CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Ruimtelijke onderbouwing De Bellaard 3 's-Hertogenbosch

Gemeenteraad 8 maart 2022, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Uitbreiding melkveebedrijf De Bellaard 3 's-Hertogenbosch15.577 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Aangezien er in de beoogde situatie sprake is van een geringe toename van de stofemissie, is een grote bijdrage aan het cumulatief effect van de fijn stofverspreiding in de omgeving niet te verwachten. De bijdrage van andere veehouderijen wordt beschouwd als aanwezig in de achtergrondconcentratie. Uit de berekening met ISL3a blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de norm voor de achtergrondconcentratie. De (hoogste) jaargemiddelde achtergrondconcentratie PM 10 in de nabijheid van onderhavige locatie (inclusief het bedrijf aan De Bellaard 3) is voor het referentiejaar 2020 berekend op 18,71 µg/m³ (excl. zeezoutcorrectie). De hoeveelheid achtergrondconcentratie als gevolg van de uitstoot van verontreinigende stoffen is onomkeerbaar. Als gevolg van de Europese regelgeving wordt de uitstoot van o.a. fijnstof beperkt. De achtergrondconcentratie neemt ieder jaar af, de luchtkwaliteit wordt beter.

25

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

Conclusie De normen ten aanzien van uitstoot van fijn stof en stikstofdioxide worden niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.4

GELUID Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg) verkeerslawaai, een akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: • wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Het onderhavige plan is ligt binnen het invloedsgebied van wegen (De Bellaard) waar het (maximum)snelheidsregime hoger is dan 30 km/u. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeer is op basis van de Wet geluidhinder noodzakelijk indien in het onderhavige plan een geluidsgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder wordt gerealiseerd. In het onderhavige plan wordt geen geluidsgevoelig object gerealiseerd. Daarnaast genereert het onderhavige plan geen dusdanige grote aantallen motorvoertuigbewegingen dat andere gevoelige objecten buiten het bedrijfsperceel worden blootgesteld aan een forse toename aan geluidsoverlast. Een ‘akoestisch onderzoek, wegverkeer’ is conform de Wet geluidhinder niet noodzakelijk. Industrielawaai Het Activiteitenbesluit biedt aan een beperkt aantal objecten bescherming. Het gaat om gevoelige gebouwen (waaronder woningen) en gevoelige terreinen.

Het Activiteitenbesluit sluit hierbij aan bij het begrippenkader uit de Wet geluidhinder. In algemene zin biedt het Activiteitenbesluit bescherming tegen het geluid veroorzaakt door de: • in de inrichting aanwezige installaties en toestellen; • in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en; • laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting. Om niet alle nieuwe inrichtingen te moeten toetsen is in de vorm van de VNG uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ een pseudowetgeving gecreëerd (pseudowetgeving is geen wetgeving maar algemeen door de rechter aanvaarde methode). De eerste toets aan ‘geluid afkomstig vanuit de inrichting’ sluit aan bij deze systematiek en is weergegeven in de paragraaf ‘Bedrijven en milieuzonering’. Uit deze toets is gebleken dat aan de richtafstanden van de VNG uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ kan worden voldaan (zie paragraaf 4.1). Er is derhalve geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. Daarnaast wordt opgemerkt dat het een beperkte uitbreiding betreft waardoor de geluidsbelasting slechts beperkt toeneemt. De dichtstbijzijnde geluidsgevoelige objecten liggen daarnaast op een afstand van ruim 300 meter van het plangebied. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

26

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

4.5

EXTERNE VEILIGHEID Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico’s als gevolg van de opslag en verwerking van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een basis beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet in relevante situaties de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord zijn binnen het invloedsgebied. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in de "Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen" en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). In 2012 of 2013 wordt de "Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen" vervangen door het "Besluit transport externe veiligheid".

Kwetsbaar object Een veehouderij in zijn geheel is een (beperkt)kwetsbaarobject omdat in het plangebied mensen verblijven en wonen (in de bedrijfswoning). Dierenverblijven an sich zijn conform de definitie zoals opgenomen in het BEVI (art. 1) aangewezen als een ‘beperkt kwetsbaar object’. In het onderhavige plan wordt een bestaande veehouderij uitgebreid met dierenverblijven. Als gevolg van het plan gaan in het plangebied niet meer mensen werken (en verblijven) dan in de huidige situatie. Risicobronnen In het onderhavige plan worden geen risicobronnen toegevoegd of gerealiseerd. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.6

NATUUR Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en nationaal beschermde soorten. De Wet natuurbescherming is, door de samenvoeging van de wetten, zowel gericht op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. Gebiedsbescherming De bedrijfsomvang in de beoogde situatie kan van invloed zijn op het milieu van de, in de nabijheid gelegen, kwetsbare natuurgebieden. Het meest dichtbij gelegen kwetsbare

27

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

natuurgebied in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij betreft het zeer kwetsbare gebied gelegen ten westen van het plangebied op een afstand van circa 1.200 meter. Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland.

