1. Bijlage 1 Verordening Maatschappelijke Ondersteuning 's-Hertogenbosch 2022
Tekst van het document
Verordening Maatschappelijke Ondersteuning ’s-Hertogenbosch 2022 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente ‘s-Hertogenbosch 2022 De raad van de gemeente ’s-Hertogenbosch; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 september 2021, 11250327; gelet op de artikelen 2.1.3 tot en met 2.1.7, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; gezien het advies van de Adviesraad Wmo en Jeugdhulp van 18 en 25 juli 2021; gelet op de constructieve samenwerking in de regio Meierij; overwegende dat inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en
opvang; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de wijze waarop en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een inwoner voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt en zo ja, op welke manier het college beoordeelt welke inhoud deze maatwerkvoorziening moet hebben; besluit vast te stellen de gewijzigde Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente 's-Hertogenbosch 2022
Pagina 1 van 28
HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Algemeen gebruikelijke voorziening: Een voorziening kan als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt als die niet speciaal bedoeld is voor personen met een beperking én daadwerkelijk beschikbaar zijn én een passende bijdrage aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie leveren én financieel kunnen worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. b. Algemene voorziening: Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. c. Bijdrage: Bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4 van de wet. d. College: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch. e. Eenheden: Eenheden zijn uren, dagdelen, dagen of etmalen, met andere woorden: het volume. Het persoonsgebonden budget wordt bepaald door het tarief te vermenigvuldigen met de betreffende eenheden per week, maand, kalenderjaar of indicatieperiode. Voor de pakketten beschermd wonen en dagbesteding beschermd wonen zijn het maandeenheden. Het college werkt dit verder uit in de nadere regels. f.
Financiële tegemoetkoming: Een geldbedrag, al dan niet forfaitair of gemaximeerd, bedoeld als bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening. g. Gebruikelijke hulp: Hulp die naar algemeen aanvaarde opvatting in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten, als bedoeld in artikel 1.1.1. van de wet. h. Hoofdverblijf: De woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de inwoner zijn of haar vaste woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres de inwoner in de gemeentelijke basisregistratie personen staat ingeschreven of zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres. i. Ingezetene: Degene die in de basisregistratie personen staat ingeschreven in de gemeente ‘sHertogenbosch dan wel, indien het een inschrijving van een briefadres in de gemeente ‘sHertogenbosch betreft, degene die zijn feitelijke verblijfplaats in de gemeente ‘s-Hertogenbosch heeft. j. Maatwerkvoorziening: De maatwerkvoorziening als omschreven in artikel 1.1.1 van de wet, te verstrekken als voorziening in natura, en/of in de vorm van een persoonsgebonden budget of in de vorm van een financiële tegemoetkoming. k.
Mantelzorg: Hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. l. Melding: Melding als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet. m. Natura-tarief: Het tarief dat van toepassing is voor voorzieningen in natura. n. Onderzoeksplan: Met dit plan wordt de onderzoeksfase afgesloten. In het onderzoeksplan worden de uitkomsten van het onderzoek naar de ondersteuningsvraag en de daarbij horende gemaakte afspraken (o.a. monitoring) vastgelegd. De inwoner dient het onderzoeksplan te ondertekenen. o. Persoonlijk plan: Een plan waarin de inwoner de omstandigheden, als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. p. PGB: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet. q. PGB plan: Een plan waarmee de inwoner een persoonsgebonden budget aanvraagt om zelf zorg in te kopen.
In dit plan maakt de inwoner inzichtelijk welke zorg hij wil inkopen voor het beschikbare budget, het te besteden bedrag per zorgverlener, de gewenste resultaten van deze hulpverlening en indien van toepassing; wie vertegenwoordigt de inwoner voor welke taken. r. Respijtzorg: Een tijdelijke overname van ter ontlasting van een mantelzorger.
Pagina 2 van 28
s.
Voorliggende voorziening: Voorzieningen die vanuit andere regelingen worden gefinancierd, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet Langdurige Zorg (Wlz) of de Participatiewet (Pw), die gezien haar aard en doel geacht wordt voor de klant toereikend en passend te zijn. t. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.
Pagina 3 van 28
HOOFDSTUK 2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag Artikel 2.1 Melding hulpvraag De melding kan schriftelijk, mondeling, telefonisch of per e-mail worden gedaan door of namens de inwoner bij het college.
Artikel 2.2 De aanvraag De aanvraag voor een maatwerkvoorziening moet schriftelijk (per post of digitaal) via een door het college vastgesteld aanvraagformulier of een ondertekend onderzoeksplan plaatsvinden.
Artikel 2.3 Nadere regels Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop wordt beoordeeld of een inwoner voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt.
Artikel 2.4 Medewerkingsverplichting inwoner, huisgenoten en/of vertegenwoordigers 1. Het college is in ieder geval bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening: a. de inwoner en diens huisgenoten en/of vertegenwoordigers op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen. b. de inwoner en diens huisgenoten en/of vertegenwoordigers op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te laten bevragen en/of onderzoeken. 2. De inwoner en diens huisgenoten en/of vertegenwoordigers zijn verplicht medewerking te verlenen aan de oproep als bedoeld in het eerste lid onder a en de bevraging en/of onderzoek als bedoeld in het eerste lid onder b.
Pagina 4 van 28
HOOFDSTUK 3 Te bereiken resultaten Artikel 3.1 De te bereiken resultaten De door het college te verstrekken maatwerkvoorzieningen op het gebied van de zelfredzaamheid en maatschappelijk participatie stellen de inwoner in staat: 1. een huishouden te voeren, waaronder wordt verstaan: a. het beschikken over een schoon en leefbaar huis; b. het beschikken over schone en draagbare kleding; c. maaltijdbereiding; d. regie. 2. de woning normaal te kunnen gebruiken, waaronder wordt verstaan: a. het bereiken van de woning; b. het zich kunnen verplaatsen in en om de woning. 3. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; 4. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan; 5. zelf regie te voeren over het dagelijkse leven, waaronder wordt verstaan: a. het voeren van regie over de zelfzorghandelingen; b. het vermogen heeft tot sociaal functioneren in de dagelijkse leefsituaties, zoals thuis en in relatie met vrienden en familie; c. het vermogen heeft om zelf in het structureren van zijn dag te voorzien; d. zelf besluiten kan nemen en regie voeren. 6. een dag-structuur te hebben, waaronder wordt verstaan: a. het hebben van een zinvolle dagbesteding, gericht op behoud of ontwikkeling van vaardigheden; b. het hebben van een evenwichtig dag- en nachtritme.
