1. Ontwerpbestemmingsplan Prins Bernhardplein 17 Nuland toelichting en regels
Tekst van het document
Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit) Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit)
Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie.
Toetsing beleidsvisie De beoogde ontwikkeling voorziet in woningbouw en een huisartsenpraktijk en fysiopraktijk. Dit zijn kwetsbare objecten. De bewoners/medewerkers/aanwezigen worden als normaal zelfredzaam beschouwd. Deze objecten / functies worden beschouwd als kwetsbaar object (naar analogie van het Bevi). Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een groen gebied. Kwetsbare objecten zijn hierin wel toegestaan. Externe veiligheid is geen belemmering voor de planontwikkeling.
33
Figuur 11: Uitsnede kaart bijlage IV 'vestiging kwetsbare objecten' van uitvoeringskader EV, deel C
Beschouwing risicobronnen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. Uit de inventarisatie van de risicobronnen blijkt dat het plangebied niet ligt in een invloedsgebied van een risicobron. De verantwoordingsplicht is hierdoor niet van toepassing De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.
Advies Veiligheidsregio: In overleg met de regionale brandweer is besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter van relevante transportroutes (wegen of spoorwegen) geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld. Tevens is in het kader van de verantwoording van het GR niet meer nodig is om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer (Veiligheidsregio). Deze afspraak is tevens opgenomen in de gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. Een advies van de Veiligheidsregio is derhalve niet gevraagd en betrokken.
Conclusies en restrisico Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een risicobron externe veiligheid. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico. 34
5.7
Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.
Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 ìg/m3. Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Uitgaande van een verkeersaantrekkende werking van 224 motorvoertuigwegingen per etmaal (zie subparagraaf verkeersgeneratie), toont de NIBM-tool aan dat dit verkeer niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan.
Figuur 12: Uitsnede NIBM-rekentool versie 06-04-2021 (bron www.infomil.nl)
Woon- en leefklimaat Verder blijkt uit de landelijke Monitoringstool dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied voor beide stoffen onder de 35 µg/m3 liggen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m3 voor beide stoffen). Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. 35
Gelet op de achtergrondconcentraties luchtkwaliteit ter plaatse, is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat m.b.t. luchtkwaliteit. Geconcludeerd wordt dat de luchtkwaliteit geen knelpunt vormt voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling.
5.8
Bodem
Algemeen Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. In gebieden waar de bodemkwaliteit niet geschikt is voor het gebruik, zullen maatregelen getroffen worden om de bodemkwaliteit geschikt te maken, zoals het saneren van de bodem, of het opleggen van gebruiksbeperkingen.
Bodemsituatie In 2017 is de locatie onderzocht (Rapport “Verkennend onderzoek Prins Bernhardplein 17, Nuland”, M&A Bodem & Asbest BV, kenmerk 217-NPB17-vo-v1, d.d. 27 juli 2017) ten behoeve van een grondtransactie. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat er geen verontreinigingen zijn waargenomen. Op basis van het vooronderzoek is uitgegaan van een onderzoeksstrategie voor een (niet lijnvormige) onverdachte locatie volgens de NEN5740 en de onderzoeksstrategie voor verdachte locatie ter plaatse van een (voormalige) ondergrondse brandstoftank. Deze strategieën zijn terecht gesteld op basis van de beschikbare voorinformatie. Het onderzoek is uitgevoerd in juli 2017. Op basis van het lokale bodembeleid (Nota bodembeheer 2019-2024 regio Brabant Noord) is het onderzoeksrapport 5 jaar geldig en hiermee dus nog actueel. Op basis van het verkennend bodemonderzoek wordt de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Met inachtneming van onderstaande voorwaarde zijn er met betrekking tot het thema 'bodem' geen belemmeringen voor de beoogde herontwikkeling. Voorwaarde Het bodemonderzoek is uitgevoerd op de onbebouwde terreindelen. Op basis van het gemeentelijke bodembeleid dient de toplaag (0,5 m-mv) na sloop van de huidige bebouwing ter plaatse van de voormalige bebouwingscontour alsnog onderzocht te worden.
Indien in het voormalige gebouw sprake is geweest van asbesthoudende materialen dient de toplaag hierbij tevens te worden onderzocht op asbest.
Conclusie Bodem is geen belemmering voor het initiatief.
5.9 36
Geur
Industriële geur Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij 'het voorkómen van nieuwe geurhinder' (nieuwe geurgehinderden) voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. In de directe omgeving van de locatie zijn geen geurproducerende industriële bedrijven gelegen die invloed hebben op de te ervaren geurhinder ter plaatse. Tevens zal de beoogde ontwikkeling zelf niet leiden tot geurhinder in de omgeving. Industriële geurhinder is geen belemmering. Agrarische geur Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Geur kan in de leefomgeving in meer of minder mate hinder veroorzaken en kan om die reden ook gezondheidsrisico's met zich meebrengen. De geuremissie verspreidt zich via de lucht en op de woon- en leefomgeving wordt een geurbelasting veroorzaakt.
