikkelingen is de minimale score gesteld op 8 punten. Bij nieuwe ontwikkelingen kan namelijk relatief eenvoudig worden ingespeeld op maatregelen ter voldoening aan de kwalitatieve biodiversiteitscore. In het scoresysteem voor de kwalitatieve biodiversiteitscore wordt een onderscheid gemaakt in de onderstaande vier onderdelen. Onderdeel A – Groenscore boven de groennorm Onderdeel A van het scoresysteem heeft betrekking op een groenscore boven de groennorm. Dit betekent dat extra m2 groenblauw wordt gerealiseerd dan wel in stand wordt gehouden. Daarbij wordt uitgegaan van de volgende puntentoekenning: - 10 tot 20% boven de groennorm volgend uit de kwantitatieve groenscore: 1 punt - meer dan 20% boven de groennorm volgend uit de kwantitatieve groenscore: 2 punten - een kwantitatieve groenscore hoger dan 75%: 3 punten. Directe punten zijn te behalen door het aanleggen van groene daken en het beperken/verminderen van het oppervlak gesloten verharding. Het aanplanten van bomen en groene gevels wordt in de kwantitatieve groenscore hoog gewaardeerd.
Onderdeel B – Behoud van natuur en nieuwe natuur Onderdeel B van het scoresysteem heeft betrekking op het behoud van natuur en nieuwe natuur. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in onderdeel B1 (reeds aanwezige natuur) en onderdeel B2 (het inrichten voor nog niet aanwezige soorten). De onderdelen B1 en B2 vullen elkaar aan en leveren samen een score op van 4 en 3 punten naar rato van de aldus ingerichte beschikbare ruimte. De beschikbare ruimte is de maximale ruimte die met groen ingevuld zou kunnen worden. Bestaande schuine daken, monumentale panden en een minimum aan ruimte voor een terras en toegang tot het pand worden daarbij niet meegerekend. Parkeerplaatsen wel. Voor het bepalen van de score wordt aanbevolen om een onderbouwing te geven hoe invulling gegeven wordt aan het behoud van natuur en nieuwe natuur. Hieronder is per onderdeel een verdere toelichting opgenomen. Onderdeel B1 – Reeds aanwezige natuur Aanwezige bomen en andere groene kwaliteiten worden behouden en ingepast, conform de eisen uit het Bomenbeleidsplan 2017. Naast oude bomen gaat het bijvoorbeeld om het inpassen van bestaande bosjes, oevers, riet, openwater en bloemrijke graslandjes. Natuur heeft tijd nodig om zich te ontwikkelen.
Als bosjes, hagen, struwelen, kruidenrijke graslandjes en waterpartijen langer aanwezig zijn zullen zich hier in de loop van de tijd steeds meer soorten vestigen en gebruik van maken. Over het algemeen geldt hoe ouder, hoe soortenrijker, denk daarbij wel in decennia. Omdat dit hoog gewaardeerd wordt is met dit onderdeel 4 punten te behalen, waarbij er ruimte is om naar boven af te ronden als alle aanwezige bomen van enige omvang behouden worden. Onderdeel B2 – Nieuwe natuur Er wordt leefgebied gemaakt voor gebiedseigen soorten. Het gaat hier om de inrichting van de vollegrond of het dak. Bijvoorbeeld het aanleggen van bloemrijk gras, vlindervegetatie, poel, ecologische oevers, moeras, aanplanten van bomen en struiken voor soorten die er van nature voor kunnen komen. In stedelijk gebied gaat het ook om kansrijk bepaalde soorten, die in de omgeving voorkomen te helpen. Als bijvoorbeeld iepenpage of sleedoornpage voorkomen, is het nuttig om iepen dan wel sleedoorn aan te planten. In de buurt van een wetering of watervoerende sloot is het voor de biodiversiteit goed om poelen aan te leggen. Deze zijn vrij kansrijk om gebruikt te worden door kikkers, padden en salamanders.
