1.Bijlage 1 Overzicht aanpassingen Algemene subsidieverordening 's-Hertogenbosch 2021
Tekst van het document
Overzicht aanpassingen Algemene subsidieverordening ’s-Hertogenbosch 2021 In onderstaand overzicht zijn alleen de wijzigingen van de Algemene subsidieverordening ’s-Hertogenbosch verwerkt. De wijzigingen zijn gebaseerd op het Model Algemene subsidieverordening 2013 – gewijzigd model, juni 2019, van de VNG (Ledenbrief 19/047 d.d. 14 juni 2019). Alleen de voor ons relevante bepalingen worden overgenomen. De complete tekst van de Algemene subsidieverordening ’s-Hertogenbosch wordt in een aparte bijlage aan het Raadsvoorstel toegevoegd. Huidige tekst Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Raad: raad van de gemeente ‘sHertogenbosch
b. College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘sHertogenbosch; c. Subsidie: de aanspraak op financiële middelen, door het gemeentebestuur verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan betaling voor aan het gemeentebestuur geleverde goederen of diensten. De gemeente ’sHertogenbosch onderscheidt twee typen subsidies: Eenmalige subsidie: subsidie ten behoeve van eenmalige projecten of activiteiten die niet behoren tot de reguliere bezigheden van de aanvrager en waarvoor het college slechts voor een van tevoren bepaalde tijd van maximaal vier jaar subsidie wil verstrekken. Jaarlijkse subsidie: subsidie die per (boek)jaar of voor een bepaald aantal boekjaren aan een instelling voor een periode van maximaal vier jaar wordt verstrekt.
Nieuw tekstvoorstel Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Raad: raad van de gemeente ’sHertogenbosch; b. College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘sHertogenbosch; c. Eenmalige subsidie: subsidie ten behoeve van eenmalige projecten of activiteiten die niet behoren tot de reguliere bezigheden van de aanvrager en waarvoor het college slechts voor een van tevoren bepaalde tijd van maximaal vier jaar subsidie wil verstrekken. d. Jaarlijkse/meerjarige subsidie: subsidie die per (boek/school)jaar of voor een bepaald aantal boekjaren wordt verstrekt.
Opmerkingen / vragen
Een definitie van het begrip subsidie is al omschreven in artikel 4:21 van de Awb. Daarom wordt de definitie hier geschrapt.
e. Subsidiebeschikking: het besluit waarmee een subsidie wordt verleend, gewijzigd, ingetrokken, geweigerd of vastgesteld; f. Awb: de Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1992, 315, zoals nadien gewijzigd) g. Aanvrager: een (rechts-)persoon die een schriftelijk verzoek indient om subsidie te verkrijgen; h. Boekjaar: het kalenderjaar, tenzij bij wettelijk voorschrift of bij subsidieverlening anders is bepaald. i. Subsidieplafond: het bedrag dat gedurende een boekjaar ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies. j. Jaarverslag: een verslag dan wel een jaarverslag dat inzicht geeft in de aard, duur en omvang van de activiteiten en resultaten en een vergelijking tussen de nagestreefde en gerealiseerde doelstellingen en een toelichting op de verschillen. k. Jaarrekening: een financiële verantwoording van de verrichte activiteiten. Deze financiële verantwoording bestaat uit een balans met toelichting en een exploitatierekening met toelichting. De financiële verantwoording moet voldoen aan het gestelde in het Burgerlijk Wetboek boek 2 Titel 9. l. Social return: het opnemen van sociale voorwaarden bij subsidieverlening zodat de subsidieontvanger een bijdrage levert aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van het bevorderen van werkgelegenheid van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. m. algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr.
651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de
e. Subsidiebeschikking: het besluit waarmee een subsidie wordt verleend, gewijzigd, ingetrokken, geweigerd of vastgesteld; f. Awb: de Algemene wet bestuursrecht g. Aanvrager: een (rechts-)persoon die een schriftelijk verzoek indient om subsidie te verkrijgen. h. Boekjaar: het kalenderjaar, tenzij bij wettelijk voorschrift of bij subsidieverlening anders is bepaald. i. Subsidieplafond: het bedrag dat gedurende een boekjaar ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies. j. Jaarverslag: een verslag dan wel een jaarverslag dat inzicht geeft in de aard, duur en omvang van de activiteiten en resultaten en een vergelijking tussen de nagestreefde en gerealiseerde doelstellingen en een toelichting op de verschillen. k. Jaarrekening: een financiële verantwoording van de verrichte activiteiten. Deze financiële verantwoording bestaat uit een balans met toelichting en een exploitatierekening met toelichting. De financiële verantwoording moet voldoen aan het gestelde in het Burgerlijk Wetboek boek 2 Titel 9. l. Social return: het opnemen van sociale voorwaarden bij subsidieverlening zodat de subsidieontvanger een bijdrage levert aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van het bevorderen van werkgelegenheid van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in de breedst mogelijke zin. m. Algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr.