Er dient een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig te zijn, maar tevens dienen omliggende bedrijven (veehouderijen) niet in hun bedrijfsontwikkeling(en) worden belemmerd. Gezien de ligging van de locatie in stedelijk gebied en de grote afstand tot agrarische bedrijven is agrarische geur niet relevant voor deze beoogde ontwikkeling. Agrarische geur is geen belemmering. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 (volksgezondheidonderzoek) is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. In het kader van de omgekeerde werking (gevoelige functies rond geitenhouderijen) is onderzocht of er zich binnen 2 km van het plan bedrijven met geiten bevinden. Het plangebied ligt ruim buiten deze afstand van 2 km. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van geitenhouderijen. Endotoxine Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico voor wat betreft endotoxine.
5.10
Hoogspanningslijnen
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.
De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005, en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. Voor onderhavig plan houdt het in dat de gevoelige functies buiten de magneetveldzones liggen. Er is geen sprake van een belemmering.
37
5.11
Water
In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting van dit bestemmingsplan.
Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige én meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ruimte maken voor water. In de Visie Groen en Klimaatbestendig staat dat we in 's-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen. Zowel de visie als de Verordening zijn in maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. In de Keur (2018) staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast is met de komst van de Waterwet het waterschap bevoegd gezag geworden voor de regulering van grondwateronttrekkingen en infiltraties. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:
Voorkom vervuiling van (regen)water; Houdt vuil water en schoon hemelwater gescheiden; Verwerk schoon hemelwater volgens de voorkeursvolgorde: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Vertraagde afvoer; Ontwikkel hydrologisch neutraal, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied (denk aan grondwaterstand, waterpeil en afvoer). Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties; Houdt rekening met waterschapsbelangen. Bijv. ruimteclaims voor waterberging of een EVZ (ecologische verbindingszone), de aanwezigheid van keringen of watergangen, en dergelijke; Ontwikkel wateroverlast vrij: schade door extreme neerslag moet worden voorkomen; Meervoudig ruimtegebruik: combineer waar mogelijk gebruiksfuncties. Bijv. een infiltratiezone kan bovengronds worden ingericht als groenzone of speelterrein; Water biedt een kans om meerwaarde te geven aan een plan door gebruik te maken van de belevingswaarde van het water.
Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan.
Huidige situatie Het perceel ligt in het grondwaterbeschermingszone van de drinkwaterwinning Nuland. Hiervoor is de provincie bevoegd gezag. Er zijn geen waterlopen op of vlakbij het perceel aanwezig. Het perceel is deels bebouwd. Afstromende hemelwater wordt van de daken afgevoerd naar het gemengde rioolstelsel in de wijk. Hemelwater wat valt op de onverharde terreindelen infiltreert ter plekke en zal bij een stevige bui afstromen naar de straat en via de kolken naar het gemengde rioolstelsel. Afvalwater wordt via het gemende rioolstelsel afgevoerd. Het maaiveld ligt op circa 5,25 m + NAP.
38
Toekomstige situatie en waterbergingsopgave In het plan wordt de bestaande bebouwing gesloopt en komt er nieuwbouw voor in de plaats. Tevens wordt het terrein opnieuw ingericht. Een groot deel ervan is verhard ten behoeve van parkeren. De grootte van het plangebied bedraagt 1.905 m2. Het gedeelte wat verhard is ten behoeve van de bebouwing, wegen, parkeerplaatsen en trottoirs bedraagt in totaal 1.630 m2, verdeeld over: 780 m2 dakoppervlakte en 850 m2 terreinverharding. Een klein deel van het dak, 45 m2, wordt uitgevoerd met sedumdak. Conform de Verordening van de Gemeente 's-Hertogenbosch afdeling 4.3 en de Keur van Waterschap Aa en Maas bedraagt de norm voor hemelwaterberging 60 mm. De waterbergingsopgave voor dit plan bedraagt:
Oppervlakte groen Dakoppervlakte Terreinverharding inrit/wegen Terreinverharding parkeren De totale hemelwateropgave bedraagt:
275 m2 780 m2 285 m2 565 m2
x x x x
0,0 = 0,06 m = 0,06 m = 0,06 m =
0 46,8 m3 17,1 m3 33,9 m3 97,8 m3
Ontwerp nieuw watersysteem Schoon hemelwater wordt zoveel mogelijk binnen het plangebied vastgehouden. Gezien de ligging in het grondwaterbeschermingsgebied gelden vanuit de provinciale Omgevingsverordening regels voor de infiltratie van hemelwater ter bescherming van het grondwater. Hemelwater Het afstromend hemelwater van het dak en van een deel van de terreinverharding (het deel voor inritten en wegen) wordt beschouwd als schoon water. Dit wordt geïnfiltreerd binnen het plangebied middels ondergrondse infiltratie door toepassing van infiltratiekratten. De kratten worden deels onder de rijstrook en deels onder de parkeerplaatsen aangebracht; de kratten zijn voorzien van een bladscheider en zandvang. Via molgoten, straatkolken en een hwa-ringleiding wordt het water naar de kratten afgevoerd. De kratten moeten conform de gemeentelijke Verordening Bomen, water en groen een minimale capaciteit hebben van 64 m3 (46,8 + 17,1). Vanwege de verhoogde kans op verontreiniging wordt het afstromend hemelwater van de parkeervakken apart ingezameld en naar het gemengde riool afgevoerd. Het afstromend regenwater van het kleine groene dakje voert af op de groenstrook ernaast.