Ook als de buitenruimte een andere functionele invulling heeft, kan dat ingepast worden, zoals bij een moestuin met veel bloemen en afzien van bestrijdingsmiddelen, speeltuin zonder gesloten verharding en geen kunstgras, erfafscheiding die gepasseerd kan worden door egels als er kans is dat egels in de omgeving rondlopen. Onderdeel C – Inheemse soorten Onderdeel C van het scoresysteem voor kwalitatieve biodiversiteit ziet op de inheemse soorten. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in onderdeel C1 (nieuwe aanplant inheemse soorten) en C2 (groene gevel). Eén van de doelen is om voor vogels, insecten, zoogdieren, paddenstoelen etc. zoveel mogelijk leefgebied te ontwikkelen dan wel in stand te houden. Hierbij geldt 20
dat plantensoorten die hier sinds lange tijd groeien in vergelijking tot soorten die van elders gehaald zijn, meer voedsel en nestgelegenheid bieden en daarmee leefgebied aan meer soorten en individuen. Omdat het soortenpallet dan misschien beperkt is en met het oog op klimaatverandering, kunnen aanvullend soorten met een Europese oorsprong, als inheems gebruikt worden. Daarvoor geldt wel als voorwaarde dat het passend moet zijn bij de groeiplaats en waarvan bekend is dat ze ook van waarde zijn voor insecten. Soortenlijsten van de Vlinderstichting en andere kennisorganisaties kunnen als inspiratiebron en onderbouwing dienen. Het is overigens niet de bedoeling om aanwezige oudere niet inheemse bomen of struiken hiervoor te vervangen. Onderdeel C1 – Nieuwe aanplant inheemse soorten Er wordt voor nieuwe aanplant/inzaai gebruik gemaakt van inheemse soorten passend bij de groeiplaats/omgeving. De puntentelling is als volgt: - bij een nieuwe aanplant met een oppervlakteaandeel inheems van meer dan 33% (en groter dan 2 m2 voor kleinschalige toepassing): 1 punt - bij een oppervlakteaandeel van meer dan 66 % (en groter dan 10 m2 bij kleinschalige toepassing): 2 punten. Daarbij telt gazongras in deze niet mee als inheems, wilde grassen wel. Onderdeel C2 – Groene gevel De groene gevel wordt aangelegd waarvan inheemse planten een substantieel deel uitmaken (meer dan 33 %).
Dit wordt in het scoresysteem gewaardeerd met 1 punt. Het gaat daarbij om soorten als klimop, bosrank, kamperfoelie en hop. Indien de klimplanten ondersteuning nodig hebben om te klimmen dan dient een degelijke en duurzame constructie gerealiseerd te worden. Daarbij kan de begroeiing voldoende dicht worden om bijvoorbeeld nestgelegenheid te bieden aan vogels. Ook moet het bewortelbare volume en vochtvoorziening passend zijn voor de te begroeien oppervlakte. Onderdeel D – Natuurinclusief bouwen Onderdeel D van het scoresysteem voor kwalitatieve biodiversiteit ziet op het natuurinclusief bouwen of het aanbrengen van dit soort voorzieningen op, in en nabij bestaande gebouwen. Dit houdt in dat de bebouwing wordt voorzien van passende en goed geplaatste faunavoorzieningen, zoals nestkasten voor vogels en vleermuisverblijfsplaatsen naar rato van het bouwvolume. Voor een groot project zullen dit dus meer voorzieningen zijn dan bij een klein project. Voor aantallen en dichtheden kan geput worden uit soortenmanagementplannen, zoals die opgesteld worden voor gebiedsontheffingen in het kader van de Wet Natuurbescherming. De puntentelling is als volgt: - bij voorzieningen voor één soort: 1 punt - bij voorzieningen voor twee soorten: 2 punten - bij voorzieningen voor meer dan 3 soorten: 3 punten. Denk daarbij aan nestkasten voor verschillende soorten vogels, vleermuizen, bijenhotels etc.
