Verslag bespreking Strategische Agenda in adviescommissies 19 04 2023
Tekst van het document
Verslag
Aan Van Onderwerp
Datum Algemeen bestuur 19 april 2023 Adviescommissie EV & Adviescommissie Va Woordelijk verslag van bespreking in de adviescommissie inzake adviesvraag rode draden zienswijze Strategische Agenda
Adviescommissie Economisch Vestgingsklimaat De adviescommissie EV bespreekt de adviesvraag van de rode draden uit de zienswijze van de Strategische Agenda. Het gesprek is vastgelegd als een woordelijk verslag en dit verslag wordt gedeeld met het algemeen bestuur. Mw. Mourik introduceert allereerst het onderwerp met een korte presentatie en presenteert de algemene bevindingen uit de zienswijze. Aan de adviescommissie wordt de vraag gesteld of de leden zich herkennen in de algemene bevindingen en of er nog aanvullingen/reflecties zijn om mee te geven. De voorzitter vraagt of zij iemand het woord mag geven. Mw. Peeck (Den Haag) geeft aan dat ze redelijk veel herkent in de presentatie en zeker ook positief is over het proces. Hier zijn we het over eens in de gemeenteraad, hartstikke fijn. Zoals jullie weten is er bij ons veel discussie in de raad over democratische legitimiteit. En ik merk dat nog steeds ook niet zo duidelijk wordt op welke manier de raden betrokken gaan worden. Er wordt wel gezegd dat ze meer betrokken worden, maar de concreetheid missen we nog. Kan je daar iets meer over zeggen? Mw. Mourik antwoordt daarop dat dit langs twee sporen gebeurt.
De manier waarop wij de Strategische Agenda hebben gedaan en met ‘ov en corona’ al hebben geoefend bij jullie collega’s van de AcVa, betekent veel momenten waarin we met elkaar het gesprek voeren over wat er nou eigenlijk aan de hand is, informatie-uitwisseling, en vervolgens betrokkenheid van raadsleden organiseren bij besluitvorming. Deze manier van werken, maar ook de vertaling daarvan in een concreet, helder en volgbaar document, dat is waarmee wij de komende tijd aan de slag gaan. Wij zijn momenteel bezig om te zorgen dat we die werkwijze, die aanpak ook in voorstellen gaan neerleggen, zodat we allemaal het hetzelfde begrijpen en we met elkaar daar hetzelfde beeld in hebben. Een ander element wat je noemt, richt zich meer op de organisatiestructuur van MRDH. We hebben met elkaar in het organisatiemodel van de MRDH, in mijn woorden, de raadsleden een goede positie gegeven. Daar verschillen de gemeenten soms en onderling over van opvatting. En wij zien ook in het dagdagelijks werken, dat gemeenten heel anders invulling geven aan die raadsbetrokkenheid en ook, vanuit die andere invulling, het soms een andere waardering geven. Ik knip die twee elementen graag los en met mij doet dat het Dagelijks Bestuur.
Eén: de manier van werken rondom de SA dat gaan we vasthouden, dat gaan jullie de komende tijd zien in een concreet uitwerkingsvoorstel, maar ik hoop stiekem al eerder gewoon dat je gaat denken ‘hé’ ik zie dit terug, ik herken de ingezette koers. Maar we gaan ook het andere gesprek over de meer organisatieelementen met elkaar voeren. In het najaar gaan we starten met de gesprekken daarover in het kader van de geplande evaluatie.
1
Mw. Peeck geeft aan dat heel erg fijn te vinden. We merken dat met name ook in het moment van aanlevering van stukken, dan heb je het over organisatiestructuur, het voor ons heel lastig maakt om de andere raadsleden erbij te betrekken. Mw. Mourik geeft aan dat ze dit begrijpt en verwijst naar een ander agendapunt op de agenda. Mw. Peeck geeft aan dat ze onderwerpen heel graag toch in de commissie wil voorleggen en dat lukt gewoon niet met de huidige gehanteerde termijnen. Mw. Mourik geeft aan dat ze hoopt dat we elkaar de ruimte geven om met verbeteringen en andere werkwijzen te gaan oefenen, want waar jullie behoefte zit, hoort gespiegeld ook een bestuurlijk proces met doorlooptijden. Ik heb, als directeur van MRDH, ook de opdracht om het DB te betrekken, om een bestuurscommissie te betrekken. Het hele proces van de Strategische Agenda heeft anderhalf jaar in beslag genomen. Dus, waar is meer ruimte geven in tijd nu een goed antwoord en waar is het belemmerend voor de voortgang op inhoud? Nou, dat moeten we de komende tijd een beetje gaan uitvinden. Wij zijn als werkorganisatie inmiddels aan het puzzelen en dat gaan we in voorstellen aan jullie voorleggen, zoals gezegd: de agenda van de AcEV laat hiertoe al voorstellen zien. Mw. Peeck geeft aan nog een vervolgvraag te willen stellen.
De zienswijzen op de SA die zo nu zijn ingebracht, worden die meegenomen naar de evaluatie van 2024? Mw. Mourik geeft aan dat bij de komende evaluatie van de MRDH, onze derde evaluatie, MRDH dat meeneemt. Dat geldt ook voor de input uit de zienswijzen op de begroting. Ze markeert ook dat deze gemeenschappelijke regeling zich voor de derde keer in tien jaar evalueert. Belangrijk: het schetst de ambitie steeds te willen blijven verbeteren. Het proces rondom die evaluatie kent ook zijn eigen manier van betrokkenheid van raadsleden, wethouders, maar ook van andere stakeholders. Dus ja we nemen het mee, maar er komt ook een apart proces van betrokkenheid. De voorzitter vraagt of de adviescommissieleden zich herkennen in de bevindingen en of er nog aanvullende opmerkingen meegegeven moet worden. Dhr. Nijman (Wassenaar) stelt een vraag om de monitoring van de voortgang te bewaken. Wat is de frequentie die jullie voor ogen hebben en de manier van rapporteren, waarmee ook andere raadsleden betrokken kunnen worden? Mw. Mourik antwoordt hierop dat dhr. Nijman het eigenlijk al in één zin noemt. We moeten goed monitoren om jullie als raadsleden met je collega’s buiten de adviescommissies in staat te stellen om kaders te geven aan je bestuurder en om te kunnen controleren achteraf.
