1 Verordening Jeugdhulp 2026
Tekst van het document
VERORDENING JEUGDHULP GEMEENTE ’s-HERTOGENBOSCH 2026 De raad van de gemeente ’s-Hertogenbosch in zijn openbare vergadering van 3 maart 2026; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 20 januari 2026, registratienummer 18864245; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; overwegende dat: de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd; het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; het noodzakelijk is om regels vast te stellen over: de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen; de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of
jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk; besluit vast te stellen de Verordening Jeugdhulp ’s-Hertogenbosch 2026
1
Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1.
2.
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die vrij toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmmerken van de jeugdige en/of ouder(s); b. andere voorziening: een voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de Jeugdwet; c. basishulp: een algemene voorziening in de vorm van (preventieve) hulp of ondersteuning voor jeugd en volwassenen d. budgethouder: de persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt op grond van de Jeugdwet e. cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning voor informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; f. familiegroepsplan: een plan dat ouders/ gezinnen samen met familie, vrienden en anderen uit hun omgeving kunnen maken om een vraag of probleem aan te pakken; g. gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders; h.
hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; i. individuele voorziening: een op de jeugdige en/of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt. j. onderzoeksplan: een document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouders is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren; k. ouders: gezagdragende ouder(s) en/of pleegouder(s) of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt als bedoeld in artikel 1.1 van de wet; l. persoonsgebonden budget (pgb): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1. van de jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouder, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; m. sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige en/of ouder een sociale relatie onderhoudt; n. Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de wet; o. wet: Jeugdwet; p.
zorg in natura: de ondersteuning of jeugdhulp die aan personen wordt geleverd door aanbieders die door de gemeente gecontracteerd zijn in het kader van de Jeugdwet. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.
2
Hoofdstuk 2. Algemene voorzieningen Artikel 2. Toegang algemene voorzieningen Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders en/of beschikking jeugdhulp. Er vindt geen toegangsbeoordeling plaats door het college. Artikel 3: Beschikbare algemene voorzieningen 1.
De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. lichte opvoedondersteuning; b. informatie en advies; c. jongerencentra; d. cursussen voor ouders en jeugdigen; e. jeugdgezondheidszorg; f. basishulp; g. voorzieningen voor spoedeisende situaties; h. kinderopvang en buitenschoolse opvang; i. voorzieningen voor ontspanning, sport en bewegen.
2.
Het college kan nadere regels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.
Hoofdstuk 3: Individuele voorzieningen Paragraaf 1: Voorzieningen Artikel 4: Beschikbare individuele voorzieningen 1. De volgende individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. consultatie en advies; b. respijtzorg; c. begeleiding; d. daghulp; e. orthopedagogische behandeling; f. GGZ-behandeling; g. dyslexiezorg; h. specialistisch intensieve netwerkondersteuning; i. pleegzorg; j. gezinsvervangende/gezinsgerichte zorg; k. verblijf; l. crisishulp; 2. Het college kan nadere regels vaststellen over welke individuele voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn. Paragraaf 2: Toegang procedureel, aanvraag individuele voorziening Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college. De melding van de hulpvraag wordt telefonisch, schriftelijk, mondeling of digitaal gedaan. 2. Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. 3. Het college brengt de jeugdige en zijn ouder(s) op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan (als bedoeld in artikel 1.1. van de wet) op te stellen en van de mogelijkheid ondersteuning te krijgen bij het opstellen er van.
Als de jeugdige en zijn ouder(s) daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan. 4. Het college wijst de jeugdige en/of zijn ouders op de mogelijkheid gebruik te maken van onafhankelijke clientondersteuning. 5. Het college merkt een ondertekend onderzoeksplan naar aanleiding van een hulpvraag aan als een aanvraag als de jeugdige of zijn ouder(s) dat in het ondertekend onderzoeksplan hebben aangegeven. 6. Jeugdigen en hun ouders kunnen een aanvraag voor een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college. Deze aanvraag dient te voldoen aan de vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4.1 en 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht 7. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de melding en aanvraag van een indivuduele voorziening.