•

Figuur 4.2: Beschermde natuurgebieden in de omgeving van De Bellaard 3

De Wet natuurbescherming bepaalt dat nieuwe of uitbreidingen van bestaande economische activiteiten moeten worden getoetst op hun effect op de Natura 2000gebieden. Het dichtstbijzijnde natura 2000-gebied is “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek”. Dit gebied is gelegen op een afstand van ± 2,5 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het bedrijf beschikt over een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet, d.d. 14 januari 2016 (kenmerk Z/001215). Deze vergunning dient als referentiesituatie en is opgenomen in bijlage 7. De beoogde situatie leidt door de toepassing van emissiearme huisvestingssystemen tot een afname van ammoniakemissie. Dit leidt ook tot een afname van ammoniakdepositie op de nabijgelegen Natura-2000 gebieden zoals blijkt uit de Aerius berekening die is opgenomen in bijlage 6. Significant effecten zijn hiermee op voorhand uitgesloten. De planvorming heeft verder geen invloed op planologisch beschermde gebieden. Soortenbescherming Het onderhavige plan betreft de uitbreiding van een agrarisch bedrijf. In dit kader wordt de melkveestal uitgebreid en worden twee nieuwe voeropslagen gerealiseerd. Om een indicatie te krijgen van de effecten die de bouwwerkzaamheden hebben op de natuurwaarden binnen het plangebied, is door Exlan een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De quickscan is als bijlage 12 toegevoegd aan voorliggende toelichting.

Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop.

28

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Ook een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen zijn voor de ontwikkeling.

4.7

BODEM Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Het onderhavige plangebied heeft reeds een agrarische bestemming. De locatie waar de uitbreiding plaatsvindt is in het verleden in gebruik geweest ten behoeve van het agrarisch bedrijf en behoudt deze functie in de beoogde situatie. De delen die buiten het bestaande bouwvlak liggen zijn uitsluitend in gebruik geweest als grasland. Er hebben geen bodemvervuilende activiteiten plaats gevonden. In het kader van de ruimtelijke procedure is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Op basis van het bouwbesluit dient een onderzoek te worden uitgevoerd indien een gebouw wordt gerealiseerd waarin mensen gaan verblijven. Algemeen aanvaarde richtlijn is echter dat geen onderzoek uitgevoerd hoeft te worden indien geen verblijfplaats wordt gerealiseerd waar langer dan 2 uur per dag mensen verblijven. In veestallen verblijven mensen minder dan 2 uur per dag.

Een bodemonderzoek is op basis hiervan niet noodzakelijk. Conclusie Zowel in het kader van de ruimtelijke procedure als in het kader van het Bouwbesluit is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.8

WATER Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dienen waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen te worden. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Dit verkleint de kans op problemen zoals overstroming door onvoldoende veilige dijken, wateroverlast door onvoldoende bergingsmogelijkheden voor hemelwater of een slechte waterkwaliteit. Het resultaat is een ruimtelijk plan dat waterbestendig is. Maar het gaat niet alleen om het voorkomen van problemen. Ruimte voor water kan ook de ruimtelijke kwaliteit

29

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

en de leefomgeving van mens en dier verbeteren. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het Waterschap een aantal beleidsmatige uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water. Ook het gemeentelijk beleidskader is daarbij van belang. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met de ruimtelijk relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Waterbeheerplan 2016-2021 Aa en Maas Het waterbeheerplan beschrijft hoe Waterschap Aa en Maas, samen met andere partijen, invulling wil geven aan het waterbeheer in het stroomgebied van het waterschap. Het plan heeft een looptijd van 2016 tot en met 2021. Het betreft alle aspecten rondom het beheer van de watergangen, stuwen, gemalen, transportstelsels en rioolwaterzuiveringen, zowel onder normale omstandigheden als in het geval van calamiteiten. Het waterbeheerplan is een strategisch document. Het geeft op hoofdlijnen een beschrijving van de doelen van het waterschap en hoe de doelen gerealiseerd kunnen worden. Concrete uitwerking van deze doelen vindt voor een groot deel plaats middels de volgende programma’s.

• Veilig en Bewoonbaar beheergebied; • Voldoende water en robuust watersysteem; • Gezond en Natuurlijk Water; • Schoon Water; Keur Waterschap Aa en Maas 2015 De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben nieuwe waterregels vastgesteld. De regels (Keur) zijn eenvoudiger en er is minder vaak een vergunning nodig dan voorheen. Activiteiten rondom kleine watergangen zijn in veel gevallen zelfs vrijgesteld van regels. De Keur is een verordening waarin staat wat wel en niet mag rond watergangen, dijken en grondwater. Voor veel zaken hoeven burgers en bedrijven geen vergunning meer aan te vragen. Een melding aan het waterschap volstaat. Alle ingrepen welke een grote impact hebben op belangrijke watergangen en keringen blijven vergunningplichtig. Vanaf 1 maart 2015 geldt de nieuwe keur in de drie waterschappen. Het doel van de regels is om de wateraanvoer en waterafvoer te waarborgen, Noord-Brabant te beschermen tegen overstromingen en de gevolgen van droogte te beperken. De waterschappen maken, bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak, onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer.

Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen (toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en de 10.000 m²) kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatieopgave. Voor grote plannen (toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m²) volstaat deze rekenregel niet en is altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk waarbij het waterschap vroegtijdig dient te worden betrokken. Voor plannen waarbij de toename van verhard oppervlak kleiner is dan 500 m² hebben de drie waterschappen besloten dat, gezien de dermate kleine afvoer van hemelwater, het verantwoord is geen compensatie te eisen.