21
Toelichting bij de “Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021” Algemene toelichting Deze verordening bestaat uit een drietal onderdelen, namelijk bomen, water en groen en behoort bij de visie ’s-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig. In de verordening worden regels gesteld over het vellen van houtopstanden (bomen), het lozen van hemelwater en grondwater en het realiseren van groen. Het doel van het stellen van de regels in deze verordening is het beperken van de gevolgen van klimaatverandering. Door de gevolgen van klimaatverandering wordt de gemeente ’s-Hertogenbosch namelijk kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. Verder is sprake van achteruitgang van de biodiversiteit. Ook is het doel van het stellen van de regels in deze verordening het beschermen van bepaalde categorieën houtopstanden, die voor de gemeente van belang zijn. Met de regels in deze verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van de stad, wijken en dorpen juridisch ook geborgd. Wat betreft het onderdeel bomen (houtopstanden) is aangesloten bij het Bomenbeleidsplan 2017. Bomen dragen bij aan een betere wateropvang, leveren schaduw, een hogere luchtvochtigheid en dragen daarmee bij aan verkoeling.
Ook dragen bomen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving en zijn bepaalde houtopstanden waardevol voor onze leefomgeving. Daarom zijn in deze verordening regels opgenomen om bepaalde categorieën houtopstanden te beschermen. Voor deze categorieën houtopstanden geldt onder meer een vergunningplicht. Zonder een vergunning mogen deze houtopstanden niet worden geveld. Wat betreft het onderdeel water zijn in deze verordening regels opgenomen voor het lozen van grondwater en hemelwater. Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen door extreme neerslag toe, maar ook de kans op langdurige periodes van droogte. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het onder meer van belang dat voldoende waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd. Daarom is in deze verordening onder meer de verplichting opgenomen om hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarbij een hemelwatervoorziening met een bepaalde capaciteit moet worden gerealiseerd. Wat betreft het onderdeel groen is in deze verordening per gebied een groennorm vastgelegd. Groen biedt een oplossing voor het extremer weer: het zorgt voor verkoeling door betere wateropvang en het leveren van schaduw en een hogere luchtvochtigheid. Ook draagt groen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving.
Het doel van het opnemen van een groennorm in deze verordening is om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving. Voor de opbouw en structuur van de verordening is zoveel mogelijk vooruitgelopen op de Omgevingswet. Uiteindelijk worden de regels uit deze verordening namelijk verwerkt in het omgevingsplan. Dit samen met de regels van bestemmingsplannen, andere gemeentelijke verordeningen en diverse gedecentraliseerde rijksregels (bruidsschat) die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Daarom is voor de opbouw en structuur al zoveel mogelijk aangesloten bij het Casco omgevingsplan van de VNG en is de benadering activiteitgericht.
Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Voor de leesbaarheid is ervoor gekozen om de begrippen niet in de verordening zelf op te nemen, maar in een bijlage bij de verordening. In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar deze bijlage. Artikel 1.2 Toepassingsbereik In dit artikel wordt het toepassingsbereik van deze verordening bepaald. In deze verordening zijn regels opgenomen over activiteiten in de fysieke leefomgeving specifiek wat betreft het vellen van houtopstanden, het lozen van grondwater en hemelwater en het verplicht realiseren van groen in geval van verhardingstoename.
22
Hoofdstuk 2 Doelen Artikel 2.1 Doelen van de verordening Lid 1 Dit lid geeft het algemene doel van deze verordening. Het doel van deze verordening is het stellen van regels over houtopstanden, het lozen van hemelwater en grondwater en het verplicht realiseren van groen in geval van verhardingstoename. Door de gevolgen van klimaatverandering, waaronder het extremer wordend weer, wordt de gemeente ’s-Hertogenbosch kwetsbaar voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. Door het stellen van regels in deze verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en worden bepaalde categorieën houtopstanden, die voor de gemeente van belang zijn, beschermd. Lid 2 Dit lid geeft de overkoepelende doelen van de regels in deze verordening aan. Daarvoor is aangesloten bij artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet aangevuld met het doel “instandhouding van beschermde houtopstanden”. Hoofdstuk 3 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 3.1 Inleidende bepalingen Artikel 3.1 Bevoegdheid college wijzigingen aanwijzingen In hoofdstuk 3 van de verordening zijn regels opgenomen die strekken tot het aanwijzen van onderdelen van de fysieke leefomgeving, voor zover deze van belang zijn voor het bepalen van het toepassingsbereik van andere delen van deze verordening.