651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de
n.
o.
p. p. r.
artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 127), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving; de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L352), verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L352/9) en verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving; Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld; onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent; Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. VOG: Verklaring omtrent gedrag.
Artikel 2. Reikwijdte verordening
n.
o.
p. q.
artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 127), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving; de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352), verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 352/9)en verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserijen aquacultuursector (PbEU L 190/45), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving; Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld; onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent; Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU C 326/47).
Artikel 2. Reikwijdte verordening
De definitie m.b.t. VOG komt te vervallen (zie uitleg bij oud artikel 10). De benamingen van de beleidsprogramma’s die in de gemeentelijke begroting zijn opgenomen, wijzigen regelmatig. Daarom worden de namen
1. Op basis van de volgende 1. Het college kan subsidie verstrekken op basis beleidsprogramma’s kan subsidie worden van de beleidsprogramma’s die in de verstrekt: gemeentelijke begroting zijn vermeld. a. Bestuursorganen en- ondersteuning b. Dienstverlening c. Sociale verbanden d. Gezondheid e. Veiligheid f. Leren en opgroeien g. Cultureel klimaat h. Wonen en werkomgeving i. Bereikbare stad j. Sport en recreatie k. Milieu-respecterende ontwikkelingen l. Cultuurhistorische kwaliteit m. Ruimte voor bedrijvigheid n. Werk en inkomen o. Sterke wijken 2. Het college kan nadere regels stellen, waarin de te subsidiëren activiteiten, de doelgroepen en de verdeling van de subsidie per beleidsprogramma, zoals bedoeld in het eerste lid worden omschreven.
Artikel 3. Bevoegdheid college Het college is met inachtneming van wat in deze verordening is bepaald bevoegd tot het verstrekken van subsidie
2. Het college kan ten aanzien van subsidies als bedoeld in artikel 4:23 lid 3 Awb bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is. Artikel 3. Bevoegdheid college Het college is met inachtneming van wat in deze verordening is bepaald bevoegd tot het verstrekken van subsidie Artikel 4 Subsidieregelingen Het college kan nadere regels vaststellen. Daarin worden de te subsidiëren activiteiten, de doelgroepen en de verdeling van de subsidie per
van de beleidsprogramma’s niet (meer) in de ASV opgesomd. In plaats daarvan wordt een algemene verwijzing naar de beleidsprogramma’s in de begroting opgenomen. Daarmee wordt voorkomen dat de ASV (steeds) gewijzigd moet worden als de namen van de beleidsprogramma’s wijzigen.
Het blijkt vaak lastig om in de ASV de bepaling op te zoeken waarin staat dat het college bevoegd is om subsidieregelingen vast te stellen. Daarom wordt het oude lid 2 waarin “nadere regels” worden gesteld, opgenomen in een nieuw artikel 4 Subsidieregelingen. Er wordt een nieuw lid toegevoegd. In deze bepaling wordt aangegeven dat de ASV ook van toepassing kan worden verklaard op eenmalige subsidies.
Artikel 4. Europees steunkader 1. Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen. 2. Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het desbetreffende steunkader. 3. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verlenings-beschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader. 4. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader. 5. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader. Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud 1. De raad kan, jaarlijks bij de vaststelling van de begroting, besluiten tot het instellen van subsidieplafond(s). Bij de vaststelling van een subsidieplafond wordt aangegeven op welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld.
beleidsprogramma, zoals bedoeld in artikel 2 lid 1, omschreven. Artikel 5. Staatssteunregels 1. Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college bij subsidieregeling van deze verordening afwijken en deze aanvullen. 2. Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het desbetreffende steunkader. 3. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader. 4. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader. 5. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader. Artikel 6. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud 1. Het college kan jaarlijks, na de vaststelling van de begroting door de gemeenteraad, subsidieplafonds vaststellen. In dat geval bepalen zij bij subsidieregeling de wijze van verdeling van de betrokken subsidie. 2. Het college kan een subsidieplafond verlagen als:
De gemeenteraad stelt nu jaarlijks de subsidieplafonds voor de subsidieregelingen vast bij de vaststelling van de begroting. Het komt regelmatig voor dat een subsidieplafond van een subsidieregeling aangepast moet worden. Dat moet ter vaststelling voorgelegd worden aan de gemeenteraad. De procedure duurt daardoor langer dan nodig is. Steeds meer gemeenten
a. het wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; en b. de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd. 3. Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen. 4. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.
