CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Bijlage 2 a Concept Ruimtelijke Onderbouwing (eerste deel)

Commissie OMGEVING 18 januari 2022, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Ruimtelijke Onderbouwing Kerkdijk 7-9 Nuland25.524 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

NULAND, KERKDIJK 7-9 Concept ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning

NL.IMRO.0796.0002507-1301

Nuland, Kerkdijk 7-9 Concept ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning NL.IMRO.0796.0002507-1301

Teammanager Dhr. E. van Kessel Adviseur Ruimtelijke Ordening Dhr. K. Oostendorp

Datum: 26 november 2021

Inhoudsopgave Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1. Aanleiding voor het project 1.2. Projectlocatie 1.3. Geldende bestemmingsplannen 1.4. Leeswijzer Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving 2.1. Huidige situatie 2.2. Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1. Rijksbeleid 3.2. Provinciaal beleid 3.3. Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1. Milieu 4.2. Ecologie 4.3. Archeologie en cultuurhistorie 4.4. Verkeer en parkeren 4.5. Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1. Economische uitvoerbaarheid 5.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3. Handhaving

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13 Bijlage 14 Bijlage 15

3 4

11

16

32

56

60 Antwoord gemeente op principeverzoek Situatietekening op schaal met indicatief bouwvlak Advies AAB Landschappelijk inrichtingsplan Advies GGD Definitief bewijs stalderen Resultaten BZV Resultaten geurberekeningen Resultaten berekeningen luchtkwaliteit Verslag dialoog met de omgeving Besluit M.E.R.-beoordeling Resultaten berekeningen Aerius Calculator Quickscan flora en fauna Archeologisch onderzoek Beschikking Watervergunning

61 64 66 72 90 101 104 120 148 152 164 166 211 255 299

2

Ruimtelijke onderbouwing

3

Hoofdstuk 1 1.1.

Inleiding

Aanleiding voor het project

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing betreft een afwijking van de regels uit het bestemmingsplan "Buitengebied Maasdonk 2012" van gemeente 's-Hertogenbosch ten behoeve van de bouw van een nieuwe stal bij de ter plaatse gevestigde intensieve veehouderij en het aanleggen van nieuwe erfverharding ten behoeve van de gewenste nieuwe stal. Daarbij wordt afgeweken van zowel de bouwregels als de regels met betrekking tot het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde en van werkzaamheden. In het hoofdstuk "Projectbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. Ontwikkelingen in de veehouderij, en dan met name in de intensieve veehouderij, volgen elkaar in hoog tempo op. Door steeds strenger wordende wet- en regelgeving een aangescherpte eisen op het gebied van volksgezondheid en milieu dienen intensieve veehouders forse investeringen te doen om aan deze eisen te voldoen. Om te kunnen blijven bestaan als duurzaam en volwaardig bedrijf met voldoende concurrentiepositie in de markt is uitbreiding van het gehouden aantal dieren noodzakelijk. Zonder uitbreiding kunnen de investeringen niet op rendabele manier worden gedaan. Om deze reden wenst de initiatiefnemer ter plaatse te voorzien in een nieuwe stal voor het houden van varkens.

Momenteel is aan de locatie een bouwvlak toegekend. De gewenste nieuw te bouwen stal past niet binnen het ter plaatse toegekende bouwvlak. Buiten het bouwvlak zijn geen bedrijfsgebouwen toegestaan. De gewenste ontwikkeling is daarmee niet in overeenstemming met de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. De gewenste ontwikkeling kan mogelijk worden gemaakt met een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft middels een brief (datum 19 juni 2019) aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de voorgenomen ontwikkeling, mits goed onderbouwd. Voor deze brief wordt verwezen naar bijlage 1 van deze onderbouwing. Middels voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd waarom de voorgenomen ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en dat geen sprake zal zijn van onevenredige bezwaren op het ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.2.

Projectlocatie

De planlocatie is gelegen aan de Kerkdijk 9 te Nuland en ligt aan de noordkant van Nuland in het landelijk gebied van gemeente 's-Hertogenbosch. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Nuland, sectie E, nummers 142, 143, 729, 1296 en 1297. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

4

Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3.

Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied Maasdonk 2012" van de gemeente 's-Hertogenbosch, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 23 april 2014, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Agrarisch met waarden - Openheid' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoge verwachting' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak', 'overige zone - beerse overlaat', 'intensieve veehouderij' en 'maximum aantal wooneenheden: 2' van toepassing.

