CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Ruimtelijke onderbouwing De Bellaard 3 's-Hertogenbosch

Commissie OMGEVING 15 februari 2022, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Uitbreiding melkveebedrijf De Bellaard 3 's-Hertogenbosch15.577 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

Januari 2022

Colofon Projectnummer: EX.18.1871 Datum: Januari 2022

Opdrachtnemer Agrifirm NWE BV Exlan Advies Waalkade 33 5347 KR Oss

Postbus 300 5340 AH Oss

Locatie De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch

Opdrachtgever Zomer Engelen VOF De Bellaard 3 5221TM 's-Hertogenbosch

Projectleider N.P.M. (Noortje) van Summeren / K. (Karin) van Loon T: 06 – 557 933 31 / 06 – 209 374 28 E: n.vansummeren@agrifirm.com / k.c.vanloon@agrifirm.com

Contactpersoon N.P.M. (Noortje) van Summeren – van der Linden T: 06 – 557 933 31 E: n.vansummeren@agrifirm.com

2

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

Inhoudsopgave COLOFON .......................................................................................................................................................... 2 INHOUDSOPGAVE .............................................................................................................................................. 3 HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................................................................ 4 1.1 1.2 1.3 1.4

AANLEIDING ............................................................................................................................................ 4 LIGGING PLANGEBIED ............................................................................................................................. 4 VIGEREND BESTEMMINGSPLAN.............................................................................................................. 5 LEESWIJZER ............................................................................................................................................. 6

HOOFDSTUK 2 BESCHRIJVING VAN HET PLAN .................................................................................................. 7 2.1 2.2 2.3

BESTAANDE SITUATIE.............................................................................................................................. 7 TOEKOMSTIGE SITUATIE ......................................................................................................................... 8 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING EN KWALITEITSVERBETERING .............................................................. 9

HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER ....................................................................................................................... 12 3.1 3.2 3.3 3.4

INLEIDING ............................................................................................................................................. 12 RIJKSBELEID ........................................................................................................................................... 12 PROVINCIAAL BELEID ............................................................................................................................ 14 GEMEENTELIJK BELEID .......................................................................................................................... 18

HOOFDSTUK 4 PLANOLOGISCHE EN MILIEUKUNDIGE ASPECTEN ................................................................... 22 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING .......................................................................................................... 22 GEUR ..................................................................................................................................................... 23 LUCHTKWALITEIT .................................................................................................................................. 24 GELUID .................................................................................................................................................. 26 EXTERNE VEILIGHEID ............................................................................................................................. 27 NATUUR ................................................................................................................................................ 27 BODEM.................................................................................................................................................. 29 WATER .................................................................................................................................................. 29 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE ..................................................................................................

34 VERKEER EN PARKEREN......................................................................................................................... 36 VOLKSGEZONDHEID .............................................................................................................................. 36 M.E.R.-BEOORDELING ....................................................................................................................... 38 DUURZAAMHEID ................................................................................................................................... 38

HOOFDSTUK 5 UITVOERBAARHEID ................................................................................................................ 41 5.1 5.2

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID.............................................................................................. 41 FINANCIËLE UITVOERBAARHEID ........................................................................................................... 43

BIJLAGEN ....................................................................................................................................................... 44

3

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

HOOFDSTUK 1 INLEIDING

1 1 Inleiding 1.1

AANLEIDING Zomer Engelen VOF (hierna initiatiefnemer) exploiteert in de huidige situatie op de locatie De Bellaard 3 te ‘s-Hertogenbosch (hierna plangebied) een bestaand agrarisch bedrijf in de vorm van een melkveehouderij. Om in de toekomst voldoende economisch perspectief te hebben voor het bedrijf en de bedrijfsopvolger is modernisering en schaalvergroting noodzakelijk. Daarnaast worden in het kader van de versnelling transitie duurzame veehouderij en dierwelzijn de bestaande stallen aangepast met emissiearme systemen waarbij ligboxen groter worden uitgevoerd. Om het bedrijf en voldoende toekomstperspectief te bieden wordt ingezet op uitbreiding van de stallen en ruwvoeropslag. Het beoogde plan gaat uit van een uitbreiding van de meest westelijk gelegen stal. Daarnaast worden aan de noordzijde twee nieuwe sleufsilo’s gerealiseerd. De realisatie van deze uitbreiding is op basis van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ niet bij recht toegestaan omdat de beoogde uitbreiding deels buiten het bestemmingsvlak ligt. Het bestemmingsplan bevat geen binnenplanse bevoegdheden om het voornemen alsnog mogelijk te maken. De uitbreiding van het agrarische bedrijf moet derhalve door middel van een zelfstandige procedure mogelijk gemaakt worden. In overleg met de gemeente is besloten om middels een omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan.

Zowel het ruimtelijke deel als het bouwdeel worden gelijktijdig aangevraagd. Voor het aspect milieu wordt een melding gedaan in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Onderhavig plan wordt juridisch-planologische verankerd middels een omgevingsvergunning met buitenplanse afwijking op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3 van de Wabo. Ter motivatie van dit besluit tot afwijken bevat de voorliggende rapportage een ‘ruimtelijke onderbouwing’ waarin wordt aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

1.2

LIGGING PLANGEBIED Het plangebied ligt ten westen van de kern Engelen in de gemeente ‘s-Hertogenbosch. De locatie is kadastraal bekend als gemeente ‘s-Hertogenbosch, sectie R, nummer 274.

4

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

•

1.3

Figuur 1.1: Luchtfoto De Bellaard 3 en directe omgeving (bron: Cyclomedia)

VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Ter plaatse vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, vastgesteld op 26 januari 2010. Daarnaast heeft de gemeente ‘s-Hertogenbosch op 4 april 2012 een wijzigingsplan vastgesteld voor het plaatsen van een mestzak buiten het bestaande bouwvlak. Hiertoe is het bestemmingsvlak destijds uitgebreid tot circa 1,4 hectare. 0,6 hectare is destijds voorzien van een maatvoeringsaanduiding met hoogtebeperking om te voorkomen dat er gebouwen worden gerealiseerd binnen dat gedeelte.