Dat moeten jullie doen via de adviescommissie naar ons, maar dat doen jullie óók richting je eigen wethouder in je eigen raad. Daar hebben we bijvoorbeeld de gebruikelijke P&C cyclus voor met een begroting en met een jaarrekening. En dat is een belangrijk moment van betrokkenheid bij elkaar. Maar ik vind ook dat we beroerd in de opdracht van betrokkenheid zouden slagen als dat het enige moment van betrokkenheid is. Wij hebben als werkorganisatie niet de insteek om elke maand monitoringsrapportages te gaan doen of elk kwartaal. Nee, we gaan zorgen dat we de begroting en de jaarrekening van betere indicatoren voorzien, waardoor jullie daar beter op kunnen sturen. Maar mijn ambitie is eigenlijk wel dat als jullie de jaarrekening krijgen, je niets nieuws leest, omdat we met elkaar zo intensief in gesprek zijn geweest tussen de begroting en de jaarrekening door, dat we van elkaar weten waar we staan. Mw. Peeck heeft nog een vraag over de inzet van de flexpool. Komt daar een soort afweegkader van? Mw. Mourik antwoordt hierop dat we dat nu aan het maken zijn en voor een deel al onderdeel is van de besluitvorming hierover in het Algemeen Bestuur in december. Wat we hebben geconstateerd, is dat die uitvoeringskracht mist in sommige gemeenten op sommige dossiers.
En dat we daar een rol in willen spelen, omdat wat we nu bijvoorbeeld zien is dat er vooral heel veel externe partijen met elkaar aan het inhuren zijn, waarna we heel veel regionale kennis ook weer zien uitvloeien naar andere regio’s. dat is natuurlijk zonde. Dat was de drijfveer om het voorstel voor de flexpool te doen aan het Algemeen Bestuur. In dat besluit is een belangrijke afweging voor inzet al meegenomen, en dat is dat 2
de inzet van de flexpool gericht moet zijn op regionale opgave. Dus ze kunnen wel in een gemeente of in meerdere gemeenten spelen, maar het kan niet een louter lokaal vraagstuk zijn. Het moet een doel of opgave zijn uit de Strategische Agenda. Wat mij betreft is dat ook het enige wat we in het kader van de inzet flexpool met elkaar vastleggen. Wellicht krijgen we daar later ‘spijt’ van. Wellicht moeten we wel gaan afwegen wanneer welke gemeente en wanneer welke ruimte. Dan kun je twee dingen doen, of je kunt denken, we gaan eerst maar gewoon beginnen en dan we gaan vanzelf wel zien of en waar het knelt en dan gaan we eens met elkaar kijken hoe we dat kunnen oplossen. Of je gaat aan de voorkant heel veel energie steken in een afweegkader. De insteek die gekozen is, is om maar gewoon van de wal te gaan. We hebben met alle gemeentesecretarissen intensief contact over vraag: speelt dit bij jullie, heb je de behoefte aan inzet en wat zou die inzet dan zijn in omvang, in type mensen, heb je een projectmanager nodig of een procesmanager of een adviseur? Wij denken dat we het voor het komend jaar best passend kunnen krijgen. Mogelijk moeten we faseren of schuurt het hier en daar. Dus ons voorstel vanuit de organisatie wordt niet teveel afwegingskaders er nu in te gaan zetten. Maar om gewoon maar werkende weg te gaan zien of dat alsnog nodig blijkt. Mw.
Peeck antwoordt hierop dat ze mw. Mourik hoort zeggen dat de voorwaarden dus zijn dat het kerntaken uit de Strategische Agenda en dat de opdracht echt regionaal moet zijn. Mw. Mourik bevestigt dit. Mw. Brussaard (Delft) herkent de algemene reflecties met alle zienswijzen over de indicatoren. In de zienswijze van Delft werd ook genoemd om voor brede welvaart ook de indicatoren van de provincie te gebruiken, om zo eenzelfde indicatoren te gebruiken. Ze is daar heel benieuwd naar. Mw. Mourik antwoordt hierop dat het een terechte vraag is. Brede welvaart is één van de volgende sheets en daar hebben jullie bijna ook allemaal heel veel aandacht aan besteed in de zienswijzen, dus die pak ik zo meteen. De vraag over meer in abstracte zin, de indicatoren. Hoe kom je tot indicatoren? Jullie hebben terechte reflecties gegeven afgelopen anderhalf jaar, dat het op bepaalde onderdelen beter, scherper en helderder kan. Dus daar maken we een slag in en ik hoop dat jullie in de begroting die je nu krijgt toegestuurd al zien dat we dat doen, dat we daar mee aan de slag zijn. Daarmee is het nog niet de 10 die we graag willen halen, maar ik hoop echt dat jullie zien dat daar alweer een stap vooruit is gemaakt ten opzichte van de vorige. Brede welvaart is één van die elementen waar jullie dus allemaal aandacht voor vragen of ieder geval een groot deel van jullie gemeenten aandacht voor vragen.