5

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Openheid' ligt het voorgeschreven gebruik, naast agrarisch grondgebruik en ten behoeve van agrarische bedrijven, tevens op het behoud van de openheid. De voorgenomen ontwikkeling is relatief kleinschalig van aard, waarbij de nieuwe bebouwing in compacte vorm en samenhang met de bestaande aanwezige bebouwing wordt opgericht. Er is geen sprake van een overschrijding van de maximale bebouwingsmogelijkheden zoals mogelijk worden gemaakt vanuit het ruimtelijk beleid. Daarmee zal de impact op het landschap beperkt blijven en is geen sprake van een onevenredige aantasting van de waardevolle openheid van het landschap. Binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoge verwachting' zijn regels opgenomen ten behoeve van de bescherming van de archeologische waarden binnen het gebied. Het is van belang dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een mogelijke aantasting van archeologische waarden in het gebied. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Archeologie" (paragraaf 4.3.1) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een mogelijke aantasting van archeologische waarden in het gebied. Ter plaatse is sprake van het oprichten van een nieuwe stal die niet binnen het ter plaatse toegekende bouwvlak past.

Daarnaast is sprake van de aanleg van nieuwe verharding rondom de nieuwe stal. Ook deze past niet geheel binnen het ter plaatse toegekende bouwvlak. De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met het bepaalde in het geldende bestemmingsplan op de volgende punten: Vanuit artikel 4.2, onder a van het geldende bestemmingsplan is bebouwing uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. De gewenste nieuwe stal past niet binnen het ter plaatse toegekende bouwvlak. Vanuit artikel 4.6, onder a is voor de volgende werkzaamheden een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde en van werkzaamheden nodig: 1. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem; 2. het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,60 m onder maaiveld, waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage; 3. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, watergangen, greppels, kolken en overige natuurlijke oppervlaktewateren, alsmede het anderszins verlagen van de waterstand; 6

4. het bebossen of anderszins beplanten van gronden met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters in verband met tuinbouw of als (agrarische) houtteelt; 5. het aanleggen van landschapselementen; 6. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²; 7. het verwijderen van onverharde wegen of paden; 8. het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur. Bij de gewenste ontwikkeling is sprake van de werkzaamheden ten behoeve van de bouw van de nieuwe stal, het aanleggen van erfbelanting, het aanleggen van erfverharding en het verleggen van een watergang (deels dempen en opnieuw graven). Daarmee is sprake van werkzaamheden zoals zijn genoemd in artikel 4.6, onder a, onder 1, 2, 3, 5 en 6. In artikel 4.6, onder b is hierop een uitzondering opgenomen indien de werkzaamheden binnen het bouwvlak plaatsvinden. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden de werkzaamheden deels buiten het huidige bouwvlak plaats, waarmee de noodzakelijke werkzaamheden niet rechtstreeks mogelijk zijn.

Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken zal op de hiervoor genoemde punten een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan worden aangevraagd conform artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voorliggend document dient als ruimtelijke onderbouwing welke dient te worden overlegd bij de aanvraag omgevingsvergunning. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beerse overlaat' zijn aanvullende regels van toepassing ten behoeve het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden van de Beerse Overlaat. Hierbij geldt vanuit artikel 29.10 onder b dat voor een aantal werkzaamheden een vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en van werkzaamheden nodig is. Deze hebben betrekking op nagenoeg dezelfde activiteiten als in artikel 4.6, onder a, waarmee de voorgenomen afwijking op dezelfde punten wordt aangevraagd als genoemd in het voorgaande. In het geldende bestemmingsplan is in artikel 4.7.1, onder b een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor vergroting van het bouwvlak. Hoewel hiervan geen gebruik zal worden gemaakt biedt deze wijzigingsbevoegdheid wel een uitgebreid toetsingskader voor de voorgenomen ontwikkeling. Derhalve is eveneens aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid getoetst.

De wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt: "4.7.1 Vergroting van het bouwvlak Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het vergroten van het bouwvlak ten behoeve van: a. een grondgebonden agrarisch bedrijf en een glastuinbouwbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouwbedrijf', met dien verstande dat: (...) b. een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', met dien verstande dat: 1. uitbreiding ten behoeve van geiten- of schapenhouderijen niet is toegestaan; 2. ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' een vergroting van het bouwvlak niet is toegestaan; 3. op de gronden welke niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone extensiveringsgebied' ' een vergroting van het bouwvlak tot maximaal 1,5 ha is toegestaan, mits: de gronden zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone landbouwontwikkelingsgebied' of er sprake is van een duurzame locatie; de noodzaak is aangetoond aan de hand van een ondernemersplan, in welk kader burgemeester en wethouders advies inwinnen van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen; aangetoond is dat voldaan kan worden aan de eisen van de milieuwetgeving en er geen nadelige gevolgen zijn voor de in de omgeving aanwezige waarden; 7

