CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Was-wordt-tabel met wijzigingen GRB

Commissie Algemeen 4 juli 2024, gemeente DelftBij agendapunt: Raadsvoorstel van het college aan de raad inzake wijziging GRB Delft-Rijswijk (2423328)4.305 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

GBR Art. 18 GBR

Onderwerp Uittreding

Verandering Afspraken moeten worden gemaakt over de voorwaarden waaronder uittreding plaatsvindt, de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersonen en de gevolgen voor zowel de uittredende als de achterblijvende gemeenten. Tot 1 juli 2022 hoefde dit formeel slechts bij gemeenschappelijke regelingen die voor onbepaalde tijd waren getroffen, maar sindsdien geldt dit voor alle gemeenschappelijke regelingen.

Grondslag Art. 9 lid 1 Wgr

Oude situatie De gr had voorheen een artikel dat de uittreding en opheffing regelde. Hierin stonden echter geen duidelijke voorwaarden voor uittreding. Ook de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersonen bij uittreding ontbraken.

Art. 18 Uittreding en opheffing: 1. Gedurende de eerste twee jaar na inwerkingtreding, bedoeld in artikel 17, eerste lid, is uittreding uit de regeling niet mogelijk. 2. Een college richt een verzoek tot uitreding aan het bestuur. Het bestuur neemt het verzoek tot uitreding in behandeling en besluit over de condities en voorwaarden voor uittreding. Indien na uitreding slechts een college deelnemer blijft aan deze regeling is een verzoek tot uitreding een verzoek tot opheffing. 3. Bij het vaststellen van de condities en voorwaarden voor uitreding baseert het bestuur zich op de kosten van desintegratie en voor zover van toepassing beëindiging van de activiteiten van de bedrijfsvoeringsorganisatie, de kosten die de bedrijfsvoeringsorganisatie maakt voor de dienstverlening aan de betreffende gemeente, de door die gemeente

Nieuwe situatie In de nieuwe regeling zijn de voorwaarden voor uittreding duidelijker. In de nieuwe gr is bijvoorbeeld een opzegtermijn voor uittreding opgenomen. Ook is vastgelegd dat een college pas kan besluiten tot uittreding na toestemming van zijn raad. Voorts is bepaald dat de besluitvorming rondom de uittreding en de gevolgen van uittreding door de deelnemende bestuursorganen plaatsvindt. Met het oog op het vermogen van de rechtspersonen is vastgelegd op welke kosten het bestuur zich baseert bij uittreding. Een bepaling voor de toetreding is hierbij volledigheidshalve ook opgenomen, deze bestond voorheen nog niet. Art. 17 GBR Uittreding en opheffing: 1. De opzegtermijn voor het treden uit de bedrijfsvoeringsorganisatie bedraagt ten minste één jaar. 2. De besluitvorming rondom de uittreding en de gevolgen van uittreding vindt plaats met inachtneming van artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 3. Een college richt een verzoek tot uittreding aan het bestuur. Het bestuur zendt een besluit tot uittreding van een deelnemer aan de andere deelnemer(s). Indien na uittreding slechts één college deelnemer blijft aan deze regeling is een verzoek tot uittreding een verzoek tot opheffing. 4.

In het geval van uittreding stellen de colleges met elkaar een plan op waarin alle gevolgen van de uittreding worden geregeld voor alle relevante aspecten, waaronder in ieder geval het betrokken personeel en de bedrijfsvoering waaronder in ieder geval de financiële

4.

verschuldigde betalingen aan de bedrijfsvoeringsorganisatie en de inbreng van de betreffende gemeenten. Bij uittreding of opheffing wordt een gemeente in de gelegenheid gesteld de kosten van desintegratie en voor zover van toepassing beëindiging van de activiteiten van de bedrijfsvoeringsorganisatie te verlagen door personeel en materieel van de bedrijfsvoeringsorganisatie over te nemen. De gemeenten die personeel dan wel materieel heeft ingebracht geniet een recht van voorrang bij overname.

5.