30

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Per 5 november 2019 is de voormalige Verordening water opgegaan in de Iov. Binnen de Verordening water werd er een onderscheid gemaakt in beschermde gebieden en attentiegebieden. In de Iov is het beschermingsniveau gehandhaafd. Hoofdstuk 4 van de Interim omgevingsverordening richt zich op het regionale waterbeheer en de taakuitoefening van de waterschappen. In dit hoofdstuk zijn instructieregels opgenomen die waterschappen bij de uitoefening van hun bevoegdheden moeten betrekken. Met dit onderdeel wordt voldaan aan de verplichtingen van de Waterwet. Ter plaatse van het plangebied gelden geen relevante beperking die van invloed zijn op de beoogde ontwikkeling. Legger waterschap Aa en Maas Ten noorden van de locatie ligt een B-watergang die grenst aan het plangebied. Op grotere afstand ligt een A-watergang die in beheer/schouw is bij het waterschap (zie figuur 4.3).

•

Figuur 4.3: Uitsnede legger Waterschap Aa en Maas

Het beoogde plan heeft geen direct effect op de aanwezige watergangen. Er worden geen sloten gedempt of verlegd. Gemeentelijk beleid De gemeente ’s-Hertogenbosch heeft op 9 maart 2021 de Verordening Bomen, Water en Groen vastgesteld. Deze verordening bestaat uit een drietal onderdelen, namelijk bomen, water en groen en behoort bij de visie ’s-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig. In paragraaf 3.4 is het doel van deze verordening verder uitgewerkt. Wat betreft het onderdeel water zijn in deze verordening regels opgenomen voor het lozen van grondwater en hemelwater. Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen door extreme neerslag toe, maar ook de kans op langdurige periodes van droogte. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het onder meer van belang dat voldoende waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd. Daarom is in deze verordening onder meer de verplichting opgenomen om hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarbij een hemelwatervoorziening met een bepaalde capaciteit moet worden gerealiseerd. Voor de opbouw en structuur van de verordening is zoveel mogelijk vooruitgelopen op de Omgevingswet. Uiteindelijk worden de regels uit deze verordening namelijk verwerkt in het omgevingsplan.

31

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

Binnen het plangebied wordt extra hemelwater geloosd als gevolg van een verhardingstoename. Hiertoe zijn regels opgenomen in verordening met als doel het voorkomen van overlast door hevige neerslag en het tegengaan van verdroging als gevolg van klimaatverandering. Het is verboden om bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. De perceeleigenaar heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van 500 m² of meer, dient de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 60 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak te kunnen verwerken; Het plangebied Het plangebied bestaat uit verhardingen, bebouwing en groenvoorzieningen. In de huidige situatie wordt het hemelwater van de daken afgekoppeld en afgevoerd naar de infiltratiesloten (greppels) aan de west- en oostzijde van het bedrijf. Deze zijn weergegeven op onderstaande afbeelding.

•

Figuur 4.5 luchtfoto De Bellaard 3 met bestaande infiltratiesloten (rood) en B-watergang (blauw)

De bestaande infiltratiesloten hebben een lengte van circa 140 meter, een diepte van 0,6 meter en een maaiveldbreedte van 1,6 meter. Het talud van de sloot heeft een helling van 1:1. Bij een maaiveldbreedte van 1,6 meter en een diepte van 0,6 cm is de sloot aan de onderzijde 0,4 m breed (1,6 - 0,6 + 0,6). De oppervlakte bedraagt daarmee 2,0 (bodembreedte + breedte maaiveld) * 0,5 * 0,6 (diepte) = 0,6 m2. De inhoud van de infiltratiesloot bedraagt in de bestaande situatie 140 x 0,6 = 84 m3. De bestaande erfverharding bestaat uit waterdoorlatende H-klinkers. Het hemelwater infiltreert hierdoor grotendeels in de bodem. Bij zeer zware regenbuien stroomt het af op de aangrenzende percelen en groenstroken en infiltreert in de bodem. Deze gronden zijn in eigendom van initiatiefnemer. Gezien de omvang van de aangrenzende percelen en de

32

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

kenmerken van de bodem zijn de gronden goed geschikt voor infiltratie. De aanwezige infiltratiesloten staan volgens initiatiefnemer nagenoeg het gehele jaar droog. De perssappen en het percolaat afkomstig uit de voeropslagen worden afgevoerd naar de mestput. In de beoogde situatie vindt een uitbreiding van het verhard oppervlak plaats met circa 2.219 m² bebouwing en 2.954 m² erfverharding en verharding ten behoeve van de opslag van ruwvoer en mest. De uit te breiden erfverharding bestaat eveneens uit waterdoorlatende H-klinkers. Het hemelwater op het erf infiltreert hierdoor gedeeltelijk ter plaatse in de bodem. Het overtollig hemelwater stroom af op aangrenzende percelen die in eigendom zijn van initiatiefnemer. Op figuur 4.6 is weergegeven dat de uitbreiding van de erfverharding minimaal is en dat deze direct grenst aan de gronden van initiatiefnemer. Het hemelwater ter plaatse van de voeropslagen en mestplaat wordt opgevangen afgevoerd naar de mestput.