En waarvan we constateren dat we voor een deel gebruik kunnen maken van wat er de afgelopen jaren is bediscussieerd, maar dat het best een nieuw thema is dat verdieping vraagt. Wat we in de zienswijzen van jullie ook zagen, is dat de gemeenten die het onderwerp waarderen er een andere duiding aangeven. Dat wil zeggen: er dus niet meteen uit die 21 zienswijzen een collectief beeld te destilleren ’dit is brede welvaart’. Dat betekent dat we de komende tijd eerst met elkaar het gesprek gaan voeren over wat brede welvaart is, hoe we dat collectief vertalen én wat de betekenis daarvan is voor de twee taken van MRDH. Wij zullen de komende periode initiatieven gaan nemen om met jullie dat gesprek over brede welvaart beginnen, door in de inhoud te verdiepen, zodat we een collectief beeld krijgen over wat dat is en over wat dat voor de MRDH betekent en dan vertalen we het naar indicatoren. Mw. Steinebach geeft aan nog een kleine aanvulling te willen geven over de indicatoren, omdat die ook een beetje gekoppeld zijn aan de vraag die net werd gesteld over monitoring. Voor de programma’s van EV werkt dit anders dan bij Va, omdat we de focus gaan verleggen en de koers aanscherpen. De vorige keer hebben we uitgebreid gesproken in de AC arbeidsmarkt onderwijs en vandaag staat MKB op het programma als verdiepend onderwerp.
Om deze reden, die programma’s worden echt opnieuw ontworpen, natuurlijk wel gebruikmakend van alles wat we al hebben geleerd afgelopen tijd. Dat geldt dus ook voor de indicatoren; we nemen mee wat bruikbaar blijft en goed werkt, we verrijken wat nieuw is of beter kan. Daarin zullen wij dus ook bijvoorbeeld die indicatoren voor brede welvaart in meenemen. Dat is de eerste opmerking die ik daarover wil maken en de tweede opmerking die daarover wilde maken is, dat het inderdaad een terechte constatering is dat er meerdere partners in onze omgeving deze slag aan het maken zijn, zowel op brede welvaart, als ook op andere thema’s als het gaat om meer resultaatgericht beleid uitzetten en uitvoeren. En we hebben dus ook samen met de Provincie, met een aantal gemeenten en met bijvoorbeeld InnovationQuarter de afspraak om daar ook de handen in één te slaan en te kijken hoe wij elkaar daarin kunnen versterken, zodat als we dus beleid gaan uitvoeren, dat we dan ook op een éénduidige manier gaan 3
rapporteren en dus ook op een éénduidige manier op die indicatoren gaat sturen, dus ook daar slaan we de handen in één. De voorzitter vraagt of er naar aanleiding van punt 1 en 2 van de agenda nog vragen zijn. Dhr. Jacobs (Krimpen aan den IJssel) geeft aan nog moeite te hebben met het eerste punt. Vooral bij het punt rondom de bestuurlijke tafel ‘Energietransitie’. Hij zou het jammer vinden als de mooie dingen die gebeurd zijn en de rol die de MRDH daarin gespeeld heeft nu wordt gestopt. Mw. Mourik antwoordt dat ze niet zegt in het voorstel dat de ambtelijke organisatie aan het DB en de AB gaan doen, dat het werk dat nu in die tafels gebeurt, stopt. Als de gemeenten het met elkaar belangrijk vinden – en in de constatering dat het geen taak van MRDH betreft, dan moet er vanuit de gemeenten ook energie komen om die inhoud verder te brengen. En dan kunnen wij als MRDH organiseren dat het gesprek plaatsvindt: faciliteren. Dhr. Jacobs vraagt vervolgens of er niet samen met de gemeenten gekeken kan worden naar wat de nieuwe rolverdeling in het nieuwe netwerk moet worden, los van de uitkomst en de rol van de MRDH. Mw. Mourik antwoordt dat dit gesprek vervolgd kan worden met de eigen bestuurder. Haar rol is vanuit werkorganisatie een voorstel te doen aan de bestuurders in het AB. Mw.
Witte (Voorne aan Zee) vraagt in aansluiting op vraag van de heer Jacobs of er bij het gewijzigde advies hoe om te gaan met de bestuurlijke tafels een regisseur te benoemen, want de ervaring is met 21 gemeenten dat al het belangrijk gevonden wordt er dan een regisseur is die voortgang op inhoud en betrokkenheid bewaakt en organiseert. En dat was, denk zij, ook een rol die de MRDH invulde, maar die nu wellicht gaat leiden tot elkaar aankijken en wie dat dan gaat doen. Aanvullend hierop stelt Dhr. Klapwijk (Pijnacker-Nootdorp) dat dit precies de reden is dat de inhoudelijke verantwoordelijkheid voor de bestuurlijke tafels bij de MRDH weg moet. Het redt zichzelf dus niet en als de MRDH het niet doet, dan komt het niet van de grond. Terwijl het geen kerntaak is, wat hem betreft helemaal eens met het MRDH-voorstel. Mw. Kleewein (Pijnacker-Nootdorp) voegt toe dat juist de bedoeling van dit voorstel is, dat als je als gemeente zegt: we vinden dit onderwerp zo belangrijk, maar wij hebben wel een ambtelijk secretaris nodig, dat je die dan zelf of met elkaar moet organiseren. Mw. Mourik antwoordt hierop dat het bij haar een heel belangrijk spanningsveld raakt. Niet vanuit persoon, maar vanuit de organisatie. Wij kunnen niet EN zienswijzen en reflecties krijgen met daarin ‘houd je aan je kerntaken’ EN vragen ‘stap in elk gat wat er is’, dat kan niet.
En het maakt haar niet uit welke keuze er bestuurlijk wordt gemaakt overigens, maar zij vindt wel dat als zij als directeur de taak heeft, omdat zij aangesteld is voor de taken Mobiliteit en Economisch Vestigingsklimaat en haar organisatie daar mensen en middelen voor krijgt. Zij moet dan vanuit die verantwoordelijkheid het goede bestuurlijke gesprek organiseren. En als het bestuur besluit dat zij dit belangrijk vinden, dan hoort daar ook bij, dat de organisatie daar ruimte krijgt om daar capaciteit op in te zetten en misschien ook wel een beetje inhoudelijk geld. Maar de bestuurlijke tafels goed faciliteren en organiseren kan daar niet zonder en dat is nu wel de praktijk. Mw. Peeck antwoordt hierop ervan uit te gaan dat het Algemeen Bestuur besluit dat het inderdaad niet haar rol is, maar samenwerking wel te willen faciliteren. En er zijn geen gemeenten, zoals gemeente Pijnacker-Nootdorp aangaf, die het willen oppakken of die zelf een voorstel sturen aan de groep met hoe zij het willen aanpakken? Mw.