Pagina 5 van 28
HOOFDSTUK 4 Beoordeling van de aanspraak Artikel 4.1 Uitgangspunt beoordeling maatwerkvoorziening Bij het beoordelen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening, neemt het college het onderzoeksplan en/of het persoonlijk plan, indien aanwezig, als uitgangspunt.
Artikel 4.2 Criteria voor maatwerkvoorziening 1.
2.
Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover: a. deze langdurig noodzakelijk is om de inwoner in staat te stellen tot zelfredzaamheid en/ of participatie of te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang; b. deze als de goedkoopst passende voorziening aan te merken is. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat: a. indien de inwoner geen ingezetene van de gemeente ‘s-Hertogenbosch is, met uitzondering van intramuraal beschermd wonen en opvang; b. indien de noodzaak tot ondersteuning voor de inwoner redelijkerwijs vermijdbaar is of was; c. indien deze voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met de reeds bestaande beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase; d. voor zover de inwoner een beroep kan doen op een voorliggende voorziening of de voorliggende voorziening de kosten van de maatwerkvoorziening als niet noodzakelijk heeft aangemerkt; e. indien de maatwerkvoorziening voor de persoon van de inwoner algemeen gebruikelijk is; f. indien het mogelijk is om de zorgvraag weg te nemen door inzet van gebruikelijke hulp; g.
voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen, of tenzij de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; h. voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de inwoner voorafgaand aan het moment van aanvragen of het moment van beschikken heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de maatwerkvoorziening noodzakelijk is en als goedkoopst passend aan te merken valt; i. indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat de inwoner of zijn huisgenoten en/of vertegenwoordigers niet of onvoldoende voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3.8 en lid 3 van d wet of artikel 2.4; j. indien de noodzaak tot het treffen van de voorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid en participatie, geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was voor deze verhuizing; k.
er ondersteuning is aangevraagd die zal worden verleend buiten Nederland, tenzij het college na voorafgaande goedkeuring van oordeel is dat het inzetten van ondersteuning buiten de landsgrenzen een bijdrage levert aan het behalen van het beoogde resultaat, die niet in Nederland kan worden behaald.
Artikel 4.3 Criteria wonen 1. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat voor een inwoner die beperkingen ondervindt in het normale gebruik van de woning en/of het zich verplaatsen in en om de woning indien: a. sprake is van een woonvoorziening in woongebouwen die specifiek gericht zijn op mensen met beperkingen en waarvan verwacht mag worden dat: 1. reeds voorzieningen zijn getroffen in de gemeenschappelijke ruimten; of 2. voorzieningen bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen; b. de inwoner niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning waarvoor de maatwerkvoorziening wordt aangevraagd; c. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud; Pagina 6 van 28
d. de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare, meest geschikte woning, tenzij er voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming is verleend door het college; e. de gevraagde voorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud aan de woning; f. de voorziening slechts strekt ter renovatie of ter aanpassing aan de eisen van de tijd; g. het gaat om een woningaanpassing van een hostel/pension, kloosters, (trekkers)woonwagens, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning geldt het primaat van verhuizen.
Artikel 4.4 Criteria vervoer 1.
2.
De ingezetene kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, indien hij beperkingen ondervindt in het lokaal verplaatsen en het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van het openbaar vervoer niet mogelijk is. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening m.b.t. vervoer- of een aanpassing van een vervoersmiddel geldt het primaat van de collectieve voorziening, zoals het collectief vraagafhankelijk vervoer.
Artikel 4.5 Criteria beschermd wonen 1. Beschermd Wonen is bestemd voor: a. volwassenen met psychiatrische problematiek met beperkt psychisch/psychosociaal functioneren en eventueel gecombineerd met beperkt intellectueel functioneren en/of gedragsproblemen die tijdelijk niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. b. volwassenen met een licht verstandelijke beperking met beperkt psychisch/psychosociaal functioneren en/of gedragsproblemen die tijdelijk niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2. Onverminderd de wet en hetgeen elders in deze verordening is bepaald komt een inwoner niet in aanmerking voor beschermd wonen indien a. de inwoner zelfstandig kan wonen, zonder noodzaak voor specifieke ondersteuning die 24/7 beschikbare bescherming en/of begeleiding vereist, of b. de inwoner geen medisch toetsbare psychiatrische diagnose kan overleggen op grond waarvan de noodzaak tot beschermd wonen blijkt, of c. de inwoner wel een aantoonbaar gediagnostiseerde behoefte tot een beschermd verblijf heeft, maar waarbij de medische behandeling (nog) op de voorgrond staat en waarbij de inwoner primair onder behandeling staat voor deze aandoening. 3. Bovengenoemde voorwaarden hebben betrekking op de hierop volgende vormen van beschermd wonen. a. Kenmerkend voor de zorgvorm Beschermd Wonen is de 24-uurs zorg/hulp.
Het betreft wonen in een accommodatie (zelfstandig, geclusterd of binnen een instelling) waarmee een veilige leefomgeving wordt geboden met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en sociaal functioneren, het voorkomen van verwaarlozen of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen. Bestemd voor personen met psychiatrische problematiek met beperkt psychisch /psychosociaal functioneren en eventueel gecombineerd met beperkt intellectueel functioneren en/of gedragsproblemen die (tijdelijk) niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. b. Binnen beschermd wonen worden zes pakketten onderscheiden. Dit zijn: − Intramuraal Beschermd wonen Intensief − Intramuraal Beschermd wonen basis − Kleinschalig Thuis intensief − Kleinschalig Thuis basis − Zelfstandig Thuis intensief − Zelfstandig Thuis basis
Pagina 7 van 28
Deze pakketten kunnen aangevuld worden met één van de drie bestaande modules Dagbesteding Beschermd wonen. Dit zijn: − 1 t/m 3 dagdelen − 4 t/m 6 dagdelen − 7 t/m 9 dagdelen c. Het college stelt de voorwaarden voor beschermd wonen vast in de beleidsregels. De tarieven beschermd wonen worden door het college vastgesteld in de nadere regels.
Artikel 4.6 Criteria maatschappelijke opvang 1.
2.
3. 4.