39
Figuur 13: Bebouwing, verharding en groen in plangebied
De infiltratiekratten moeten worden aangelegd boven de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand. De verwachting is dat gezien de hoogte van de locatie en op basis van de Kwel/Infiltratiekaart uit de bodematlas provincie Brabant dit hier geen probleem zal zijn. Voor extreme situaties (meer dan 60 mm neerslag) zal een overstort naar het gemeentelijk riool worden gerealiseerd om lokale wateroverlast en schade te voorkomen. Op het inrichtingsplan (zie bijlage 11) zijn deze voorzieningen weergegeven en ingetekend.
Afvalwater en riolering Het afvalwater wordt afgevoerd naar het gemengd riool. Vanuit de infiltratiekratten wordt een overstort gerealiseerd naar het gemengde riool in de Dorpstraat en de Zandstraat voor de afvoer van overtollig hemelwater als het krattenveld vol staat. Daarbij dient een terugloopvoorziening te worden toegepast zoals een overstortklep, om verontreiniging van de voorziening te voorkomen.
Grondwater en maaiveldhoogte De gemiddelde maaiveldhoogte wordt circa 5,40 m +NAP. Wijziging van de grondwaterstand wordt niet verwacht.
Waterkwaliteit Ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater in het grondwaterbeschermingsgebied is het verboden om uitlogende bouwmaterialen toe te passen. In dit plan zijn de zinken regenpijpen daarom voorzien van een ENKE-coating.
Beheer en onderhoud De VVE wordt eigenaar van de voorzieningen. Voor het goed functioneren van de infiltratievoorzieningen is het van belang dat deze regelmatig worden geïnspecteerd en dat daarbij de bladscheider en zandvang worden geleegd.
Conclusie In deze waterparagraaf is de waterbergingsopgave van het plangebied Prins Bernhardplein 17 te Nuland bepaald en ingevuld met een passende inrichting voor het verwerken van hemelwater. Eventueel benodigde vergunningen en meldingen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen 40
via daarvoor bedoelde procedures moeten worden afgehandeld.
5.12
Duurzaamheid
We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vastgelegd in de 'visie duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019).
Met de vastgestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's: 1. Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging) Inwoners van 's-Hertogenbosch wonen in een aantrekkelijke, leefbare en groene gemeente met schone lucht. De gemeente biedt een veilige plek voor haar inwoners, ongeacht veranderingen in het klimaat met extreme regenbuien en hete zomers. Door het veilige watersysteem houdt de gemeente droge voeten en is zij bestand tegen droogte. Natuur is overal aanwezig en draagt bij aan een gezonde leefomgeving met een hoge mate van biodiversiteit. 2. CO2 neutrale omgeving (energie) 's-Hertogenbosch gebruikt in 2050 alleen nog maar duurzaam opgewekte energie. De daken in de gemeente zijn grotendeels gevuld met zonnepanelen. Huizen en bedrijfspanden zijn goed geïsoleerd en er wordt nog beter gebruik gemaakt van restwarmte. De inwoners van 's-Hertogenbosch verplaatsen zich op een schone wijze: met de fiets, het openbaar vervoer of met duurzame auto's. 3. Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) In 2050 gaan de inwoners van de gemeente bewust om met hun spullen. Bedrijven ontwikkelen producten en gebruiken grondstoffen die hernieuwbaar, biologisch afbreekbaar of herbruikbaar zijn. 4. Duurzame mobiliteit 's-Hertogenbosch ontwikkelt zich tot een gemeente vol met slimme, schone en duurzame mobiliteit.
Met een autoluwe binnenstad en een toename van elektrisch verkeer is de lucht schoner geworden.
Energie Op dit moment werken we intensief aan het verduurzamen van onze gemeente 's-Hertogenbosch. Hierbij is 'energie' een belangrijk speerpunt binnen onze gemeente. Enerzijds door het realiseren van duurzame energievormen (zoals windturbines, zonnepanelen, warmtepompen) en anderzijds door het energiezuinig (neutraal) laten bouwen. Ook oplossingen voor waterbeheer dragen bij aan de ontwikkeling van een duurzame (toekomstbestendige) gemeente. De gemeente heeft doelen gesteld waaraan wordt gewerkt om te komen tot een klimaat neutrale gemeentelijke organisatie in 2020, een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2035 en 's-Hertogenbosch volledig klimaatneutraal in 2050. Deze ambities zijn fors te noemen, waarbij 'alles uit de kast' moet worden gehaald. Deze doelstelling betekent dat niet alleen de gemeente veel doet, maar ook de Bossche bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen, woningcorporaties zullen hierin moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken. De gemeentelijke energie-ambitie en -doelstellingen zijn vastgelegd in het “Energie-transitieprogramma 's-Hertogenbosch 2016-2020”, vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2017.