Mourik antwoordt hierop dat in de Nota van Beantwoording dus een gewijzigd voorstel komt ten opzichte van de concept-Strategische Agenda, vanuit de ingediende zienswijzen, die voorstelt om per 1 juli naar die nieuwe situatie te gaan, zodat gemeenten nog een aantal weken/maanden hebben om met elkaar te gaan kijken, als MRDH de faciliterende rol te gaan vervullen en die inhoudelijke rol dus niet meer, hoe gekomen kan worden tot een goede opvolging.
4
Mw. Peeck stelt aanvullend nog een vraag over brede welvaart. Zou het niet beter zijn, omdat brede welvaart door iedereen op een andere manier wordt ingevuld of naar wordt gekeken, zoals jij zelf net zei, er in de zienswijzen naar voren kwam, dat er wel alvast een voorstel gedaan wordt door MRDH? Mw. Mourik antwoordt hierop dat zal gebeuren en samen met burgemeester De Lange van Wassenaar, die voorzitter is van de AB-commissie, gewerkt wordt om dit najaar een bijeenkomst voor te bereiden waar we met een aantal kernsprekers, raadsleden en wethouders een soort van startmoment gaan creëren voor een verdiepend gesprek over dit onderwerp, zodat iedereen ook even ziet wat waardevolle elementen zijn in dit begrip. Op basis van dat gesprek en die input gaan wij vervolgens een voorstel doen. Dhr. Van Wijk (Leidschendam-Voorburg) geeft aan dat hij nog moeite heeft met het begrip van de bestuurlijke organisatie van MRDH. Wethouders zitten in het algemeen/ dagelijks bestuur, je spreekt over de gemeentesecretaris en zowel ambtenaren als raadsleden zijn er mee bezig. Waar komt nou uiteindelijk het bestuurlijk verhaal vandaan? Wie moet dat nou eigenlijk oppakken? Ligt dat bij commissies, ligt dat bij het Algemeen of Dagelijks Bestuur? Eigenlijk moet iemand eigenaar zijn en beschikken voor het bestuur en vanuit de MRDH aanspreekbaar zijn. Mw.
Mourik antwoordt dat de organisatie van de MRDH eigenlijk niet heel anders is dan de verantwoordelijkheidsverdeling in gemeenten. Iedereen heeft zijn eigen rol in het geheel en dat geldt bij ons ook. Dus het Algemeen Bestuur, waarin 21 burgemeesters zitting hebben, is hoeder van de algemene strategie en dus eigenaar van de Strategische Agenda, stelt begrotingen en jaarrekeningen vast, en is chef lobby, om het maar even zo te zeggen. Zij hebben de inhoudelijke taken gedelegeerd voor Mobiliteit aan de Bestuurscommissie Va en voor Economisch Vestigingsklimaat aan de Bestuurscommissie Ev. En jullie zijn de adviescommissies voor die gremia. De wethouders die zitting hebben in de bestuurscommissies zitten daar vanuit verlengd lokaal bestuur. Dus dat betekent dat je als raadslid je wethouder een kader vooraf meegeeft of mee kan geven en controle uitvoert achteraf. De burgemeesters, die dus in het Algemeen Bestuur zitten, zitten daar als voorzitter van de raad. Dat is hoe wij het met elkaar hebben afgesproken. En dat betekent dus ook en dat is volgens tegelijkertijd het charmante van hoe wij in Nederland breed werken en dus ook hier, is dat wij met elkaar het verhaal vormen, in het collectief, en dat we daar dus tegelijkertijd onze eigen rol in hebben. Dhr. Ammerlaan (Lansingerland) stelt dat hij in het kader van brede welvaart nog een opmerking heeft.
Ik heb gisteravond met de klankbordgroep bij elkaar gezeten. Met de burgemeester, wethouders en ambtenaren en de betrokken raadsleden, over de onderwerpen die binnen de MRDH de komende periode worden besproken. We hebben daardoor intern een goede afstemming. Dhr. Van Wijk vraagt aanvullend hierop of dit bij elke gemeente gebeurt? Mw. Mourik antwoordt dat iedere gemeente dit op zijn eigen manier vormgeeft. Sommige gemeenten hebben een denktank, anderen maken het een onderdeel van hun commissie bestuur of algemene zaken, sommigen hebben een klankbordgroep en sommigen hebben geen collectieve voorbereiding. Dat is naar eigen invulling, naar hoe een gemeente denkt dat je de inzet van je gemeente het meest effectief voor het voetlicht kan brengen. Krimpen aan den IJssel is wat mij betreft een voorbeeld waar dat heel goed werkt. Dhr. Van Wijk vertelt dat hij daar een aanloop in heeft genomen, daarmee nu gestart is en hoopt dat goed gaat werken. Mw. Steinebach merkt op ter inspiratie dat er n.a.v. de vorige evaluatie een overzicht is opgesteld met daarin een aantal best practices in gemeenten. Die is natuurlijk opnieuw te delen en dat gaan we doen. Dat kan ter inspiratie helpen. Dhr.