Onverminderd de wet en het elders in deze verordening is bepaald kan een inwoner alleen in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang indien de regio Meierij en Bommelerwaard de regio is waarbinnen de opvang van de inwoner het meest kansrijk is. Onverminderd de wet en het elders in deze verordening is bepaald kan een inwoner in aanmerking komen voor opvang als hij: a. Feitelijk of residentieel dakloos is en tijdelijk onderdak nodig heeft; en b. beperkt zelfredzaam is waardoor hij zich niet op eigen kracht kan handhaven in de maatschappij; en c. niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid op kunnen heffen. Onder maatschappelijke opvang worden de voorzieningen dag- en nachtopvang, opvang met intensieve zelfstandigheidstraining, jongerenopvang, kleinschalige opvang en woon-werktrajecten verstaan. De centrumgemeente ’s-Hertogenbosch voert deze opvang uit voor de 7 gemeenten Boxtel, Maasdriel, Meierijstad, Sint-Michielsgestel, ’s-Hertogenbosch, Vught en Zaltbommel.
Artikel 4.7 Criteria vrouwenopvang 1.
2.
Onverminderd de wet en het elders in deze verordening is bepaald kan een inwoner in aanmerking komen voor de vrouwenopvang als die: a. slachtoffer is van geweld in huiselijke kring, dan wel slachtoffer is van mensenhandel, en vanwege aspecten van veiligheid de thuissituatie moet verlaten, of indien er sprake is van kindermishandeling en opvang van kind(eren) met de beschermende ouder/verzorger in de opvang noodzakelijk is; en b. 18 jaar of ouder is, al dan niet met kinderen; en c. geen mogelijkheid heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige situatie te creëren, of in alternatieve huisvesting te voorzien. De centrumgemeente ’s-Hertogenbosch voert deze opvang uit voor de 17 gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Landerd, Maasdriel, Meierijstad, Mill en Sint Hubert, Oss, Sint Anthonis, ’s-Hertogenbosch, Sint-Michielsgestel, Uden, Vught en Zaltbommel.
Pagina 8 van 28
HOOFDSTUK 5 Persoonsgebonden budget Artikel 5.1 Criteria PGB Het college weigert de verlening van een PGB indien: a. de inwoner geen volledig ingevuld PGB-plan heeft overgelegd volgens het door het college vastgestelde model; b. de inwoner weigert het PGB-plan desgevraagd met het college te bespreken of verschijnt zonder geldige reden niet op de afspraak om het PGB-plan te bespreken; c. de inwoner, of, indien de inwoner jonger is dan 18 jaar, één van diens ouders of voogden, surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard; d. ten aanzien van de inwoner of, indien de inwoner jonger is dan 18 jaar, ten aanzien van één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; e. de inwoner zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder PGB opgelegde verplichtingen; f. naar het oordeel van het college onvoldoende aannemelijk is dat met het PGB zal worden voorzien in toereikende ondersteuning van goede kwaliteit; g. het ernstige vermoeden bestaat dat de inwoner problemen zal hebben met het omgaan met een PGB; h. deze is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij er toestemming is gegeven door de toegang op basis van behoefte in lijn met de reguliere ondersteuning; i.
de inwoner het beheren van het persoonsgebonden budget overlaat aan de aanbieder die de ondersteuning levert of een persoon die werkzaam is bij of voor deze aanbieder. j. geen aanspraak op een PGB bestaat voor een inwoner die gebruik maakt van intramuraal beschermd wonen, maatschappelijk opvang, vrouwenopvang en/of verslavingszorg.
Artikel 5.2 Onderscheid formele en informele hulp 1.
2.
3. 4. 5.
6.
Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen: a. Personen die werken bij een professionele instelling die ten aanzien van de voor het PGB uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 8.5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over relevante diploma’s die nodig zijn voor de uitoefening van de betreffende taken. b. Personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van het voor het PGB uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 8.5 Handelsregisterwet 2007), en beschikken over relevante diploma’s die nodig zijn voor de uitoefening van de betreffende taken. Bij begeleiding, groepsbegeleiding en kortdurend verblijf wordt binnen formele hulp zoals opgenomen in lid 1 sub a onderscheid gemaakt tussen: a. Reguliere aanbieder: uit de jaarstukken blijkt dat tenminste twee van de volgende drie criteria van toepassing zijn: omzet is hoger dan € 700.000, de balanstotaal is hoger dan € 350.000 en er staan meer dan 10 fte op de loonlijst. b. Micro aanbieder: uit de jaarstukken blijkt dat tenminste twee van de volgende drie criteria van toepassing zijn: omzet is maximaal € 700.000, de balanstotaal is maximaal € 350.000 en er staan maximaal 10 fte op de loonlijst.
Indien de hulp wordt geboden door een andere persoon dan beschreven in lid 1 is er sprake van informele hulp. Indien de hulp wordt geboden door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder is altijd sprake van informele hulp. Informele hulp kan niet worden ingekocht voor groepsbegeleiding, kortdurend verblijf en beschermd wonen en dagbesteding beschermd wonen. Tenzij de hulp beschikt over relevante diploma’s die nodig zijn voor de uitoefening van de betreffende taken. Het college kan nadere regels stellen over het onderscheid tussen formele en informele hulp.
Pagina 9 van 28
Artikel 5.3 Hoogte PGB 1.
2.
3.
4.
5. 6.
De hoogte van een PGB: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner opgesteld plan inzake de besteding van het PGB; b. wordt berekend op basis van een tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het PGB toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende beschikbare maatwerkvoorziening in natura; De hoogte van een Pgb kan door de gemeente aangepast worden door een lager PGB-tarief te hanteren voor het betrekken van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van personen die behoren tot de formele of informele hulp. a. Voor reguliere aanbieders die begeleiding, groepsbegeleiding en/of kortdurend verblijf bieden wordt in het tarief zoals bedoeld in lid 1 sub c van dit artikel de opslag overhead van 30% naar beneden bijgesteld tot 15%. b. Voor micro aanbieders en ZZP’ers die begeleiding, groepsbegeleiding en/of kortdurend verblijf bieden wordt in het tarief zoals bedoeld in lid 1 sub c van dit artikel de opslag overhead van 15% naar beneden bijgesteld tot 10%. c.