gaan daarom ertoe over om het vaststellen van de subsidieplafonds voor subsidieregelingen neer te leggen bij het college. Artikel 4:25 Awb biedt de mogelijkheid daartoe1. De gemeenteraad heeft het budgetrecht en stelt zoals gebruikelijk jaarlijks de begroting (op hoofdlijnen vast (de zgn. financiële kaders, programma’s). Het college kan vervolgens voor de subsidieregelingen die binnen die kaders per programma of programmaonderdeel vallen, de subsidieplafonds vaststellen. Ook blijft het college de gemeenteraad informeren over de hoogte van de subsidieplafonds via het jaarverslag. Het voordeel van deze constructie is, dat de procedure rondom de subsidieregelingen veel slagvaardiger wordt. Het college krijgt de bevoegdheid om zelf een besluit te nemen over de verlaging van subsidieplafonds. Als een subsidieplafond verhoogd moet worden, dan wordt dat aan de raad ter besluitvorming voorgelegd. Met het oog op de rechtszekerheid verlangt de Awb dat eventuele subsidieplafonds bekend worden gemaakt voordat de periode waarop het betrekking heeft ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers zonder nadere motivering worden afgewezen op het moment dat het subsidieplafond bereikt is. Als de gemeentebegroting nog niet is vastgesteld en er formeel dus nog geen financiële ruimte door de raad beschikbaar is gesteld, wordt subsidie slechts verleend onder de voorwaarde dat de
1 https://pgawb.nl/pg-awb-digitaal/hoofdstuk-4/4-2-subsidies/4-2-2-het-subsidieplafond/artikel-425/
5. Het college kan nadere regels stellen omtrent de verdeling van het beschikbare bedrag. 2. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Artikel 6. Aanvraag 1. De aanvraag voor een subsidie wordt schriftelijk of digitaal ingediend bij het college. Het college kan daar een formulier voor beschikbaar stellen. Bij de jaarlijkse vaststelling van een subsidieregeling kan bepaald worden dat een subsidieverzoek uitsluitend digitaal ingediend kan worden.
2. Bij de aanvraag om subsidie legt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens over: a. een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; b. de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen. In het bijzonder ook in welke mate de activiteiten gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen en op de door de gemeente vastgestelde doelen of beleidsprogramma’s;
raad daarvoor geld beschikbaar zal stellen, het zogenoemde begrotingsvoorbehoud.
Artikel 7. Aanvraag 1. Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college. Het college kan daar een aanvraagformulier voor beschikbaar stellen.
2. De aanvrager legt bij de aanvraag in ieder geval de volgende gegevens over: a. een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; b. de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen. In het bijzonder ook in welke mate de activiteiten gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen en op de door de gemeente vastgestelde doelen of beleidsprogramma’s; c. een begroting met een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij
Het woord “digitaal” en de zin “Bij de jaarlijkse vaststelling van een subsidieregeling kan bepaald worden dat een subsidieverzoek uitsluitend digitaal ingediend kan worden” worden geschrapt. We kunnen aanvragers niet verplichten om hun aanvraag uitsluitend digitaal in te dienen. Er moet rekening gehouden worden met aanvragers die niet digitaal vaardig zijn. Met “schriftelijk” wordt overigens meer bedoeld dan “op papier geschreven”. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan als het college de mogelijkheid daartoe heeft geopend via bijv. een digitaal aanvraagformulier of via Digid.
c.
een begroting van een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij andere bestuursorganen of private organisaties of personen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan; d. als de aanvrager een onderneming is: i. een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm dan ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. ii. Een verklaring als bedoeld in de de-minimisverordening (de-minimisverklaring). e. Indien van toepassing bij een jaarlijkse subsidie, de stand van de egalisatiereserve op het moment van de aanvraag. 3. Een rechtspersoon die voor de eerste maal een jaarlijkse subsidie aanvraagt, voegt een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, alsmede van het jaarverslag, de jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar toe aan de aanvraag. 4. Onverminderd wat daartoe in de Awb is bepaald is het college bevoegd ook meer of minder gegevens te verlangen, indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag nodig zijn.
andere bestuursorganen of private organisaties of personen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan; d. als de aanvrager een onderneming is: i. een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm dan ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. ii. Een verklaring als bedoeld in de verordening m.b.t. de de-minimissteun (de-minimisverklaring). e. Indien van toepassing bij een jaarlijkse subsidie, de stand van de egalisatiereserve op het moment van de aanvraag.