Ook het recente bestuursakkoord (2018-2022) stelt dat we als gemeente een serieuze bijdrage leveren om de klimaatverandering tegen te gaan, bijvoorbeeld via het opwekken van duurzame energie en het energiezuinig laten bouwen in onze gemeente.
Woningen 41
Vanaf 1 juli 2018 mogen nieuwe woningen en andere nieuwe kleinverbruikers niet meer op aardgas worden aangesloten. Vanaf 1 januari 2021 moet nieuwbouw aan zogenaamde 'BENG-eisen' voldoen. BENG staat voor “Bijna Energie Neutraal Gebouw”.
Klimaatverandering Het klimaat verandert. In Nederland krijgen we volgens de meest recente KNMI-modellen in de toekomst te maken met meer extreme weersomstandigheden zoals langere droge periodes, heftigere buien (met mogelijk meer onweer, neerslag, hagel en wind) en gemiddeld zal de temperatuur stijgen. Door hierop tijdig te anticiperen en aanpassingen door te voeren aan de fysieke leefomgeving van de stad en adaptief gedrag van haar inwoners te ondersteunen, blijft de stad van de toekomst veilig en leefbaar. Om hittestress te voorkomen als gevolg van veel verstening en asfalt liggen bij (her) ontwikkelingen kansen voor een klimaatadaptieve inrichting. Vooral het aanleggen van groen en aanplanten van bomen zorgt voor verkoeling. Voor bomen is het belangrijk dat ze voldoende ondergrondse groeiruimte krijgen en altijd van voldoende water zijn voorzien. Bomen De bomen in het plangebied zijn in kaart gebracht. In bijlage 5 is een inventarisatie van de aanwezige bomen opgenomen. Er zijn 16 bomen aanwezig in het plangebied. Onderstaande kaart geeft de locatie weer van de aanwezige bomen in het plangebied.
Figuur 14: overzichtskaart aanwezige bomen huidige situatie Op basis van de plannen is het niet mogelijk om de bomen te behouden. Dit komt deels doordat er ruimte moet zijn voor de sloop van de huidige bebouwing en deels omdat de positie van de nieuwe bebouwing en de benodigde parkeerruimte op het achterterrein het behoud van de bomen niet mogelijk maakt. De bomen worden gecompenseerd in het plangebied in de vorm van nieuwe aanplant. Uit de inventarisatie blijkt dat voor 4 bomen een kapvergunning benodigd is. 42
In het terreinplan is opgenomen dat er in totaal 34 bomen nieuw aangeplant worden in het plangebied. Het gaat hier om 28 leibomen welke op het achterterrein worden geplaatst. Daarnaast worden en nog 6 andere bomen aangeplant op het achterterrein en voorterrein. De precieze locatie van de bomen, de soort en aanplantmaat zijn opgenomen in het terreininrichtingsplan (zie bijlage 11). Water Voor water gelden regels voor het lozen van grondwater en hemelwater. Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen door extreme neerslag toe, maar ook de kans op langdurige periodes van droogte. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het onder meer van belang dat voldoende waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd. Daarom is in de verordening onder meer de verplichting opgenomen om hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarbij een hemelwatervoorziening met een bepaalde capaciteit moet worden gerealiseerd. Dit onderdeel is uitgewerkt in de waterparagraaf in paragraaf 5.11.
Ontwikkelingen in plangebied Om een duurzame ontwikkeling en inrichting te verkrijgen is opgesteld een memo 'Duurzaams- en energievisie ontwikkeling Prins Bernardweg 17', met referentienummer DEO/MW/2021-1105 en gedateerd 11 november 2021, zie bijlage 6. Uit de visie blijkt dat wordt ingezet op onderstaande aspecten: Het plangebied wordt groen en klimaatvriendelijk ingericht, onder andere door het realiseren van bomen en een diversiteit in borderbeplanting, leibomen, drachtplanten, insectenhotels, nestkasten, sedumdak op de fietsstalling, groene gevelbekleding van de binnengevels van de fietsenstalling, het opvangen van hemelwater in een ondergronds infiltratiesysteem, toepassen van energiezuinige LED-verlichting, installeren van een warmtepomp met buitenunits in combinatie met WTW-ventilatie, het extra isoleren van de gevel, dak en vloer (warmteweerstand vergroten), toepassen van zonwering in de vorm van screens, duurzame energieopwek door het plaatsen van PV-panelen op het dak, is er aandacht aan het waardebehoud van grondstoffen, er wordt een laadpaal geplaatst voor auto's en voor fietsen. Het gebouw voldoet aan de BENG-eisen en TO-juli. Voor een klimaatadaptieve inrichting is de ontwikkeling getoetst aan de groennorm zoals opgenomen in de Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021 van de gemeente 's-Hertogenbosch.