Voor reguliere aanbieders die beschermd wonen pakketten bieden wordt in het tarief zoals bedoeld in lid 1 sub c van dit artikel de opslag overhead van 35% naar 20% bijgesteld. d. Voor ZZP’ers uit lid 1b die beschermd wonen bieden is in het tarief zoals bedoeld in lid 1 sub c van dit artikel de opslag overhead verlaagd tot 10% e. De opslag voor risico’s en financiële continuïteit wordt in het tarief zoals bedoeld in lid 1 sub c van dit artikel voor PGB voor begeleiding, groepsbegeleiding kortdurend verblijf en/of beschermd wonen en begeleiding gehalveerd van 2% naar 1%. f. Bij de pakketten beschermd wonen Zelfstandig Thuis is in het tarief zoals bedoeld in lid 1 sub c van dit artikel gerekend met het maximum uurtarief in de Wlz voor het PGB. g. Het tarief voor informele hulp voor begeleiding, groepsbegeleiding, kortdurend verblijf, bedraagt maximaal het Wlz-tarief voor informeel. Het bedrag van het PGB voor hulp bij het huishouden bedraagt maximaal: a. Het tarief als bedoeld in lid 1 sub c van dit artikel, verlaagd naar een overheadpercentage van 10% indien de inwoner een zorgorganisatie inschakelt die formele hulp biedt. b.
Het tarief als bedoeld in lid 1 sub c van dit artikel, verlaagd naar een risicopercentage van 1% indien de inwoner een zorgorganisatie inschakelt die formele hulp biedt.
c.
Het wettelijk minimumloon voor personen van 21 jaar of ouder als de inwoner informele hulp inschakelt.
De hoogte van een PGB voor hulpmiddelen en woningaanpassingen bedraagt maximaal de huur- dan wel aanschafprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening, inclusief onderhoud, reparatie en verzekering, zoals die door het college aan de gecontracteerde aanbieder zou zijn verschuldigd. Het college legt op basis van de systematiek en tariefdifferentiatie genoemd in de leden 1 tot en met 5 in nadere regels de tarieven en de eenheden vast. Het vastgestelde pgb tarief wordt vermenigvuldigd met het aantal eenheden wat in het onderzoeksplan is vastgesteld. Dit is variabel afhankelijk van de zorgvraag.
Artikel 5.4 Verplichtingen De inwoner, aan wie een PGB is verstrekt, maakt met de hulpverlener of aanbieder in een schriftelijke overeenkomst tenminste afspraken over het resultaat van de maatschappelijke ondersteuning, de kwaliteit en de wijze van declareren.
Pagina 10 van 28
Artikel 5.5 Controle en verantwoording Het college onderzoekt uit oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van PGB’s en financiële tegemoetkomingen.
Pagina 11 van 28
HOOFDSTUK 6 Bijdrage in de kosten Artikel 6.1 Maatwerkvoorziening 1. De inwoner is een bijdrage in de vorm van een abonnementstarief verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, niet zijnde intramuraal beschermd wonen of opvang, in natura of PGB. 2. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening, zijnde beschermd wonen of opvang, is conform het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 3. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening is gelijk aan de maximum bijdrage conform het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 4. In afwijking van het tweede lid wordt de bijdrage voor maatwerkvoorzieningen, niet zijnde beschermd wonen of opvang, op nihil gesteld voor inwoners met een bijdrage plichtig inkomen dat lager is dan 110% van het sociaal minimum. 5. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of PGB voor een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner is verschuldigd door de in artikel 2.1.5 van de wet genoemde persoon of personen. 6. De bijdrage voor opvang wordt vastgesteld en geïnd door de instelling waar de inwoner verblijft. 7. Het collectief vraagafhankelijk vervoer (regiotaxi) wordt uitgesloten van een eigen bijdrage op grond van het Abonnementstarief. De inwoner met een Wmo-indicatie voor het collectief vervoer betaalt een ritbijdrage die bestaat uit een opstaptarief van € 0,75 en € 0,75 voor iedere ov-zone waar hij doorheen reist, tot een maximum van 5 zones.
Artikel 6.2 Algemene voorziening Voor een algemene voorziening is geen bijdrage verschuldigd conform het uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
Artikel 6.3 Kostprijs 1.
2.
De kostprijs van een voorziening in natura is maximaal gelijk aan de prijs waarvoor het college de voorziening in natura betrekt van een leverancier/aanbieder, inclusief de reparatie-, verzekerings- en onderhoudskosten; De kostprijs van een PGB is gelijk aan het bedrag van het PGB.
Artikel 6.4 Maatschappelijk Opvang 6.4.1 Eigen bijdrage voltijd maatschappelijke opvangen vrouwenopvang 1. 2.
3. 4.
5.
6.
Het college is bevoegd tot vaststelling, inning en verrekening van de eigen bijdrage van inwoners van de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. Er is een eigen bijdrage verschuldigd indien een persoon van 18 jaar of ouder gebruik maakt van de volgende voorzieningen: a. voltijd vrouwenopvang (waaronder crisisopvang); b. voltijd jongerenopvang; c. voltijd opvang met intensieve zelfstandigheidstraining. De eigen bijdrage is verschuldigd vanaf de tweede dag, voor iedere dag dan wel nacht waarop de inwoner verblijft in de voltijd opvang. De eigen bijdrage wordt bepaald per maand. Voor voltijdopvang maatschappelijke opvang en vrouwenopvang bedraagt de eigen bijdrage het verschil tussen de van toepassing zijnde bijstandsnorm en de norm voor persoonlijke uitgaven, behoudens wat volgens deze verordening op de eigen bijdrage in mindering mag worden gebracht. Indien bij gehuwden een van beide partners gebruik maakt van voltijd maatschappelijke opvang of vrouwenopvang wordt bij het bepalen van de bijstandsnorm de regelgeving in de Participatiewet voor opname in een inrichting gevolgd. Indien de instelling bij voltijd maatschappelijke opvang en vrouwenopvang aan de inwoner geen voeding verstrekt, wordt de eigen bijdrage verminderd met een bedrag voor voeding. Dit bedrag is gelijk aan het normbedrag dat het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) berekent.
Voor inwoners die gebruik maken van voltijd maatschappelijke opvang of vrouwenopvang en tegelijkertijd nog kosten hebben voor een zelfstandige woonruimte, wordt de eigen bijdrage gedurende maximaal 6
Pagina 12 van 28
7.
maanden verminderd met een forfaitair bedrag voor dubbele woonlasten, zijnde 20% van de bijstandsnorm. De hoogte van de eigen bijdrage voor voltijd maatschappelijke opvang en vrouwenopvang wordt jaarlijks op 1 januari opnieuw bepaald op basis van de dan geldende bijstandsnormen, de hoogte van de premie voor ziektekosten (minus de zorgtoeslag) en de norm voor persoonlijke uitgaven. Het college hoeft hier geen nieuw besluit over te nemen, zonder nader besluit worden de bedragen automatisch aangepast op basis van deze verordening.