Ammerlaan heeft nog een vraag over de brede welvaart en de kerntaken, hoe gaan we dat doen? Ik denk dat het goed is als eerst de gemeenten gaan verkennen wat het begrip inhoudt, waarbij MRDH kan zorgen voor kennisuitwisseling, niet dat ze het allemaal zelf gaan bedenken, maar de best practices gaan delen, zodat elke gemeente op zijn eigen manier kan gaan doen voordat de MRDH gaat zeggen: zo gaan we het doen. Dat is volgens mij niet de bedoeling, want het moet vanuit de gemeenten komen, zodat iedereen daar zelf zijn eigen gedachten bij kan vormen. MRDH is daarbij faciliterend in het delen van informatie en dan moeten we het gaan vertalen naar hoe wij dat met zijn allen gaan doen. 5
Mw. Mourik antwoordt hierop dat zij dat liever tegelijk wil gaan doen. En waarom? Omdat jullie de organisatie MRDH ook een opdracht hebben gegeven via de ingediende zienswijzen, namelijk: verwerk brede welvaart in de indicatoren en dus in je begroting. Dus dat betekent dat als wij als MRDH die opdracht van jullie krijgen, wij ook aan de lat staan om te zorgen dat wij die opdracht uitvoeren en uit kunnen voeren. En die opdracht willen wij zoals ik aangaf gaan uitvoeren op de manier die u beschrijft, namelijk gezamenlijk het gesprek voeren over ‘wat is brede welvaart en welke verschillende reflecties, definities zijn daarop relevant en hoe komen we dan tot een collectieve definitie die past bij onze kerntaken’. En daarbij hoort natuurlijk dat wij in dat proces elke gemeente voldoende ruimte geven om die reflectie ook zelf te doen, zodat zij ook onderdeel kunnen zijn van het regionale beeld wat wij uiteindelijk moeten gaan vormen. Maar jullie geven in de zienswijzen gezamenlijk de opdracht om ermee aan de slag te gaan. Ik ga ervanuit dat als jullie vanuit een gemeente besluiten een element in een zienswijze neer te zetten en daar de beraadslagingen en vervolgens besluitvorming over hebben, dat jullie met elkaar ook wegen welke inzet je als gemeente op een thema zoals brede welvaart hebt. Ik zie in ieder geval in de 21 zienswijzen daar verschillende vertalingen van.
Dat betekent dus dat een deel van het eigen huiswerk al is vormgegeven én dat we nu tot een collectief beeld moeten gaan komen. Dhr. Moerman (Midden-Delfland) heeft n.a.v. van de rode draden nog een opmerking. In het dagelijks leven werk ik voor de VNO-NCW West en die zijn ook heel erg bezig met brede welvaart. Vanuit VNO-NCW landelijk en MKB Nederland zijn er documenten opgesteld, misschien herken je het wel. Vanuit de Rabobank hebben zij al een deel van die indicatoren samengesteld. Ik merk dat de gemeenten nog heel erg zoekend zijn. Volgende maand zit ik vanuit mijn werk met de gemeenten Pijnacker-Nootdorp en Lansingerland ook met de wethouders te praten over hoe wil die invulling gaan geven over die brede welvaart. Dus het advies is ook juist om misschien contact op te nemen met VNO-NCW en de Rabobank die al vrij ver zijn in dit proces. Mevr. Mourik geeft aan dat juist ook de betrokkenheid van andere partijen ook in het eigen MRDHproces betrokken wordt. De voorzitter geeft aan dat dit onderwerp ook straks tijdens de themasessie verder aan de orde komt. Dhr. Hondebrink (Albrandswaard) geeft aan om nog een reflectie of notie mee te geven voor in overweging. Wij zien bijvoorbeeld groenblauwe leefomgeving in Albrandswaard en in andere gemeenten die een beetje groen en blauw zijn ook eigenlijk als een onderdeel van brede welvaart.
Dus als we het hebben over die bestuurlijke tafel, dan zou ik toch wel willen pleiten dat het onderwerp groenblauw wel in ieder geval meegenomen wordt als onderdeel van brede welvaart. En ook met het oog op het feit dat de groenblauw niet alleen brede welvaart is in de zin van 'welzijn en goed voor de mensen’, maar daar zit ook een economische verdienmodel achter. Voor mij een belangrijk element. Mw. Mourik antwoordt hierop dat het precies die afbakening is zoals die in de Strategische Agenda staat. Waar het beleidsontwikkeling betreft op groenblauw als in de zin ‘wie maait de paden en wie maait die fietspaden’. Nee, daarin heeft MRDH geen taak . Discussies over de kwaliteit van groenblauw, de beleidsontwikkeling, die horen bij de Provincie, want die zijn eigenaar van het groenblauwe recreatiegebieden, maar als het gaat voor de noodzaak van groenblauw voor het Economisch Vestigingsklimaat, ik zou bijna zeggen, juist in een heel verstedelijk gebied heb je natuurlijk helemaal gelijk. Daarom staat het ook zo in de Strategische Agenda. Dhr. Klapwijk heeft een vraag over punt vier. 2040 Is prima, maar moeten we ook niet iets hebben van een visie op de kortere termijn? Mw. Mourik antwoordt hierop dat we voor corona jaarlijks mooie, forse groei in het OV realiseerden. Toen kwam de Coronaperiode en nu zijn we aan het stabiliseren en herstellen.
En in 2040 moeten we gerealiseerd hebben wat we dit najaar voor 4.7 miljard hebben beloofd te gaan doen: de schaalsprong OV met een forse woningbouwcomponent. En eigenlijk hebben jullie in de zienswijzen allemaal gevraagd: verbind die twee opgaven herstel en eindbeeld met elkaar en zorg ervoor dat je een stappenplan hebt om daar te komen; kom met een visie op hoe we dat in deze regio willen gaan doen en wat daarvoor nodig is. Die oproep omarmen we en leidt tot een gewijzigd voorstel in de Nota van Beantwoording. 6
Mw. Brussaard mist eigenlijk nog een punt bij de rode draad en dat is dat er in best wel veel zienswijzen werd aangegeven dat er eigenlijk een veel duidelijker internationaal profiel moet zijn van de MRDH; hoe wij zichtbaar zijn en daar het maximale uit halen. Mw. Mourik antwoordt hierop dat het geen rode draad is, omdat het thema niet veel terugkwam, maar er inderdaad gemeenten zijn die daar wel om hebben gevraagd. Vanuit MRDH zullen we daarop terugkomen en voorstellen doen voor versterking én benutting van die internationale lijnen. De voorzitter geeft aan dat Mw. Brussaard haar vraag genoteerd staat en haar vraag wordt meegenomen. Mw. Mourik geeft aan dat Mw. Burssaard haar vraag kan terugzien als een uitwerkingspunt. En daarmee sluit de voorzitter agendapunt 2.