3
8. Het college legt het besluit omtrent het al dan niet verlenen van een individuele voorziening vast in een beschikking. 9. het college neemt het besluit als bedoel in het eerste lid op grond van de aanvraag, evenals het onderzoek en het daaruit volgende onderzoeksplan als bedoeld in artikel 8.6. 10. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende voorziening. Het college legt het besluit omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschiking. 11. In crisisgevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. 12. De jeugdige en/of zijn ouders moeten zich binnen zes maanden na de datum van het besluit hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder, dan wel het pgb binnen zes maanden hebben besteed aan het resultaat waarvoor het verstrekt is. Artikel 6. Toegang Jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerst lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.
Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. 3. Van het tweede lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van bijzondere feiten of omstandigheden. 4. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. 5. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot welke stappen de aanbieder dient te doorlopen bij deze beoordeling. Artikel 7: Verstrekken voorziening over periode voorafgaand aan de aanvraag 1.
Het college kan slechts een voorziening verstrekken voor kosten die betrekking hebben op een periode voorafgaand aan de aanvraag: a als op het moment van aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en b voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen, en c ouder(s) aantoonbaar kunnen maken dat zwaarwegende omstandigheden het noodzakelijk maakten dat kosten voor inzet jeugdhulp gemaakt moesten worden voorafgaand aan de aanvraag. Paragraaf 3 Onderzoek en besluitvorming aanvraag individuele voorziening, via gemeente Artikel 8. Onderzoek en opstellen onderzoeksplan 1. 2. 3.
4.
Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. De jeugdige en/of zijn ouders verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. Indien zij gebruik wensen te maken van een familiegroepsplan, zorgen zij er voor dat zij tijdig het familiegroepsplan ter beschikking stellen. 1. Bij het eerste contact van de jeugdige met het college wordt zijn/hun burgerservicenummer (bsn) geverifieerd, conform artikel 7.2.3 van de Jeugdwet. Indien bsn-verificatie niet mogelijk is stelt het college de identiteit van de aanvrager vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 2. Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse identiteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan: a. een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; b. een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); c.
een buitenlands paspoort; of d.een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers) Het college onderzoekt in ieder geval met de jeugdige en/of zijn ouders zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag: a de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en/of zijn ouders en het probleem of de hulpvraag; b het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; c bij verzoek tot verlenging/herindicatie: de bereikte resultaten in het voorgaande/lopende hulptraject; d het vermogen van de jeugdige en/of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
4
e f
5. 6. 7. 8. 9.
de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden door het inzetten van een algemene of andere voorziening; g de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; h de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige en/of ouder in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze; i de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; j hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en/of zijn ouders. Het college kan, zo nodig met instemming van de jeugdige en/of zijn ouders, informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts, onderwijs en jeugdhulpaanbieders, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest aangewezen hulp. Het college en de jeugdige en/of zijn ouders leggen de zaken genoemd in het eerste tot en met vijfde lid vast in het onderzoeksplan. In het onderzoeksplan worden afspraken opgenomen over het moment en de wijze waarop de resultaten van het onderzoeksplan met de jeugdige en/of zijn ouders, de jeugdhulpaanbieder en het college besproken worden.
Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een onderzoek en bevestigt dit schriftelijk.
Artikel 9. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming 1. Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 2. Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional: a. bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; b. bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of c. op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. 3. Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt. Artikel 10. Inhoud en geldigheidsduur beschikking 1.
2. 3.
4.
5.
In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval vastgelegd: a. welke individuele voorziening wordt verstrekt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum en duur van de verstrekking; c. of de voorziening als zorg in natura wordt verstrekt of als pgb; d. welke andere of overige voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; Het onderzoeksplan maakt integraal onderdeel uit van de beschikking. Bij of in de beschikking wordt informatie verstrekt over de rechten en plichten van de jeugdige en zijn ouder(s), waaronder: a. hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt; b. de termijn van 6 maanden waarbinnen de jeugdige of zijn ouder zich moet melden bij een jeugdhulpaanbieder dan wel het pgb moet besteden; c. de termijn waarop jeugdige of ouders desgewenst verlenging aan moeten vragen; d. de actieve informatieplicht van jeugdige of ouders naar de gemeente als de persoonlijke situatie dusdanig verandert dat dit invloed heeft op de hulpvraag. Het college wordt daarmee in staat gesteld te onderzoeken of er aanleiding is het besluit te heroverwegen; Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking daarnaast in ieder geval: a. de hoogte van het pgb en hoe deze is bepaald; b.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
c.
de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is een besluit te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen.