3. Een rechtspersoon die voor de eerste keer een jaarlijkse subsidie aanvraagt, voegt aan de aanvraag tevens toe een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, alsmede van het jaarverslag, de jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar. 4. Onverminderd wat daartoe in de Awb is bepaald is het college bevoegd ook meer of minder gegevens te verlangen, indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag nodig zijn.
5. Bij subsidieregeling kan van de voorgaande leden worden afgeweken. Artikel 7. Aanvraagtermijn 1. Een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie wordt gedaan uiterlijk 1 juni in het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft. 2. In afwijking van het eerste lid dienen nieuwe of hogere subsidieaanvragen dan het vorige boekjaar uiterlijk 1 februari voorafgaand aan dat boekjaar te worden ingediend. 3. Een aanvraag voor een eenmalige subsidie wordt uiterlijk twee maanden voor de aanvang van de activiteit, waarvoor de subsidie is aangevraagd, ingediend.
5. Bij subsidieregeling kan van de voorgaande leden worden afgeweken. Artikel 8. Aanvraagtermijn 1. Een aanvraag voor een jaarlijkse en meerjarige subsidie wordt gedaan uiterlijk 1 juni in het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft. 2. In afwijking van het eerste lid dienen nieuwe of hogere subsidieaanvragen dan het vorige boekjaar uiterlijk 15 februari voorafgaand aan dat boekjaar te worden ingediend. 3. Een aanvraag voor een eenmalige subsidie wordt uiterlijk twee maanden voor de aanvang van de activiteit, waarvoor de subsidie is aangevraagd, ingediend.
4. Het college kan andere termijnen stellen voor het indienen van een aanvraag voor daarbij aan te wijzen subsidies. Artikel 8. Beslistermijn 1. Het college beslist op een aanvraag om een eenmalige subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag, dan wel, indien het college hiertoe regels heeft opgesteld, 13 weken gerekend vanaf de uiterste indieningstermijn voor het aanvragen van de subsidie. 2. Het college beslist in beginsel op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie uiterlijk vóór 31 december van het jaar waarop de aanvraag is ingediend. 3. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld. 4. Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie, wordt de termijn verdaagd totdat
4. Het college kan bij subsidieregeling andere termijnen stellen voor het indienen van een aanvraag. Artikel 9. Beslistermijn 1. Het college beslist op een aanvraag om een eenmalige subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag, dan wel, indien het college hiertoe regels heeft opgesteld, 13 weken gerekend vanaf de uiterste indieningstermijn voor het aanvragen van de subsidie. 2. Het college beslist in beginsel op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie uiterlijk op 31 december van het jaar waarop de aanvraag is ingediend. 3. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld. 4. Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie, wordt de termijn verdaagd totdat
de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen. Artikel 9. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden 1. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb weigert het college de subsidie in ieder geval: a. als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt. b. als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard. 2. Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat: a. subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of b. de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader. 3. Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren: a. als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente ’sHertogenbosch of haar
de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen. Artikel 10. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden 1. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb weigert het college de subsidie in ieder geval: a. als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt, of b. als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard. 2. Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat: a. subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of b. de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader. 3. Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren: a. Als de subsidieverstrekking niet past binnen het beleid van de gemeente. b. als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op
Nieuw sub a. Als gemeente willen we bepaalde beleidsdoelen bereiken. Als we niet zelf de uitvoering ter hand nemen, zijn er anderen die dat doen. Om dat te financieren, verstrekken we een
b. c. d. e.
f.
g.
ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen; als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd; als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen; als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift; als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt; Als de aanvrager voor het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft met een functionaris een bezoldiging als bedoeld in artikel 1.1. onder e. van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector overeenkomt of is overeengekomen die hoger is dan het bedrag, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van die wet. In de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.
c. d. e. f.
g. h.
de gemeente ’s-Hertogenbosch of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen; als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd; als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen; als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift; als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt; In de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen. Als de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd in onvoldoende mate bijdragen aan de doelen waarvoor subsidiegelden beschikbaar worden gesteld.
subsidie. Als er een aanvraag binnenkomt die buiten de beleidsdoelen van de gemeente valt, dan kan het college die subsidieaanvraag weigeren.