0,6 ha voorzien van maatvoeringsaanduiding

•

Figuur 1.2: Uitsnede wijzigingsplan 2012

5

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

Het plangebied heeft de bestemming ‘Agrarisch - Bedrijf’. Op basis van het geldende bestemmingsplan is de gewenste ontwikkeling niet direct bij recht toegestaan omdat de gewenste uitbreiding gedeeltelijk buiten het huidige bestemmingsvlak ligt. Bebouwing is volgens de regels van het bestemmingsplan uitsluitend toegestaan binnen het bestemmingsvlak.

1.4

LEESWIJZER Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens ingegaan op het relevante Rijks-, provincialeen gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt het initiatief getoetst op inpasbaarheid en uitvoerbaarheid aan de hand van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid behandeld.

6

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

HOOFDSTUK 2 BESCHRIJVING VAN HET PLAN

2 1 Beschrijving van het plan 2.1

BESTAANDE SITUATIE De locatie De Bellaard 3 ligt ten westen van de kern Engelen in de gemeente ‘sHertogenbosch. De locatie ligt in agrarisch gebied met diverse veehouderijen. Ten zuiden van de locatie ligt waterbergingsgebied Hoogwater. De bebouwing bestaat uit een bedrijfswoning, twee ligboxenstallen, twee veldschuren, voeropslagen en een mestzak. Het erf tussen de bebouwing is verhard. Het bedrijf wordt ontsloten via De Bellaard. Op onderstaande luchtfoto is de huidige situatie van het plangebied weergegeven.

•

Figuur 2.1: Luchtfoto huidige situatie De Bellaard 3 (bron: Cyclomedia)

Voor de locatie is een vergunning (Melding Besluit Landbouw) voor het houden van 160 melkkoeien, 60 stuks jongvee, 6 vleesstieren, 1 stuks overig rundvee en 1 pony aanwezig. Een overzicht van de dieraantallen, stalsystemen en emissiefactoren in de vergunde situatie zijn in onderstaande figuur weergegeven. Rav code

Om schrijving conform Rav

A 1.100

Melkkoeien; overige huisvestingssystemen

A 3.100 A 6.100

A 7.100 K 3.100

Maatregel

Bew eiden -5% (PAS 2015.0802) Vrouw elijk jongvee tot 2 jaar Vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 tot 24 maanden (roodvleesproductie) Fokstieren en overig rundvee dan 2 jaar Pony's (3ouder jaar en ouder)

Aantal NH3/ dier dieren 160

12,35

ouE/ Fijnstof dier/s g/dier/jaar 0

118,0

1.976,0

Fijnstof g/jaar

0,0 18.880,0

60

4,4

0

38,0

264,0

0,0

2.280,0

6

5,3

35,6

170,0

31,8

213,6

1.020,0

-

1

6,2

0

170,0

6,2

0,0

170,0

-

1

3,1

0

0,0

3,1

0,0

0,0

Figuur 2.2: diertabel vergunde situatie (Melding Besluit Landbouw)

7

ouE /s Totaal

-

Totaal

•

NH3 totaal

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

2.281,1

213,6 22.350,0

Tevens is voor de locatie op 14 januari 2016 een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant. Deze Natuurvergunning ziet toe op de situatie zoals weergegeven in bovenstaande figuur.

2.2

TOEKOMSTIGE SITUATIE Onderhavig plan ziet toe op de uitbreiding van het melkveebedrijf. Aan de westzijde wordt de bestaande melkveestal uitgebreid met een nieuw stalgedeelte. Per saldo zal de ligboxenstal na uitbreiding in samenhang met de oorspronkelijke melkveestal ruimte bieden aan 185 melkkoeien en 125 stuks jongvee. Aan de achterzijde van het bedrijf worden twee nieuwe voeropslagen gerealiseerd. Op onderstaande figuur is het fictieve bouwvlak in de beoogde situatie weergegeven.

•

Figuur 2.3: Situatietekening beoogde situatie met fictief bouwvlak

Een overzicht van de dieraantallen in de beoogde situatie zijn in de hiernavolgende figuur weergegeven. Voor een volledig overzicht van de aanwezige bebouwing en de verdeling van de dieraantallen is in bijlage 9 de milieutekening opgenomen.

8

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

Rav code

Om schrijving conform Rav

A 3.100

Vrouw elijk jongvee tot 2 jaar

A 6.100 A 7.100 K 3.100 A 1.13

•

Aantal dieren

NH3/ dier

ouE/ dier/s

Fijnstof g/dier/jaar

NH3 totaal

ouE/s Totaal

Fijnstof /g/jaar

125

4,4

0

38,0

550,0

0,0

4.750,0

Vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 tot 24 maanden Fokstieren en overig rundvee ouder 2 jaar Pony'sdan (3 jaar en ouder)

6

5,3

35,6

170,0

31,8

213,6

1.020,0

1

6,2

0

170,0

6,2

0,0

170,0

1

3,1

0

0,0

3,1

0,0

0,0

Melkkoeien: Ligboxenstal met roostervloer voorzien van cassettes in de roosterspleten en Totaal

185

6

0

148,0

1.110,0

0,0

27.380,0

1.701,1

213,6

33.320,0

Figuur 2.4: Diertabel beoogde situatie

Verzocht wordt om in afwijking van het bestemmingsplan de uit te breiden dierenverblijven buiten het bestemmingsvlak ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ toe te staan. In de beoogde situatie is het fictieve bestemmingsvlak (1,75 ha) zodanig gesitueerd dat alle bouwwerken en voorzieningen hierbinnen liggen. Ter plaatse van de ruwvoeropslagen is in het huidige bestemmingsplan reeds een maatvoeringsaanduiding opgenomen om te voorkomen dat dit gedeelte (0,6 ha) gebruikt wordt voor de realisatie van gebouwen. Hiermee wordt voldaan aan de eis uit de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant, waarin aansluitend aan de 1,5 hectare bestemmingsvlak ten behoeve van gebouwen, ten hoogste 0,5 hectare toe wordt gestaan die uitsluiten gebruikt wordt ten behoeve van de opslag van ruwvoer. Het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ maakt onder voorwaarden een vergroting van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ mogelijk. In voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt ter onderbouwing aangesloten bij deze voorwaarden uit het bestemmingsplan. In figuur 2.3 is het fictieve bestemmingsvlak weergegeven. Het fictieve bestemmingsvlak ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ heeft in de beoogde situatie een oppervlak van 1,75 hectare. 0,6 hectare is reeds voorzien van een maatvoeringsaanduiding om de bouw van gebouwen uit te sluiten.