Paragraaf 4 Beoordeling
5
Artikel 11. Criteria individuele voorzieningen 1.
2.
3.
Jeugdigen en/of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover: a. Er sprake is van opvoedingsproblemen bij de ouders en/of psychische problemen of stoornissen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking bij de jeugdige, waardoor: b. Hij/zij onvoldoende in staat is om i. gezond en veilig op te groeien; ii. te groeien naar zelfstandigheid; iii. voldoende zelfredzaam te zijn en iv. maatschappelijk te participeren. En: c. Zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag: i. binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van jeugdige en/of ouders zelf of met hulp van personen uit het sociale netwerk (eigen kracht). Wanneer hiervan sprake is staat in artikel 12 van deze verordening uitgewerkt. ii. door gebruik te maken van een algemene voorziening, of; iii. door gebruik te maken van een andere (voorliggende) voorziening. 1. In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening. 2.
Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin. Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de criteria.
Artikel 12. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1. Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s). 2. Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s). 3. Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten. 4.
Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van: a. geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; b. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of c. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 5. Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen.
Hierbij houdt het college ook rekening met: a. de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; b. de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan 3 maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; c. de planbaarheid van de hulp; d. de benodigde ondersteuningsintensiteit; e. de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; f. de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.
6
Artikel 13. Aanvullende criteria pgb 1.
2.
3.
4. 5.
6. 7.
Als een jeugdige en/of ouder in aanmerking komt voor een individuele voorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is opgenomen: a de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is; b welke jeugdhulp de jeugdige en/of zijn ouders willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; c de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; d op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd; e de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: a kosten voor bemiddeling; b kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; f reiskosten van de hulpverlener(s) en/of ouder(s); g Overige onkostenvergoeding voor hulpverleners. Het college kan een aanvraag voor een pgb weigeren.
Indien sprake is van: a uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid blijkt dat dat budgethouder niet in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; b het college vindt dat de jeugdhulp die de jeugdige en/of zijn ouders aanvragen niet of niet voldoende zal bijdragen aan het beoogde resultaat; c het pgb is bedoeld voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college op basis van de eisen die zijn opgenomen in het Afsprakenkader buitenlands zorgaanbod Jeugd van de VNG; d de jeugdhulp wordt ingekocht bij een jeugdhulpaanbieder waarbij eerder fraude is geconstateerd of waarbij twijfels zijn over de integriteit van de jeugdhulpaanbieder; e de (beoogd) beheerder van het pgb is ook de zorgverlener of directeur/bestuurder van de zorgorganisatie; f de kwaliteit van de beoogde hulpverlener schiet tekort. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als het vermoeden bestaat van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid onder a,d of e van de wet.
De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp betrekken via informele hulp voor zover: a de jeugdige en/of ouder motiveert waarom dit tot eenzelfde of beter resultaat leidt dan de inzet van een professionele zorgverlener; b de persoon uit het sociale netwerk die de zorg verleent aangeeft dat de zorg aan de jeugdige of zijn ouders hem niet overbelast; c de persoon uit het sociale netwerk geen handelingen verricht die aan een geregistreerde professional zijn voorbehouden zoals bijvoorbeeld behandeling, en d er geen sprake is van daghulp of verblijf. Binnen het pgb is geen ruimte voor een vrij besteedbaar bedrag. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden, kwaliteitseisen en verplichtingen.
Artikel 14: Onderscheid formele en informele hulp 1.
2.
3. 4.
Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 8 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b. personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; Formele hulp wordt altijd geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (Stichting Kwaliteitsregister Jeugd); Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp; Indien de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of lid 2, is sprake van informele hulp; 7
5.