7
Adviescommissie Vervoersautoriteit De adviescommissie Va bespreekt de adviesvraag van de rode draden uit de zienswijze van de Strategische Agenda. Het gesprek is vastgelegd als een woordelijk verslag en dit verslag wordt gedeeld met het algemeen bestuur. Mw. Mourik introduceert allereerst het onderwerp met een korte presentatie en presenteert de algemene bevindingen uit de zienswijze. Aan de adviescommissie wordt de vraag gesteld of de leden zich herkennen in de algemene bevindingen en of er nog aanvullingen zijn om mee te geven. Er zijn vanuit de adviescommissie geen opmerkingen en de voorzitter concludeert dat de adviescommissie de algemene bevindingen herkent. Vervolgens bespreekt de adviescommissie de inhoudelijke rode lijnen van de zienswijze, waarbij allereerst punt 4, doorontwikkelen visie op het netwerk en in het bijzonder openbaar vervoer, besproken wordt met de vraag wat de adviescommissie vindt van het voorstel om te starten met het opstellen van een visie op mobiliteit en speciale aandacht voor OV als uitwerking van de ambities uit de Strategische Agenda. De voorzitter informeert of er hierover vragen zijn. Dhr. Van ’t End (Rijswijk) vraagt of onderdeel van de visie een netwerkanalyse is van hoe onze regionale netwerken in elkaar steken en wat daarin de knelpunten zijn en wat dat eventueel zou betekenen voor een investeringsagenda. Mw.
Mourik antwoordt dat dit inderdaad is hoe MRDH tot de visie wil komen; weten wat je zwakke en sterke punten zijn en weten wat je vervolgens nodig hebt om tot een eindbeeld te komen. Mw. Van Wifferen (Rotterdam) geeft aansluitend daarop aan dat vanuit haar gemeente betrokkenheid van inwoners bij het opstellen van visies wordt gemist. De vraag is dan ook als je een visie opstelt in hoeverre je daar inwoners bij kunt betrekken. Mw. Mourik antwoordt dat we daar in de vorige vergadering ook het gesprek met elkaar over hebben gevoerd en de conclusie die de adviescommissie toen trok was dat het belangrijk is dat inwoners worden betrokken bij besluitvorming, maar het is niet perse een rol van de MRDH is; daarvoor zijn gemeenten een belangrijke partner. Het betekent in de huidige afspraak met name dat de gemeenten aan zet zijn, waarbij de MRDH uiteraard graag behulpzaam is. Uw vraag formuleer ik daarom zo ’zorg voor voldoende gelegenheid dat gemeenten dat op hun manier de participatie kunnen vormgeven’. De voorzitter vraagt ter verduidelijking dat als de MRDH een visie maakt over het openbaar vervoer voor de hele regio, dat vervolgens neerlegt ter advisering bij de gemeenteraden, dat gemeenteraden daarbij een participatietraject kunnen instellen. Mw.
Mourik sluit daarbij op aan dat dit ook eerder kan – dat is aan de individuele gemeenten - , daartoe zorgen we met een startnotitie voor een collectieve start. Een dergelijke OV-beeld is onderdeel van een bredere mobiliteitsvisie. In die startnotitie kunnen we met elkaar afwegen in welke fase en op welke manier van participatie vormgegeven kan worden en kan elke gemeente daar haar eigen werkwijze op inzetten. Dhr. Van Ooijen (Westland) geeft aan dat Westland als gemeente hier zeker in mee gaat. Hij geeft allereerst aan dat er eerst gesproken wordt over zowel auto, fiets en ov en vervolgens is de vraag ovgerelateerd. Die tekst klopt niet helemaal met elkaar. Goed dus dat hier helder wordt dat het een brede mobiliteitsvisie betreft, met nadrukkelijk aandacht voor openbaar vervoer. Dhr. Van Ooijen deelt daarnaast de zorg vanuit de gemeente dat het merendeel zal gaan over trein, metro’s en trams. Dat het streekvervoer, de bus, de kans heeft om onder te sneeuwen. De gemeente Westland is de grootste gemeente zonder treinstation; buurman Midden-Delfland heeft hetzelfde probleem, minder inwoners maar ook geen treinstation. Wij zijn heel erg afhankelijk van het streekvervoer. En veel discussies hoor je ‘we gaan investeren in stations, we investeren in extra verbindingen’. Zorg daarbij ook voor dat onze inwoners bij ov- stations terecht kunnen komen. Mw.