Bij een algehele herziening van het bestemmingsplan buitengebied kan het fictieve bouwvlak worden opgenomen.

2.3

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING EN KWALITEITSVERBETERING Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. Een bestemmingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied voorziet daartoe in een regeling. Hierbij moet worden voldaan aan de vereisten van de versterking van de landschappelijke kwaliteit (tegenprestatie) ex artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van deze regeling is in 2011 een handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld. Vrijwel alle gemeenten in Brabant hebben de regeling verder uitgewerkt in beleid en regionaal afspraken gemaakt over de toepassing. De gemeente ’s-Hertogenbosch sluit hiervoor aan bij het afsprakenkader dat is opgesteld door de regio Noordoost Brabant waarin is opgenomen hoe zij in het algemeen omgaan met kwaliteitsverbetering. Met behulp van dit afsprakenkader kan de benodigde bijdrage aan kwaliteitsverbetering worden vastgesteld. De ontwikkeling aan de Bellaard 3 wordt gezien als een categorie 3 ontwikkeling. Hiervoor is een goede landschappelijke inpassing noodzakelijk en dient ten minste 20% van de waardevermeerdering geïnvesteerd te worden in ruimtelijke

9

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

kwaliteitsverbetering. Een goede landschappelijke inpassing houdt in dat het initiatief in samenhang met de al bestaande situatie en rekening houdend met de kwaliteiten van de omgeving, landschappelijk verantwoord wordt ingepast. Landschappelijke inpassing betekent een zodanige vormgeving en inpassing dat deze optimaal is afgestemd op bestaande dan wel nog te ontwikkelen ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische landschapskwaliteiten. De landschappelijke inpassing vindt plaats op of direct aansluitend aan het bouwblok/bestemmingsvlak. De waardevermeerdering wordt bepaald aan de hand van de huidige en toekomstige planologische waarde. Voor het initiatief aan De Bellaard 3 bedraagt de kwaliteitsinvestering €12.250,- (zie onderstaande figuur). Huidige situatie Bestemming Agrarisch bebouwd Agrarisch onbebouwd

Totaal Beoogde situatie Bestemming Agrarisch bebouwd

Totaal

Oppervlakte 14.000 m2 3.500 m2 17.500 m2

Waarde per m2 €25,€7,50,-

Bestemmingswaarde €350.000,€26.250,€376.250,-

Oppervlakte 17.500 m2 17.500 m2

Waarde per m2 €25,-

Bestemmingswaarde €437.500,€437.500,-

Waardevermeerdering Benodigde kwaliteitsinvestering (20% van waardevermeerdering) •

€61.250,€12.250,-

Figuur 2.5: berekening benodigde kwaliteitsinvestering landschap

Er kan op meerder manieren geïnvesteerd worden in kwaliteitsverbetering van het landschap. In onderhavige situatie wordt dit gedaan middels landschappelijke inpassing van de locatie. Door initiatiefnemers is aan Guido Paumen landschapsarchitectuur opdracht verleend voor het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan voor de planlocatie. Dit landschappelijk inpassingsplan is opgenomen als bijlage 1 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. In onderstaande afbeelding is een eerste impressie opgenomen. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar bijlage 1. De benodigde kwaliteitsinvestering bedraagt €12.250,-. De totale investering in groen is geraamd op €12.252,-.

10

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

•

Figuur 2.6: opzet landschappelijke inpassing

11

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER

3 1 Beleidskader 3.1

INLEIDING De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied moet passen binnen het vigerend beleid op zowel nationaal, provinciaal, als gemeentelijk niveau. Het plan wordt getoetst aan het nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. De belangrijkste bevindingen uit dit beleid worden hieronder beschreven en aangegeven wordt hoe de ontwikkeling van het plangebied past binnen de bestaande regelgeving.

3.2

RIJKSBELEID Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft de ambitie aan voor Nederland in 2040. Die ambitie is vertaald in doelen voor de middellange termijn tot 2028. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. De bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale blik met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van Nederland dient met de nieuwe structuurvisie gekeerd te worden. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte richt zich op de volgende 13 nationale belangen behoren onder de voorname drie streefdoelen: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren (nationaal belang 1); 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie (nationaal belang 2); 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen (nationaal belang 3); 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond (nationaal belang 4).

Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen (nationaal belang 5); 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem (nationaal belang 6); 7. Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen (nationaal belang 7). Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s (nationaal belang 8);

12

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling (nationaal belang 9); 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten (nationaal belang 10); 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten (nationaal belang 11); 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten (nationaal belang 12); 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten (nationaal belang 13). Het onderhavige plan omvat een kleinschalig initiatief dat niet behoort tot 1 van de 13 belangen waarvoor decentrale overheden geen beleidsvrijheid hebben. Het beleid inzake de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. Barro Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voorziet in juridische borging van het nationaal ruimtelijke beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden.

Het gaat onder andere om de Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond Rijksvaarwegen. Binnen het plangebied zijn geen relevante regels uit het Barro van toepassing die invloed uitoefenen op het onderhavige initiatief. Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. In het onderhavige plan is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige initiatief. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2021 in werking treedt, en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook 1 Rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verwacht de NOVI in het voorjaar van 2020 vast te stellen. Op 20 juni 2019 verscheen het ontwerp voor de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De SVIR (beleid) gaat op in de NOVI. De NOVI bevat de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren beleid en geen specifieke regels voor onderhavig initiatief. De prioriteiten die zijn opgenomen in de NOVI zijn vertaald in provinciaal en gemeentelijk beleid.