Oud sub f. wordt geschrapt. Volgens ABRvS 0507-2017, ECLI:NL:RVS:2017:1774 is het niet toelaatbaar om het betalen van salarissen die de norm van de Wet normering topinkomens te boven gaan als weigeringsgrond te hanteren. Nieuw sub h. geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen.
4. Het college vordert een subsidie met rente terug als dit nodig is ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.
Artikel 10. Verklaring omtrent gedrag 1. Het college kan aan een aanvrager van een subsidie die tot doel heeft activiteiten met, voor of door personen in de leeftijd tot 18 jaar te organiseren, vragen een VOG te overleggen. Deze VOG kan bij de gemeente ’s-Hertogenbosch aangevraagd worden. De gemeente neemt de kosten voor haar rekening indien de subsidie wordt toegekend. Indien een VOG niet wordt overlegd of
Oud lid 4 komt te vervallen. Op 1 juli 2018 is de Wet terugvordering staatssteun in werking getreden, waardoor deze bepaling kan vervallen. 4. Het college kan een subsidie in ieder geval weigeren dan wel intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Nieuw lid 4. Georganiseerde criminaliteit is vooral gelegen in het grote financiële gewin en de economische macht die daaruit voortvloeit. Die economische macht beperkt zich niet tot de onderwereld, maar dringt in allerlei gedaanten in de bovenwereld door. Criminele personen kunnen met al dat geld infiltreren in het economische leven door onder meer gebruik te maken van bestuurlijke faciliteiten, zoals vergunningen, subsidies en overheidsopdrachten. Dit heeft een aantasting van de integriteit van de overheid tot gevolg. De Wet Bibob (Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur) is van belang voor de aanpak van ondermijning. Daarmee kan namelijk worden voorkomen dat de overheid criminele activiteiten onbewust faciliteert bijvoorbeeld door het verstrekken van subsidies. Artikel 10 met daarin de VOG-bepaling, blijkt in de praktijk én juridisch niet werkbaar te zijn. Het artikel wordt in zijn geheel geschrapt. Het niet overleggen van een VOG kan namelijk niet als voorwaarde gelden om wel/geen subsidie toe te kennen. Wel kunnen wij de subsidieaanvrager er in de verleningsbeschikking op wijzen dat het overleggen van een VOG een voorwaarde kán zijn voor het verlenen van
negatief uitvalt wordt geen subsidie toegekend.
2. Een te overleggen VOG mag niet ouder dan 2 jaar zijn. 2. De VOG dient overlegd te worden door alle bestuursleden en uitvoerenden van de organisatie die met de in lid 1 genoemde personen werken. Artikel 11. Verlening subsidie 1. Bij het besluit tot verlenen van de subsidie geeft het college aan op welke wijze de verantwoording plaats vindt. 2. Het college is bevoegd om verplichtingen aan de beschikking tot subsidieverlening te verbinden met betrekking tot het beheer en gebruik van de subsidie. 3. Subsidie wordt slechts verstrekt aan rechtspersonen, tenzij in een subsidieregeling anders is bepaald. Artikel 12. Betaling en bevoorschotting 1. Indien een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, wordt gegeven, kan de betaling van de gehele subsidie in één bedrag plaatsvinden. 2. Indien een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, wordt gegeven, kan 100 % bevoorschotting plaatsvinden.
subsidie. Deze voorwaarde kunnen we in de subsidiebeschikking opnemen. Bijv. dat de subsidieontvanger bij de (jaarlijkse) verantwoording aan moet tonen dat er een VOG is voor de medewerkers/vrijwilligers. Dat kunnen we vervolgens toetsen. Als niet aan de voorwaarde voldaan is, dan kan dat gevolgen hebben voor de definitieve afrekening, bijv. een lagere subsidievaststelling.
Artikel 11. Verlening subsidie 1. Bij het besluit tot verlenen van de subsidie geeft het college aan op welke wijze de verantwoording plaats vindt. 2. Het college is bevoegd om verplichtingen aan de beschikking tot subsidieverlening te verbinden met betrekking tot het beheer en gebruik van de subsidie. 3. Subsidie wordt slechts verstrekt aan rechtspersonen, tenzij in een subsidieregeling anders is bepaald. Artikel 12. Betaling en bevoorschotting 1. Indien een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, wordt gegeven, kan de betaling van de gehele subsidie in één bedrag plaatsvinden. 2. Indien een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, wordt gegeven, kan 100 % bevoorschotting plaatsvinden.