Mourik antwoordt dat het ons gezamenlijke mobiliteitssysteem is waarbij we als gemeenten onderling van elkaar verschillen: er zijn geografische verschillen waarbij het soms ook maakt dat een gebiedsgerichte benadering nodig is. De MRDH en daarmee wij allemaal, zijn ook opdrachtgever van het ov in Westland, ik beschouw dit als onderstreping om te kijken naar het totale netwerk in de regio en dat steeds in ogenschouw te hebben en houden. In de afgelopen coronajaren en komende periode van herstel hebben we – jullie , naast de bijdrage van het Rijk, ook met elkaar zo’n 500 miljoen euro uit de begroting van de MRDH 8
extra in het openbaar vervoer gestopt. Dankzij onze regionale samenwerking en collectieve inzet hebben we dat toch kunnen doen. Dhr. Van Ooijen geeft daarnaast aan dat hij de zienswijzen van de andere gemeenten interessant en verhelderend vond om door te nemen. Bij een aantal gemeenten zaten er punten bij die hij achteraf ook in de zienswijze van de gemeente Westland op had willen nemen. Dat is mooi van het hele pakket om tot ideeën te komen om daar verder mee te gaan. Mw. Claessen (Vlaardingen) voegt toe aan de woorden van dhr. Van Ooijen dat ze inderdaad in de tekst een kleine discrepantie tegenkwam. Gaat het nu alleen over het ov-netwerk of om het hele netwerk. Ik ben blij om te horen dat het alles is, ik denk dat juist de synergie van de verschillende netwerken belangrijk is en wij als Vervoersautoriteit heel erg op toe moeten zien de regio bereikbaar wordt en is. En als wij aan één knop draaien, dan heeft dat gevolgen voor de andere systemen. We moeten ze in samenhang zien. Mw. Claessen vraagt daarnaast de samenhang van de visie op mobiliteit en de punten één en twee van de adviesvraag. Hoe doen we dat met het groenblauwe netwerk en welzijn, hoe fietsen we die elementen daarin? Dat vind ik heel belangrijk. Daarnaast wil mw. Claessen ook aandacht vragen voor tijd.
Het gaat niet alleen om het netwerk in de geografische, maar ook bijvoorbeeld ons nachtnetwerk, hoe gaan we daar mee om, en het waternet? Mw. Mourik antwoordt dat de startnotitie gaat maken dat alle punten die jullie belangrijk vinden en we die mogelijk nog niet goed genoeg hebben vertaald in die notitie door de adviescommissie kunnen worden onderstreept of aangevuld en dat we hier de afspraak maken dat de adviescommissie over de startnotitie zal adviseren. De discrepantie in tekst, komt door de aanleiding voor het voorstel, die licht in het tragere herstel na corona en dat is in de zienswijzen naar voren is gekomen als basis voor een nadrukkelijk wens voor een visie voor het ov. Ambtelijk stellen we voor om die visie in een breder mobiliteitspakket te bezien, daar komt de discrepantie vandaan. Die gaan we herstellen met de terechte reflecties van jullie . Mw. Mourik antwoordt daarnaast dat het thema brede welvaart door veel gemeenten genoemd wordt, maar er geen rode draad is in de vertaling van brede welvaart. Voorstel aan het algemeen bestuur is om in de tweede helft van 2023 in een aantal sessies met elkaar te gaan bediscussiëren wat dat een collectieve beeld op brede welvaart is, in relatie tot onze twee taken. De uitkomsten daarvan kunnen benut worden bij o.a. de visie op mobiliteit.
Dat doen we in de context voor het totale gebied met belang voor de bereikbaarheid van wonen, werken en groenblauwe gebieden, dat staat nadrukkelijk in de Strategische Agenda. Mw. Claessen antwoordt dat dit naar tevredenheid is. Dhr. Borst (Ridderkerk) was voornemens daarop aan te haken, maar geeft aan dat al is uitgelegd wat hij wilde vragen. Zorg dat wat we bij punt 2 gaan doen dat landt in de visie. In de tekst heb ik ook gezien de visie opgaan stellen vanaf 2024. Mw. Mourik haakt daar op in dat we na de zomer gaan starten met de startnotitie zodat we in 2024 kunnen benutten voor het totale proces. Dhr. Borst geeft aan dat hij dat goed vindt en dat het in samenhang wordt bezien. Daarbij geeft dhr. Borst nog mee dat er veel onderzoek naar brede welvaart is gedaan om dat ook mee te nemen. Mw. Mourik geeft aan dat de burgemeester van Wassenaar als voorzitter van de AB-commissie heeft aangegeven dat hij het tweede helft van 2023 tot een collectief beeld van brede welvaart wil komen in relatie tot de kerntaken. Een van de ideeën die we nu met elkaar aan het uitwerken zijn is om in september een inspiratiesessie te organiseren en partijen die met brede welvaart aan de slag zijn geweest hierbij uit te nodigen om hun beelden te delen. Vervolgens kunnen we met elkaar kijken of en hoe die bij de MRDH en haar opdrachten passen. Dhr.
Borst vult hierbij aan dat hij zag dat andere vervoersregio’s ook hier al verder mee kunnen zijn. Mw. Mourik bevestigt dit en geeft aan als voorbeeld dat de Vervoersregio Amsterdam vorig jaar hun koersdocument heeft aangepast en daar dit thema ook in terugkwam. Daar maken we uiteraard ook gebruik van. Mw. Gerritsen (Den Haag) vraagt aanvullend hoe organisaties en bedrijven die betrokken worden bij de inspiratiesessie, hoe die sessies vormgegeven worden en er dan ook input gevraagd wordt. Mw. Mourik antwoordt dat de vorm nog verder uitgedacht moet worden en de adviescommissie hier ook een rol in heeft, maar ze zojuist wilde aangeven dat er al organisaties zijn die al uitgewerkte beelden hebben bij het onderwerp. Dhr. Van Harn (Lansingerland) geeft aan dat het goed is om te horen dat er gestart wordt met een startnotitie over de mobiliteitsvisie na de zomer. Hij geeft aan dat waar Lansingerland nog tegenaan liep, is dat wanneer de omgevingswet eenmaal in werking is, de Strategische Agenda haar juridische basis dan verliest. De vraag is hoe het beleid van de MRDH geborgd wordt bij de gemeenten. Mw. Mourik geeft aan dat de omgevingsvisie niet maakt dat de status van de Strategische Agenda wijzigt. Dat was in het verleden wel bij structuurvisies. Met de nieuwe wet op de Ruimtelijke Ordening is die 9
doorwerking van regionale visies gewijzigd. Die automatische doorwerkingskracht van beleid naar regionaal maken naar gemeenten is er niet meer. Waar je wel terecht aandacht voor vraagt is hoe we kunnen zorgen dat afspraken die we in de regio met elkaar maken ook landen in de beleidsdocumenten van gemeenten. De MRDH is met de managementteams en de colleges daarover in gesprek. Het is zeker iets waar je terecht aandacht voor vraagt, want dat vraagt ook voor jullie als raadsleden iets bij de bespreking van de beleidsdocumenten. Dhr. Van Beek (Leidschendam-Voorburg) stelt de vraag of als je voor MRDH gebied een visie maakt, hoe je dan naar de randen van de gemeenten kijkt en hoe je organisaties daaromheen meekrijgt. Mw. Mourik antwoordt dat een aantal van de gemeenten ook in de zienswijzen opgenomen: zorg dat je contact hebt met de buurtgemeenten of belendende regio’s. Dat is iets wat gemeenten zelf ook doen, maar ook wij als ambtelijke organisatie hebben contact met onze buren. Dhr. Van Bommel (Barendrecht) vult aan dat het daarbij ook gaat over de afstemming met de concessieverleners. Mw. Mourik beaamt dit en geeft daarbij aan dat er ook contacten zijn met de Provincie. Dhr. Heijdacker (Nissewaard) geeft aan dat hij een vraag heeft over de definitie brede welvaart en het positief vindt om te horen dat we dat met elkaar gaan laden. Mw.