6.4.2 Inning eigen bijdrage 1. 2.
Het college mandateert de instelling, die voltijd maatschappelijke opvang en vrouwenopvang verzorgt, om de eigen bijdrage bij de inwoner te innen. De instellingen nemen de reële te verwachte opbrengsten aan eigen bijdrage op in de begroting. De instellingen dienen het college minimaal jaarlijks te informeren over de eigen bijdrage die zij innen.
6.4.3 Bijzondere omstandigheden In het geval dat het werkelijk inkomen verminderd met de op basis van deze verordening bepaalde eigen bijdrage, minder bedraagt dan de norm voor persoonlijke uitgaven, wordt de eigen bijdrage zodanig verminderd dat de norm voor persoonlijke uitgaven beschikbaar blijft.
6.4.4 Eigen bijdrage kosten overige opvang voorzieningen 1.
2.
Voor de kleinschalige opvang en woon-werk trajecten is de eigen bijdrage van de inwoner het huurbedrag dat de instelling ten behoeve van de inwoner aan de woningcorporatie is verschuldigd en welk bedrag is vastgelegd in de woonbegeleidingsovereenkomst. Voor de dag- en nachtopvang is geen eigen bijdrage verschuldigd. Het is de instelling toegestaan om een vergoeding te vragen voor verblijf en voeding. Deze vergoeding kan nooit meer bedragen dan de kostprijs en moet direct bij binnenkomst aan de inwoner kenbaar worden gemaakt. De instelling is verplicht het college te informeren over de hoogte van de gevraagde vergoeding.
Pagina 13 van 28
HOOFDSTUK 7 Beëindiging, herziening, intrekking en terugvordering Artikel 7.1 Beëindiging Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een toegekende aanspraak op een maatvoorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen, indien uit onderzoek blijkt dat: a. niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de wet of de verordening; b. de inwoner zich niet houdt aan de verplichtingen van het gebruik, verantwoording en administratie van de voorziening; c. de inwoner is overleden; d. de inwoner geen ingezetene meer is van de gemeente.
Artikel 7.2 Herziening en intrekking 1. Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een besluit tot toekenning van een aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken indien: a. niet is voldaan aan hetgeen is gesteld bij of krachtens de wet of deze verordening; b. de inwoner de maatwerkvoorziening binnen zes maanden na toekenning niet heeft aangewend voor het resultaat waarvoor de maatwerkvoorziening is getroffen; 2. Het college kan een beslissing tot verlening van een PGB intrekken indien blijkt dat de inwoner het PGB binnen zes maanden na toekenning niet heeft ingezet.
Artikel 7.3 Terugvordering Het college kan, onverminderd artikel 2.4.1 van de wet, indien de aanspraak op een voorziening is herzien of ingetrokken: a. het ten onrechte genoten betaalde PGB terugvorderen; b. de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura terugvorderen.
Pagina 14 van 28
HOOFDSTUK 8 Bestrijding misbruik of oneigenlijk gebruik Artikel 8.1 Fraudepreventie Het college informeert de inwoner over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de voorziening.
Artikel 8.2 Onderzoek rechtmatigheid Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening indien er een vermoeden bestaat van fraude, misbruik dan wel oneigenlijk gebruik van de verstrekte of nog te verstrekken voorziening. Het college heeft hiervoor een toezichthouder met bevoegdheden aangesteld.
Artikel 8.3 Weigering maatwerkvoorziening of besteding PGB Het college kan de aanvraag voor een maatwerkvoorziening of PGB weigeren indien de zorg wordt ingekocht bij een aanbieder waarbij eerder fraude is geconstateerd of waarbij twijfels zijn over de integriteit van de aanbieder. In dit geval wordt een verzoek tot beoordeling gevraagd bij de Toezichthouder Wmo, Jeugd en Algemene Subsidieverordening. Hiervan is sprake als de aanbieder: a. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar brengen; b. Veroordeeld is voor strafbare feiten die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar brengen; c. een bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boete opgelegd heeft gekregen; d. bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of een dwangsom; e. in/of zijn directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten; f. zich intimiderend gedraagt of zich anderszins niet professioneel opstelt of als er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn functie; g.
Niet danwel onvoldoende medewerking verleend aan het onderzoek door de gemeente waardoor het recht op de maatwerkvoorziening niet op voldoende wijze kan worden vastgesteld.
Artikel 8.4 Nadere regels Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit hoofdstuk nadere regels stellen.
Pagina 15 van 28
HOOFDSTUK 9 Kwaliteit en inspraak Artikel 9.1 Kwaliteitseisen 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Dat betekent dat de maatwerkvoorziening: a. is afgestemd op de persoonlijke situatie van de inwoner; b. is afgestemd op andere vormen van ondersteuning en zorg; c. wordt geleverd door beroepskrachten die voldoen aan de professionele standaard; d. wordt geleverd door personen die beschikken over de competenties en vaardigheden die nodig zijn om de gevraagde dienstverlening uit te voeren; e. veilig, doeltreffend, doelmatig en inwonergericht wordt gerealiseerd; f. beantwoordt aan de stand van wetenschap en praktijk voor zover dit noodzakelijk / gebruikelijk is in de kring van beroepsgenoten en voortvloeiend uit de professionele standaard; g. voldoet aan alle kwaliteitseisen die voortvloeien uit de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en de aanbieder dit ook controleerbaar maakt voor de gemeente. 2. Het college kan nadere regels vaststellen over welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van de aanbieder, voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.
Artikel 9.2 Prijs-kwaliteitverhouding bij levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs, als bedoeld in het eerste lid, op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e.
gemeentelijke indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college houdt, in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding, bij het leveren van overige voorzieningen door derden in ieder geval rekening met: a. de aard en omvang van de te leveren voorziening; b. de marktprijs van de voorziening, en c. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: 1° aanmeten, levering en plaatsing van de voorziening; 2° instructie over het gebruik van de voorziening; 3° onderhoud van de voorziening; en 4° verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv. sociaal team, wijkteam). Pagina 16 van 28
Artikel 9.3 Regeling voor klachtenafhandeling 1. Het college regelt dat de aanbieder, waar nodig naar het oordeel van het college, een regeling voor klachtenafhandeling heeft. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders.
Artikel 9.4 Regeling voor medezeggenschap 1. Het college regelt dat de aanbieder, waar nodig naar het oordeel van het college, een regeling voor medezeggenschap heeft. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregeling van aanbieders.