•

Figuur 4.6 luchtfoto De Bellaard 3 met beoogde infiltratiesloten (rood) en B-watergang (blauw)

Voor de uitbreiding van het verhard dakoppervlak (2.219 m 2) wordt een compenserende waterberging gecreëerd in de vorm van infiltratiesloten aan de westzijde en noordoostzijde van het plangebied. De aanwezige infiltratiesloot aan de westzijde wordt in verband met de uitbreiding van de melkveestal verplaatst en vergroot. Ook de infiltratiesloot aan de oostzijde wordt vergroot en gedeeltelijk verlegd. De B-watergang blijft ongewijzigd. Het hemelwater van de daken wordt afgekoppeld en afgevoerd naar de infiltratiesloten. De sloten zijn weergegeven op bovenstaande afbeelding. Hierop is ook de landschappelijke inpassing van het perceel weergegeven. Deze wordt verder toegelicht in het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 1. Om het verharde oppervlak te kunnen compenseren dient de capaciteit van de extra waterberging minimaal 133 m³ (2.219 x 0.06) te bedragen. De benodigde compensatie heeft als boven- en ondergrens respectievelijk de hoogte van het maaiveld en de lokale grondwaterstand. De grondwaterstand is bepaald op basis van de gemiddeld hoogste

33

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

grondwaterstand (GHG), zodat infiltratie in de bodem mogelijk is en de capaciteit niet wordt beperkt door grondwater. Het plangebied ligt in een zone met grondwaterstanden variërend van 80 tot 100 cm beneden maaiveld.

•

Figuur 4.7 uitsnede kaart bodematlas Brabant met gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG)

De infiltratiesloten hebben in de beoogde situatie een totale lengte van 283 meter. De diepte bedraagt 0,7 m. bij een bodembreedte van 0,5 m.. Er is sprake van een talud met een helling van 1:1. Bij een bodembreedte van 0,5 meter en een diepte van 0,7 cm is de sloot aan de bovenzijde 1,9 m breed (0,5 + 0,7 + 0,7). De oppervlakte bedraagt daarmee 2,4 (bodembreedte + breedte maaiveld) * 0,5 * 0,7 (diepte) = 0,84 m2. De inhoud van de infiltratiesloot bedraagt 283 x 0,84 = 237 m3. Wanneer de bestaande bergingscapaciteit (84 m3) in mindering wordt gebracht resteert er een extra bergingscapaciteit in de beoogde situatie van 153 m3 Het compenserende waterberging is hiermee voldoende groot om de benodigde 133 m3 te kunnen bergen. Indien de maatregelen worden uitgevoerd is bovengenoemd plan hydrologisch neutraal. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.9

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Archeologie Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Valletta/Malta. Daarmee heeft de zorg voor het archeologische erfgoed een prominentere plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten van het verdrag zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde "veroorzakerprincipe". Dit

34

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden (indien de gemeente archeologisch beleid heeft vastgesteld). Het Verdrag is vertaald in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Met name de Monumentenwet is door de Wamz aangepast en gaat concreet in op de bescherming van archeologische waarden in bestemmingsplannen. De locatie heeft in het geldende bestemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is in juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische verwachtingenkaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen.

•

Figuur 4.8: Uitsnede archeologische verwachtingskaart gemeente ’s-Hertogenbosch

Ter plaatse van de Bellaard 3 geldt een lage verwachting. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Volgens de Erfgoedwet, die per 1 juli 2016 van kracht is, dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden te worden met het aanwezige culturele erfgoed. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De cultuurhistorische waarden hangen nauw samen met de landschappelijke waarden. De cultuurhistorische waarden worden bepaald door de mate waarin het menselijk ingrijpen, door de geschiedenis heen, nog aan het landschap is af te lezen.

35

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

•

Figuur 4.9: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant

De cultuurhistorische waarden ter plaatse van het plangebied en haar omgeving kunnen achterhaald worden middels de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van NoordBrabant. Een uitsnede van deze kaart is in bovenstaande figuur weergegeven. Het plangebied is gelegen binnen cultuurhistorische regio ‘Maaskant’. De regio Maaskant maakt onderdeel uit van het jonge rivierkleilandschap van de Maas met zandige oeverwallen en donken en lager gelegen open komgronden. De strijd tegen het water en de voortdurend terugkerende overstromingen van de Beerse Maas hebben de inrichting en het gebruik van het gebied bepaald. De regio heeft een grote cultuurhistorische betekenis doordat de strijd tegen het water zich nog zo goed in het huidige landschap laat herkennen. Daarnaast verlenen de vele verdedigingswerken het gebied een grote cultuurhistorische waarde. Gezien de aard en omvang van het plan zijn geen negatieve effecten op deze cultuurhistorisch waarden te verwachten. Het effect van de uitbreiding op het landschap is zeer beperkt en verantwoord. In of nabij het plangebied zijn geen waardevolle gebouwen aanwezig. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de realisatie van onderhavig plan.

4.10

VERKEER EN PARKEREN De bedrijfsinrichting in het plangebied wordt in de bestaande situatie ontsloten via een oprit aan De Bellaard. Het profiel van de weg bestaat uit asfalt en grasbermen. Via deze weg wordt eenvoudig aangesloten op de regionale wegenstructuur. De verkeersintensiteit ten gevolge van het plan verandert nauwelijks ten opzichte van de huidige situatie. De kleine toename van het aantal verkeersbewegingen is verwaarloosbaar. Binnen de inrichting is voldoende verharding aanwezig voor parkeren en manoeuvreren. De wijzigingen brengen geen negatieve consequenties met zich mee voor de verkeerssituatie ter plaatse.