De groennorm bestaat uit een kwantitatieve en kwalitatieve score. Kwantitatief is de verhouding oppervlakte groen t.o.v. het plangebied en de kwaliteit is gericht op de biodiversiteit en natuurinclusief bouwen. In bijlage 7 zijn de scores van de kwantitatieve en kwalitatieve groennorm weergegeven. De toe te passen maatregelen en voorzieningen moeten worden gelezen in combinatie met het terreinplan, zie bijlage 11. Uit de beoordeling blijkt dat voldaan wordt aan de groennorm. Hiermee wordt op een correcte manier invulling gegeven aan een groene, gezonde en klimaatadaptieve ontwikkeling.
5.13
Milieueffectrapportage
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist. ad a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2): 43
Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Het planvoornemen betreft de realisatie van een woon- en werkcomplex met 14 woningen. De planlocatie betreft circa 1.860 m². Het planvoornemen voldoet daardoor niet aan de criteria voor een m.e.r. plicht. Aangezien de activiteit is genoemd in het Besluit mer en het plan een besluit betreft wat genoemd is in kolom 4 (besluiten) van de D-lijst, is op grond van jurisprudentie een vormvrije mer-beoordeling nodig. Afgewogen moet worden of er sprake is van significante nadelige milieueffecten conform de criteria van het Besluit mer (bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'). De criteria zijn de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Een vormvrije mer-beoordeling, opgesteld door M&A Omgeving BV, kenmerk 221-NPB-mer, d.d. 24 mei 2021, is voor deze planontwikkeling uitgevoerd, zie bijlage 1. Er is afdoende aangetoond dat er geen mer-procedure noodzakelijk is. ad b. Het plangebied ligt in stedelijk gebied en op circa 10 km van Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek.
De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen significant negatief effect hebben op het Natura 2000-gebied. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot en de externe factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura2000-gebied zijn te verwachten, zie ook paragraaf gebiedsbescherming Natura 2000-gebied. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde. Conclusie Er is geen sprake van een Mer-plicht. Uit de uitgevoerde milieuonderzoeken en afweging conform de criteria van het Besluit mer blijkt dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu aanwezig zijn.
5.14
Ecologie
Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dieren plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
44
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden.
Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Onderzoek Door M&A Omgeving BV is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (bijlage 9). Doel van het uitvoeren van de quickscan is te vermijden dat soorten versoord of vernietigd kunnen worden bij de uitvoering van nieuwe ontwikkelingen. Er is een bureauonderzoek uitgevoerd en daarnaast zijn er verschillende verlonderzoeken uitgevoerd. In het literatuuronderzoek is aangetoond dat het mogelijk is dat in het gebied beschermde flora en fauna (voornamelijk vleermuizen, broed- en wintervogels) voor kunnen komen. In de nabijheid van het perceel zijn tijdens de veldbezoeken in november 2019 en augustus 2020 geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten. Uit nadere onderzoeken op 22 juni 2021 en 8 en 9 oktober 2021 naar de aanwezigheid van Huismussen en Gierzwaluwen in het pand en de tuin kan worden gesteld dat deze uitgesloten kunnen worden.
Door de sloop van de bebouwing op het perceel verdwijnen er geen verblijfsof broedmogelijkheden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden. Met deze quickscan is aangetoond dat er op voorhand geen sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming. 45
Gebiedsbescherming Natura 2000 (stikstof) Het Natura 2000-gebied dat het dichtste bij het plangebied ligt is Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek. Dit gebied ligt op een afstand van circa 10 kilometer van het plangebied. Door menselijke invloeden in het tussenliggende gebied als gevolg van de aanwezigheid van stedelijk gebied en grote wegen zijn negatieve effecten door geluidsverstoring of visuele verstoring als gevolg van de ingreep op Natura 2000-gebieden uitgesloten. De ingreep draagt niet bij aan verdroging, maar mogelijk wel aan stikstofdepositie. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 2.4, lid 1. Voor de ingreep moet daarom een Aeriusberekening worden uitgevoerd. Adviesbureau Van Dun & Van Gerwen heeft een notitie stikstofberekening opgesteld (kenmerk: 919089.004 en gedateerd 23 maart 2021), zie bijlage 10. Dit is voor de gebruikersfase. Met behulp van Aerius Calculator, zie bijlage 10, is de stikstdepositie (NOX) van de beoogde ontwikkelingen berekend. Uit de Aeriusberekening,blijkt dat de beoogde ontwikkelingen geen invloed hebben op de Natura 2000-gebieden. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de ontwikkelingen op de planlocatie geen significante negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er is geen vergunning in het kader van de wet natuurbescherming nodig.