13

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

3.3

PROVINCIAAL BELEID Provinciale Staten hebben de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ op 14 december 2018 vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen, voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit, staan nu nog in de bestaande plannen van de provincie (PMWP, Structuurvisie RO, BRUG, PVVP). De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De kaderstellende elementen uit de Omgevingsvisie worden in de omgevingsverordening vertaald in regels. Voor het onderhavige plan is met name de verordening van belang omdat deze gedetailleerde regels bevat waaraan getoetst dient te worden. Naast één omgevingsvisie moet de provincie vanuit de Omgevingswet ook één omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. De provincie Noord-Brabant heeft op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening (Iov) vastgesteld.

Het is een ‘Interim’ omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening ruimte. Omdat de Interim verordening zoveel als mogelijk wil aansluiten bij de Omgevingswet is gekozen voor de doelgroepenbenadering (burgers en bedrijven, gemeenten of waterschappen). Dit betekent dat de regels in de Interim omgevingsverordening zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel leidend is. In de omgevingsverordening staan algemene regels voor burgers en bedrijven en instructieregels voor bestuursorganen van de overheid. De instructieregels moeten gemeenten nu al toepassen bij de uitvoering van hun bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Dit zijn de regels die tot voor kort waren opgenomen in de Verordening ruimte. Veehouderij De provincie werkt al geruime tijd aan de transitie naar zorgvuldige veehouderij. De kern van het beleid is dat uitbreiding van veehouderijen enkel mogelijk is als het bedrijf voldoet aan specifieke eisen op het gebied van zorgvuldigheid of duurzaamheid.

Om de transitie naar zorgvuldige veehouderij in gang te zetten, hebben provinciale staten in maart 2013 besloten dat zij dit proces willen ondersteunen met regels in de verordening. De vastgestelde denklijn 'Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd' is hiervoor de basis. Dit houdt in dat er alleen nog ontwikkelruimte wordt geboden aan veehouderijen, als daarmee de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij in gang wordt gezet. Om de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij te bevorderen is een nieuw instrument ontwikkeld, de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV). De BZV objectiveert wanneer een ontwikkeling bijdraagt aan een zorgvuldige veehouderij. Ondanks de inspanningen die door alle partijen zijn geleverd, zijn er extra stappen nodig om te komen tot een sterke en maatschappelijk gewaardeerde veehouderij in Brabant. Daarom zijn in 2017 aanvullende maatregelen vastgesteld. De zogenaamde versnelling transitie veehouderij. Dit pakket maatregelen bevatte regels om de uitstoot van ammoniak

14

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

uit dierenverblijven terug te dringen, een aanpassing van de Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij, nieuw mestbeleid en regels die in veedichte gebieden een verdere regionale concentratie van vee en toenemende leegstand tegengaan door het zogenaamde stalderen. Gebaseerd op deze besluiten bevat de verordening instructieregels voor de ontwikkeling van veehouderijen en zijn ook rechtstreeks werkende regels opgenomen. De planlocatie is gelegen in het Landelijk gebied binnen de aanduiding ‘Groenblauwe mantel’. De regels die relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling zijn hieronder verder uitgewerkt. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Vanuit artikel 3.5, lid 2 van de Interim omgevingsverordening moet voor een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving rekening worden gehouden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt volgens artikel 3.6, lid 1, sub a en c onder andere in dat functies in beginsel gebruik maken van bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen waarin de omgevingsverordening uitbreiding toestaat. Daarnaast dienen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen een bouwperceel geconcentreerd te worden.

Zoals hierna verder wordt toegelicht, is dit het geval bij de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie De Bellaard 3. De lagenbenadering omvat volgens artikel 3.7, lid 2 de effecten op bijv. bodem, grondwater, veiligheid, milieu, archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden, infrastructuur, natuurnetwerk, de omvang van de functie en de bebouwing en bestaande en toekomstige functies. Zoals nader onderbouwd in deze ruimtelijke onderbouwing brengt de voorgenomen ontwikkeling wat dit betreft geen significant negatieve effecten met zich mee. Ook is hierin onderbouwd dat de ontwikkeling niet leidt tot belemmeringen voor de bestaande of toekomstige functies in de omgeving en van het omliggende gebied. In artikel 3.8, lid 2 is aangegeven dat fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van de meerwaardecreatie deel kan uitmaken. Geconstateerd kan worden dat met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van meerwaardecreatie, nu als onderdeel van deze ontwikkeling hier een goede landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd op basis van het daartoe opgestelde landschappelijk inpassingsplan. Gelet hierop is de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie De Bellaard 3 vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar in de omgeving.

Kwaliteitsverbetering landschap (artikel 3.9) Artikel 3.9 van de omgevingsverordening ziet toe op de kwaliteitsverbetering van het landschap. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient gepaard te gaan met voldoende kwaliteitswinst voor de locatie en de naaste omgeving. Om te kunnen voldoen aan de regeling omtrent ruimtelijke kwaliteit wordt de planlocatie landschappelijk ingepast. De landschappelijke inpassing is kort weergegeven in paragraaf 3.3. Daarnaast is de gehele landschappelijke inpassing als bijlage 1 opgenomen bij de toelichting. De aanleg en instandhouding is geborgd in de anterieure overeenkomst en wordt daarnaast als voorwaardelijke verplichting opgenomen bij de vergunning. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3.9. Ook het positief advies van de

15

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen, zoals opgenomen in bijlage 2, laat zien dat sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel (artikel 3.32) De provincie streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuur Netwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe mantel. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Voor het water wordt vooral ingezet op kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen . Binnen de groenblauwe mantel is volop ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De ontwikkeling ziet toe op de uitbreiding van een grondgebonden veehouderij.