4.11

VOLKSGEZONDHEID Bij ruimtelijke ontwikkelingen speelt gezondheid een centrale rol. Om een gezonde leefomgeving te creëren (en te behouden) zijn tal van wetgevingen geïntroduceerd. Een groot deel van de voorgaande paragrafen bevat een toets aan wetgeving. Deze wetgeving

36

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

heeft één centrale doelstelling: het stellen van regels inzake het voorkomen of beperken van negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient dit aspect meegewogen te worden. Momenteel speelt het aspect gezondheid en veehouderij een belangrijke maatschappelijke en politieke rol. Een van de effecten op de volksgezondheid ziet op endotoxinen. Het aspect endotoxinen is tot op heden nog onvoldoende wetenschappelijk onderzocht waardoor nog geen wettelijke normen zijn gesteld. Wetenschappelijke onderzoek is momenteel echter in een dusdanig ver stadium dat de relatie tussen endotoxinen en de gezondheid van omwonenden bij ruimtelijke ontwikkelingen in de veehouderij niet meer genegeerd kunnen worden. In het kader van het ‘voorzorgsbeginsel’ hanteren Brabantse gemeenten (en omgevingsdiensten) vooruitlopend op wettelijke normen de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0 van het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid’ van de provincie NoordBrabant. Dit document biedt een kader dat gehanteerd kan worden om te beoordelen of bij vergunningen van intensieve veehouderijen rekening gehouden dient te worden met de blootstelling aan endotoxine concentraties die boven de grenswaarde uitstijgen.

De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Endotoxinen zijn celwandbestanddelen van Gramnegatieve bacteriën; deze kunnen allergische reacties veroorzaken bij inademing. Door de Gezondheidsraad is een norm gesteld aan de maximale endotoxine concentraties in de buitenlucht van 30 EU/m³. In het onderhavige plan wordt een melkveehouderij uitgebreid. Het endotoxinen toetsingskader is niet toepasbaar voor deze categorie bedrijven. Als gevolg van het onderhavige plan neemt de uitstoot van fijnstof wel toe. Uit paragraaf 4.3 blijkt dat wordt voldaan aan de wettelijke eisen die gesteld worden aan de luchtkwaliteit. Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Daarnaast ziet de beoogde ontwikkeling niet toe op de realisatie van een nieuw gevoelig object. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Vanaf 2016 verschenen in opdracht van de Nederlandse rijksoverheid diverse rapporten over veehouderij en gezondheid.

Zij vormen de aanleiding om in de provincie NoordBrabant de Handreiking veehouderij en volksgezondheid op te stellen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu. De handreiking wordt gebruikt om te komen tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling of er een dusdanig verhoogd risico bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. In de handreiking worden diverse aspecten meegenomen in de afweging die reeds aan bod zijn gekomen in voorliggende toelichting. In de voorgaande paragrafen is beschreven dat voor wat betreft de aspecten geur, fijn stof en geluid sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. in de handreiking is een wijze van beoordeling uitgewerkt (‘het stappenplan’) om tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Onderhavig initiatief is getoetst aan dit stappenplan. In bijlage 13 is het uitgewerkte stappenplan opgenomen. Omdat sprake is van een toename van fijn stof wordt geadviseerd een GGD advies op te vragen. Omdat de toename echter niet in betekende

37

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

mate bijdraagt en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat kan gesteld worden dat sprake is van een aanvaardbare situatie. Temeer omdat de afstand tot de dichtstbijzijnde woning ruim 300 meter bedraagt. Een verder advies van de GGD wordt gezien deze situatie ons inziens niet noodzakelijk geacht. De ontwikkeling voldoet aan de normen uit de Wet milieubeheer en Interim omgevingsverordening. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de normen uit de Wet milieubeheer en Interim omgevingsverordening. Gezien de grote afstand tot gevoelige objecten in de omgeving kan gesteld worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Verder onderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect gezondheid in relatie tot veehouderijen vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.12

M.E.R.-BEOORDELING Onderhavig plan heeft betrekking op de uitbreiding van een melkveehouderij. In de beoogde situatie worden 185 melkkoeien en 125 stuks jongvee gehouden. De uitbreiding van de melkrundveehouderij is aan te merken als een uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D 14 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren.” De voorgenomen ontwikkeling ligt onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een formele m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Nu sprake is van een activiteit die onder de grenswaarde ligt, zoals opgenomen in onderdeel D bij de bijlage van het Besluit m.e.r., is bekeken of er relevante criteria zijn om een milieueffectrapport (MER) te eisen als voorbereiding op de beoordeling van de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 2.1, lid 1 onder a en artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Initiatiefnemer heeft hiervoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 8.

Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat het optreden van significante nadelige milieueffecten is uitgesloten. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.- procedure noodzakelijk maken.

4.13

DUURZAAMHEID Binnen de gemeente ’s-Hertogenbosch is duurzaamheid een belangrijk speerpunt. Duurzaamheid richt zich onder meer op energie, integraal waterbeheer, bouwmaterialen, welzijn en gezondheid. De eisen die gesteld worden aan de diverse aspecten van duurzaamheid worden steeds verder aangescherpt, al dan niet via wettelijke regelgeving (bijvoorbeeld het Bouwbesluit). De speerpunten van het gemeentelijk beleid richten zich op energie (zeer energiezuinig, dan wel energieneutraal bouwen volgens de toekomstige bouwnorm), integraal waterbeheer (het realiseren van voldoende hemelwaterberging) en het gebruiken van duurzame materialen.