Gerritsen (Den Haag) vult aan met betrekking tot de bestuurlijk tafels, punt 1, erover gehad hebben en als men inderdaad een tafel wil en deze gefaciliteerd wordt, dat dit goed is, wel wetende dat je er niet over gaat. Daarbij vult mw. Gerritsen aan dat het inderdaad gaat om degene die verantwoordelijk er voor zijn de verantwoordelijkheid ervoor ook nemen en dan ook betrokken moeten zijn. Mw. Mourik geeft aan dat in de zienwijze een wisselend beeld naar voren komt. Dat maakt dat wij ambtelijk merkten dat er ongemak op ontstond en de wijze van faciliteren in de praktijk steeds breder werd gezien, vandaar dat met deze reflecties dit gewijzigde voorstel aan het algemeen bestuur voorligt. Mw. Mourik vertelt dat in de vergadering van de adviescommissie gevraagd werd wat het betekent als niet iemand inspringt op de rol, of de tafel dan stopt en antwoordt dat dit een mogelijk gevolg zou kunnen zijn. Daarop reageert dhr. Borst (Ridderkerk) dat hij dit begrijpt en de worsteling snapt. Hij geeft echter aan dat het wel goed is dat als we hiermee stoppen, dan niet abrupt de deur dicht te gooien, maar dat we faciliteren dat we er een mooi einde aan breien met elkaar en bijvoorbeeld middels een congres een warme overdracht verzorgen. Mw.
Mourik antwoordt hierop dat we een gewijzigd voorstel doen met deze inhoud en daarbij voorstellen dat 1 juli het moment moet zijn dat de nieuwe realiteit bestaat. Dat betekent dat tussen 26 mei, ervan uitgaande dat het algemeen bestuur het gewijzigde voorstel omarmt, er aantal weken zijn voor de gemeenten om besluiten te nemen over het trekkerschap van de tafel. Mw. Gerritsen (Den Haag) komt nog terug op punt 4 (ov-visie). Ze geeft aan dat het een goed initiatief is, en vraagt daarbij of deelmobiliteit en de aanpak van knooppunten ook in deze visie wordt meegenomen. Dat staat er nu niet duidelijk in. Dhr. Immerzeel antwoordt dat dit erbij hoort met daarbij de toelichting dat het aan de ene kant gaat over de netwerken en knooppunten dit niet zijn, dat zijn plekken. Het gaat erom wat je op verschillende plekken nodig hebt om de netwerken goed te kunnen voeden. Het maakt er dus zeker onderdeel van, maar het is geen netwerk an sich. Mw. Gerritsen geeft aan dit te begrijpen maar stelt daarbij de vraag of als je het hebt over openbaar vervoer, dat deelmobiliteit niet per se openbaar vervoer is maar commerciële bedrijven zijn die we eventueel wel of niet betrekken, maar wel te maken heeft met vervoer in de regio en of dit dan ook onderdeel uitmaakt van het initiatief. Mw.
Mourik stelt voor om in de startnotitie aan te geven hoe we met die onderwerpen om willen gaan en hoe die zaken zich tot elkaar verhouden en dan kan de adviescommissie bij de bespreking van de startnotitie aangeven of we op het goede spoor zitten, danwel aanscherping nodig is of toevoegingen gewenst zijn. De voorzitter vraagt of er nog andere punten zijn. Dit is niet het geval en de voorzitter concludeert dat de bestuurlijke betrokkenheid bij de raden, met name bij de P&C-cyclus de voortgang van de Strategische Agenda tot in uiting komt waardoor de raden ook de voortgang kunnen controleren. Met betrekking tot de uitvoeringskracht en de flexpool, dat dit goed is voor gemeenten om zaken uit de Strategische Agenda daarmee op te pakken. Het punt over de visie op het ov is in ieder geval in de commissie aangeven dat in breed mobiliteitsaspect bezien moet worden. Daaronder valt dus ook deelmobiliteit en streekvervoer. Ten aanzien van de betrokkenheid van burgers bij het opstellen van de visie van het ov ligt dit met name bij de gemeente die daar de eigen inwoners bij kunnen 10
betrekken waar het op hun inwoners betrekking heeft. Brede welvaart krijgt ook aandacht in het geheel, dat is uitgebreider aan bod gekomen bij de AcEV, maar komt ook terug bij de AcVa. Tot slot is de oproep gedeeld om te zorgen dat de Strategische Agenda ook zijn beslag krijgt in gemeentelijke beleidstukken. Daarin kunnen wij als raadsleden op toezien, maar de voorzitter voegt daaraan toe dat het goed is of bekeken kan worden hoe de bestuurscommissie daarop aangesproken kan worden als dit niet het geval is en de MRDH dit ook signaleert.
11