Zoals blijkt uit de landschappelijke inpassing (bijlage 1) worden diverse landschapselementen toegevoegd waardoor een bijdrage wordt geleverd aan de bestaande natuur- en landschapswaarden. Daarnaast wordt op een zorgvuldige manier omgegaan met het aspect water. Er is sprake van een waterneutraal plan zoals blijkt uit de waterparagraaf. Ook voldoet het plan aan de Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021 (zie paragraaf 3.4). Veehouderij in landelijk gebied (artikel 3.49) Vanuit het streven naar een sterke en maatschappelijk gewaardeerde veehouderij bevat dit artikel voorwaarden voor de ontwikkeling van een veehouderij. Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de denklijn 'Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd'. In onderhavige situatie is sprake van een uitbreiding van het bestemmingsvlak van een veehouderij. Om die reden is artikel 3.49 lid 1 van toepassing. Dit artikel bepaald dat een bestemmingsplan in landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van een veehouderij, mits: a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan; De nadere regels zorgvuldige veehouderij zijn uitgewerkt in de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV). Het plan is getoetst aan deze BZV. In bijlage 3 bij deze toelichting is de toets opgenomen.

Conform de systematiek van de BZV scoort een bedrijf een 6, indien aan de wettelijke regels is voldaan. Uitbreidingsruimte wordt geboden, als het betreffende bedrijf minimaal een 7,25 scoort. In dit geval wordt een 7,33 gescoord. De BZV toont aan dat sprake is van een zorgvuldige en duurzame veehouderij. Aan deze voorwaarde wordt dan ook voldaan. b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt; De oppervlakte van het bouwperceel, zoals opgenomen in dit plan, bedraagt 1,75 hectare. Alle gebouwen, voorzieningen en verhardingen liggen binnen dit bouwperceel. 0,6 hectare van het bouwperceel is voorzien van een maatvoeringsaanduiding waardoor de realisatie van gebouwen is uitgesloten. Binnen dit gedeelte liggen enkel opslagen van ruwvoer. Er wordt gebruik gemaakt van de afwijkende regel zoals opgenomen in artikel 3.53 lid 3 van de Iov waarmee bouwpercelen van maximaal 2 hectare mogelijk worden gemaakt.

16

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

c.

de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient gepaard te gaan met voldoende kwaliteitswinst voor de locatie/omgeving. Hierbij kan gedacht worden aan zorgvuldig ruimtegebruik en landschappelijke inpassing. In voorliggende situatie is sprake van een uitbreiding van het bestemmingsvlak (binnen de gestelde maximale omvang van 2 ha). Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit inpassingsplan is in bijlage 1 opgenomen. In paragraaf 3.3 is de landschappelijke inpassing beschreven. De impact van het plan op de omgeving is uitgewerkt in de volgende hoofdstukken van deze onderbouwing. Hieruit blijkt dat wordt voldaan aan de verschillende normen voor de diverse milieuaspecten en volksgezondheid. Ook de impact van het plan op de verkeersafwikkeling is zeer beperkt zoals blijkt uit de toelichting.

d. mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is; In de beoogde situatie is geen sprake van mestbewerking. e. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; In dit plan is sprake van een melkveehouderij. Voor de aanwezige diercategorieën zijn in de Regeling geurhinder en veehouderij geen geuremissiefactor opgenomen. Hierdoor kan voor melkveehouderijen de achtergrondbelasting niet berekend worden en leveren zij ook geen bijdrage aan de achtergrondbelasting geur. Hiermee wordt voldaan aan de eis met betrekking tot geurhinder. f.

is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m3; Uit paragraaf 8.5 en bijlage 4 (berekening) blijkt dat de achtergrondconcentratie voor het aspect fijnstof de genoemde waarde niet overschrijdt in de nieuwe situatie. De hoogst berekende achtergrondconcentratie bedraagt 18,71 μg/m3.

g. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat; De landschappelijke inpassing bedraagt ruim 20% van de omvang van het bouwvlak. In paragraaf 2.3 is de landschappelijke inpassing beschreven. In bijlage 1 is het plan opgenomen. h. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. De zorgvuldige dialoog is in gang gezet in de vorm van een communicatietraject met omwonenden. De initiatiefnemer heeft de direct omwonenden persoonlijk geïnformeerd over het beoogde initiatief. Hierbij heeft hij het plan nader toegelicht, en daarbij getracht zo goed mogelijk aan te geven wat de veranderingen zijn ten opzichte van de huidige planologische situatie. Als bijlage 5 bij deze toelichting zijn verklaringen opgenomen

17

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

waaruit blijkt dat de omwonenden geïnformeerd zijn over de planvorming. De betrokken omwonenden hebben aangegeven geen bedenkingen te hebben tegen het plan. In artikel 3.53, lid 3 van de Iov wordt de mogelijkheid geboden een bouwperceel met ten hoogste 0,5 hectare te vergroten, waardoor het bouwperceel ten hoogste 2 hectare bedraagt, indien: a. het bedrijf vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer; b. de ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is; c. het bestemmingsplan borgt dat deze 0,5 hectare uitsluitend gebruikt wordt ten behoeve van voorzieningen - geen gebouwen zijnde - voor de opslag van ruwvoer. In deze situatie wordt voldaan aan de hierboven gestelde voorwaarden. Er is immers sprake van een melkveebedrijf dat vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer. Binnen het bestemmingsvlak is onvoldoende ruimte aanwezig voor de uitbreiding van de melkveestal en de realisatie van de benodigde extra ruwvoeropslag. Binnen het beoogde bouwvlak van 1,75 hectare is ter plaatse van de aanwezige ruwvoeropslag reeds een maatvoeringsaanduiding opgenomen (0,6 ha) waardoor de realisatie van gebouwen ter plaatse is uitgesloten.