Het college kan nadere regels stellen over het onderscheid tussen formele en informele hulp
Artikel 15 Hoogte pgb 1. Het college hanteert gedifferentieerde tarieven bij de toekenning van pgb’s en maakt daarbij onderscheid tussen formele hulp en informele hulp: a. De hoogte van het pgb-tarief voor formele hulp door een zorgorganisatie bedraagt maximaal 100% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp door een zorgorganisatie in natura; b. De hoogte van het PGB-tarief voor formele hulp door een micro-onderneming waaronder zzp-ers bedraagt maximaal 100% van het tarief voor gecontracteerde hulp door een micro-onderneming in natura; c. De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget met die lasten verhoogd. 2. Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige en zijn ouder(s) ingediende pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 3. De tarieven voor pgb worden jaarlijks geïndexeerd. 4. De tarieven zoals bedoeld in lid 1 zijn vastgesteld in de nadere regels; 5. Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Artikel 16.
Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s 1. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. 2. Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen. 3. Het college kan het gebruik van pgb’s onderzoeken met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. 4. Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder. Artikel 17 Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik 1. Het college informeert jeugdigen en ouders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. 3.
Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract. 4. het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de wet. Artikel 18 Niet meewerken aan onderzoek 1. De jeugdige en zijn ouder(s) is (zijn) verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp. 2. Als de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan het onderzoek niet (volledig) worden uitgevoerd en kan de (omvang van de) benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld. Het college kan besluiten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken. Artikel 19 Herziening, intrekking, opschorting en terugvordering 1.
2.
Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening. Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, in ieder geval beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. de jeugdige en/of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige en/of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; c. de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;
8
d.
4. 5. 6.
de jeugdige en/of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb, of; e. de jeugdige en/of zijn ouders de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. f. de jeugdige of zijn ouder(s) met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulp-aanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 13 lid 3; of g. de jeugdige langer dan 4 weken verblijft in een instelling als bedoeld inde Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Een besluit tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige en/of zijn ouders zich niet binnen zes maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder. Wanneer het college een beslissing op grond van het tweede, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen.
Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder a, d, e, of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken.
Artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en Gecertificeerde Instellingen 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken;
2.
b.
de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;
c.
een redelijke toeslag voor overheadkosten;
d.
een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
e.
kosten voor bijscholing van het personeel, en;
f.
de inspanningen gericht op innovatie van het aanbod.
Het college legt de randvoorwaarden voor het leveren en organiseren jeugdhulp vast in de inkoop-opdracht jeugdhulp. De uitvoering van de inkoop en contractering legt zij neer bij de regionale inkooporganisatie.
Hoofdstuk 6: Klachten en medezeggenschap Artikel 21. Klachtregeling 1.
Het college behandelt klachten van de jeugdige en/of zijn ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de bepalingen van de Verordening op de gemeentelijke Ombudscommissie. Dit betreft niet klachten die betrekking hebben op de inhoud van het besluit.
Artikel 22. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid 1. 2.
3. 4.
Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.
Hoofdstuk 7 Slotbepalingen
9
Artikel 23 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van zwaarwegende aard leidt. Artikel 24. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt periodiek geëvalueerd. Artikel 25: Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. 2. 3. 4.
Deze verordening treedt in werking één dag na publicatie op Overheid.nl onder gelijktijdige intrekking van de Verordening Jeugdhulp 2021 gemeente 's-Hertogenbosch. Een jeugdige en/of ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp 2021 gemeente ‘s-Hertogenbosch, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Jeugdhulp 2021 gemeente ’s-Hertogenbosch en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp gemeente ’s-Hertogenbosch 2026.
Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 3 maart 2026, 's-Hertogenbosch, De gemeenteraad voornoemd, De griffier,
De voorzitter,
ValidSigned door b/a mr. drs. R. van der Meer op 04-03-2026
drs. W.G. Amesz
drs. J.M.L.N. Mikkers
10
TOELICHTING OP DE VERORDENING JEUGDHULP ’S-HERTOGENBOSCH 2026 Algemene toelichting Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. De Jeugdwet kent een voorzieningenplicht voor de gemeente; de jeugdhulpplicht. Deze houdt kort gezegd in dat het college een jeugdhulpvoorziening moet treffen als de jeugdige of ouders dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. De aard en omvang van deze voorzieningenplicht wordt in beginsel door de gemeente bepaald (maatwerk). De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt: over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen; met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet; over de wijze waarop
ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet; ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Artikel 2.9 van de Jeugdwet is niet uitputtend geformuleerd en biedt derhalve ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet nog andere regels te stellen. Daarnaast kan de gemeenteraad op grond van artikel 8.1.1 lid 3 van de Jeugdwet bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet vaststelt. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Algemene (vrij toegankelijke) en individuele voorzieningen Een voorziening voor jeugdhulp kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten.
In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemene voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. In deze verordening zijn de beschikbare algemene en individuele voorzieningen uitgewerkt in artikel 3 en artikel 4. Toeleiding naar de jeugdhulp De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten: via de gemeente; via de gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI); na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts; via Veilig Thuis (het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling: AMHK).
Toegang jeugdhulp via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder(s) kan binnenkomen bij het toegangsteam van de gemeente. Het toegangsteam zal dan onderzoeken of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is. Is een individuele voorziening nodig, dan geeft het college (althans een deskundige namens het college) daartoe een besluit af. Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen naar een van de jeugdhulpaanbieders die de gemeente
11
heeft ingekocht. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens op basis van zijn professionele autonomie welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening. Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling zelfstandig bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet). Bij jeugdreclassering heeft niet alleen de gecertificeerde instelling deze bevoegdheid, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI), en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze instanties nodig achten ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering.
Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet). Wel geldt als uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Toegang via Veilig Thuis (het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling: AMHK) Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot (onder andere) jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. In crisessituaties is Spoedeisende Zorg (SEZ) gemachtigd om, buiten kantooruren van de gemeenten om, passende jeugdhulp in te zetten. Er worden hierna zo snel als mogelijk alsnog afspraken met het college gemaakt.
12
Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Begripsbepalingen Lid 1 onderdeel a: algemene voorziening Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp. Er vindt geen toegangsbeoordeling plaats. Dit betekent dat voorafgaand geen onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige of ouder(s). Voor een algemene voorziening is in beginsel geen verleningsbeschikking nodig (zie ook artikel 2 van deze verordening en de toelichting daarbij). De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9 onderdeel a van 'overige voorziening'. In de memorie van toelichting op de Jeugdwet spreekt de wetgever echter over een ‘algemene’ of ‘vrij toegankelijke voorziening’. Ook de praktijk spreekt vaak over algemene dan wel vrij toegankelijke voorzieningen. Omdat 'algemene voorziening' de meest gangbare term is en bovendien ook binnen de Wmo 2015 wordt gehanteerd, is deze overgenomen in de verordening. Lid 1 onderdeel c: basishulp Basishulp is vrij toegankelijk, zonder beschikking. Bijvoorbeeld hulp door instellingen die maatschappelijk werk en/of welzijnswerk e/o jongerenwerk bieden en/of hulp die wordt geboden door wat landelijk ‘stevige lokale teams’ wordt genoemd.
Lid 1 onderdeel d: budgethouder De budgethouder is degene die op grond van de Jeugdwet een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt om daarmee jeugdhulp in te kunnen kopen. Aangezien zowel jeugdigen als ouder(s) jeugdhulp kunnen krijgen, gaat het om de jeugdige of om de ouder(s). Lid 1 onderdeel e: cliëntondersteuning Cliëntondersteuning wordt omschreven als onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van: maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen en werk en inkomen. Het gaat om informatie en advies geven aan mensen die voor een keuze, vraag of situatie staan die zodanig complex is dat de persoon het niet zelf of met zijn omgeving kan oplossen. De cliëntondersteuning die door de gemeente wordt aangeboden is gratis. De jeugdige en/of ouders kan er ook voor kiezen de ondersteuning zelf te organiseren. Als de jeugdige en/of de ouders zelf een professionele cliëntondersteuner inschakelt, hoeft de gemeente de kosten daarvan niet te vergoeden. Lid 1 onderdeel f: familiegroepsplan Dit wordt nader uitgewerkt in artikel 5 lid 3.
