Verkenning culturele infrastructuur Delft door Berenschot
Tekst van het document
a.
Culturele infrastructuur Delft
Een verkenning 65204 – 31 maart 2021
2
65204
Culturele infrastructuur Delft Een verkenning
Drs. C.H. Wijn 31 maart 2021
3
65204
Inhoudsopgave
1. Het begrip culturele infrastructuur
1.
Het begrip culturele infrastructuur
3
2.
Bepalende factoren
4
3.
Model voor gemeentelijk cultuurbeleid
5
4.
Cyclus met onmisbare schakels
7
5.
Delft in relatie tot het model
8
6.
Observaties: ringenmodel versus Delft
12
7.
Uitgaven voor cultuur: absoluut en relatief
14
8.
Uitgaven van andere 120.000-gemeenten
15
9.
Scores in de Atlas van gemeenten (2018)
15
10. Conclusies
15
11. Tot slot: inzichten over vestigingsklimaat
17
1
Monitor Actieplan Cultuurbereik 2002, Erasmus Universiteit Rotterdam, 2003.
Infrastructuur’ verwijst naar een sfeer van asfalt, gebouwen en verbindingslijnen. Toch is dit niet de connotatie die in de cultuursector aan dit woord wordt verbonden. Beleidsmakers die spreken over culturele infrastructuur, duiden op een rijk scala aan verschijnselen. Ze doelen in de eerste plaats op de onroerende infrastructuur: gebouwen met een culturele functie (of die een opvallend culturele uitstraling hebben) en instellingen die een culturele taak vervullen. Soms verwijzen ze ook naar evenementen die herkenbaar zijn door een vast patroon of een vaste formule. Zelfs bepaalde cultuuruitingen zoals een serie voorstellingen of een beeldenroute worden soms tot de (roerende) culturele infrastructuur gerekend. In een publicatie van de Erasmus Universiteit Rotterdam werd het begrip culturele infrastructuur in 2003 kortheidshalve omschreven als: “het geheel van makers en bemiddelaars die culturele uitingen voortbrengen, presenteren, openbaar maken, verspreiden, faciliteren en dergelijke, inclusief de accommodaties en media die het publiek in staat stellen kennis te nemen van die uitingen”. 1
4
65204
2. Bepalende factoren Het ‘ringenmodel’ dat indertijd door Cor Wijn voor de VNG is opgesteld, is gebaseerd op het feit dat de culturele infrastructuur van gemeenten door een aantal factoren wordt bepaald. In volgorde van belangrijkheid: ■ de financiële armslag: het financiële draagvlak voor culturele voorzieningen hangt vooral af van de algemene uitkering die een gemeente ontvangt uit het Gemeentefonds. Kenmerkend voor de algemene uitkering is dat elke stad in principe vrij is in het besteden van haar aandeel. De omvang van de algemene uitkering is voor gemeenten een gegeven, maar een stad kan zelf bepalen aan welke voorzieningen zij haar geld bij voorkeur besteedt. Voor de verdeling van de totale algemene uitkering over de afzonderlijke gemeenten maakt het Rijk gebruik van objectieve verdeelmaatstaven. De verdeelmaatstaven houden rekening met kosten die samenhangen met de structuurkenmerken van de gemeenten, zoals het aantal inwoners, de sociale structuur en het wel of niet hebben van een centrumfunctie. ■ de beleidshistorie: daar waar vroeger in cultuur is geïnvesteerd (bijvoorbeeld in museum, schouwburg of bibliotheek), is er nu een basis om op verder te bouwen. ■ de ligging: Voorzieningen op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, cultuur, communicatie, openbaar vervoer, verkeer e.d. zijn gekoppeld aan de mate waarin een gemeente een centrumfunctie vervult.
De centrumfunctie is per geografische situatie anders van aard: Rotterdam heeft een centrumfunctie voor het hele Rijnmondgebied, Delft voor omliggende kernen zoals Westland, Pijnacker-Nootdorp ea.