de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS niet worden aangetast; een watertoets is uitgevoerd; aangetoond is dat de inpassing in het landschap op zorgvuldige wijze plaatsvindt; 4. aangetoond is dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie in een Natura2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura2000-gebied; 5. er geen sprake is van onaanvaardbare risico's voor de volksgezondheid, in welk kader burgemeester en wethouders advies inwinnen van de GGD; 6. er sprake is van een aantoonbare en uitvoerbare verbetering van structuren of waarden op het vlak van natuur, water, landschap of cultuurhistorie; 7. ten minste 10% van de totale oppervlakte van het bouwvlak gebruikt wordt voor landschappelijke inpassing; 8. de vergroting geen aantasting van de verkeersveiligheid of verkeersafwikkeling tot gevolg heeft; 9. de aanwezige waarden ter plaatse van de aanduidingen 'ehs - natuur', 'ehs - ecologische verbindingszone' en 'zoekgebied - ecologische verbindingszone' niet worden aangetast; c. een paardenbak, met dien verstande dat: (...)". Ad. artikel 4.7.1, sub b, onder 1: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een varkenshouderij. Er zullen ter plaatse geen geiten en/of schapen worden gehouden. Ad. artikel 4.7.1, sub b, onder 2: De locatie is niet gelegen ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied'. Ad.

artikel 4.7.1, sub b, onder 3, algemeen: Vanuit het bepaalde in artikel 4.7.1, sub b, onder 3 is vergroting van het bouwvlak mogelijk tot maximaal 1,5 hectare indien aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan. Bij de gewenste ontwikkeling zal alle bebouwing met de daarbij behorende voorzieningen binnen een vlak van maximaal 1,5 hectare worden opgericht. Dit past binnen de maximaal toegestane omvang. Om aan te tonen dat het vlak niet meer dan 1,5 hectare bedraagt is op tekening een indicatief bouwvlak ingetekend. Voor deze tekening met het indicatieve bouwvlak wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting. Ad. artikel 4.7.1, sub b, onder 3, eerste punt: De gronden zijn niet gelegen ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone landbouwontwikkelingsgebied'. Vergroting is derhalve alleen mogelijk indien sprake is van een zogenaamde duurzame locatie. Een duurzame locatie is in het bestemmingsplan als volgt gedefinieerd: "1.26 duurzame locatie: bestaand agrarisch bouwblok met een zodanige ligging dat het zowel vanuit milieuoogpunt als vanuit ruimtelijk oogpunt verantwoord is om ter plaatse een intensieve veehouderij uit te breiden of om te schakelen naar een intensieve veehouderij. Een duurzame locatie voldoet aan de volgende voorwaarden: a.

er zijn aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig die noodzaken tot hervestiging, omschakeling of uitbreiding van een intensieve veehouderij ter plaatse; b. zuinig ruimtegebruik wordt toegepast door aan te sluiten bij de bestaande bebouwing of, al dan niet door herschikking, optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte; c. de beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar is." De voorgenomen uitbreiding is noodzakelijk om te kunnen blijven bestaan als een duurzaam en volwaardig bedrijf met een gezonde concurrentiepositie in de markt en om te kunnen blijven voldoen aan de steeds strenger wordende wet- en regelgeving en eisen op het gebied van volksgezondheid en milieu. Om de noodzaak en volwaardigheid aan te tonen is advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB). De AAB heeft positief geadviseerd op de voorgenomen ontwikkeling. Het advies van de AAB is als bijlage 3 bij deze onderbouwing opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een reeds bestaand (te vergroten) bouwvlak. Daarbij zal de 8

bebouwing dusdanig worden gepositioneerd dat sprake is van een compacte structuur. De nieuwbouw sluit zoveel mogelijk aan op bestaande bebouwing, waarbij rekening wordt gehouden met noodzakelijke ruimte om op het terrein te kunnen manoeuvreren. De beschikbare ruimte (1,5 hectare) wordt met de voorgenomen indeling van het bedrijf en de situering van de bebouwing, optimaal gebruikt. Er is daarmee sprake van zuinig ruimtegebruik. Zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is de voorgenomen ontwikkeling op zowel ruimtelijk als milieutechnisch vlak aanvaardbaar en zal deze niet leiden tot aantasting van in de omgeving voorkomende waarden. Hiermee is sprake van een duurzame locatie. Ad. artikel 4.7.1, sub b, onder 3, tweede punt: Zoals reeds omschreven onder het voorgaande punt is voor de voorgenomen ontwikkeling advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB). De AAB heeft positief geadviseerd op de voorgenomen ontwikkeling. Het advies van de AAB is als bijlage 3 bij deze onderbouwing opgenomen. Ad. artikel 4.7.1, sub b, onder 3, derde punt: Zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de geldende wetgeving op het gebied van milieu en is geen sprake van nadelige gevolgen voor de in de omgeving voorkomende waarden. Ad.

artikel 4.7.1, sub b, onder 3, vierde punt: De voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opgegaan in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Natuurnetwerk Nederland" (paragraaf 4.2.2) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de waarden en kenmerken van het NNN. Ad. artikel 4.7.1, sub b, onder 3, vijfde punt: Zoals nader omschreven in de paragraaf "Wateraspecten" (paragraaf 4.5) is ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een (digitale) watertoets gedaan en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de waterhuishouding en wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld. Ad. artikel 4.7.1, sub b, onder 3, zesde punt: Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling worden voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Ten behoeve van deze landschappelijke inpassing is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie hiervoor bijlage 4 van deze onderbouwing) waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt. De uitvoering van de landschappelijke inpassing uit het landschappelijk inrichtingsplan wordt middels een aparte overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer juridisch geborgd.