Lid 1 onderdeel g: gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp in het kader van de Jeugdwet is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Voor de interpretatie van het begrip gebruikelijke hulp zijn nadere regels opgesteld. Lid 1 onderdeel i: individuele voorziening Een individuele voorziening is een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden vorm van jeugdhulp. Deze voorziening is niet vrij toegankelijk, er is een individuele beoordeling en ook een verleningsbeschikking nodig of een verwijsbericht van een huisarts, jeugdarts, medisch specialist of gecertificeerde instelling. Lid 1 onderdeel i: onderzoeksplan Het onderzoeksplan is het resultaat van het onderzoek dat het college uitvoert naar de hulpvraag van jeugdigen en/of ouders. Het plan beschrijft de bijdragen die zowel het college, de hulpvrager als het sociale netwerk gaan leveren om gezamenlijk een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Lid 1 onderdeel k: ouders In deze verordening wordt gesproken over “de jeugdige en zijn ouder(s)”. Onder “ouders” verstaan we in lijn met de wet, artikel 1.1., de gezagdragende ouder(s) of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt.
Lid 1 onderdeel l: pgb (persoonsgebonden budget) Een jeugdige of ouder kan een individuele voorziening ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Met dit budget kan de jeugdige of ouder zelf de benodigde hulp inkopen. Deze begripsomschrijving benadrukt dat het in deze verordening gaat om het persoonsgebonden budget dat verleend kan worden op grond van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet. Lid 1 onderdeel m: sociaal netwerk 13
Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (o.a. (ex-)partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige of ouder regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, medeleden van een vereniging etc. Het begrip ‘sociaal netwerk’ komt ook voor in de Wmo 2015. Bij de uitvoering van de Jeugdwet wordt aangesloten bij deze begripsomschrijving. De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de hulpvraag, komt aan de orde bij het onderzoek dat de gemeente of de door de gemeente gemandateerde instantie verricht als een jeugdige of ouder zich meldt met een ondersteuningsvraag. Lid 1 onderdeel n: Veilig Thuis In de Jeugdwet wordt het begrip 'advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling' gebruikt. Inmiddels is hiervoor de naam Veilig Thuis in gebruik. In de verordening wordt daarom laatstgenoemde term gebruikt. Lid 2 Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de Jeugdwet al veel definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening.
Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb). Artikel 2. Toegang algemene voorziening Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Er vindt geen voorafgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Het college geeft hiervoor dan ook geen beschikking af. Het is wel mogelijk dat iemand een melding doet of een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het college vervolgens na het onderzoek tot de conclusie komt dat er een algemene voorziening aanwezig is die passend is. Dan kan het college daar naar verwijzen en de aanvraag voor de individuele voorziening dus afwijzen. Artikel 3. Beschikbare algemene voorzieningen Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat het college regels stelt over de te verlenen individuele en algemene jeugdhulpvoorzieningen. Artikel 4. Beschikbare individuele voorzieningen Zie de toelichting bij artikel 3 van deze verordening. Het college kan op grond van het tweede lid, de in lid 1 genoemde voorzieningen nader uitwerken of specificeren. Deze zijn uitgewerkt in de nadere regels. Artikel 5.
Toegang jeugdhulp via de gemeente Lid 1 Een jeugdige of ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college. Het college doet vervolgens onderzoek naar onder andere de hulpvraag en benodigde ondersteuning en legt dit vast in een onderzoeksplan. Het college biedt deze mogelijkheid omdat zij in de werkwijze zoveel mogelijk wil aansluiten op de werkwijze binnen de Wmo. Lid 2 Het college informeert over de stappen die na het doen van de melding worden gezet. Lid 3: Familiegroepsplan Een familiegroepsplan is een plan dat ouders/gezinnen samen met familie, vrienden en anderen uit hun omgeving kunnen maken om een vraag of probleem aan te pakken. In dat plan kunnen ouders aangeven hoe ze zelf de opvoed- en opgroeisituatie voor hun kind(eren) willen verbeteren, wat hun belangrijkste vraag is en wie zij graag willen betrekken in de aanpak van hun vraag. Zij kunnen aangeven wat zij met behulp van mensen uit hun omgeving doen en welke professionele hulp en ondersteuning zij daar nog bij nodig denken te hebben. Met het familiegroepsplan krijgen ouders, gezinnen en hun netwerk de mogelijkheid om de regie te voeren over hulp die zij nodig hebben. De wetgever hecht hieraan en heeft daartoe een aantal artikelen in de wet opgenomen om aan te geven wanneer dat wel of niet kan.
