Was-wordt-tabel APV 6450914
Tekst van het document
Was/wordt-tabel actualisatie APV (6450914) 16 juli 2026 Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: [sub a. tot en met sub i.]
Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: [sub a. tot en met sub i.] j. beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. Toelichting Met de introductie van het begrip ‘beperkingengebiedactiviteit’ wordt aangesloten op de in de Omgevingswet gebruikte terminologie. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet kwam het begrip ‘beperkingengebied’ als zodanig niet voor. Daarvoor werd gewerkt met zonering (aan te houden afstanden) rond werken of objecten, bijvoorbeeld rond wegen of waterstaatswerken. De definitie is gelijk aan die in de modelAPV van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG).
Artikel 2:7 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg. 1. Het is toegestaan tijdelijk voorwerpen te plaatsen in de openbare ruimte, mits: a. plaatsing op eigen terrein niet mogelijk is; b. niet langer dan 6 maanden c. de omvang niet groter is dan 12 vierkante meter; d. het beoogde gebruik geen schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid en bereikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; e. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving voldoet aan redelijke eisen van welstand.
Artikel 2:7 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg. 1. Het is toegestaan tijdelijk voorwerpen te plaatsen op een openbare plaats, mits: a. plaatsing op eigen terrein niet mogelijk is; b. niet langer dan 6 maanden; c. de omvang niet groter is dan 12 vierkante meter; d. het beoogde gebruik geen schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid en bereikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; e. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving voldoet aan redelijke eisen van welstand.
2. Plaatsing van voorwerpen groter dan 12 vierkante meter dient uiterlijk 10 werkdagen voor de voorgenomen plaatsing in de openbare ruimte, gemeld te worden aan het college op een door het college voorgeschreven manier. De bepalingen van lid 1 onder a, b d en e zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Plaatsing van voorwerpen groter dan 12 vierkante meter dient uiterlijk 10 werkdagen voor de voorgenomen plaatsing op een openbare plaats, gemeld te worden aan het college op een door het college voorgeschreven manier. De bepalingen van lid 1, onder a, b, d en e, zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Het college kan nader regels stellen ten aanzien van voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg.
3. Het is verboden te handelen in strijd met het eerste of tweede lid, zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.
4. Het college kan indien werkzaamheden of omstandigheden daartoe aanleiding geven, gebieden aanwijzen waar het onder lid 1 van dit artikel bepaalde, tijdelijk niet van toepassing is. Wanneer een dergelijk gebied wordt aangewezen, dan is lid 2 van dit artikel van overeenkomstige toepassing. 5. Dit artikel is niet van toepassing op: a. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:15; b. terrassen; c. reclame als bedoeld in de Reclameverordening 2005; d. evenementen als bedoeld in artikel 2:17; e. deeltweewielers als bedoeld in artikel 2:7a. 6. Dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de op de wet algemene bepalingen omgevingsrecht gebaseerde voorschriften, de Woningwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of het Provinciaal wegenreglement of voor zover er sprake is van een evenement als bedoeld in artikel 2:17.
4. In dit artikel wordt onder bevoegd bestuursorgaan verstaan het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 6. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg. 7. Het college kan indien werkzaamheden of omstandigheden daartoe aanleiding geven, gebieden aanwijzen waar het onder lid 1 van dit artikel bepaalde, tijdelijk, geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is. Het college kan daarbij bepalen dat uiterlijk 10 werkdagen voor de voorgenomen plaatsing van voorwerpen, daarvan melding aan het college wordt gedaan op een door het college voorgeschreven manier. 8. Dit artikel is niet van toepassing op: a. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:15;
b. terrassen; c. reclame als bedoeld in de Reclameverordening 2005 of de opvolger daarvan; d. evenementen als bedoeld in artikel 2:17; e. deeltweewielers als bedoeld in artikel 2:7a. f. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend; g. de opslag van voorwerpen of stoffen door of namens de gemeente bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak. 9. Dit artikel is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Toelichting In lid 1 en lid 2 is ‘openbare ruimte’ vervangen door ‘openbare plaats’. Openbare ruimte is namelijk niet gedefinieerd, terwijl openbare plaats dat wel is en een vergelijkbare betekenis heeft. In lid 3 is een verbodsbepaling opgenomen, omdat het anders onduidelijk is of handhavend kan worden opgetreden tegen situaties, waarin goederen worden opgeslagen in de openbare ruimte die niet voldoen aan de in lid 1 en 2 gestelde eisen.
