Zienswijze BPL Midden-Delfland herziening omgevingsverordening 25-6-2024
Tekst van het document
Provincie Zuid-Holland Team Omgevingsbeleid Postbus 90602 2509 LP Den Haag Onderwerp: Zienswijze Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland in kader van herziening omgevingsverordening PZH Kenmerk: 65101-2024-06 Datum: dinsdag 25 juni 2024 Geacht College van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, Met deze zienswijze reageren Natuurmonumenten en de Midden-Delfland Vereniging op uw Ontwerp Omgevingsverordening 2024 met enkele aanbevelingen en vragen. Het Midden-Delflandgebied heeft grote natuurlijke, cultuurhistorische, landschappelijke en recreatieve kwaliteiten. Om die reden wees het rijk al in 1958 in haar Nota 'De ontwikkeling van het Westen des lands' Midden-Delfland aan als ‘bufferstrook’ tussen de steden Rotterdam en Den Haag. Kort daarna kreeg het Midden-Delflandgebied de titel ‘Rijksbufferzone’ die in de Nota’s voor de Ruimtelijke Ordening van Nederland steeds verder werd ingevuld met een strak beschermingsregime (‘nee, tenzij’) gecombineerd met instrumenten en financiële middelen voor behoud en ontwikkeling van Rijksbufferzones, waaronder de Reconstructiewet Midden-Delfland van 1977. Na 2012 verviel deze stringente beschermingsstatus van het rijk en werd het een verantwoordelijkheid van de Provincie Zuid-Holland.
Dit beschermingsregime is erg doeltreffend gebleken: Midden-Delfland bleef in deze turbulente halve eeuw open, in tegenstelling tot de omliggende, inmiddels verstedelijkte, landschappen. In 2017 werd het Midden-Delflandgebied aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL-MD). Enkele jaren daarna kwam er een eigen overlegstructuur in de vorm van een gebiedstafel, later omgedoopt tot Landschapstafel in een ambtelijke en bestuurlijke variant. Het verheugt ons zeer dat de status van Midden-Delfland als BPL in de nu ter inzage liggende versie van de provinciale omgevingsverordening juridisch verankerd en geborgd is in art. 2.11a van de verordening! Wij zien dit als een waardevolle eerste stap naar een goede bescherming en het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor de toekomst op een wijze die recht kán doen aan 50 jaar Rijksbufferzonebeleid. Kán – wij menen namelijk dat de juridische verankering qua bescherming van BPL Midden-Delfland in de huidige vorm nog onvoldoende toevoegt aan bescherming die uit hoofde van reeds bestaande wet- en regelgeving hoe dan ook al geldt voor de gebieden binnen het BPL Midden-Delfland die
onder beschermingscategorie 1 en 2 vallen. Wij vinden het huidige beschermingsregime onvoldoende in het licht van de huidige en te verwachten ruimtedruk. De bescherming is nu aanzienlijk minder dan onder het regime van de Rijksbufferzone en dat is te zien aan enkele minder gewenste ontwikkelingen in de afgelopen tien jaar. Daarom pleiten wij voor de instelling van een zelfstandig, eenduidig en integraal beschermingskader voor het gehele gebied van het BPL; dit in aanvulling op (of in plaats van) de bescherming die geboden wordt vanuit de categorieën 1 en 2. De belangrijkste reden om dit te bepleiten is de voortdurende ruimtedruk in de Randstad en de kwetsbaarheid van Midden-Delfland als – nu nog – intact, fijnmazig en uniek zeeklei- en veenweidegebied. Die kwetsbaarheid ontleent het BPL Midden-Delfland aan zijn ligging. Zoals in de toelichting bij art 2.11a wordt gesteld: ‘Het bijzonder provinciaal landschap Midden-Delfland ligt in het hart van een sterk stedelijk en verstedelijkend gebied.
De positionering in een bredere ruimtelijke context met zijn ontwikkelingen en opgaven voor de toekomst is daarom belangrijk.’ En juist die toekomstige ontwikkelingen op het vlak van woningbouw, economische activiteiten, mobiliteit en infrastructuur en energietransitie zijn voor ons reden tot grote zorg (en waakzaamheid) over behoud van de samenhang en natuurlijke en landschappelijke kernwaarden van het MiddenDelflandgebied. Gezien de druk van deze ontwikkelingen menen wij dan ook dat in de omgevingsverordening ter bescherming van BPL Midden-Delfland dient te worden vastgelegd: 1. dat in een omgevingsplan binnen het BPL-MD geen regels kunnen worden opgenomen die stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken die de (nader te benoemen) kernwaarden van het landschap aantasten. Dit sluit bouwen binnen stedelijk gebied niet uit. Bouwen buiten bestaand stedelijk gebied is niet mogelijk, tenzij de partijen aan de Landschapstafel tot gezamenlijke criteria komen voor een wijze waarbij het landschap als samenhangend geheel er in kwaliteit op vooruit gaat; 2. dat indien een omgevingsplan regels bevat die een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, deze ontwikkeling de voorkomende kernkwaliteiten van BPL-MD niet mogen aantasten. Wij zijn ons ervan bewust dat het bovenstaande nog geen sluitende regelgeving is.
Een goed beschermingsregime beschermt wat van waarde is én stimuleert ruimtelijke ontwikkelingen die het landschap meer toekomstwaarde biedt door bijvoorbeeld passender functies en een robuuster landschap. Je kunt dit omschrijven als ‘behoud door ontwikkeling’; een motto dat in het verleden het beleid voor cultuurhistorisch erfgoed een belangrijke impuls heeft gegeven. En daar kunnen we van leren: behoud door ontwikkeling begint met het benoemen en omschrijven van de ‘wezenlijke kenmerken en waarden van natuur en landschap’ – in de praktijk ook wel omschreven als ‘kernkwaliteiten landschap’. Deze kernkwaliteiten zijn niet bedoeld als ‘statische’ randvoorwaarden (alleen behouden wat er nu is), maar als landschappelijke ‘essenties’ waar bij gebiedsontwikkeling recht aan moet worden gedaan in het licht van toekomstbestendig ruimtegebruik. Dat is niet eenvoudig, maar ook niet onmogelijk. Gelet op het bovenstaande, vragen wij de Provincie Zuid-Holland in samenwerking met de Landschapstafel BPL Midden-Delfland te werken aan een goede landschapsbiografie, specifiek voor Midden-Delfland omdat dit landschap tot stand is gekomen in een unieke dynamiek tussen kust- en deltavorming en invloed van mensen die afwijkt van de rest van Zuid-Holland.
Deze landschapsbiografie omschrijft de waarden van bodem, water, natuur en landschap voor recreant, bewoner en (agrarisch) ondernemer, in het perspectief van een duurzame toekomst. Deze landschapsbiografie kan vervolgens de onderlegger vormen voor de eerdergenoemde ‘kernkwaliteiten landschap’ die op hun beurt kunnen worden gekoppeld aan de omgevingsverordening en de omgevingsplannen.
Wij zien uit naar uw reactie op deze zienswijze.
Met vriendelijke groet,
Midden-Delfland Vereniging
Vereniging Natuurmonumenten
Koos Karssen
Anneklaar Wijnants
Voorzitter
Provinciaal Ambassadeur Zuid-Holland