Bij een algehele herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied” kan de gemeente het fictieve bouwvlak overnemen en 0,25 ha voorzien van een aanduiding waarmee enkel voorzieningen ten behoeve van de opslag van ruwvoer worden toegestaan. De aanvraag Omgevingsvergunning ziet ook toe op de uitbreiding van een dierenverblijf. Hiervoor dient getoetst te worden aan artikel 3.50 en artikel 26. Artikel 3.49 ziet toe op dezelfde regels als opgenomen in artikel 3.50. Zoals blijkt uit bovenstaande toetsing wordt hieraan voldaan. Artikel 3.52 wordt hieronder getoetst. Afwijkende regels beperkingen veehouderij art. 3.51 In aanvulling op artikel 3.50 zijn in artikel 3.51 van de Iov regels opgenomen die van toepassing zijn op veehouderijen gelegen binnen het gebied “Beperkingen veehouderij”. Onderhavig melkveebedrijf ligt ook binnen de begrenzing van een dergelijk gebied. Omdat echter sprake is van een grondgebonden bedrijf (zie bijlage 2 en bijlage 10) gelden er op basis van artikel 3.51 geen beperkingen. Aanvullende regels stalderen art. 3.52 In aanvulling op artikel 3.50 zijn in artikel 3.52 van de Iov regels opgenomen die van toepassing zijn op hokdierhouderijen in stalderingsgebieden. Omdat in onderhavig plan geen sprake is van een hokdierhouderij is staldering niet van toepassing. Het provinciaal beleid brengt geen belemmeringen met zich mee voor de beoogde ontwikkeling.

3.4

GEMEENTELIJK BELEID Structuurvisie In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke Structuurvisie vastgesteld, met de ondertitel 'Stad tussen stromen'. De Ruimtelijke Structuurvisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad

18

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. De visie formuleert de ontwikkelingskoers, beschrijft een wensbeeld van de stad voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het is een toetsingskader, en tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Zo wordt bepaald waar strakke contouren ter bescherming van kwetsbare waarden liggen en kansen voor ontwikkeling. In de Structuurvisie is aangegeven dat het buitengebied van ’s-Hertogenbosch primair is bedoeld voor natuurontwikkeling, (extensieve) landbouw en recreatie. De landbouw staat onder druk vanwege de maatschappelijke discussie over intensivering, gezondheid en duurzaamheid. Daar staan echter ook kansen tegenover in de regio zoals de tendens en bereikbaarheid om de voedselproductie innovatiever en duurzamer te maken. In het rivierkleigebied zijn toekomstmogelijkheden voor grondgebonden akkerbouw- en rundveebedrijven die inspelen op genoemde tendens. Daarnaast zijn er groeimogelijkheden voor biologische landbouw in de -vanuit natuur en landschap bezienkwetsbare landbouwgebieden.

Nevenactiviteiten, zoals agrarisch natuurbeheer, toerisme en recreatie, moeten resulteren in een goed inkomen voor de boer en zorgen voor verrijking van natuur en landschap. Er zijn daarnaast volop kansen voor verbrede landbouwbedrijven die inspelen op de vraag naar agrarische en andere producten, zoals zorg en recreatie. De voorgenomen ontwikkeling past, gelet op de aard en omvang van het plan, binnen de kaders van het gemeentelijk beleid. Er worden geen specifieke uitgangspunten beschreven voor onderhavige locatie die van belang zijn voor de gewenste ontwikkeling. De Structuurvisie staat uitvoering van het initiatief niet in de weg. Bestemmingsplan Op de locatie vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Het plangebied heeft de bestemming ‘Agrarisch - Bedrijf’. In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen (artikel 3.3.2) die onder voorwaarden uitbreiding van het bouwvlak mogelijk maakt. In voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt ter onderbouwing aangesloten bij deze voorwaarden uit het bestemmingsplan. Onderstaand wordt onderhavig plan aan deze voorwaarden getoetst. a. Voor grondgebonden agrarische bedrijven geldt, naast de voorwaarden genoemd in sub c, dat vergroting van het bestemmingsvlak is toegestaan tot een maximum van 1,5 ha.

Indien het bestaande bestemmingsvlak reeds meer bedraagt dan 1,5 ha mag dit bestemmingsvlak worden vergroot met maximaal 20%; Het fictieve bestemmingsvlak bedraagt in de beoogde situatie 1,75 hectare (zie figuur 2.3). Zoals reeds is aangegeven is 0,6 hectare voorzien van een maatvoeringsaanduiding waardoor ter plaatse geen gebouwen opgericht kunnen worden. De omvang van het bestemmingsvlak voldoet hiermee aan de regels van de Iov zoals opgenomen in artikel 3.53 lid 3. b. Voor intensieve veehouderijen ter plaatse van de aanduiding ´intensieve veehouderij´ geldt, naast de voorwaarden zoals genoemd onder c, dat: 1. ter plaatse van de aanduiding 'Reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' vergroting uitsluitend is toegestaan indien dit noodzakelijk is in verband met de wettelijke eisen van dierenwelzijn, waarbij eenmalig een uitbreidingsruimte van maximaal 15% toegekend kan worden.

19

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

2. ter plaatse van de aanduiding 'Reconstructiewetzone - verwevingsgebied' vergroting uitsluitend is toegestaan tot 1,5 ha mits er sprake is van een duurzame locatie. Er is geen sprake van een intensieve veehouderij. c.

Naast de hiervoor per type agrarisch bedrijf aangegeven voorwaarden, gelden in het algemeen de volgende voorwaarden: 1. De vergroting dient noodzakelijk te zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsontwikkeling van een reëel bedrijf. Om in de toekomst voldoende economisch perspectief te hebben voor het bedrijf is modernisering en schaalvergroting noodzakelijk. Dit blijkt ook uit het advies van de Agrarische Adviescommissie Bouwaanvragen zoals is opgenomen in bijlage 2. 2. De vergroting dient plaats te vinden aansluitend aan het bestaande bestemmingsvlak. Zoals blijkt uit figuur 2.3 vindt de uitbreiding plaats aansluitend aan het bestaande bestemmingsvlak. 3. Er sprake is van een voldoende landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing op basis van een erfbeplantingsplan. Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit inpassingsplan is in bijlage 1 opgenomen. In paragraaf 3.3 is de landschappelijke inpassing beschreven. 4. Er mag geen sprake zijn van milieuhygiënische belemmeringen. De impact van het plan op de omgeving is uitgewerkt in het volgende hoofdstuk van deze onderbouwing. Hieruit blijkt dat wordt voldaan aan de verschillende normen voor de diverse milieuaspecten. 5. Vooraf dient advies ingewonnen te worden bij de Agrarische Adviescommissie Bouwaanvragen. In bijlage 2 is het advies van de Agrarische Adviescommissie Bouwaanvragen opgenomen.

Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021 Deze verordening bestaat uit een drietal onderdelen, namelijk bomen, water en groen en behoort bij de visie ’s-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig. In de verordening worden regels gesteld over het vellen van houtopstanden (bomen), het lozen van hemelwater en grondwater en het realiseren van groen. Het doel van het stellen van de regels in deze verordening is het beperken van de gevolgen van klimaatverandering. Door de gevolgen van klimaatverandering wordt de gemeente ’s-Hertogenbosch namelijk kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. Verder is sprake van achteruitgang van de biodiversiteit. Ook is het doel van het stellen van de regels in deze verordening het beschermen van bepaalde categorieën houtopstanden, die voor de gemeente van belang zijn. Met de regels in deze verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van de stad, wijken en dorpen juridisch ook geborgd. Wat betreft het onderdeel groen is in deze verordening per gebied een groennorm vastgelegd. Groen biedt een oplossing voor het extremer weer: het zorgt voor verkoeling door betere wateropvang en het leveren van schaduw en een hogere luchtvochtigheid. Ook draagt groen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving.

Het doel van het opnemen van een groennorm in deze verordening is om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving. Op de Groenkaart, zoals opgenomen in bijlage 3 bij deze verordening is het plangebied aangeduid als buitengebied. Het buitengebied functioneert

20

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

als een groenblauwe eenheid ten opzichte van de stad. Landschappelijke inpassing is onderdeel van de ontwikkeling van een (stedelijke) functie. Dit is maatwerk. Om het groene karakter van het buitengebied te waarborgen wordt een norm van 50% gesteld. In artikel 4.20 is de groennorm verder uitgewerkt. In het eerste lid is de groennorm in de vorm van een verbod vastgelegd. Het verbod houdt in dat het verboden is om meer dan 500 m2 nieuwe verharding te realiseren zonder daarbij te voldoen aan de groennorm en aan de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore. Het gaat om het realiseren van nieuwe verharding en dus niet om bestaande situaties. Het tweede lid geeft uitleg over hoe de groennorm moet worden ingevuld. De groennorm wordt ingevuld aan de hand van de kwantitatieve groenscore. Aan deze kwantitatieve groenscore moet worden voldaan. De groenscore met toelichting is opgenomen in bijlage 11. Hieruit blijkt dat wordt voldaan aan de vereiste 50% groen. Eveneens moet worden voldaan aan de kwalitatieve biodiversiteitscore. Hieraan wordt ook voldaan zoals blijkt uit de uitwerking in bijlage 11. Met beide scoresystemen worden de doelen bereikt waarvoor de gemeente ‘sHertogenbosch staat: het vergroenen van de omgeving en het toepassen van biodiversiteitsmaatregelen om biodiversiteit te stimuleren. Voor wat betreft het onderdeel water wordt verwezen naar de uitwerking in paragraaf 4.8.

Het onderdeel bomen is niet relevant omdat het plan niet toe ziet op het vellen van houtopstanden (bomen). Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit het gemeentelijk beleid.

21

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

HOOFDSTUK 4 PLANOLOGISCHE EN MILIEUKUNDIGE ASPECTEN

4 1 Planologische en milieukundige aspecten 4.1

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Richtafstandenlijsten Voor een scala aan milieubelastende activiteiten zijn richtafstanden aangegeven in de VNG-publicatie. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven.

Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). De richtafstanden in de VNG-publicatie zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Rustig buitengebied wordt in de uitgave geschaard onder het beleid van een rustige woonwijk. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van de gemeente ‘s-Hertogenbosch. In de omgeving is geen sprake van functiemenging. Dergelijke gebieden kunnen niet worden aangewezen als ‘gemengd gebied’. De richtafstanden kunnen derhalve niet met één stap worden verkleind. Ontvanger en/of bron? In het onderhavige plan wordt een melkveehouderij uitgebreid. Een melkveestal is geen gevoelig object. Dat betekent dat niet beoordeeld hoeft te worden of de stal als ‘ontvanger’ last kan ondervinden van milieucontouren van functies in de omgeving. Een melkveehouderij heeft zelf wel milieucontouren. De stal is derhalve aan te wijzen als een ‘bron’ van milieucontouren. Het agrarische bedrijf aan De Bellaard 3 wordt op basis van de VNG-lijst ingedeeld in de categorie ‘Fokken en houden van rundvee’.

22

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

Omschrijving Fokken en houden van rundvee •

Afstanden in meters Geur Stof 100 30

Categorie Geluid 30

Gevaar 0

3.2

Figuur 4.1: Richtafstandenlijst ‘Bedrijven en milieuzonering’

De afstand tot het dichtstbijzijnde gevoelige object bedraagt ruim 300 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan de richtafstanden voor geur, stof en geluid. Een nadere beschouwing van deze aspecten vindt in de volgende paragrafen plaats.