Het familiegroepsplan wordt bij of zo snel mogelijk na de melding aan het college ter beschikking gesteld zodat zij dit familiegroepsplan kan betrekken bij het onderzoek en het nemen van een besluit. De Jeugdwet schrijft niet voor hoe het opstellen van een familiegroepsplan moet gebeuren: het is ‘vormvrij’. Lid 4 Cliëntondersteuning Zie bij begripsomschrijving. Wanneer de jeugdige en ouders zich melden, worden ze gewezen op de mogelijkheid om zich bij te laten staan. Lid 5 Onderzoeksplan Na afloop van het onderzoek worden de bevindingen vastgelegd in een onderzoeksplan. Wanneer ouders en of jeugdige dit onderzoeksplan ondertekenen en aangeven dat zij met dit onderzoeksplan een aanvraag indienen, 14
dan wordt deze als een aanvraag in de zin van de Awb gezien. Wanneer uit het onderzoeksplan blijkt dat de noodzaak voor een individuele voorziening in het kader van de wet niet is vastgesteld, kunnen jeugdige en ouders afzien van het indienen van een aanvraag. Conform artikel 4:13 Awb neemt het college binnen 8 weken een besluit op de aanvraag. Als de jeugdige of zijn ouders een pgb willen voor de individuele voorziening die nodig is, moeten ze daarvoor een budgetplan opstellen. Dat is geregeld in artikel 10 van deze verordening. Het budgetplan heeft te gelden als een formele aanvraag voor een pgb. Lid 6 Aanvraag Een jeugdige of ouders kunnen een aanvraag (laten) indienen voor een individuele jeugdhulpvoorziening. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Dat betekent in ieder geval dat - op grond van artikel 4:1 Awb - een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk moet worden ingediend bij het college. Het college kan op grond van lid 7 nadere regels stellen over de procedure voor de aanvraag. Lid 7 Deze bepaling regelt dat het college nadere regels kan vaststellen met betrekking tot de aanvraagprocedure. Lid 8 en 9 Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking.
Deze verleningsbeschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag. Lid 10 en 11 Deze bepalingen regelen de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. Lid 12 Deze bepaling regelt dat van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen zes maanden hun indicatie ‘verzilveren’ door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het bijvoorbeeld gaat om hulp uit het sociale netwerk, het pgb binnen zes maanden gaan inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat eigenlijk een nieuwe indicatie nodig is. Voldoen jeugdigen of ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de jeugdhulpvoorziening in te trekken. Er wordt dan niet voldaan aan de voorwaarden van de individuele voorziening (zie artikel 13 lid 2 onderdeel d van deze verordening). Artikel 6.
Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Lid 1 In artikel 2.6 lid 1 onderdeel g van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de mogelijkheid bestaat tot directe verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Dit laatste geldt zowel voor de algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen als de individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. De jeugdhulpaanbieder bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouders daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Lid 5 Dit artikel geeft aan dat het college nadere regels kan stellen ten aanzien van de stappen die de aanbieder dient te doorlopen na een verwijzing van een arts of gecertificeerde insteling.