Daarmee is sprake van een goede landschappelijke inpassing welke zorgvuldig zal worden uitgevoerd. Ad. artikel 4.7.1, sub b, onder 4: Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Gebiedsbescherming" (paragraaf 4.2.1.1) zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een afname van de ammoniakemissie, en daarmee van de ammoniakdepositie van het bedrijf op de omliggende Natura 2000 gebieden. Ad. artikel 4.7.1, sub b, onder 5: Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Volksgezondheid" (paragraaf 4.1.4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van mogelijke verhoogde risico's en/of nadelige effecten op de volksgezondheid. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is bij de GGD een advies ingewonnen. De GGD heeft overwegend positief geadviseerd en adviseert enkele maatregelen om de risico's voor de volksgezondheid verder te beperken. Het advies van de GGD is als bijlage 5 bij deze onderbouwing opgenomen. Ad. artikel 4.7.1, sub b, onder 6: Bij de voorgenomen ontwikkeling is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), sprake van een goede landschappelijke inpassing. Daarbij worden nieuwe bij het gebied 9

passende landschappelijke elementen aangebracht. Daarmee wordt de ruimtelijke kwaliteit en de beleving van het landschap verbeterd. Er is met de voorgenomen ontwikkeling daarmee sprake van een verbetering van de landschappelijke waarde van het gebied. Daarnaast wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf "Wateraspecten" (paragraaf 4.5), hydrologisch neutraal ontwikkeld, waarbij wordt voorzien in extra voorzieningen voor de waterberging. Hiermee verbetert de waterbergende functie in het gebied. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee leiden tot een verbetering van de waarden ten aanzien van water in het gebied. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van (mogelijk) voorkomende waarden op het gebied van archeologie en/of cultuurhistorie. Tevens zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen natuurlijke en/of landschappelijke waarden worden aangetast. De ontwikkeling heeft daarmee een aantoonbare verbeterde invloed op structuren en waarden in de omgeving. Ad. artikel 4.7.1, sub b, onder 7: Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Hierin is opgenomen op welke wijze de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast.

In het landschappelijk inrichtingsplan is rekening gehouden met een landschappelijke inpassing met een oppervlakte van minimaal 10% van het bouwvlak. Voor het landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 4 van deze onderbouwing. Ad. artikel 4.7.1, sub b, onder 8: Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeer en parkeren" (paragraaf 4.4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een aantasting van de verkeersveiligheid of verkeersafwikkeling. Ad. artikel 4.7.1, sub b, onder 9: De locatie is niet gelegen in of nabij een gebied met de betreffende aanduidingen. Zoals blijkt uit het voorgaande wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de in de wijzigingsbevoegdheid opgenomen voorwaarden. Omdat de wijzigingsbevoegdheid een goed toetsingskader biedt voor de voorgenomen ontwikkeling kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en past binnen de gemeentelijke beleidsuitgangspunten.

1.4.

Leeswijzer

Deze ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van het project. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin wordt het project getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het project aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het project. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving.

10

Hoofdstuk 2 2.1.

Projectbeschrijving

Huidige situatie

2.1.1 Gebiedsprofiel De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente 's-Hertogenbosch. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische landbouwgronden. De verkavelingsstructuur betreft voornamelijk een strokenverkaveling met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven, niet-agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen.

2.1.2 Ruimtelijke structuur Op de locatie is momenteel een intensieve varkenshouderij gevestigd. Ter plaatse worden de volgende dieren gehouden: 514 guste- en dragende zeugen; 152 opfokzeugen; 3 dekberen; 2.869 gespeende biggen; 168 kraamzeugen; 29 vleeskalveren tot 8 maanden; 72 stuks vleesvee ouder dan 8 maanden, jonger dan 2 jaar; 5 paarden. Deze dieren worden gehouden in de ter plaatse aanwezige bedrijfsbebouwing. Ter plaatse zijn eveneens twee bedrijfswoningen met de daarbij behorende bijgebouwen aanwezig. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 1,27 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

11

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

2.2.

Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse de intensieve varkenshouderij uit te breiden met een nieuwe stal. In de gewenste situatie zullen de volgende dieren gehouden gaan worden: 1.134 guste- en dragende zeugen; 152 opfokzeugen; 3 dekberen; 298 kraamzeugen; 4.393 gespeende biggen. Concreet zal de veestapel toenemen met 620 guste- en dragende zeugen, 130 kraamzeugen en 1.524 gespeende biggen. Tegelijkertijd zal de veestapel concreet afnemen met 29 vleeskalveren tot 8 maanden, 72 stuks vleesvee ouder dan 8 maanden, jonger dan 2 jaar en 5 paarden. Om het gewenste aantal te houden dieren te kunnen huisvesten is het noodzakelijk ter plaatse een nieuwe stal van ongeveer 3.300 m² op te richten. Deze stal zal worden opgericht conform de meest recente eisen op gebied van huisvesting, milieu, dierwelzijn en volksgezondheid. Voor de uiterlijke verschijningsvorm van de gewenste nieuwe stal zal worden aangesloten bij de reeds bestaande bebouwing 12

zodat één geheel ontstaat. De gewenste nieuw te bouwen stal past echter niet binnen het ter plaatse toegekende bouwvlak. Om deze reden is het noodzakelijk met een omgevingsvergunning van het geldende bestemmingsplan af te wijken om de nieuwe stal buiten het bouwvlak mogelijk te maken. De bebouwing en verharding zal na realisatie van de voorgenomen ontwikkeling passen binnen een vlak van maximaal 1,5 hectare. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. De volledige tekening op schaal is als bijlage 2 bij deze onderbouwing opgenomen.

Situatietekening gewenste situatie. Bron: DLV Advies. De voorgenomen ontwikkeling kan mogelijk worden gemaakt door middel van een aanvraag omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan, conform artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voorliggend document dient als ruimtelijke onderbouwing bij de aan te vragen omgevingsvergunning. Formeel is, omdat de gewenste nieuw te bouwen stal buiten het bouwvlak mogelijk wordt gemaakt, sprake van een vergroting van het bouwvlak. Het huidige bouwvlak is immers niet groot genoeg om de gewenste nieuwe stal mogelijk te maken. De omvang van het uiteindelijke bouwvlak om de bouw van de nieuwe stal mogelijk te maken zal niet meer dan 1,5 hectare bedragen.

13

2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Vanuit de wijzigingsvoorwaarden uit het geldende bestemmingsplan en vanuit het provinciale beleid dient ter plaatse te worden voorzien in een goede landschappelijke inpassing, waarbij de omvang van de landschappelijke inpassing ten minste 10% van de omvang van het bouwvlak (na uitbreiding) dient te bedragen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van het bouwvlak tot een omvang van maximaal 1,5 hectare. Dit betekent dat de landschappelijke inpassing ter plaatse ten minste 1.500 m² dient te bedragen. Vanuit gemeentelijk en provinciaal beleid mag deze landschappelijke inpassing zowel binnen als aansluitend aan het bouwvlak plaatsvinden. Ten behoeve van een goede en zorgvuldige landschappelijke inpassing welke aan de gemeentelijke en provinciale voorwaarden voldoet is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.

Tekening landschappelijke inpassing. Bron: Van Dooren Landschap. Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 4 van deze 14

onderbouwing. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt over een deel van een bestaande sloot ontwikkeld. Deze sloot zal, in nader overleg met het waterschap, worden omgelegd, waarmee deze voor minimaal één op één zal worden gecompenseerd. Hiermee is in het landschappelijk inrichtingsplan rekening gehouden. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

15

Hoofdstuk 3 3.1.

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen.

Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden. Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal 16

belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de projectlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.

3.2.

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant "De kwaliteit van Brabant" vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Met de omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat. De ontwerp Omgevingsvisie gaat over twee vragen: Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.

De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert. Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de 17

provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen. Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendigd bouwen centraal.

Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. Voor uitbreiding van een veehouderij zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. Wel is het van belang dat op een duurzame en klimaatbestendigde wijze wordt gebouwd. Bij de uitbreiding van de veehouderij ter plaatse zal worden gekeken naar een passende manier van bouwen en gebruik van materialen om te komen tot een duurzaam en klimaatbestendigd gebouw. Tevens worden door emissiebeperkende maatregelen de emissies vanuit de veehouderij teruggebracht. Daarnaast zijn op de locatie reeds zonnepanelen aanwezig op de daken van de huidige bebouwing voor het opwekken van duurzame energie. De nieuw te bouwen stal wordt constructief eveneens geschikt gemaakt voor de aanleg van zonnepanelen.

Mocht op termijn meer duurzame energie-opwekking nodig zijn dan kan de nieuw te bouwen stal hiervoor worden toegepast. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 heeft de provincie Noord-Brabant de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd. Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat nader is aangemerkt als '(gemengd) landelijk gebied', 'stalderingsgebied', 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied' en 'cultuurhistorisch waardevol gebied'.