De aanwijzingen zelf zijn te vinden op de Bomenkaart en de Groenkaart, zoals opgenomen op de Bomenkaart (bijlage 2) en de Groenkaart (bijlage 3) bij de verordening. De regels over de aanwijzingen zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van de verordening. De aanwijzingen komen ambtelijk tot stand. Het doel van de aanwijzingen voor het vellen van houtopstanden is om een onderscheid te maken in de vier categorieën houtopstanden, die op grond van deze verordening worden beschermd. Dat zijn monumentale houtopstanden, waardevolle houtopstanden en beschermde houtopstanden binnen Structuren en beschermde houtopstanden binnen Sfeervlakken. Daarnaast is een aanwijzing opgenomen voor de begrenzing van de bebouwde kom in de Wet natuurbescherming. Het doel van de aanwijzingen van gebieden van het realiseren van groen is om op de Groenkaart een percentage voor de groennorm op te nemen. In artikel 3.1 is de bevoegdheid opgenomen dat het college de gegeven aanwijzingen in hoofdstuk 3 van de verordening, zoals opgenomen op de Bomenkaart en de Groenkaart, kan wijzigen. Dit betekent dat bijvoorbeeld het toevoegen of verwijderen van een aanwijzing voor een monumentale houtopstand of het aanpassen van de groennorm in een bepaald gebied geen raadsbesluit vergt, maar een collegebesluit.
In dit collegebesluit moet worden gemotiveerd om welke reden bijvoorbeeld een houtopstand wordt toegevoegd of verwijderd op de Bomenkaart of de groennorm op de Groenkaart wordt gewijzigd. Het is de bedoeling om de aanwijzingen op de Bomenkaart en Groenkaart in principe iedere twee jaar te evalueren en te actualiseren. Afdeling 3.2 Aanwijzingen voor het vellen van houtopstanden Artikel 3.2 Aanwijzing monumentale houtopstanden In dit artikel worden de beschermde monumentale houtopstanden op de Bomenkaart aangewezen, zoals opgenomen in bijlage 2 bij de verordening. Het belangrijkste criterium voor het aanwijzen van een houtopstand als monumentale houtopstand is de omvang. Bomen met een omtrek groter dan 2 meter krijgen een monumentale status als ze op minimaal één kwaliteitskenmerk uitzonderlijk scoren. Deze kwaliteitskenmerken betreffen beeldkwaliteit, cultuurhistorie, soort, groeivorm of verschijning en snoeivorm. Voor een nadere omschrijving van deze kwaliteitskenmerken wordt verwezen naar het Bomenbeleidsplan 2017. Bomen met een omtrek kleiner dan 2 meter kunnen ook een monumentale status krijgen als ze minimaal op twee kwaliteitskenmerken uitzonderlijk scoren. Ook hakhout uit hakhoutgebieden kan als monumentale houtopstand worden aangewezen.
Als uitgangspunt geldt dat indien een houtopstand eenmaal is aangewezen als monumentale houtopstand de aanwijzing in principe niet meer wordt verwijderd. 23
Artikel 3.3 Aanwijzing waardevolle houtopstanden In dit artikel worden de beschermde waardevolle houtopstanden op de Bomenkaart aangewezen, zoals opgenomen in bijlage 2 bij de verordening. Bomen met een omtrek van meer dan 2 meter en minimaal één bijzonder kwaliteitskenmerk hebben kunnen worden aangewezen als waardevolle houtopstand. Bomen met een omtrek minder dan 2 meter kunnen ook worden aangewezen als waardevolle houtopstand, indien de boom op minimaal twee kwaliteitskenmerken bijzonder scoort. Deze kwaliteitskenmerken betreffen beeldkwaliteit, cultuurhistorie, soort, groeivorm of verschijning en snoeivorm. Voor een nadere omschrijving van deze kwaliteitskenmerken wordt verwezen naar het Bomenbeleidsplan 2017. Daarnaast kan een boom ook als waardevolle houtopstand worden aangewezen als deze een belangrijke meerwaarde heeft voor een ontwerp of beleving van de openbare ruimte. Ook een boom die is ingepast bij een ruimtelijke ontwikkeling of een boom die ter compensatie van een ruimtelijke ontwikkeling is aangeplant kunnen worden aangewezen als waardevolle houtopstand. Artikel 3.4 Aanwijzing houtopstanden binnen Structuren De Structuren zijn aangewezen als ‘Structuren’ op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze Verordening.