6.

verplichtingen die zijn aangegaan, inclusief bestaande langjarige investeringen. Bij het vaststellen van voorwaarden voor uittreding baseert het bestuur zich op de volgende kosten voor uittreding: investeringen (inclusief onderhouds/vervangingsinvesteringen): generiek naar rato en individuele naar betreffende gemeente; contractuele verplichtingen jegens derden; effecten bezien op uittreding uit de bedrijfsvoeringsorganisatie met betrekking tot deelnemingen aan derden; financiële gevolgen voor de directe kosten en de overheadkosten, waaronder personeel; aandeel naar rato in de algemene reserve, waarbij de algemene reserve van de bedrijfsvoeringsorganisatie niet onder het weerstandsvermogen mag uitkomen; desinvesteringskosten, conform afspraak in de dienstverleningsovereenkomst; advies- en begeleidingskosten van het proces tot uittreding, door de uittredende partij. Bij uittreding of opheffing wordt een gemeente in de gelegenheid gesteld de kosten van desintegratie en voor zover van toepassing beëindiging van de activiteiten van de bedrijfsvoeringsorganisatie te verlagen door personeel en materieel van de bedrijfsvoeringsorganisatie over te nemen. De gemeenten die personeel dan wel materieel heeft ingebracht geniet een recht van voorrang bij overname. Voor het personeel wordt hierbij zoveel mogelijk uitgegaan van

7.

het principe ‘mens volgt werk’, indien taken overgaan naar een andere organisatie. Een college kan slechts besluiten tot uittreding na toestemming van zijn raad, bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 19 Toetreding: 1.

2. 3.

4.

Art. 11 en 15 GBR

Zienswijzen

Het wordt verplicht om een bepaling op te nemen die het mogelijk maakt dat gemeenteraden bij bepaalde besluiten zienswijzen in kunnen dienen. Hierbij gaat het om besluiten die direct de kader stellende rol van de gemeenteraden raken. Het idee daarbij is dat de raden vroegtijdig kunnen sturen om het eigen politieke beleid te kunnen verwezenlijken.

Art. 10 lid 5 en 6 Wgr

De mogelijkheid om bepaalde besluiten van het samenwerkingsverband aan zienswijzen te onderwerpen bestond al. Dit vloeide voort uit de wet, maar dit stond niet expliciet in de regeling. Wél stond al in de regeling dat het voor de raden mogelijk was om hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren te brengen.

De colleges van burgemeester en wethouders van andere gemeenten dan die bedoeld in artikel 1, onder e, kunnen een verzoek tot toetreding indienen bij het bestuur. Het bestuur zendt het verzoek tot toetreding onverwijld door aan de colleges. Toetreding tot de regeling is slechts mogelijk indien alle colleges, die op dat moment deelnemen, daartoe besluiten met toestemming van hun raden als bedoeld in artikel 1 van de wet. Het bestuur kan voorwaarden verbinden aan de toetreding, voordat over de toetreding wordt besloten.

De mogelijkheid om zienswijzen over de ontwerpbegroting naar voren te brengen bestond al. Aanvullend is nu vastgelegd dat het bestuur de raden schriftelijk en gemotiveerd in kennis stelt van zijn oordeel over deze zienswijzen (art. 10 lid 6 Wgr). Verder is in de regeling opgenomen dat het bestuur kan kiezen bepaalde besluiten voor zienswijze aan de raad voor te leggen (art. 10 lid 5 Wgr).

Art. 11 Verantwoording: 1. Een lid van het bestuur legt aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Het lid kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen. 2. Een lid van het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt. 3. Het eerste en tweede zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de verantwoording en inlichtingen aan de raden van de gemeenten, met dien verstande dat het bestuur de colleges betrekt bij de verantwoording en inlichtingen aan de raden. 4. Een lid van het bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen worden ontslagen indien dit lid niet langer het vertrouwen van dat college bezit. Art. 15 Zienswijzenprocedure en vaststelling begroting: 1. Het bestuur zendt de ontwerpbegroting ten minste acht weken voordat deze wordt vastgesteld toe aan de raden. 2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 3. De raden kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen.

Art. 11 Verantwoording, inlichtingen en besluiten voor zienswijze: 1. Het bestuur legt verantwoording af over het door het bestuur gevoerde beleid. Het bestuur kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen. 2. Het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt. 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de verantwoording en inlichtingen aan de raden van de gemeenten, met dien verstande dat het bestuur de colleges betrekt bij de verantwoording en inlichtingen aan de raden. 4. Een lid van het bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen worden ontslagen indien dit lid niet langer het vertrouwen van dat college bezit. 5. Het bestuur verstrekt zowel de colleges als de raden van de deelnemende gemeenten periodiek informatie over de uitvoering van de taakopdracht van de bedrijfsvoeringsorganisatie. 6. In aanvulling op de in de wet genoemde besluiten die voor zienswijze dienen te worden voorgelegd aan de raden van de gemeenten, kan het bestuur besluiten een voorgenomen besluit voor zienswijze aan de raad voor te leggen.

Het gaat hierbij in ieder geval om voorgenomen besluiten die belangrijke gevolgen voor de toekomst van de samenwerkingsvorm hebben, zoals het toetreden van nieuwe deelnemers of het

4.

5.

6.

7.