5.15
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.
Onderzoek Op 2 april 2021 heeft RAAP een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Prins Bernhardplein 17 te Nuland in de gemeente 's-Hertogenbosch. Resultaten Op basis van het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied hoog en droog is gelegen in een zone met dekzandwelvingen, waar hoge zwarte enkeerdgronden (esdek) voorkomen. Vanwege deze gunstige ligging, is er een hoge archeologische verwachting voor nederzettingen (en bijhorende begravingen ) van landbouwers uit de periode neolithicum t/m volle middeleeuwen. Aangezien het plangebied net buiten de historische kern van Nuland ligt, en een historisch gebruik als bouwland in het begin van de 19e eeuw (Minuutplan), worden bewoningsresten uit de late middeleeuwen t/m midden nieuwe tijd niet verwacht. Wel kunnen sporen van landinrichting (greppels) en zandwinning aanwezig zijn (zoals ook is gebleken bij archeologische onderzoek in de buurt). In de loop van de tweede helft van de 19e eeuw verschijnt in het noordoosten van het plangebied (en daarbuiten) een boerderij die in de jaren ’60 van de 20e eeuw wordt gesloopt voor de bouw van de huidige bebouwing. Resten/verstoringen van deze laat-nieuwetijdse bebouwing, kunnen in het plangebied plaatselijk nog aanwezig zijn.
46
Tijdens het booronderzoek werd de ligging op dekzandwelvingen en het voorkomen van een esdek bevestigd. Het humeuze esdek is maar liefst 0,9 tot 1,15 m dik (met een dunnere uitschieter ter plaatse van boring 5 van 0,75 m). Hieronder bevindt zich direct de geelbruine C-horizont (dekzand), het voor archeologie relevante niveau. Recente verstoringen werden niet vastgesteld.
Conclusie Op basis van het onderzoek blijkt dat in het plangebied nog archeologische resten kunnen voorkomen. Aangezien de toekomstige verstoring van de nieuwbouw (0,8 m –Mv) niet dieper reikt dan de dikte van het esdek (doorgaans 0,9 en 1,15 m dik, en een enkele keer 0,75 m diep), wordt het archeologisch vlak (nagenoeg) niet bedreigd door de voorgenomen bodemingrepen. Indien niet dieper dan 0,8 m –Mv wordt verstoord, wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. In dit geval wordt de dubbelbestemming behouden. Indien wel dieper dan 0,8 m –Mv wordt verstoord, dan wordt een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek aanbevolen, na het slopen van de huidige bebouwing en alvorens de uitvoering van de nieuwbouw. Voor het uitvoeren van een archeologisch proefsleuvenonderzoek dient er een PVE (Programma van Eisen) opgesteld te worden. Dit PVE moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.
47
48
Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen. Bestemming Centrum Binnen de 'Centrum' zijn de centrumfuncties mogeljik zoals detailhandel en aan detailhandel gerelateerde diensten, dienstverlening, maatschappelijke voorzieingen en sport en sportvoorzieningen. Deze functies zijn uitsluitend toegestaan op de begane grond. Binnen de bestemming is er flexibiliteit om te veranderen van gebruik. Het gedeelte wat in het bestemmingsplan Kom Nuland de bestemming 'Centrum' heeft, heeft in dit bestemmingsplan ook de bestemming 'Centrum' gekregen. Wonen is mogelijk gemaakt in de vorm van woningen op de verdieping. Het maximum aantal wooneenheden is aangegeven op de verbeelding.
Bestemming Maatschappelijk Het gedeelte waar de huisarts zich vestigt heeft de bestemming 'Maatschappelijk' in het bestemmingsplan. Op de begane grond zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Het gaat om educatieve, sociaalmedische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorziening. Op de verdieping zijn woningen toegestaan. Het maximum aantal wooneenheden is aangegeven op de verbeelding.
Dubbelbestemmingen - Waarde - Archeologie 1 en Waarde - Archeologie 2 Het bestemmingsplan heeft, conform bestemmingsplan Kom Nuland, een regeling opgenomen ter bescherming van de te verwachten archeologische waarden in drie verschillende dubbelbestemmingen. De regeling is gedifferentieerd per archeologische verwachtingszone. Waar de verwachtingswaarde hoger is, worden strengere eisen gesteld aan het uitvoeren van werkzaamheden onder maaiveld. Er zijn twee dubbelbestemmingen opgenomen waarbij een verschillende oppervlaktemaat en/of diepte geldt.
Dubbelbestemming
Minimale oppervlakte
Minimale diepte
Waarde - Archeologie 1
25 m²
0,5 meter
Waarde - Archeologie 2
50 m²
0,5 meter
Gebiedsaanduiding Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied De 25- en 100-jaarszone rond het waterwingebied Nuland zijn aangegeven op de plankaart met de aanduiding milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied. Dit betreft een gebiedsaanduiding die is verwoord in de algemene aanduidingsregels. In het bestemmingsplan is een aanlegvergunningenstelsel opgenomen in de algemene aanduidingsregels waarmee ingerepen in de bodem, die tot aantasting van de grondwaterkwaliteit zouden kunnen leiden, vergunningplichtig worden gesteld.