3. Indien besloten wordt tot bevoorschotting van de subsidie, wordt in het besluit tot subsidieverlening, de hoogte en de termijnen van de voorschotten bepaald. Artikel 13. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger 1. Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld schriftelijk aan het college. 2. Een subsidieontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over: a. beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon; b. relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhoudingen met derden; c. ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zullen kunnen worden nagekomen; d. wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon. 3. De mededeling als bedoeld in het eerste lid bevat tevens een omschrijving van de reden.
3. Indien besloten wordt tot bevoorschotting van de subsidie, wordt in het besluit tot subsidieverlening, de hoogte en de termijnen van de voorschotten bepaald. Artikel 13. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger 1. Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld schriftelijk aan het college, onder vermelding van de reden. 2. Een subsidieontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over: a. beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon; b. relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhoudingen met derden; c. ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel kan nakomen; d. wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon.
Het derde lid wordt voor de leesbaarheid samengevoegd met lid 1.
Artikel 14. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen 1. Aan een beschikking tot subsidieverlening kunnen verplichtingen worden verbonden met betrekking tot het beheer en gebruik van wat met de subsidie tot stand is gebracht. 2. Bij subsidies hoger dan € 50.000,- verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. De verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar verlangd. 3. Bij subsidies van meer dan € 50.000 behoeft de subsidieontvanger de toestemming van het college voor handelingen als vermeld in artikel 4:71 Awb. 4. Het niet of niet tijdig voldoen aan de mededelingsplicht als neergelegd in artikel 13 en/of de overige verplichtingen als neergelegd in dit artikel kunnen leiden tot het lager vaststellen van subsidie, het intrekken, het terugvorderen, het stopzetten van bevoorschotting, dan wel het verrekenen van subsidie.
Artikel 14. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen
1. Bij subsidies hoger dan € 50.000,- verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. De verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar verlangd. 2. Bij subsidies van meer dan € 50.000 behoeft de subsidieontvanger de toestemming van het college voor handelingen als vermeld in artikel 4:71 Awb. 3. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid van de Awb worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. In de toelichting bij de subsidieregeling wordt uiteengezet waarom daartoe wordt overgegaan. 4. Bij subsidieregeling kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. In de toelichting bij de subsidieregeling wordt uiteengezet waarom daartoe wordt overgegaan. 5. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de
Het moet mogelijk blijven om vaker dan één keer per jaar een tussentijdse verantwoording op te vragen. Vandaar dat die bepaling geschrapt wordt.
5. Bij subsidies van meer dan € 50.000,= is de subsidieontvanger verplicht in de jaarrekening beloningen van medewerkers, inclusief directie en externe inhuur, op te nemen indien deze hoger zijn dan de wettelijke salarisnorm, zoals geregeld in de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector.
subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan het college een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis voordoet als bedoeld in artikel 4:41 tweede lid van de Awb. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald. 6. Het niet of niet tijdig voldoen aan de mededelingsplicht als neergelegd in artikel 13 en/of de overige verplichtingen als neergelegd in dit artikel kunnen leiden tot het lager vaststellen van subsidie, het intrekken, het terugvorderen, het stopzetten van bevoorschotting, dan wel het verrekenen van subsidie.
De bepaling m.b.t. het gebruik van het stellen van salarisnormen als weigeringsgrond voor subsidie komt te vervallen. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt grenzen aan de voorwaarden en verplichtingen die een bestuursorgaan mag verbinden aan een verleende subsidie. In het algemeen moet er een inhoudelijk verband zijn tussen de voorwaarde en het doel en de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt. Dit volgt uit de artikelen 4:38 en 4:39 Awb. Dit verband is bij het opleggen van een inkomensnorm aan de subsidieaanvrager als subsidieverplichting of –voorwaarde in het algemeen onvoldoende aanwezig. Uit jurisprudentie volgt dat het stellen van een subsidieverplichting of –voorwaarde inhoudende een maximale beloning voor medewerkers van de te subsidiëren instelling met het oog op het normeren van topinkomens, niet is toegestaan.