Het bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient. Na vaststelling van de begroting zendt het bestuur de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten van ZuidHolland hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten van Zuid-Holland. Het bepaalde in het eerste, derde en vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen van de begroting waarbij geen wijziging wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten. Het bepaalde in het vierde en zesde lid is van toepassing, met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt, en in dat geval inzending aan gedeputeerde staten niet voor 1 augustus hoeft plaats te vinden.

7.

uitbreiden naar andersoortige dienstverlening (niet-IT). Over de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid dat gevolgen heeft voor de inwoners van de gemeenten vindt participatie van de inwoners plaats via de gemeentelijke processen.

Art. 15 Zienswijzenprocedure en vaststelling begroting: 1. Het bestuur zendt de ontwerpbegroting ten minste 12 weken voordat deze wordt vastgesteld toe aan de raden. 2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 3. De raden kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. 4. Het dagelijks bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze. 5. Het bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient. 6. Na vaststelling van de begroting zendt het bestuur de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten van ZuidHolland hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 7. Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

8.

Art. 21 GBR

Evaluatie

Voorheen waren bepalingen omtrent evaluatie niet verplicht. Het gevolg hiervan was dat veel regelingen werden opgesteld zonder bepalingen over evaluatie. Met ingang van de nieuwe Wgr zijn bepalingen omtrent evaluatie verplicht gesteld.

Art. 11a Wgr

Het bepaalde in het eerste, derde en vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen van de begroting waarbij geen wijziging wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten. Het bepaalde in het vierde en zesde lid is van toepassing, met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt, en in dat geval inzending aan gedeputeerde staten niet voor 15 september hoeft plaats te vinden.

De oude gr bevatte geen bepalingen omtrent evaluatie.

In de nieuwe gr is een nieuw artikel in het leven geroepen, waarin bepalingen omtrent de evaluatie van de regeling zijn opgenomen. Daarbij is bepaald over welke termijn geëvalueerd wordt en wat de evaluatie inhoudt.

N.v.t.

Art. 21 Evaluatie 1. Het bestuur draagt zorg voor een vijfjaarlijkse evaluatie van de regeling, waarbij vijf jaar na de vorige evaluatie een nieuwe evaluatie wordt uitgevoerd. 2. Onderdeel van de evaluatie, bedoeld in het eerste lid, zijn in ieder geval: a. de wijze waarop de Gemeenschappelijke Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie DelftRijswijk bijdraagt aan het belang waarvoor zij is ingesteld en de kwaliteit van haar taakuitvoering; b. de kostenverdeling, bedoeld in artikel 13, derde lid, en

c.

Art. 11 GBR

Burgerparticipatie

Participatie bij beleid wordt steeds belangrijker gevonden in bestuurlijk en politiek Nederland. Om die reden is bij de wijziging van de Wgr ook bepaald dat voorzien moet worden in afspraken omtrent de wijze waarop ingezetenen én belanghebbenden betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. De Wgr loopt daarmee feitelijk vooruit op de aanstaande wijzigingen van de Gemeentewet.

Art. 10 lid 7 en 8 Wgr

de governance van de Gemeenschappelijke Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie DelftRijswijk, waaronder de rollenscheiding, sturing en verantwoording.

In de oude gr waren voor burgerparticipatie geen bepalingen opgenomen.

De nieuwe gr heeft een bepaling waarin burgerparticipatie is geregeld. Over de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid dat gevolgen heeft voor de inwoners van de gemeenten vindt participatie van de inwoners plaats via de gemeentelijke processen.

Art. 11 Verantwoording: 1. Een lid van het bestuur legt aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Het lid kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen. 2. Een lid van het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt. 3. Het eerste en tweede zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de verantwoording en inlichtingen aan de raden van de gemeenten, met dien verstande dat het bestuur de colleges

Art. 11 Verantwoording, inlichtingen en besluiten voor zienswijze: 1. Het bestuur legt verantwoording af over het door het bestuur gevoerde beleid. Het bestuur kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen. 2. Het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt. 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de verantwoording en inlichtingen aan de raden van de gemeenten, met dien verstande dat het bestuur de colleges betrekt bij de verantwoording en inlichtingen aan de raden.

4.

Art. 11 GBR

Actieve informatieplicht

Sinds 2002 is er al een actieve informatieplicht van de colleges naar de gemeenteraad. Het college moet de raad informeren over wat er in een bedrijfsvoeringsorganisatie gebeurt, indien zij dit van belang acht. Aangezien het nog wel eens gebeurde dat het ene college zijn raad actiever informeerde dan het andere college, is een actieve informatieplicht geïntroduceerd.