38

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

De gemeente ‘s-Hertogenbosch heeft doelen gesteld om te komen tot een klimaat neutrale gebouwde omgeving in 2035, met in 2050 een volledig klimaat neutrale gemeente. De gemeente neemt hierin verantwoordelijkheid om invulling te geven aan een belangrijke maatschappelijke opgave. De gemeentelijke energie-ambitie en -doelstellingen zijn vastgelegd in het ‘Energie-transitieprogramma 's-Hertogenbosch 2016-2020’, vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2017. Ook het recente bestuursakkoord (2018-2022) stelt dat de gemeente een serieuze bijdrage levert om klimaatveranderingen tegen te gaan, bijvoorbeeld door het energiezuinig laten bouwen in de gemeente. Waar het gaat om nieuwbouw wil de gemeente nu en in de toekomst vooruit lopen op de landelijke norm. Bij de uitwerking van het bouwplan voor de uitbreiding van de melkveestal is rekening gehouden met de gemeentelijke energiedoelstellingen en daarbij behorende uitgangspunten. Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van duurzame materialen. Hiervoor wordt verwezen naar de bouwtekeningen die ook onderdeel uitmaken van de aanvraag Omgevingsvergunning. Er wordt duurzame energie opgewekt door de nieuwe stal te voorzien van zonnepanelen. Op deze manier is men zelfvoorzienend wat betreft elektriciteit. Op het dak van de nieuwe stal worden 266 zonnepanelen geplaatst.

Deze zijn nodig om te voorzien in een energieverbruik van 90.000 kWh per jaar. Op een melkveehouderij wordt de meeste energie verbruikt bij het koelen van de melk. Een koe produceert gemiddeld 10.000 liter melk per jaar. De melk wordt iedere drie dagen opgehaald. Dat betekent dat de capaciteit van de melktank minimaal 185 x 10.000 /365 x 3 = 15.200 L moet zijn. Voor de kg melk die in de tank worden gekoeld, houdt het handboek Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN) het volgende aan: een koeling met een voorkoeler en met warmteterugwinning verbruikt 10 kWh per 1000 kg te koelen melk. Dat is dus een verbruik van 15.200 / 1000 x 10 = 152 kWh per dag. Het jaarverbruik van de melkkoeling is dan: 152 x 365 = 55.500 kWh. Door initiatiefnemer is een offerte opgevraagd voor de zonnepanelen waarbij rekening is gehouden met een verbruik van 90.000 kWh per jaar. Uit de berekening van de leverancier bleek dat hiervoor 266 zonnepanelen nodig zijn (zie bijlage 14). Wetende dat er, naast de melkkoeling, ook nog andere (maar zuinigere) energieverbruikers zijn op het bedrijf is 90.000 kWh ruim voldoende om zelfvoorzienend te zijn. De 266 zonnepanelen zijn op de geveltekening, behorend bij de aanvraag omgevingsvergunning verwerkt.

Daarnaast blijkt uit voorliggende onderbouwing dat er bij de verschillende milieukundige en ruimtelijke aspecten ook rekening gehouden wordt met het thema duurzaamheid. Hieronder zijn diverse aspecten opgesomd die een bijdrage leveren aan duurzaamheid bij de uitvoering van het beoogde initiatief: • •

•

•

Door het toepassen van een emissiearm stalsysteem worden emissies verlaagt naar water, bodem en lucht; Zoals blijkt uit paragraaf 4.8 is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Hemelwater infiltreert rechtstreeks in de bodem of wordt opgevangen in de infiltratievoorziening; Diergezondheid en dierenwelzijn vormen een belangrijke basis voor de melkveehouderij. In overleg met een vaste dierenarts probeert men ziekten en ziekteverspreiding binnen het bedrijf te voorkomen. Dit verbeterd de weerstand van het dier en helpt antibioticagebruik terug te dringen; De stal voldoet aan de eisen uit de Maatlat Duurzame Veehouderij. Hiervoor wordt een certificaat aangevraagd. Een Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV)-stal is een veestal

39

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

•

•

• •

•

met een lagere milieubelasting, met maatregelen voor diergezondheid en dierenwelzijn en draagt daardoor bij aan verduurzaming van de veehouderij. Een MDV-stal voldoet aan strenge duurzaamheidseisen op diverse thema’s; Middels het landschappelijk inpassen van de locatie wordt aandacht besteed aan de inpassing in de omgeving. Langs de singel aan de noordoostzijde wordt een infiltratiesloot aangelegd met natuurvriendelijke oever. Dit bevordert de biodiversiteit; Het bedrijf voldoet aan regelgeving rondom bemesting en bodembeheer. Door optimale bemesting wordt een bijdrage geleverd aan duurzaam bodemmanagement waarmee de kwaliteit van de bodem vergroot wordt; Krachtvoer komt uit de regio in plaats van uit het buitenland; Bij de bouwaanvraag wordt aandacht besteed aan brandveiligheid. De maatregelen zijn gebaseerd op preventie van stalbrand, het bestrijden van stalbrand en het beperken van de impact van een stalbrand; Er wordt melk geproduceerd via het kwaliteits- en duurzaamheidsprogramma ‘Foqus planet’ van Friesland Campina. Het programma stelt eisen aan hygiëne, kwaliteit, voedselveiligheid, dierenwelzijn, duurzame productie en weidegang.