Artikel 15. Niet doelgebonden verplichtingen ex artikel 4:39 Awb 1. Het college kan een verplichting tot social return opleggen bij subsidies hoger dan € 50.000,- maar lager dan de geldende Europese drempelwaarde voor overheidsopdrachten op het gebied van Leveringen en Diensten. 2. Het college legt een verplichting tot social return op bij subsidies vanaf de grens van de geldende Europese drempelwaarde voor overheidsopdrachten op het gebied van Leveringen en Diensten. 3. Het niet of niet tijdig voldoen aan de in dit artikel genoemde verplichting tot social return kan leiden tot het lager vaststellen van subsidie, het intrekken, het terugvorderen, het stopzetten van de bevoorschotting, dan wel het verrekenen van subsidie. 4. Op de invulling van de social return verplichting zijn de Beleids- en Uitvoeringsregels Social Return gemeente ’sHertogenbosch van toepassing. Artikel 16. Subsidies tot en met € 5.000,1. Subsidies tot en met € 5.000,- worden door het college: a. Direct vastgesteld of b. Ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht. 2. Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan het college de aanvrager verplichten om op de door hem aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor de subsidie wordt
Artikel 15. Niet doelgebonden verplichtingen ex artikel 4:39 Awb 1. Het college kan een verplichting tot social return opleggen bij subsidies hoger dan € 50.000,2. Het niet of niet tijdig voldoen aan de in dit artikel genoemde verplichting tot social return kan leiden tot het lager vaststellen van subsidie, het intrekken, het terugvorderen, het stopzetten van de bevoorschotting, dan wel het verrekenen van subsidie.
3. Op de invulling van de social return verplichting zijn de Beleids- en Uitvoeringsregels Social Return gemeente ’sHertogenbosch van toepassing, met uitzondering van de boetebepaling. Artikel 16. Wijze van verstrekking en eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000,1. Subsidies tot en met € 5.000,- worden door het college: a. Direct vastgesteld, of b. Ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht. 2. Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan het college de aanvrager verplichten om op de door hem aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor de subsidie wordt
Lid 1 is aangepast op basis van een juridisch advies van Capra en regionaal gemaakte afspraken over de social return verplichting in relatie tot de ASV. Lid 2 oud komt op basis daarvan te vervallen.
verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. 3. Bij subsidieregeling kan worden afgeweken van het bepaalde in dit artikel
Artikel 17. Subsidies van meer dan € 5.000,tot en met € 50.000,1. Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan € 5.000, maar minder dan € 50.001, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten een aanvraag tot vaststelling in bij het college.
Artikel 17. Eindverantwoording subsidies tussen € 5.000,- en € 50.000,1. Bij subsidies van meer dan € 5.000- en ten hoogste € 50.000,- dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, een aanvraag tot vaststelling in bij het college. 2. De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt dat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. 3. Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd.
2. De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht. 3. Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd.
Artikel 18. Subsidies van meer dan € 50.000,1. Indien de subsidieverlening hoger is dan € 50.000, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college: a. bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten; b. bij een jaarlijks verstrekte subsidie, uiterlijk vóór 1 juni in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk 4 maanden na het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend.
4. Bij subsidieregeling kan worden afgeweken van de termijn als bedoeld in het eerste lid van dit artikel. Artikel 18. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 50.000,1. Als de subsidieverlening hoger is dan € 50.000,- dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college. De indieningstermijn is: a. bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken nadat de activiteiten zijn verricht. Het college kan hier in sommige gevallen van afwijken. b. bij een jaarlijks verstrekte subsidie: - vier maanden na het subsidietijdvak waarvoor de subsidie is verleend;
Nieuw lid 3 Voor een enkele subsidieregeling is het wenselijk om af te wijken van het bepaalde in dit artikel.
Bij sommige subsidieregelingen kan afgeweken worden van het tijdvak dat in lid 1 is genoemd.
Sub a: Soms wordt er van de 13-weken regel afgeweken, bijv. op grond van een subsidieregeling. Het komt echter ook voor dat daarvan bij bijv. budgetsubsidies moet worden afgeweken.