49
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.
7.1
Exploitatie
Het bouwvoornemen dient ingevolge artikel 6.2.1 Bro lid a te worden beschouwd als een bouwplan in het kader van artikel 6.12 lid 1 Wro. Ingevolge dit artikel dient de gemeenteraad voor het voornemen een exploitatieplan vast te stellen. De gemeenteraad kan op grond van artikel 6.12 lid 2 sub a Wro hiervan afwijken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins is verzekerd. De gemeente heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten. Daarin wordt de toerekening van de kosten, verbonden aan het bouwvoornemen, geregeld. Het verhaal van kosten van de grondexploitatie is daarmee anderszins geregeld waardoor er geen grondexploitatieplan nodig is.
7.2
Planschade
Om de economische uitvoerbaarheid te waarborgen, dient inzicht te worden verkregen of in onderhavige situatie sprake is van planschade. Eventuele tegemoetkomingen in de planschade die uit de herziening van het bestemmingsplan voortvloeien, zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Het aspect planschade is in de anterieure overeenkomst meegenomen.
50
51
Hoofdstuk 8 Inspraak en vooroverleg Over het plan wordt, overeenkomstig de gemeentelijke Inspraakverordening, gelegenheid tot inspraak geboden. Ook zal in deze fase het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) met diensten van het Rijk en de Provincie en met betrokken maatschappelijke organisaties plaatsvinden. De resultaten van zowel het vooroverleg als de inspraak worden in dit stuk verwerkt. Omgevingsdialoog Er is tweemaal een omgevingsdialoog georganiseerd om de omwonenden te informeren over het bouwplan en in gesprek te gaan. Op dinsdag 19 november 2019 is een avond georganiseerd en een op 15 juli 2021. De verslagen van beide avonden zijn bijgevoegd in bijlage 13. De plannen zijn gepresenteerd en er was de mogeljikheid om vragen te stellen. Hiervan is gebruik gemaakt door de omwonenden. De reacties zijn overgewegend positief. In overleg met de directe buren zijn afspraken gemaakt over het realiseren van erfafscheidingen en het aanplanten van leibomen. Voor een uitgebreid verslag van de omgevingsdialoog wordt verwezen naar bijlage 13. Vooroverleg Reactie provincie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft op basis van het ingevulde e-formulier gekeken hoe het bestemmingsplan zich verhoudt tot de provinciale belangen die op basis van het provinciaal ruimtelijk beleid relevant zijn.
Het ingevulde formulier geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Het vooroverleg is op basis hiervan afgerond. Reactie waterschap Aa en Maas Het waterschap geeft aan na het bekijken van de planlocatie de conclusie te trekken dat er geen ruimtelijke waterschapsbelangen van toepassing zijn. Er wordt op goede wijze invulling gegeven aan de hemelwaterbergingsopgave in relatie tot de toename van het verhard oppervlak. Er zijn geen opmerkingen op de waterparagraaf.
52
53
Bijlagen
54
55
Bijlage 1 Aanmeldnotitie beoordeling
56
vormvrije
mer-
57
Bijlage 2 Akoestisch industrielawaai
58
onderzoek
59
Bijlage 3 Akoestisch wegverkeerslawaai
60
onderzoek
61
Bijlage 4 Archeologisch onderzoek
62
63
Bijlage 5 Bomeninventarisatie
64
65
Bijlage 6 Duurzaamheids- en energievisie
66
67
Bijlage 7 Kwantitatieve groennorm kwalitatieve biodiversiteitsscore
68
en
69
Bijlage 8 Parkeeronderzoek
70
71
Bijlage 9 Quickscan flora en fauna
72
73
Bijlage 10
74
Stikstofonderzoek
75
Bijlage 11
76
Terreininrichtingsplan
77
Bijlage 12
78
Verkennend bodemonderzoek
79
Bijlage 13
80
Verslag omgevingsdialoog
81
Regels
82
83
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1
Begrippen
1.1 plan het bestemmingsplan Prins Bernhardplein 17 Nuland met identificatienummer NL.IMRO.0796.0002494-1301 van de gemeente 's Hertogenbosch; 1.2 aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijk uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie; 1.3 aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.4 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6 aaneengebouwde woning een woning die deel uitmaakt van een bouwmassa bestaande uit drie of meer woningen, niet zijnde gestapelde woningen; 1.7 ambachtelijk bedrijf het bedrijfsmatig, geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen en het installeren van
goederen die verband houden met het ambacht; 1.8 achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; 1.9 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.10 bebouwingspercentage een op de kaart of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwvlak, bestemmingsvlak of bouwperceel aangeeft, dat maximaal bebouwd mag worden;
84
1.11 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen; 1.12 bedrijfsvloeroppervlakte de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.13 bedrijfswoning/dienstwoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is; 1.14 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.15 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.16 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.17 bijgebouw een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Een bijgebouw kan zijn een aangebouwd bijgebouw in de vorm van een aanbouw of een uitbouw, dan wel een vrijstaand bijgebouw; 1.18 bouwen plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten 1.19 bouwgrens de grens van een bouwvlak;
85