18

3.2.2.1 Regels met betrekking tot staldering Binnen het stalderingsgebied zijn vanuit artikel 3.52 van de verordening specifieke regels van toepassing voor de ontwikkeling van veehouderijen waarop zogenaamde hokdieren worden gehouden, ofwel een zogenaamde hokdierhouderij. Onder een hokdierhouderij wordt vanuit de verordening het volgende verstaan: "hokdierhouderij veehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij;". Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een veehouderij. Er is geen sprake van een nertsenhouderij, melkrundveehouderij en/of een schapenhouderij, waarmee sprake is van een hokdierhouderij. Hiermee zijn de aanvullende regels met betrekking tot staldering van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Deze aanvullende regels luiden als volgt: "Artikel 3.52 aanvullende regels stalderen Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Stalderingsgebied regelt dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw naar een dierenverblijf voor hokdieren, bewijs is overlegd dat: a.

binnen het Stalderingsgebied dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd; b. de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt: 1. ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; 2. ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; c. voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling. Lid 2 Voor de toepassing van dit artikel geldt als bestaande oppervlakte dierenverblijf het gebouw, inclusief inpandige voorzieningen, dat gebruikt mag worden voor het houden van hokdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer. Lid 3 Het te saneren dierenverblijf bedoeld in het eerste lid onder a. voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het betreft een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf; b. het dierenverblijf is voorafgaand aan 17 maart 2017 drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig gebruikt voor het houden van hokdieren.

Lid 4 In afwijking van het derde lid, onder b, geldt voor veehouderijen die gebruik maken van artikel 2.68 Uitzonderingsregeling stoppende veehouderij dat alleen de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren dat nodig is om het aantal dieren te huisvesten overeenkomstig de gedane mededeling, meetelt als inbreng voor een te saneren dierenverblijf. Lid 5 Het bewijs dat aan de voorwaarden van het eerste lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten." 19

In het kort geldt voor een uitbreiding van een hokdierhouderij dat elke toename van het aantal m² aan oppervlakte van een dierenverblijf moet worden gecompenseerd door elders in hetzelfde stalderingsgebied 1,2 m² aan dierenverblijf bij een hokdierhouderij te saneren door sloop en/of herbestemming. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw dient te worden aangetoond dat er voldoende m² gestaldeerd wordt. De nieuwe stal zal een oppervlakte van ongeveer 3.300 m² krijgen. Dit houdt in dat elders minimaal 3.960 m² aan dierenverblijf bij een hokdierhouderij dient te worden herbestemd en/of te worden gesloopt. De initiatiefnemer zal ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling stalderen. Inmiddels heeft de initiatiefnemer een definitief bewijs van stalderen waaruit blijkt dat met de voorgenomen ontwikkeling in voldoende mate sprake zal zijn van stalderen. Voor dit bewijs wordt verwezen naar bijlage 6 van deze onderbouwing. 3.2.2.2 Regels met betrekking tot de ontwikkeling van een veehouderij Voor de ontwikkeling van een veehouderij in het landelijk gebied zijn eveneens aanvullende bepalingen opgenomen in de verordening. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een vestiging, uitbreiding en/of omschakeling van een veehouderij (artikel 3.49 van de verordening) en nieuwe dierenverblijven bij een veehouderij (artikel 3.50 van de verordening).

In feite wordt bij de voorgenomen ontwikkeling alleen een nieuw dierenverblijf opgericht, waarmee de bepalingen uit artikel 3.50 van toepassing zijn. Echter past het nieuwe dierenverblijf niet binnen het huidige bouwvlak, waarmee formeel gezien ook sprake is van een uitbreiding van een veehouderij. Hiermee is formeel gezien artikel 3.49 van toepassing. Omdat zowel sprake is van een uitbreiding van een veehouderij als van een nieuw dierenverblijf is aan beide artikelen getoetst. De voorwaarden uit artikel 3.49 luiden als volgt: "Artikel 3.49 veehouderij in landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, als: a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan; b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt; c. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; d. mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is; e.

is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentagesmaatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; f. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³; g. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat; h. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. Lid 2 Er is sprake van een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan de Nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij, zoals door gedeputeerde staten vastgesteld op grond van artikel 5.11. Lid 3 Een bestemmingsplan kan in afwijking van het eerste lid voorzien in mestvergisting voor samenwerkende melkrundveehouderijen tot ten hoogste 25.000 ton per jaar als: 20

a. de locatie goed is ontsloten; b. de op- , overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt; c. in het geval dat de mest na vergisting ter plaatse verder wordt bewerkt ten minste 50 % van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water." Ad. artikel 3.49, lid 1, sub a: Volgens het bepaalde in artikel 3.49, lid 2 is sprake van een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan de Nadere regels Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV), welke op grond van artikel 5.11 van de verordening door de provincie is vastgesteld. Aan de hand van een scoringssysteem dat bij de BZV behoort kan een veehouderij op verschillende vlakken punten halen. Wanneer op elk verschillend vlak de minimale score wordt gehaald dan is sprake van een zorgvuldige veehouderij. Indien geen sprake is van een zorgvuldige veehouderij dan dient de initiatiefnemer aanvullende maatregelen te treffen waarmee de minimaal vereiste score alsnog kan worden behaald. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is het rekenprogramma behorende bij de BZV ingevuld. Hieruit blijkt dat het bedrijf van de initiatiefnemer, ook na de gewenste ontwikkeling, een zorgvuldige veehouderij is. De resultaten van het rekenprogramma behorende bij de BZV zijn als bijlage 7 bij deze onderbouwing opgenomen. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad.