4.2

GEUR Per 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader bij vergunningverlening voor geur veroorzaakt door veehouderijbedrijven. De Wgv is het toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen. Voor niet-vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit milieubeheer het toetsingskader. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Er moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Wgv kent twee methoden voor de beoordeling van de geur van een veehouderij: 1. Veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een geuremissiefactor is opgenomen, moeten voldoen aan de wettelijke geurnorm. 2. Veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, moeten voldoen aan de vereiste minimale afstand. In onderhavig plan worden hoofdzakelijk 1 dieren gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Volgens de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Daarnaast bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minste 25 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Aanvullend dient, volgens lid 2 van artikel 3 van de Wgv, de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, buiten de bebouwde kom ten minste 50 meter te bedragen. De Wgv biedt aan gemeenten de mogelijkheid om middels een gebiedsvisie, binnen bepaalde marges, af te wijken van de in de wet genoemde geurnormen. Wanneer er geen geurverordening wordt opgesteld, blijven de vaste wettelijke normen en afstanden uit de Wgv van kracht. Voor het plangebied is een gemeentelijke geurverordening van kracht waarmee de vaste afstanden tussen de veehouderij en het geurgevoelig object zijn gehalveerd. 1

De 6 vleesstieren met een gezamenlijke geuremissie van 35,6 OUe hebben een verwaarloosbaar effect op de geurbelasting en zijn verder buiten beschouwing gelaten.

23

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. In dit plan is sprake van een melkveehouderij. Voor de aanwezige diercategorieën zijn in de Regeling geurhinder en veehouderij geen geuremissiefactor opgenomen. Hierdoor kan voor melkveehouderijen de achtergrondbelasting niet berekend worden en leveren zij ook geen bijdrage aan de achtergrondbelasting geur. Beoordeling ontwikkeling De afstand tot de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten bedraagt ruimt 300 meter. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan de hiervoor genoemde normen uit de Wgv. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van onderhavig plan.

4.3

LUCHTKWALITEIT De Wet luchtkwaliteit vormt per 15 november 2007 het toetsingskader voor nieuwe plannen en projecten in relatie tot de kwaliteit van de lucht. Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat de luchtkwaliteit voldoet aan de gestelde grenswaarden. Grenswaarden luchtkwaliteit • Stikstofdioxide (NO2) o De jaargemiddelde concentratie bedraagt maximaal 40 µg/m³; o De uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m³, overschrijding is maximaal 18 maal per kalenderjaar toegestaan (niet relevant voor agrarische bedrijven) • Fijn Stof (PM10) o De jaargemiddelde concentratie bedraagt maximaal 40 µg/m3: o Daggemiddelde concentratie van 50 µg/m³, overschrijding is toegestaan op niet meer dan 35 dagen per jaar Als onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is de AMvB ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) opgenomen. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Luchtverontreiniging als gevolg van toename van verkeersbewegingen In het besluit zijn enkele projecten opgenomen (woningbouw, kantoorlocaties, etc.). Landbouwbedrijven zijn niet opgenomen in de categorieën die automatisch NIBM zijn.

Conform de NIBM-tool van Rijkswaterstaat worden de grenswaarden pas overschreden indien een project meer dan 805 motorvoertuigbewegingen per dag genereert (bij een aandeel van 10% vrachtverkeer). In het onderhavige plan wordt een bestaand agrarisch bedrijf uitgebreid. Het plan heeft een beperkte toename van verkeerbewegingen tot gevolg. Er kan derhalve gesteld worden dat het onderhavige plan, wat betreft motorvoertuigbewegingen, ‘Niet In Betekende Mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

24

Ruimtelijke onderbouwing ‘De Bellaard 3, ‘s-Hertogenbosch’

Luchtverontreiniging als gevolg van het agrarische bedrijf De Wet milieubeheer (Wm), titel 5.2: luchtkwaliteitseisen vormt het toetsingskader voor stofconcentraties in de lucht bij de omgevingsvergunning. Volgens de wet dient voornamelijk rekening gehouden te worden met de grenswaarden voor fijn stof (PM 10 / PM2,5). De concentratie van de overige luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht is van nature zo laag dat voor deze stoffen geen overschrijding van de grenswaarde wordt verwacht. Voor deze stoffen kan worden voldaan aan de gestelde grenswaarden uit de Wm. De stofemissies van de onderhavige projectlocatie betreffen emissies van fijn stof uit de bedrijfsgebouwen, bestaande uit huid-, mest- en voerdeeltjes die met de ventilatielucht naar buiten komen. De emissie van fijn stof door transportbewegingen over het terrein van de projectlocatie is, gezien de lage snelheid van het transport (<10 km/uur) en aantal transportbewegingen verwaarloosbaar ten opzichte van de emissies uit de ventilatielucht (= continu). Voor het overige treedt er geen emissie op naar de lucht in de vorm van broeikasgassen, vluchtige organische stoffen, carcinogene stoffen, zware metalen e.d. Doordat in de beoogde situatie het aantal dieren wordt uitgebreid neemt de stofemissie toe t.o.v. de vigerende situatie.

Voor de projectlocatie is een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit van de omgeving in de beoogde situatie. Een volledig schematisch overzicht van de rekenresultaten en invoergegevens voor de concentratieberekening volgens ISL3a versie 2020 is in bijlage 4 opgenomen. Individuele fijn stofconcentratie De stofimmissie betreft de bijdrage van fijn stof aan de omgeving van de inrichting. De (hoogste) jaargemiddelde achtergrondconcentratie aan De Bellaard van PM10 is voor het referentiejaar 2020 berekend op 17,85 µg/m³ (excl. zeezoutcorrectie). Uit onderzoek blijkt dat de grenswaarde van 40 µg/m³ voor fijn stof als jaargemiddelde concentratie niet wordt overschreden. In de beoogde situatie bedraagt de hoogste concentratie 18,71 µg/m³ (De Vutter 1) en voldoet op basis van deze gegevens aan hoofdstuk 5 (titel 5.2) van de Wet milieubeheer. Ook aan de norm voor het aantal overschrijdingsdagen wordt ruimschoots voldaan. Het aantal overschrijdingsdagen bedraagt maximaal 6,7 dagen (excl. zeezoutcorrectie) waar 35 dagen de norm is. Cumulatieve fijn stofconcentratie Net als bij de cumulatieve geurbelasting kunnen de veehouderijen in de omgeving, waaronder de projectlocatie, tezamen een relevante bijdrage leveren aan de fijn stofverspreiding op de omgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11089437/1