1.20 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijk omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder; doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; 1.21 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.22 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel; 1.23 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.24 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.25 dak iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.26 dakopbouw een gedeelte van een gebouw, gesitueerd op de bovenste bouwlaag van een gebouw, met een oppervlakte van maximaal 60% van de oppervlakte van de bovenste bouwlaag en een afstand van minimaal 1 meter tot de voorgevel; 1.27 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan
niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen; 1.28 detailhandel bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.29 dove gevel een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte; 1.30 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 86
1.31 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.32 geluidgevoelige ruimte geluidsgevoelige ruimte: ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m2; 1.33 geluidswerende voorziening een geluidswerende voorziening met een minimale hoogte van 2,2 meter in de vorm van een halfsteense muur zonder naden en kieren, met een minimale massa van 10 kg/m2; 1.34 geschakelde woning een woning die met een andere woning verbonden is door middel van aan- of bijgebouwen, niet zijnde gestapelde woningen; 1.35 gestapelde woning een woning die geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere woning is gelegen; 1.36 hoekperceel een perceel, gelegen aan een hoek van twee wegen c.q.
het openbaar gebied; 1.37 hoofdgebouw gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.38 horeca horeca van categorie 1: een bedrijf dat is gericht op het bieden van logies en hotels; horeca van categorie 2: het verstrekken van maaltijden voor gebruik ter plaatse (restaurantbedrijf, waaronder ook worden verstaan lunchrooms, eethuizen, bistro's, automaten, broodjeszaken en dergelijke); horeca van categorie 3: een bedrijf dat is gericht op het ter plaatse verstrekken van dranken, waaronder feestzalen; horeca van categorie 4: 1. elke voor het publiek, al dan niet tegen betaling toegankelijke lokaliteit, die in belangrijke mate is ingericht of wordt gebruikt voor het dansen, zoals discotheken en dancings, waarin al dan niet dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt; 2. inrichtingen waarin een speelautomatenhal zoals bedoeld in de wet op de kansspelen wordt uitgeoefend, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie.
1.39 huisvesting in verband met mantelzorg huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning; 1.40 kantoor het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen;
87
1.41 kap de volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw in een gebogen vorm danwel met een dakhelling van ten minste 15° en ten hoogste 75°; 1.42 leisurevoorziening veelal grootschalige en publieksaantrekkende stedelijke voorziening ten behoeve van entertainment, cultuur, recreatie of sport; 1.43 lessenaarsdak een eenzijdige kapconstructie waarbij het hoogste punt over de gehele, of nagenoeg de gehele lengte in één gevel is gelegen; 1.44 maatschappelijke voorzieningen educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorziening; 1.45 mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; 1.46 nok het snijpunt van twee hellende vlakken.
daknok: hoogste punt van een schuin dak; dakvoet: laagste punt van een schuin dak; 1.47 openbaar toegankelijk gebied weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer; 1.48 opgetilde kap een kap waarbij tussen het hoogste punt van de bovenste bouwlaag en de punten waar de kap op het gebouw rust, nog bebouwing in verticale zin aanwezig is; er is slechts sprake van een opgetilde kap als het aantal bouwlagen zoals aangeduid reeds aanwezig is; 1.49 opslag (binnen) opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke; 1.50 productiegebonden detailhandel detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan het productieproces; 1.51 prostitutie het zich tegen vergoeding beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander;
88
1.52
recreatieve voorzieningen
voorziening bedoeld voor recreatief gebruik zoals musea, sportterreinen, speeltuinen, hondenoefenterreinen, dierenparken, openluchttheaters en groepsaccommodaties; 1.53 seksinrichting een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privé-huis of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.54 supermarkt een zelfbedieningszaak in goederen met hoofdzakelijk een grote verscheidenheid aan levens- en genotmiddelen; 1.55 twee-aaneenwoning een woning die onderdeel uitmaakt van een bouwmassa bestaande uit twee woningen, niet zijnde gestapelde woningen; 1.56 verkoopvloeroppervlakte in een detailhandelsvestiging voorkomende hoeveelheid bedrijfsvloeroppervlakte, gemeten in m2 op de vloer van de bedrijfsruimte, ten behoeve van de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen of het verlenen van aanverwante diensten; 1.57 vloeroppervlakte de totale oppervlakte van hoofdgebouwen en aan- en bijgebouwen op de begane grond en de verdieping(en) met inbegrip van beneden peil gelegen bouwdelen; 1.58 voorerfgebied erf dat geen onderdeel is van