artikel 3.49, lid 1, sub b: De nieuwe stal zal buiten het huidig toegekende bouwvlak komen te liggen. Als wordt voorzien in een rechthoekig bouwvlak waarbinnen de nieuwe gewenste stal komt te liggen en er voldoende ruimte wordt vrijgehouden voor het manoeuvreren dan is sprake van een bouwvlak van maximaal 1,5 hectare. De maximaal toegestane omvang van het bouwvlak zal daarmee niet worden overschreden. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.49, lid 1, sub c: Zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) heeft de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige effecten op het gebied van milieu en/of volksgezondheid. Daarnaast is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige aantasting van de in de omgeving voorkomende waarden en kenmerken. Hiermee is de voorgenomen ontwikkeling inpasbaar in de leefomgeving. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.49, lid 1, sub d: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van mestbewerking. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.49, lid 1, sub e: Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een geurberekening gemaakt waarin de achtergrondbelasting is berekend aan de hand van de daarvoor geldende richtlijnen van de provincie Noord-Brabant.

Uit de berekening blijkt dat de belasting op gevoelige objecten in de omgeving nergens de gestelde normen overschrijdt. Voor de rapportage van de berekening wordt verwezen naar bijlage 8 van deze onderbouwing. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.49, lid 1, sub f: Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een fijnstof berekening gemaakt. Uit deze berekening blijkt dat de achtergrondconcentratie fijnstof op gevoelige objecten in de omgeving nergens de gestelde normen overschrijdt. Voor de resultaten van de fijnstof berekening wordt verwezen naar bijlage 9 van deze 21

onderbouwing. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.49, lid 1, sub g: Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Hierin is opgenomen op welke wijze de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2). In het landschappelijk inrichtingsplan is rekening gehouden met een oppervlakte van de landschappelijke inpassing van minimaal 10% van het bouwvlak (na uitbreiding). Voor het landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze onderbouwing. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.49, lid 1, sub h: Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een dialoog met omwonenden gehouden. Daarbij zijn de omwonenden in de omgeving van de locatie op de hoogte gebracht van de plannen van de initiatiefnemer, waarbij zij in de gelegenheid zijn gesteld op het plan te reageren. Ten behoeve van de dialoog met de omwonenden is gekozen voor het benaderen van omwonenden in een straal van 350 meter vanaf de locatie. Dit is afgestemd met de coördinator voor vergunningverlener van de gemeente 's-Hertogenbosch en akkoord bevonden.

Geen van de omwonenden heeft aangegeven bezwaren te hebben op de voorgenomen ontwikkeling en allen hebben de initiatiefnemer veel succes gewenst met het uitvoeren ervan. Voor het verslag van de gehouden omgevingsdialoog wordt verwezen naar bijlage 10 bij deze onderbouwing. Vanwege privacy-overwegingen zijn de namen en adresgegevens in het verslag onherkenbaar gemaakt. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Het tweede lid van artikel 3.49 geeft een nadere omschrijving van een zorgvuldige veehouderij. Zoals reeds aangegeven bij de toetsing aan artikel 3.49, lid 1 onder a wordt aan de nadere regels voor een zorgvuldige veehouderij voldaan, waarmee aan het bepaalde in het tweede lid wordt voldaan. Het derde lid van artikel 3.49 heeft betrekking op mogelijkheden voor mestbewerking. Bij de voorgenomen ontwikkeling vindt geen mestbewerking plaats. Het bepaalde in het derde lid van artikel 3.49 is dan ook niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Gezien het voorgaande kan aan de regels voor uitbreiding van een veehouderij in het gemengd landelijk gebied worden voldaan. 3.2.2.3 Regels met betrekking tot nieuwe dierenverblijven Omdat eveneens sprake is van een nieuw dierenverblijf dient eveneens te worden getoetst aan de voorwaarden uit artikel 3.50 van de verordening. Deze komen voor een groot deel overeen met de voorwaarden uit artikel 3.49.