Artikel 7: Verstrekken voorziening over periode voorafgaand aan de aanvraag In deze bepaling zijn regels opgenomen voor de situatie dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) reeds zelf jeugdhulp ingeschakeld hebben en daarna pas een aanvraag indienen bij het college voor de betreffende hulp. Het college kan onder omstandigheden dan alsnog een voorziening verstrekken voor deze hulp. Uiteindelijk is het immers de eigen verantwoordelijkheid van de jeugdige en ouders om zich tijdig te melden bij de gemeente. Voorwaarde voor het alsnog verstrekken van een voorziening is dat de jeugdige/ouder op het moment dat ze zich melden, nog steeds tot de doelgroep van de Jeugdwet behoren. Er moet met andere woorden nog steeds sprake zijn van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen. Is dat niet het geval, dan heeft college namelijk ook geen jeugdhulpplicht. Verder moet het college nog in staat zijn de noodzaak en passendheid van de ingeschakelde hulp te 15
beoordelen. Indien het college na onderzoek concludeert dat andere hulp hier meer op zijn plek was geweest, hoeft het geen voorziening te verstrekken. Evenmin hoeft het college nog iets te verstrekken als het niet meer mogelijk is deze beoordeling te maken. Het komt dan voor risico van de jeugdige/ouders zelf dat ze zich niet eerder bij het college hebben gemeld. Artikel 8. Onderzoek en opstellen onderzoeksplan Om de juiste hulp te kunnen inzetten en een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Uitgangspunt is dat persoonlijk contact tussen de gemeente en de jeugdige en/of zijn ouders plaatsvindt. Lid 1 Na een melding of aanvraag maakt het college zo spoedig mogelijk een afspraak en bekijkt ter voorbereiding op het gesprek welke informatie al bekend is. Zo kan, bij een hernieuwde melding of aanvraag, onderzocht worden wat bekend is over de resultaten van afgelopen periode. Ook kan bekeken of er mogelijk al of nog andere voorzieningen lopen. Lid 2 Het college kan alleen een goed onderzoek doen als zij beschikt over de juiste informatie.
De jeugdige en zijn ouder(s) moeten het college voorzien van de bij hen bekende, relevante informatie voor het onderzoek. Wanneer zij daar niet aan mee werken, is het college niet in staat goed onderzoek te doen en kan zij geen inhoudelijk besluit nemen. In dat geval zal het college de aanvraag buiten behandeling stellen of afwijzen op grond van onvoldoende informatie. Wanneer jeugdige of zijn ouders bij de melding hebben aangegeven een familiegroepsplan te willen op stellen, zorgen zij dat het college hierover kan beschikken, zodat dit gebruikt kan worden in het onderzoek. Lid 3 .1 Er is in de Jeugdwet geen identificatieplicht opgenomen, maar een verificatieplicht van het burgerservicenummer (BSN). Het BSN dient te worden vastgesteld wanneer de jeugdige voor de eerste maal contact met het college heeft. Dat wordt gedaan op basis van de BSN-controle. In artikel 7.2.3 van de Jeugdwet staat dat je het BSN kunt vaststellen door die in de Basisregistratie Personen (BRP) te controleren. Niet alle jeugdigen waarvoor gemeenten verantwoordelijkheid hebben in kader van de Jeugdwet beschikken (al) over een BSN. Als dit van toepassing is stelt het college de identiteit van de aanvrager vast.
BSN verificatie of het vaststellen van de identiteit van de jeugdige en / of zijn ouders is noodzakelijk ten behoeve van het vaststellen van de rechtmatigheid: komt de eventuele inzet van jeugdhulp bij de juiste persoon terecht. Lid 4 De onderdelen a tot en met j zijn de onderwerpen die in ieder geval aan de orde komen in het onderzoek. Indien de jeugdige of zijn ouders al bij de gemeente bekend zijn, zullen een aantal zaken niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige of zijn ouders en hun situatie te krijgen. Lid 5 Uit het gesprek tussen de jeugdige en zijn ouders en de hulpverlener kan naar voren komen dat er al professionals vanuit andere domeinen betrokken zijn. In dat geval kan de toegangsmedewerker ervoor kiezen informatie op te vragen. Zo nodig namens en met instemming van de jeugdige en/of zijn ouders. Ook kan ervoor gekozen worden dat gezamenlijk het gesprek aangegaan wordt met deze andere professionals of kan de jeugdige of ouder zelf voor de nodige informatie uit deze domeinen zorgen. Toestemming is niet in alle gevallen nodig.