Artikel 9.5 Betrekken van inwoners bij het beleid Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval de adviesraad WMO en Jeugdhulp ‘sHertogenbosch, vroegtijdig bij de beleidsvorming, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie van de wet. Dit is bij verordening geregeld in de verordening adviesraad WMO en Jeugdhulp. Dit draagt bij aan de totstandkoming en verbetering van het beleid.
Artikel 9.6 Melding incidenten, calamiteiten en geweld 1. De aanbieder is verplicht om calamiteiten en geweld bij de toezichthoudende ambtenaar te melden (art.3.4 van de wet) en is ook verplicht om incidenten te registreren. 2. De aanbieder moet de onder punt 1 genoemde registratie binnen 48 uur aan de gemeente geven als de gemeente dit vraagt. 3. De aanbieder stuurt tenminste één keer per jaar een overzicht van de meldingen met betrekking tot incidenten, calamiteiten en geweld, op naar de eigen cliëntenraad. 4. Het college kan beleidsregels stellen met betrekking tot de wijze waarop met meldingen van incidenten, calamiteiten en geweld wordt omgegaan.
Pagina 17 van 28
HOOFDSTUK 10 Mantelzorgwaardering Artikel 10.1 Jaarlijkse blijk van waardering mantelzorgers Naast de mogelijkheid tot respijtzorg biedt de gemeente ook de jaarlijkse blijk van waardering mantelzorgers. Het college stelt nadere regels vast, waarin wordt bepaald waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van inwoners in de gemeente bestaat.
Pagina 18 van 28
HOOFDSTUK 11 Slotbepalingen Artikel 11.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 11.2 Indexering Het college kan de in het kader van deze verordening en de op deze verordening berustende Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente ‘s-Hertogenbosch geldende bedragen verhogen of verlagen.
Artikel 11.3 Evaluatie Het door het gemeente gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt het beleid vervolgens aangepast.
Artikel 11.4 Overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente ‘s-Hertogenbosch 2017 wordt ingetrokken met de inwerkingtreding van deze geactualiseerde verordening; 2. Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van een van de in het eerste lid genoemde verordening totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de in het eerste lid genoemde verordening en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld met inachtneming van de bepalingen in deze verordening.
Artikel 11.5 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2022.
Artikel 11.6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening maatschappelijke ondersteuning ‘s-Hertogenbosch 2022”. Aldus vastgesteld in openbare vergadering in de gemeenteraad op 7 september 2021.
Pagina 19 van 28
Toelichting op verordening Inleiding Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke Ondersteuning 2015. Via een verordening vult de gemeenteraad, op basis van het door haar aangepaste beleid, haar kaderstellende rol verder in. In dit beleid is de ondersteuning gericht op de persoon en diens plek in de samenleving, in plaats van uitsluitend gericht op diens aandoening, beperking of indicatie. Hierbij wordt verder gekeken dan naar de zorgvraag van een inwoner, maar meegekeken naar de gehele situatie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een aanvraag voor een hulpmiddel, waarbij een overbelaste mantelzorger of eenzame inwoner achter schuilt. We willen dat zo veel mogelijk inwoners van de stad hun leven zelfstandig kunnen leiden, maar waar nodig met ondersteuning. Waar mogelijk wordt laagdrempelige hulp of een eerstelijnsvoorziening ingezet, waar nodig wordt verwezen naar specialistische ondersteuning. Dit gebeurt op een klantgerichte, resultaatgerichte en efficiënte wijze waardoor de schaarste middelen bij de meest kwetsbare groep inwoners belandt, zoals een sociaal zorgbedrijf.
HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Dit artikel bevat de begripsomschrijvingen van de begrippen die niet in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of de Algemene wet bestuursrecht staan omschreven.
Onder a Algemeen gebruikelijke voorziening Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een voorziening, met name producten, algemeen gebruikelijk als het gaat om een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, zodat de voorziening ook op grote schaal door personen zonder een beperking wordt gebruikt, die gewoon in een normale winkel te koop is en niet speciaal in de revalidatie-vakhandel of soortgelijke winkels en die qua prijs niet (aanzienlijk) duurder is dan een vergelijkbare voorziening. De Centrale Raad heeft aangegeven dat als het gaat om vervanging van een zaak die (nog lang) niet afgeschreven is en als het gaat om een persoon die een inkomen heeft dat door onvermijdbare kosten op grond van de beperkingen onder de bijstandsnorm komt, wellicht een uitzondering op dit principe gemaakt moet worden. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn: een fiets met trapondersteuning, airconditioning, inductie- en keramische kookplaten, douche, thermostatische kranen, verhoogd toilet of toiletbrilverhoger, toilet op begane grond en op slaapverdieping, wasdroger, een-hendel mengkraan. Wel moet altijd in het individuele geval worden bekeken of de voorziening ook voor de inwoner algemeen gebruikelijk is.
Onder f Gebruikelijke hulp Bij het toekennen van een maatwerkvoorziening zal vooraf gekeken worden naar de inzet van gebruikelijke hulp vanuit de directe omgeving van de inwoner. Bij gebruikelijke hulp gaat het om de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waarvan redelijkerwijs geacht wordt deze te bieden aan elkaar. Gebruikelijke hulp is voorliggend aan een maatwerkvoorziening en haalbaarheid en inzet zal per situatie worden afgewogen.
Onder g Hoofdverblijf Waar iemand woonachtig is wordt in eerste instantie bepaald door waar iemand staat ingeschreven in de basisregistratie personen. De zinsnede “dan wel zal staan ingeschreven” verwijst naar situaties waarin sprake is van een aanstaande verhuizing naar een andere woning die nog aangepast moet worden voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken. De inwoner dient een feitelijk woonadres, dat afwijkt van het adres in de basisregistratie personen, aan te tonen.
Pagina 20 van 28
Onder h Ingezetene De gemeente is, voor wat betreft maatwerkvoorzieningen ten behoeve van de zelfredzaamheid en participatie, verantwoordelijk voor de ingezetenen. Dit geldt overigens niet voor intramuraal beschermd wonen en opvang, waarbij de inwoner zich tot iedere gemeente kan wenden. De wet definieert het begrip ‘ ingezetene’ niet. Vandaar dat de definitie in de Verordening is opgenomen. Uitgangspunt is dat sprake is van een ingezetene indien de persoon in de gemeente ‘s-Hertogenbosch staat ingeschreven in de basisregistratie personen. Mocht sprake zijn van een briefadres in de gemeente ‘s-Hertogenbosch dan is de gemeente alleen verantwoordelijk indien deze persoon ook zijn feitelijke verblijfplaats in de gemeente ‘s-Hertogenbosch heeft.