Het kan echter voorkomen dat het toch wenselijk of noodzakelijk is om in afwijking van de in lid 1 en 2 gestelde eisen toe te staan dat er goederen in de openbare ruimte worden opgeslagen, bijvoorbeeld als een project langer duurt dan 6 maanden. In dat geval kan daarvoor een vergunning worden verleend (lid 3 t/m 5). Onderdeel van de beoordeling van een vergunningaanvraag is dat de eventuele hinder voor omwonenden wordt afgewogen tegen de noodzaak om de goederen ter plaatse op te slaan. Lid 7 (lid 4 oud) is gewijzigd, omdat het onwenselijk is dat de eisen van lid 1, onder sub a, b, d en e, ook van toepassing zijn op de door het college aangewezen gebieden, waar het bepaalde in lid 1 tijdelijk niet geldt. Als alle eisen van lid 1, behalve de eisen ten aanzien van de grootte van de voorwerpen, voor deze gebieden gelden, dan heeft het aanwijzen van gebieden waar het bepaalde in lid 1 tijdelijke niet geldt, geen toegevoegde waarde. Lid 8 (lid 5 oud), sub c, is gewijzigd, omdat de Reclameverordening 2005 wordt gewijzigd. Mogelijk wijzigt dan ook de naam van de verordening. En tot slot is in lid 8 (lid 5 oud), sub g, geregeld dat wanneer de gemeente bij het uitvoeren van haar publiekrechtelijke taak handelt, zij geen vergunning op grond van artikel 2:7 nodig heeft. Er mag van uitgegaan worden dat zij haar werkzaamheden afstemt op de bruikbaarheid van de weg.
Vanwege aanpassingen in wetgeving is lid 9 (lid 6 oud) in overeenstemming gebracht met de model-APV van de VNG. Artikel 5:7 Parkeren van grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van a. 6.00 meter of meer b. of een breedte van 2.05 meter of meer c. of een hoogte van 2.40 meter of meer op wegen binnen de bebouwde kom en in recreatiegebieden van de gemeente te parkeren.
Artikel 5:7 Parkeren van grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2. Het in lid 1 omschreven verbod geldt niet voor het parkeren van door het college aangewezen voertuigen of de daarbij aangewezen wegen.
2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
3. Het is verboden een voertuig dat kennelijk is bestemd om te worden voortbewogen door een motorrijtuig met een lengte van minder dan 6.00 meter en/of een breedte van minder dan 2.05 meter en/of lager dan 2.40 meter, op wegen binnen de gemeente te parkeren.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.
4. Het in lid 1 en lid 3 gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die benodigd is voor het uitvoeren van
werkzaamheden waarvoor het gebruik van het voertuig redelijkerwijs noodzakelijk is. Toelichting In de verbodsbepaling van het huidige artikel 5:7 ontbreken belangrijke aspecten, zoals ‘het uiterlijk aanzien van de gemeente’ en ‘met het oog op de beschikbare parkeerruimte’. Juist die aspecten maken dat er ruimte is voor lokale regelgeving, naast de landelijke regels voor grote voertuigen. Een lokale regeling, zoals de APV, mag niet in strijd zijn met hogere regelgeving of met hetzelfde doel zijn vastgesteld. Door het ontbreken van die aspecten is artikel 5:7 mogelijk hiermee in strijd (en onverbindend). Daarom hebben het Openbaar Ministerie (OM) en het Centraal Justitieel Incassobureau laten weten dat ze de op feitcode uitgeschreven bonnen vanuit Delft niet langer zullen innen. Met een feitcode van het OM kunnen lichte overtredingen snel en eenduidig worden bestraft. Bij het vaststellen van de feitcodes heeft het OM aangesloten bij de bepalingen in de model-APV van de VNG. Om de omissie in artikel 5:7 te herstellen en de belemmering in de handhaving weg te nemen, wordt daarom zoveel mogelijk aangesloten bij de model-bepaling van de VNG, waarin de bovengenoemde aspecten wel zijn opgenomen. Artikel 5:24 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken. 1.
Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 3. De ontheffing kan worden geweigerd: a. in het belang van de openbare orde en veiligheid; b. ter bescherming van de woon- en leefomgeving; c. ter bescherming van de flora en fauna. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover: a. in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gebaseerde voorschriften; b. de provinciale milieuverordening hierover een regeling bevat; c. artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, Wetboek van strafrecht van toepassing is; of d. het verlichting betreft door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke, sfeervuren zoals terrashaarden, vuurkorven in de periode 3 januari tot en met 21 december; en e. dergelijk vuur voor koken, bakken en braden, indien dat geen gevaar, schade van welke aard dan ook, overlast of hinder oplevert voor de omgeving, tenzij uit een mededeling van de brandweer blijkt dat er sprake is van gevaar. Alsdan geldt een algeheel verbod op vuur voor koken, bakken en braden.