Ook vanuit het provinciale beleid en de Brabantse Zorgvuldigheidscore wordt bijgedragen aan een duurzame veehouderij. Voor een volledig overzicht van de maatregelen wordt verwezen naar de bijlage ‘Brabantse Zorgvuldigheidsscore’ welke onderdeel uitmaakt van de aanvraag om omgevingsvergunning. Bij deze bijlage is ook een afschrift gevoegd van het certificaat Maatlat Duurzame Veehouderij. Zoals blijkt uit bovenstaande worden er diverse maatregelen getroffen gericht op duurzaamheid. Initiatiefnemer produceert voedsel en gewassen zoveel mogelijk in harmonie met milieu, natuur en landschap. Zij doen dit door te zorgen voor een gezond bodem- en watersysteem, een aantrekkelijk landschap en meer biodiversiteit, passend binnen een economisch rendabele bedrijfsvoering.

40

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

HOOFDSTUK 5 UITVOERBAARHEID

5 1 Uitvoerbaarheid 5.1

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID De procedures voor het verlenen van een omgevingsvergunning zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het voornemen moet worden gevoerd alvorens een ontwerp ter visie gelegd kan worden. Bij de uitwerking van het wijzigingsplan heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden en zijn de belangen van omwonenden meegewogen. De dialoog heeft plaatsgevonden middels een communicatietraject met omwonenden. Omwonenden zijn door initiatiefnemer persoonlijk bezocht (ivm corona geen groepsgesprek) en geïnformeerd. Naar aanleiding hiervan hebben omwonenden de verklaringen ingevuld zoals opgenomen in bijlage 5. Hieruit blijkt dat er geen bedenkingen zijn tegen het plan. Ook is voorliggende ruimtelijke onderbouwing toegezonden naar Provincie Noord-Brabant en Waterschap Aa en Maas. De overlegreacties die naar aanleiding hiervan zijn ontvangen zijn beoordeeld en verwerkt in het plan. Provincie Noord-Brabant Provincie Noord-Brabant heeft bij brief d.d. 10 november 2021 gereageerd op de concept ruimtelijke onderbouwing. Landbouw De bedoeling van de initiatiefnemer met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling is uit de toelichting in grote lijn helder. Toch hebben wij daarbij enkele opmerkingen, uitgaande van de eisen zoals opgenomen in artikel 3.49 lOV.

Over het algemeen is het provinciaal beleid nog op onvoldoende wijze in de omgevingsvergunning vertaald. In de aangeboden documenten ontbreken essentiële bijlagen. Het gaat daarbij onder meer om de (concept)berekening van de BZV score alsmede de certificaten en de gecombineerde opgave waaruit moet blijken dat inderdaad sprake is van (de ex art. 3.51, lid 3, lOV juiste mate van) grondgebondenheid. Reactie gemeente: De BZV score en het advies inzake grondgebondenheid is opgenomen in bijlage 3 en bijlage 10. Deze stukken zijn ook gebruikt voor het advies van de AAB (Bijlage 2). De AAB heeft in haar advies ook getoetst aan de grondgebondenheid. Bouwvlak Momenteel is het huidige bouwvlak al groter dan 1,5 hectare. Met het opnemen van een voeropslag (maximaal 0,5 ha) komt het totaal echter niet boven de 2 hectare uit. Echter, zoals hierboven al is opgemerkt ten aanzien van nog over te leggen stukken (waaronder de BZV), zal aan de hand van de definitieve stukken moeten blijken of dit ook daadwerkelijk niet boven de 2 hectare uit zal komen. Wij dringen er bij u op aan dit onderdeel nader inzichtelijk te maken. Reactie gemeente: In figuur 2.3 is het fictieve bouwvlak weergegeven. De nieuwe bebouwing wordt in afwijking van het bestemmingsplan toegestaan buiten het bouwvlak middels een omgevingsvergunning met buitenplanse afwijking. Van planregels is geen sprake bij deze procedure.

41

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

Gezondheid Goede omgevingskwaliteit met veilige, gezonde leefomgeving. In de toelichting van het plan is geen verwijzing naar een toets aan de hand van invulling van de gezondheidscriteria aan de hand van de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid" opgenomen. Wij dringen er bij u op aan dit onderdeel in de toelichting en bijlagen aan te vullen. Reactie gemeente: In de ruimtelijke onderbouwing is een toetsing opgenomen aan de Handreiking veehouderij en volksgezondheid, in bijlage 13 is het stappenplan opgenomen. Mestbewerking Wij dringen er bij u op aan in de regels een bepaling op te nemen t.a.v. het uitsluiten van mestbewerking. Reactie gemeente: De nieuwe bebouwing wordt toegestaan middels een omgevingsvergunning met buitenplanse afwijking. Van (aanpassing van) planregels is geen sprake. Het bouwplan voorziet niet in de mogelijkheid van mestbewerking. Dialoog De dialoog is beperkt omschreven. De beoordeling van de dialoog is beperkt; maar is aan het bevoegde gezag. Reactie gemeente: De dialoog heeft plaatsgevonden middels een communicatietraject met omwonenden. Omwonenden zijn door initiatiefnemer persoonlijk bezocht (ivm corona geen groepsgesprek) en geïnformeerd. Naar aanleiding hiervan hebben omwonenden de verklaringen ingevuld zoals opgenomen in bijlage 5. Hieruit blijkt dat er geen bedenkingen zijn tegen het plan.