Onder i Maatwerkvoorziening Deze definitie maakt helder dat een maatwerkvoorziening in twee vormen kan worden verstrekt: 1. Als voorziening in natura; het gaat dan meestal om verstrekking in (bruik)leen of in eigendom, en/of als persoonlijke dienstverlening. 2. Als PGB; een PGB is een geldbedrag waarmee de inwoner zelf de gewenste ondersteuning kan betrekken.
Onder m Onderzoeksplan Het onderzoeksplan is het resultaat van het onderzoek dat het college uitvoert naar de hulpvraag van de inwoner. Het plan beschrijft de bijdragen die zowel het college, de hulpvrager als het sociale netwerk gaan leveren om gezamenlijk een oplossing te bieden voor de hulpvraag.
Onder q Respijtzorg Een mantelzorger kan tijdelijke respijtzorg aanvragen ter ontlasting van de mantelzorg. Door af en toe vrij te zijn van mantelzorgtaken kunnen mantelzorgers hun eigen leven beter in balans houden en de zorg voor een ander langer volhouden. Mantelzorgers kunnen zowel via Farent als via de gemeente vormen van mantelzorg aanvragen. Bij de gemeente betreft dit groepsbegeleiding (voorheen dagbesteding), logeeropvang of huishoudelijke hulp.
Onder r Voorliggende voorziening Dit is een voorziening op grond van andere wetgeving, die voorgaat op de wet. Te denken valt hierbij aan onder meer voorzieningen waarop de inwoner aanspraak kan maken op basis van de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg.
HOOFDSTUK 2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag Artikel 2.1 Melding hulpvraag Dit artikel beschrijft wie de melding kan doen en hoe de melding kan worden gedaan. De melding kan door of namens de inwoner worden gedaan. In dit geval moet de inwoner en de vertegenwoordiger een machtigingsformulier hebben ondertekend. Hierin wordt vastgelegd waartoe de inwoner zijn of haar vertegenwoordiger machtigt. In principe kan iedereen namens de inwoner een signaal afgeven dat de inwoner behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning. Echter de melding in de zin van artikel 2.3.2 van de wet (en daarover gaat artikel 2.1) kan alleen worden gedaan door of namens de inwoner. Voor die formele eis is bewust gekozen. Het college moet namelijk binnen zes weken na een melding een uitgebreid onderzoek hebben uitgevoerd
Artikel 2.2 De aanvraag Deze bepaling regelt dat een aanvraag schriftelijk of digitaal kan worden ingediend. De inwoner heeft twee mogelijkheden: het gebruiken van een vastgesteld aanvraagformulier of het ondertekenen van het onderzoeksplan.
Pagina 21 van 28
Artikel 2.3 Nadere regels In dit artikel is aangegeven dat het college nadere regels kan opstellen voor de wijze waarop wordt beoordeeld of de inwoner voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt.
Artikel 2.4 Medewerkingsverplichting inwoner, huisgenoten en/of vertegenwoordigers Dit is een uitwerking van artikel 2.3.8 van de wet. Echter voor het beoordelen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening kan het, bijvoorbeeld in het kader van gebruikelijke hulp, van belang zijn om ook de huisgenoten te kunnen spreken. Daarom is er voor gekozen om ook huisgenoten te kunnen oproepen om hen te bevragen dan wel te onderzoeken. Hetzelfde geldt voor een vertegenwoordiger. Daarom is expliciet opgenomen dat de inwoner, diens huisgenoten en/of vertegenwoordigers medewerking moeten verlenen.
HOOFDSTUK 3 Te bereiken resultaten Dit hoofdstuk bevat een eerste invulling van de te bereiken resultaten op het gebied van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Een nadere invulling van deze resultaten zal plaatsvinden in de beleidsregels.
HOOFDSTUK 4 Beoordeling van de aanspraak Artikel 4.1 Uitgangspunt beoordeling maatwerkvoorziening Op grond van artikel 2.3.2 lid 8 van de wet is het college verplicht de inwoner een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek te verstrekken. Bij het beoordelen van de aanspraak voor een maatwerkvoorziening welke voorzieningen getroffen gaan worden, neemt het college dat onderzoeksplan, indien aanwezig, als uitgangspunt. Een dergelijk onderzoeksverslag kan achterwege blijven indien de situatie duidelijk is en ook welke maatwerkvoorziening aan de orde is. Dat kan zich bijvoorbeeld doen bij de verlenging van een toekenning. Het college kan verder afzien van het verstrekken van de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek indien de inwoner aangeeft geen prijs te stellen op het onderzoeksverslag. Dat kan zich onder andere voordoen als de onderzoeksprocedure ertoe heeft geleid dat de inwoner wegen heeft gevonden om zelf of met hulp van anderen te participeren.
Artikel 4.2 Criteria voor een maatwerkvoorziening Lid 1 Onder b De voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel passend, ook wel adequaat of compenserend genoemd, als de meest goedkope voorziening te zijn. Allereerst moet dus sprake zijn van een passende voorziening. Indien meerdere voorzieningen passend zijn, wordt volstaan met het verstrekken van de goedkoopste van de passende voorzieningen.
Lid 2 Onder a Uit artikel 1.2.1 van de wet volgt dat de inwoner aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening ten behoeve van de zelfredzaamheid of participatie in de gemeente waar hij ingezetene is voor zover het. De wet bevat geen definitie van “ingezetene”. In de verordening is daaraan invulling gegeven door in artikel 1.1 een definitie op te nemen. Het gaat in dit artikel niet om mandaat om deze maatwerkvoorzieningen voor gehele regio in te zetten.
Pagina 22 van 28
Onder d De wet bevat geen bepaling, zoals artikel 2 in de Wmo 2007, die regelt dat een aanspraak op grond van een andere wet voorgaat. Daarom is een dergelijke bepaling in de verordening opgenomen. Ook regelt de verordeningsbepaling, vergelijkbaar aan artikel 15 van de Participatiewet, dat kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt, niet via de wet worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan rollators die niet meer vergoed worden via de basiszorgverzekering. Onder e Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien de maatwerkvoorziening in de situatie van de inwoner algemeen gebruikelijk is. Voor het begrip algemeen gebruikelijk wordt verwezen naar de toelichting op artikel 1.1. Onder h In artikel 2.3.8 van de wet is de medewerkingsplicht van de inwoner opgenomen. En in artikel 2.4 van deze verordening is voor de inwoner , diens huisgenoten en/of vertegenwoordiger een specifieke medewerkingsplicht neergelegd. Verleent de inwoner, de huisgenoot of vertegenwoordiger geen medewerking dan kan de aanspraak op een maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld.