Artikel 5:24 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken. 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 3. De ontheffing kan worden geweigerd: a. in het belang van de openbare orde en veiligheid; b. ter bescherming van de woon- en leefomgeving; c. ter bescherming van de flora en fauna. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover: a. in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet; b. de provinciale omgevingsverordening hierover een regeling bevat; c. artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, Wetboek van strafrecht van toepassing is; of d. het verlichting betreft door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke, sfeervuren zoals terrashaarden, vuurkorven; en e. dergelijk vuur voor koken, bakken en braden, indien dat geen gevaar, schade van welke aard dan ook, overlast of hinder oplevert voor de omgeving, tenzij uit een mededeling van de brandweer blijkt dat er sprake is van gevaar. Alsdan geldt een algeheel verbod op vuur voor koken, bakken en braden.
Toelichting Artikel 5:24, lid 1 en lid 4, onder a en b, worden aangepast, omdat in het oude artikel verwezen werd naar vervallen regelgeving. Lid 4, onder d, is gewijzigd zodat het hele jaar door gebruik kan worden gemaakt van fakkels, vuurkorven en terrashaarden. Zolang het vuur gestookt wordt binnen de in dit artikel voorgeschreven randvoorwaarden, is er vanuit het oogpunt van veiligheid geen reden voor een verbod in deze periode. Vanaf de jaarwisseling 2026-2027 is waarschijnlijk een landelijk vuurwerkverbod van kracht en komt voor een deel van de samenleving een gewaardeerde traditie te vervallen. De komende jaren zullen nieuwe initiatieven ontstaan om er ook zonder vuurwerk een unieke avond van te maken. De gemeente heeft tijdens de jaarwisseling van 2025-2026 een eerste aanzet gegeven voor zo’n nieuw initiatief door bij wijze van proef een aantal vuurkorven beschikbaar te stellen aan inwoners van Delft. Uit de evaluatie van deze pilot is gebleken dat de
deelnemers dit initiatief erg waardeerden en bovendien dat het gebruik van de vuurkorven ook veilig en zonder hinder voor anderen is verlopen. Ook de brandweer en de politie hebben geen ongeregeldheden gemeld rondom de verstrekte vuurkorven. Het schrappen van de in lid 4, onder d, gestelde periode maakt het mogelijk om tijdens de jaarwisseling zonder ontheffing vuurkorven en andere sfeervuren te stoken of te hebben. Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente [Afdeling 1 t/m 9]
Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente [Afdeling 1 t/m 9] Afdeling 10 Overige bepalingen Artikel 5:29 Magneetvissen 1. Het is verboden om in door het college aangewezen openbare wateren de waterbodem af te zoeken naar voorwerpen met een magneet, dan wel met een techniek met een vergelijkbare werking. 2. Het verbod geldt niet voor werkzaamheden die worden verricht door, of in opdracht van, een publiekrechtelijke rechtspersoon of één van hun bestuursorganen. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a. archeologie dan wel de mogelijke aanwezigheid van archeologische voorwerpen; b. beschermde flora of fauna al dan niet onder water, zoals bedoeld in de Omgevingswet. 5. Op de aanvraag om een ontheffing is artikel 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting In de afgelopen jaren hebben (deels minderjarige) magneetvissers met enige regelmaat explosieven uit het water in Delft gevist, waarna de Explosievenopruimingsdienst ter plaatse moest komen om de explosieven onklaar te maken. De explosieven zijn tijdens en kort na de tweede wereldoorlog in het water terecht gekomen.
Het opvissen van dit soort explosieven brengt risico’s met zich mee voor de magneetvisser, omstanders en de EOD. Daarom wordt magneetvissen in de door het college aangewezen wateren verboden. Op grond van het derde lid is het mogelijk om een ontheffing te verlenen van het verbod. De ontheffing mag worden geweigerd in gebieden waarvan bekend is dat er archeologische voorwerpen aanwezig kunnen zijn. Hierbij wordt met name aan de wateren in en rond de historische binnenstad gedacht. Ook de aanwezigheid van beschermde flora of fauna, bijvoorbeeld in of rond een kademuur, kan reden zijn om de ontheffing te weigeren.