Waar dit het geval is wordt verwezen naar de voorgaande toetsing aan artikel 3.49. De voorwaarden uit artikel 3.50 luiden als volgt: "Artikel 3.50 aanvullende regels nieuw dierenverblijf Lid 1 Een bestemmingplan van toepassing op een veehouderij in Landelijk gebied bepaalt dat: a. een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als: 1. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; 2. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; 3. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 22

20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentagesmaatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; 4. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³; 5. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. b. binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; c. bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw, gericht op het in gebruik nemen als dierenverblijf, toepassing wordt gegeven aan onderdeel a.

Lid 2 Voor de toepassing van dit artikel geldt als dierenverblijf hetgeen gebruikt mag worden voor het houden van landbouwhuisdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer. Lid 3 Er is sprake van maatregelen die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan de Nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij, zoals door gedeputeerde staten vastgesteld op grond van artikel 5.11." Ad. artikel 3.50, lid 1, sub a: Het bepaalde in artikel 3.50, lid 1 onder a betreft een gelijke toetsing aan de voorwaarden uit artikel 3.49, zoals reeds in het voorgaande heeft plaatsgevonden. Zoals blijkt uit het voorgaande wordt aan de voorwaarden uit artikel 3.49 voldaan, waarmee eveneens aan de voorwaarden uit artikel 3.50, lid 1 onder a wordt voldaan. Aan deze voorwaarde(n) wordt voldaan. Ad. artikel 3.50, lid 1, sub b: Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van dieren op meer dan één etage. Alle dieren worden op de begane grond gehouden. Ook de nieuwe stal wordt ingericht voor het houden van dieren op de begane grond. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad.

artikel 3.50, lid 1, sub c: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een gebruikswijziging van een gebouw dat niet als dierenverblijf wordt gebruikt naar een dierenverblijf. Tevens wordt aan de voorwaarden onder a voldaan. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Het tweede lid bepaalt wanneer een dierenverblijf wordt gezien als een bestaand dierenverblijf. Omdat bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van de bouw van een nieuwe stal wordt dit niet gezien als een bestaand dierenverblijf, maar als een nieuw dierenverblijf. De toetsing aan de voorwaarden uit het eerste lid heeft plaatsgevonden en aan de voorwaarden uit het eerste lid wordt, zoals blijkt uit het voorgaande, voldaan. Het bepaalde in het tweede lid is daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Het derde lid van artikel 3.50 geeft een nadere omschrijving van een zorgvuldige veehouderij. Zoals reeds 23

aangegeven bij de toetsing aan artikel 3.50, lid 1 onder a wordt aan de nadere regels voor een zorgvuldige veehouderij voldaan, waarmee aan het bepaalde in het derde lid wordt voldaan. Gezien het voorgaande wordt aan de voorwaarden uit artikel 3.50 voldaan, waarmee een nieuw dierenverblijf ter plaatse mogelijk kan worden gemaakt. 3.2.2.4 Regels met betrekking tot het cultuurhistorisch waardevol gebied De locatie is gelegen in een gebied dat nader is aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol gebied. Voor ontwikkelingen in deze gebieden geldt, vanuit artikel 3.29 van de verordening, het volgende: "Artikel 3.29 cultuurhistorische waarden Een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied: a. is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart; b. stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden." Zoals nader omschreven in de paragraaf "Cultuurhistorie" (paragraaf 4.3.2) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals zijn beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart.

Het huidige bestemmingsplan, waarbinnen de afwijking wordt verleend, bevat regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden ter plaatse. Deze regels blijven in stand. De afwijking voorziet niet in een afwijking van de regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden. Bij het vastleggen van de aangevraagde vergunning in een nieuw bestemmingsplan zullen eveneens regels worden opgenomen voor het behoud en de bescherming van de mogelijk aanwezige cultuurhistorische waarden en elementen zodat deze, ook op langere termijn, zoveel mogelijk worden behouden en beschermd. Aan deze voorwaarde(n) wordt voldaan. 3.2.2.5 Regels met betrekking tot een goede omgevingskwaliteit Naast de specifieke voorwaarden voor een ontwikkeling in het landelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen: "Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 a. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c.

meerwaardecreatie." Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen. Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 24

2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel." Ad. 3.6, lid 1, sub a: De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een bestaand bedrijf. Gezien het gebrek aan ruimte binnen het huidige bouwperceel en er een noodzaak is voor uitbreiding van het aantal gehouden dieren is uitbreiding noodzakelijk. Zoals reeds omschreven in het voorgaande past de uitbreiding binnen de in de daarvoor opgenomen voorwaarden uit de verordening. Er is daarmee sprake van een uitbreiding die op grond van de bepalingen uit de verordening is toegestaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt zoveel mogelijk aangesloten op het bestaande bouwperceel. Het ruimtebeslag past binnen de maximaal toelaatbare oppervlakte uit de verordening. Daarnaast zal de bebouwing dusdanig worden gepositioneerd dat sprake is van een compacte structuur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10923122/1