Artikel 4.3 Criteria wonen Dit artikel bevat een aantal weigeringsgronden die verband houden met wonen (het normale gebruik van de woning en/of het zich verplaatsen in en om de woning).
Artikel 4.4 Criteria vervoer Het tweede lid regelt het primaat van het collectief vervoer. Bij de beoordeling of dit primaat kan worden toegepast wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Het primaat van het collectief vervoer is al bekend van onder de WVG en de Wmo.
Artikel 4.5 Criteria beschermd wonen Er zijn twee pakketten Intramuraal Beschermd Wonen waar 24/7 begeleiding aanwezig is, twee pakketten Kleinschalig Thuis met 24/7 bereikbaarheid en beschikbaarheid binnen 2 uur en begeleiding op vaste momenten en twee pakketten Zelfstandig Thuis met 24/7 bereikbaarheid en beschikbaarheid binnen 4 uur en begeleiding op vaste momenten. Bij de Intramurale pakketten woont de cliënt op de locatie van de aanbieder. Bij Kleinschalig Thuis en Zelfstandig Thuis huurt of heeft de cliënt zelf een woonruimte. Binnen de pakketten neemt de gemiddelde intensiteit van de begeleiding steeds verder af. Dit past binnen het principe dat een cliënt toewerkt naar herstel en steeds meer zelfstandig kan participeren in de maatschappij. De verschillende vormen gaan gepaard met verschillende tarieven.
HOOFDSTUK 5 Persoonsgebonden budget Artikel 5.1 Criteria PGB Artikel 2.3.6 lid 2 en 4 van de wet bevatten een aantal (deels facultatieve) criteria om in aanmerking te komen voor een PGB. In aanvulling daarop bevat dit artikel een aantal weigeringsgronden voor een PGB. Deze sluiten deels aan bij de verplichting voor de inwoner om een PGB-plan te overleggen, indien hij in aanmerking wil komen voor een PGB. Voor het overige zijn de weigeringsgronden afgeleid van de Regeling subsidies AWBZ.
Artikel 5.2 Onderscheid formele en informele hulp In lid 5 is bepaald dat budgethouders geen informele hulp kunnen inkopen voor groepsbegeleiding, kortdurend verblijf, de verschillende pakketten van beschermd wonen en dagbesteding bij beschermd wonen. Gelet op de ondersteuningsbehoefte en de benodigde kwaliteit kan hiervoor alleen hulp worden ingekocht van een professionele aanbieder of ZZP’er zoals benoemd in lid 1 (formele hulp). Tenzij de hulp beschikt over relevante diploma’s. Een zoon kan als ZZP’er werken of in loondienst zijn van een professionele organisatie. Als die wordt Pagina 23 van 28
ingekocht door de budgethouder dan ontvangt hij/zij het informele tarief omdat er sprake is (in dit voorbeeld) van bloedverwantschap van eerste graad. Om voor het tarief voor een reguliere aanbieder in aanmerking te komen dient de budgethouder aan te tonen dat de aanbieder aan twee van de drie criteria voldoet.
Artikel 5.3 Hoogte PGB Dit artikel regelt de hoogte van een PGB en de daarbij te hanteren berekeningssystematiek als de budgethouder kiest voor inschakeling van iemand uit het formele (professionele) circuit of en informele (niet professionele) netwerk. Lid 1 berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de Verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een PGB wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het PGB niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Wij hebben dit vormgegeven in lid 2. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het PGB. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door professionele aanbieders of ZZP’ers (formeel circuit) of door hulp uit het informele netwerk (zoals werkstudenten, ZZP’ers zonder diploma’s, personen uit het sociaal netwerk e.d.).
De basis van het PGB is dat de inwoner zelf verantwoordelijk is om de zorg te regelen en afspraken te maken over de aard en organisatie van de ondersteuning. Daarnaast is de administratie en facturatie elders belegd (bij de Sociale Verzekeringsbank, binnenkort bij de gemeente met PGB 2.0). Daarmee vervalt een deel van de organisatiekosten (overhead) die de organisatie bij de hulp in natura wel heeft. De personele overhead en de administratieve lasten zijn lager bij de aanbieder die met het PGB wordt ingekocht. Het continuïteitsrisico ligt bij de budgethouder, deze is zelf verantwoordelijk voor de hulp die hij/zij nodig heeft. Dat maakt dat er een korting wordt toegepast voor de PGB tarieven in relatie tot de tarieven voor hulp in natura. De hoogte van het PGB wordt vastgesteld op basis van het tarief per eenheid vermenigvuldigd met het volume. Dat wordt omgerekend naar een totaal bedrag voor de indicatieperiode en per kalenderjaar doorgegeven aan de Sociale Verzekeringsbank. Hierbij wordt het tarief vastgesteld: per uur voor hulp bij het huishouden en begeleiding per dagdeel voor groepsbegeleiding per dag voor (regulier en rolstoel) vervoer per etmaal voor kortdurend verblijf per maand voor de pakketten beschermd wonen en dagbesteding beschermd wonen.
HOOFDSTUK 6 Bijdrage in de kosten Artikel 6.1 Maatwerkvoorziening Dit artikel regelt dat een inwoner bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening een bijdrage is verschuldigd. Onder de Wmo 2015 is ook een bijdrage voor een woningaanpassing ten behoeve van kinderen jonger dan 18 jaar verschuldigd. De kaders voor de hoogte van de bijdrage zijn vastgelegd in het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, waarbij er drie verschillende systematieken zijn voor: 1. maatwerkvoorzieningen ten behoeve van de zelfredzaamheid en participatie
Pagina 24 van 28
2. 3.
maatwerkvoorziening beschermd wonen maatwerkvoorziening opvang
Bij alle voorzieningen wordt voor de hoogte van de bijdrage de landelijke regeling (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) gevolgd, waarbij wordt uitgegaan van het maximale abonnementstarief. Aanvullend op het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treft de gemeente ’s-Hertogenbosch minimabeleid met het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Dat wil zeggen dat inwoners met een verzamelinkomen tot 110% van het sociaal minimum, wel een eigen bijdrage (fictief) opgelegd krijgen door het Centraal Administratie Kantoor doch deze in opdracht van de gemeente niet wordt geïnd.