-
2. De aanvraag tot vaststelling bevat: a. een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht; b. een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten; c. een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop; d. een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant.
uiterlijk vóór 1 mei in het jaar na afloop van het kalenderjaar als er een beoordelingsverklaring moet worden overgelegd (lid 2 sub d); - uiterlijk vóór 1 juni in het jaar na afloop van het kalenderjaar als een controleverklaring moet worden overlegd (lid 2 sub e). 2. De aanvraag tot vaststelling bevat: a. een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de resultaten zijn gerealiseerd, de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en deze hebben bijgedragen aan de resultaten, en in hoeverre aan de verplichtingen is voldaan; b. een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag en/of jaarrekening); c. een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop; d. Bij aanvragen tot subsidievaststelling van een subsidie waarbij het subsidiebedrag, dan wel de som van meerdere door de gemeente verstrekte subsidies € 50.000 tot € 100.000 bedraagt, wordt een beoordelingsverklaring overlegd. Deze wordt opgesteld door een onafhankelijke accountant als bedoeld in artikel 393 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. e. Bij aanvragen tot subsidievaststelling van een subsidie waarbij het subsidiebedrag, dan wel de som van meerdere door de gemeente verstrekte subsidies meer dan € 100.000,- bedraagt, wordt een controleverklaring overlegd.
Deze wordt opgesteld door een onafhankelijke accountant als bedoeld in artikel 393 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overlegd. Artikel 19. Subsidievaststelling 1. Het college stelt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast. 2. Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd. 3. Indien uit de aard van de subsidie, dan wel de verantwoording daarvan volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de subsidie een langere termijn nodig is dan de in het eerste lid genoemde termijn, dan bericht het college de subsidieontvanger daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling. 4. Het college kan categorieën van subsidies of subsidieontvangers aanwijzen, waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat de subsidieontvanger een aanvraag voor subsidievaststelling hoeft in te dienen. 5. Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Wordt de aanvraag niet binnen deze termijn ingediend, dan kan het college overgaan tot ambtshalve vaststelling. Artikel 20. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen 1.
Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met
3. Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overlegd.
Artikel 19. Subsidievaststelling 1. Het college stelt een subsidie van meer dan € 5.000,- vast binnen 13 weken na de ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling. 2. Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd. 3. Indien uit de aard van de subsidie, dan wel de verantwoording daarvan volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de subsidie een langere termijn nodig is dan de in het eerste lid genoemde termijn, dan bericht het college de subsidieontvanger daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling. 4. Het college kan categorieën van subsidies of subsidieontvangers aanwijzen, waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat de subsidieontvanger een aanvraag voor subsidievaststelling hoeft in te dienen. 5. Als de aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Als de aanvraag niet binnen deze termijn wordt ingediend, dan kan het college overgaan tot ambtshalve vaststelling. Artikel 20. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen 1. Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met gebruikmaking van een bij
gebruikmaking van een bij subsidieregeling voorgeschreven berekeningswijze. 2. Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van de bij subsidieregeling voorgeschreven definities. 3. Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader. Artikel 21. Hardheidsclausule Het college kan, in bijzondere gevallen, een artikel of artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, met uitzondering van de artikelen 1, 2, 3 en 8 voor zover toepassing gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Het van toepassing verklaren van dit artikel wordt gemotiveerd in het besluit en hiervan wordt periodiek verslag gedaan aan de raad. Artikel 22. Slotbepalingen 1. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2017. 2. Op de dag van de inwerkingtreding wordt de Algemene subsidieverordening ’sHertogenbosch 2016 die op 15 december 2015 is vastgesteld, ingetrokken. 2. Aanvragen die zijn ingediend voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening worden afgedaan volgens de bepalingen van de in lid 2 genoemde verordening.
subsidieregeling voorgeschreven berekeningswijze. 2. Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van de bij subsidieregeling voorgeschreven definities. 3. Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader. Artikel 21. Hardheidsclausule Het college kan, in bijzondere gevallen, een artikel of artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, met uitzondering van de artikelen 1, 2, 3 en 8 voor zover toepassing gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Het van toepassing verklaren van dit artikel wordt gemotiveerd in het besluit en hiervan wordt periodiek verslag gedaan aan de raad. Artikel 22. Slotbepalingen 1. Deze verordening treedt in werking op 1 december 2021 onder gelijktijdige intrekking van de Algemene subsidieverordening ’sHertogenbosch 2017.
2. Aanvragen die zijn ingediend voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening worden afgedaan volgens de bepalingen van de Algemene subsidieverordening ’sHertogenbosch 2017.
Het oude lid 2 wordt samengevoegd met lid 1.
3. Deze verordening wordt aangehaald als Algemene subsidieverordening ’sHertogenbosch 2017.
3. Deze verordening wordt aangehaald als de Algemene subsidieverordening ’sHertogenbosch 2021.