Art. 17 lid 2 en 3 Wgr

betrekt bij de verantwoording en inlichtingen aan de raden. Een lid van het bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen worden ontslagen indien dit lid niet langer het vertrouwen van dat college bezit.

In de oude regeling was de actieve informatieplicht al deels verwerkt. De informatie verschaffing gebeurde echter incidenteel en niet periodiek.

4.

Een lid van het bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen worden ontslagen indien dit lid niet langer het vertrouwen van dat college bezit. 5. Het bestuur verstrekt zowel de colleges als de raden van de deelnemende gemeenten periodiek informatie over de uitvoering van de taakopdracht van de bedrijfsvoeringsorganisatie. 6. In aanvulling op de in de wet genoemde besluiten die voor zienswijze dienen te worden voorgelegd aan de raden van de gemeenten, kan het bestuur besluiten een voorgenomen besluit voor zienswijze aan de raad voor te leggen. Het gaat hierbij in ieder geval om voorgenomen besluiten die belangrijke gevolgen voor de toekomst van de samenwerkingsvorm hebben, zoals het toetreden van nieuwe deelnemers of het uitbreiden naar andersoortige dienstverlening (niet-IT). 7. Over de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid dat gevolgen heeft voor de inwoners van de gemeenten vindt participatie van de inwoners plaats via de gemeentelijke processen. Aan de gr is toegevoegd dat het bestuur de colleges en de raden periodiek informatie verschaft. Op deze manier ontvangt de raad niet enkel informatie op het moment dat het college of de raad dit ‘van belang' acht.

Art. 11 Verantwoording: 1. Een lid van het bestuur legt aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Het lid kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen. 2. Een lid van het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt. 3. Het eerste en tweede zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de verantwoording en inlichtingen aan de raden van de gemeenten, met dien verstande dat het bestuur de colleges betrekt bij de verantwoording en inlichtingen aan de raden. 4. Een lid van het bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen worden ontslagen indien dit lid niet langer het vertrouwen van dat college bezit.

Art. 11 Verantwoording, inlichtingen en besluiten voor zienswijze: 1. Het bestuur legt verantwoording af over het door het bestuur gevoerde beleid. Het bestuur kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen. 2. Het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt. 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de verantwoording en inlichtingen aan de raden van de gemeenten, met dien verstande dat het bestuur de colleges betrekt bij de verantwoording en inlichtingen aan de raden. 4. Een lid van het bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen worden ontslagen indien dit lid niet langer het vertrouwen van dat college bezit. 5. Het bestuur verstrekt zowel de colleges als de raden van de deelnemende gemeenten periodiek informatie over de uitvoering van de taakopdracht van de bedrijfsvoeringsorganisatie. 6. In aanvulling op de in de wet genoemde besluiten die voor zienswijze dienen te worden voorgelegd aan de raden van de gemeenten, kan het bestuur besluiten een voorgenomen besluit voor zienswijze aan de raad voor te leggen.

Het gaat hierbij in ieder geval om voorgenomen besluiten die belangrijke gevolgen voor de toekomst van de samenwerkingsvorm hebben, zoals het toetreden van nieuwe deelnemers of het

Art. 4, 14, 15, 16, 17, 19, 23 GBR

Algemene wijzigingen

-

-

-

-

De regels omtrent het treffen (procedure) en wijzigen van een gemeenschappelijke regeling zijn gewijzigd ex art. 1 Wgr. Voorts zijn er veranderingen gekomen in de planning- en control cyclus ex art. 34, 34b, 35 Wgr (respectievelijk kadernota, toezending ontwerpbegroting). Ook krijgen de bij een gr betrokken gemeenteraden een nieuw instrument in de zin van een regionale onderzoekscommissie (mogelijkheid tot doen onderzoek naar bestuur gr). De bevoegdheden van de gemeentelijke rekenkamer zijn op ondergeschikte punten uitgebreid. Er mag nu onderzoek worden gedaan naar de

Art. 1, 24a, 34, 34b en 35 Wgr

N.v.t.

uitbreiden naar andersoortige dienstverlening (niet-IT). 7. Over de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid dat gevolgen heeft voor de inwoners van de gemeenten vindt participatie van de inwoners plaats via de gemeentelijke processen. In de praktijk komt het erop neer dat enkele termijnen in de planning- en begrotingscyclus zijn aangepast. De andere wijzigingen zijn bij wet voorzien. Daar hoeft de gr dus niet voor te worden aangepast.

-

rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het samenwerkingsverband gevoerde bestuur. De Wgr geeft gemeenteraden de mogelijkheid om het algemeen bestuur te verzoeken een regionale raadsadviescommissie (overleg tussen raden) in te stellen. Artikel 4 Samenstelling Bestuur: 1.