Omwonenden wonen ook op zeer ruime afstand van het plangebied (ruim 300 meter). Dit wordt toegelicht in bijlage 5. Artikel 3.51 lOV (afwijkende regels Beperkingen veehouderij) Aangezien bij de documenten de regels ontbreken; hebben wij het plan niet kunnen beoordelen aan hand van artikel 3.51 lOV. Wij dringen er bij u op aan dit onderdeel nader inzichtelijk te maken. Reactie gemeente: Er is hier sprake van een grondgebonden veehouderij. Hiervoor verwijzen wij naar onze reactie onder het kopje landbouw en de bijlages 2, 3 en 10. Landschappelijke inpassing Voor deze ontwikkeling is een inrichtingsplan bijgevoegd en een berekening. Wij kunnen ons vinden in het voorgestelde inrichtingsplan. Voor de meerwaarde berekening wordt met de juiste hoeveelheden gerekend. Echter, de berekening van de aan te leggen beplanting voldoet nog niet. Zowel plankosten en de post onvoorzien worden opgevoerd. Dit betreffen echter geen fysieke kwaliteitsverbeteringen van het landschap en kunnen derhalve niet meegenomen worden. Wij dringen er bij u op aan dit onderdeel nader aan te passen (artikel 3.9 lOV). Het gedeeltelijk storten van de kwaliteitsverbetering in een groenfonds is een mogelijkheid, zolang dat is vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Wij kunnen niet nagaan of er ook daadwerkelijk een overeenkomst is afgesloten. Wij dringen er bij u op aan dit nader inzichtelijk te maken.

Reactie gemeente:

42

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

De landschappelijke inpassing alsmede ook de berekening is aangepast (zie bijlage 1). Er is geen sprake (meer) van een storting in een groenfonds. Groenblauwe mantel De voorgenomen ontwikkeling is gelegen in de Groenblauwe mantel. Wij dringen er bij u op aan het plan te motiveren aan de hand van artikel 3.32 lOV en waar nodig te vertalen in de regels van het plan. Reactie gemeente: Er is een motivatie opgenomen in de toelichting aan de hand van artikel 3.32 IOV. Waterschap Het waterschap heeft per mail op 8 oktober 2021 gereageerd. De reactie luidt als volgt: Er wordt correct in de toelichting gerefereerd naar de betreffende B-watergang. Het is echter onduidelijk of het voornemen is dat deze gedempt gaat worden en/of wordt ingezet als waterbergingsmaatregel. Dit is onduidelijk beschreven in de waterparagraaf. Deze B-watergang is namelijk een onderdeel van het regionale oppervlaktewatersysteem en kan per definitie niet in worden gezet als waterberging. Dan zou er namelijk sprake zijn van directe lozing van het versnelde regenwater. Het is van belang dat deze B-watergang intact blijft. Mochten er een ander planvoornemen zijn om deze aan te passen o.i.d. dan is dit watervergunningplichtig o.b.v. de Keur. Graag het verzoek om de waterbergingsopgave volwaardig te beschrijven in de waterparagraaf hoe en waar deze waterberging wordt gerealiseerd.

Hierop is een aanvulling in de waterparagraaf gedaan en is deze opnieuw aan het waterschap voorgelegd. Het waterschap heeft per mail d.d. 22 november 2021 laten weten dat de toelichting compleet is en een correcte uitwerking is van de eerdere reactie op het plan. Er zijn dan ook geen opmerkingen. Procedure De ontwerp omgevingsvergunning zal gedurende 6 weken ter inzage worden gelegd. In deze periode kan éénieder zijn zienswijze kenbaar maken en indienen bij de gemeente ‘sHertogenbosch. Tevens zullen de overleginstanties in de gelegenheid worden gesteld om te reageren. De ingekomen reacties zullen door het gemeentebestuur worden betrokken bij het definitieve besluit omtrent medewerking aan dit initiatief.

5.2

FINANCIËLE UITVOERBAARHEID De uitvoering van de ontwikkeling is in handen van een particuliere partij. Deze partij draait op voor alle aan het onderhavige plan verbonden (plan)kosten. De plankosten worden verhaald via het sluiten van een anterieure overeenkomst. Daarnaast wordt een planschadeovereenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente afgesloten. Gelet op de aard van het voorliggende plan, is de initiatiefnemer aansprakelijk voor de uitvoering van het plan, initiatiefnemer is eigenaar van de locatie en zal het voorliggende plan uit eigen middelen financieren. Hierdoor is de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd.

43

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

BIJLAGEN

Bijlagen •

BIJLAGE 1: LANDSCHAPPELIJKE INPASSING

•

BIJLAGE 2: ADVIES AAB

•

BIJLAGE 3: BZV

•

BIJLAGE 4: FIJN STOF

•

BIJLAGE 5: OMGEVINGSDIALOOG

•

BIJLAGE 6: AERIUSBEREKENING

•

BIJLAGE 7: NATUURVERGUNNING

•

BIJLAGE 8: VORMVRIJE M.E.R.-BEOORDELING

•

BIJLAGE 9: MILIEUTEKENING

•

BIJLAGE 10: TOETSING GRONDGEBONDENHEID

•

BIJLAGE 11: TOETSING VERORDENING BOMEN, WATER EN GROEN

•

BIJLAGE 12: QUICKSCAN FLORA EN FAUNA

•

BIJLAGE 13: STAPPENPLAN HANDREIKING VEEHOUDERIJ EN VOLKSGEZONDHEID

•

BIJLAGE 14: INFORMATIE ZONNEPANELEN

44

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

45

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11092428/1