2. 3. 4.

5.

Het bestuur bestaat uit twee leden. De colleges wijzen uit hun midden ieder één lid van het bestuur aan. De leden van het bestuur hebben ieder één stem. Het bestuur beslist bij unanimiteit. Indien de stemmen ten aanzien van een specifiek onderwerp duurzaam staken, wordt de geschillenregeling, genoemd in artikel 21 van kracht. De colleges wijzen voor ieder door hen aangewezen lid tevens een plaatsvervangend lid uit hun midden aan, dat het lid bij afwezigheid in het bestuur kan vervangen.

Artikel 14 Kadernota Het bestuur zendt uiterlijk 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting

Artikel 4 Samenstelling Bestuur: 1.

2. 3. 4.

5.

Het bestuur bestaat uit twee leden. De colleges wijzen uit hun midden ieder één lid van het bestuur aan. De leden van het bestuur hebben ieder één stem. Het bestuur beslist bij unanimiteit. Indien de stemmen ten aanzien van een specifiek onderwerp duurzaam staken, wordt de geschillenregeling, genoemd in artikel 23 van kracht. De colleges wijzen voor ieder door hen aangewezen lid tevens een plaatsvervangend lid uit hun midden aan, dat het lid bij afwezigheid in het bestuur kan vervangen.

Artikel 14 Kadernota: Het bestuur zendt uiterlijk 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en

dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden. Art. 15 Zienswijzenprocedure en vaststelling begroting: 1. Het bestuur zendt de ontwerpbegroting ten minste acht weken voordat deze wordt vastgesteld toe aan de raden. 2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 3. De raden kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. 4. Het bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient. 5. Na vaststelling van de begroting zendt het bestuur de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten van ZuidHolland hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 6. Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten van Zuid-Holland. 7. Het bepaalde in het eerste, derde en vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen van de begroting waarbij geen wijziging wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten.

beleidsmatige kaders aan de raden. Art. 15 Zienswijzenprocedure en vaststelling begroting: 1. Het bestuur zendt de ontwerpbegroting ten minste 12 weken voordat deze wordt vastgesteld toe aan de raden. 2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 3. De raden kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. 4. Het dagelijks bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze. 5. Het bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient. 6. Na vaststelling van de begroting zendt het bestuur de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten van ZuidHolland hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 7. Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten van Zuid-Holland. 8. Het bepaalde in het eerste, derde en vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen van de begroting waarbij geen wijziging wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten.

8.

Het bepaalde in het vierde en zesde lid is van toepassing, met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt, en in dat geval inzending aan gedeputeerde staten niet voor 1 augustus hoeft plaats te vinden.

Het bepaalde in het vierde en zesde lid is van toepassing, met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt, en in dat geval inzending aan gedeputeerde staten niet voor 15 september hoeft plaats te vinden. Artikel 16 Jaarrekening:

Artikel 16 Jaarrekening: 1. Het bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 2. Het bestuur zendt voor 15 april van het jaar na het jaar waarvoor de jaarrekening dient, een voorlopige jaarrekening aan de raden. 3. Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten van Zuid-Holland. Artikel 19 Wijziging: 1.

2.

Het bestuur kan een voorstel voor wijziging van de regeling aan de colleges zenden. De regeling is gewijzigd indien de colleges unaniem met de wijziging instemmen, onverminderd het bepaalde in artikel 1, tweede en derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 17 Duur:

1.

2.

3.

Het bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. Het bestuur zendt voor 30 april van het jaar na het jaar waarvoor de jaarrekening dient, een voorlopige jaarrekening aan de raden. Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

Artikel 18 Wijziging: 1. 2.

Het bestuur kan een voorstel voor wijziging van de regeling aan de colleges zenden. De regeling is gewijzigd indien de colleges unaniem met de wijziging instemmen, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 20 Duur: De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd. Artikel 25 Inwerkingtreding:

1. 2.

De regeling wordt getroffen voor een periode van twee jaar. De regeling wordt voor 31 december 2017 geëvalueerd, opdat de colleges kunnen besluiten of de regeling aanpassing behoeft.

Artikel 23 Inwerkingtreding: Deze regeling treedt in werking op de tweede dag na bekendmaking overeenkomstig artikel 20, tweede lid, doch niet eerder dan 1 juli 2016, onverminderd het bepaalde in artikel 26, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Deze regeling treedt in werking op de tweede dag na bekendmaking overeenkomstig artikel 22, tweede lid, doch niet eerder dan 1 juli 2016, onverminderd het bepaalde in artikel 26, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14233505/1