■ de heersende geloofsovertuiging: uit onderzoek is gebleken dat de uitgaven voor cultuur per hoofd van de bevolking in gemeenten met een streng christelijke signatuur beduidend lager zijn dan in andere gemeenten. ■ het ambitieniveau van de lokale politiek: dit sluit aan bij het vorige punt, maar is breder. Beleidsmakers proberen in toenemende mate cultuur in te zetten ten behoeve van de uitstraling en identiteit van de stad. Gemeenten met een geringe ambitie zullen niet streven naar een erg divers aanbod, zullen weinig doen om het productieklimaat te stimuleren, geen actief stedenbouwkundig beleid voeren en geen culturele clusters of netwerken tot stand willen brengen. Gemeenten die wel ambitieus zijn zullen echter een of meerdere van deze aspecten aangrijpen om aan hun ambitie richting te geven.
Ook voor Delft geldt dat deze factoren in de loop der tijd bepalend zijn geweest voor hoe de culturele infrastructuur gestalte heeft gekregen. Van bijzonder belang is daarbij natuurlijk altijd de ligging van Delft geweest, vlakbij zowel Rotterdam als Den Haag. Bepaalde culturele voorzieningen zijn hierdoor niet, of later dan elders, tot wasdom gekomen. De middelen die Delft aan cultuur besteedt (zie hoofdstuk 7) zijn een indicatie dat de ambities van Delft op cultureel gebied bescheiden zijn, althans in de afgelopen tien jaar bescheiden zijn geweest.
65204
3. Model voor gemeentelijk cultuurbeleid De culturele infrastructuur van gemeenten is dus afhankelijk van meerdere factoren. De allerbelangrijkste factor zijn de financiële middelen waarover de gemeente vrij kan beschikken. Die middelen zijn vooral afhankelijk van de bevolkingsomvang. Daardoor is er een duidelijk verband tussen de grootte van een gemeente (inwonertal) en de aard en omvang van de culturele infrastructuur. Er zijn in globale zin drie niveaus van gemeentelijke culturele infrastructuur te onderscheiden. De ‘grenzen’ tussen deze drie niveaus liggen bij 30.000 en bij 100.000 inwoners. In gemeenten kleiner dan 30.000 inwoners zijn de inspanningen van het stadbestuur doorgaans gericht op een beperkt aantal herkenbare activiteiten en voorzieningen: culturele festivals, zorg voor de openbare ruimte, de monumentenzorg, het archiefwerk, de openbare bibliotheek, de lokale omroep, een zaal waar incidenteel voorstellingen en films te zien zijn, een oudheidkamer, cultuur & school en het amateurleven (verenigingen, initiatieven, popcultuur). Deze elementen vormen de ‘harde kern’ van het lokale cultuurbeleid, een kern die in de kleinere steden en in dorpen de hoofdschotel van het cultuurbeleid vormt. Gemeenten tussen de ca.
30.000 en 100.000 inwoners kenmerken zich door een cultureel voorzieningenpatroon dat, naast de hiervoor genoemde elementen bestaat uit een kunstencentrum, een natuurof cultuurhistorisch museum, een multifunctionele podiumkunstaccommodatie en bepaalde voorzieningen op het terrein van de beeldende kunst (een galerie, een tentoonstellingsruimte, soms ateliers).
5
De gemeenten met meer dan 100.000 inwoners kenmerken zich door hun alomvattende cultuurbeleid. Dit houdt in dat zij een voorzieningenpatroon in stand houden dat tamelijk volledig is. De verschillen die zich binnen deze groep van steden voordoen zijn eerder kwantitatief dan kwalitatief. Musea voor moderne kunst zijn in bijna al deze steden aanwezig, evenals een filmhuis en een groot centrum voor kunsteducatie. Daarnaast is er vaak een aanzienlijk particulier aanbod aan cursussen (door niet-gesubsidieerde instellingen en zzp’ers). In veel steden is er ook een kunstuitleen, voorheen vaak gesubsidieerd, tegenwoordig steeds meer op commerciële basis. Op het gebied van de omroep is er in een aantal gevallen niet alleen sprake van lokale radio, maar ook van televisie. Het aanbod op het terrein van de podiumkunsten is meestal groot: niet alleen zijn er diverse (gespecialiseerde) podia, ook worden er (door professionals en amateurs) uiteenlopende theaterproducties gemaakt en is er doorgaans sprake van een bloeiend (pop)muziekleven. Kenmerkend voor het cultuurbeleid van middelgrote steden (30.00090.000) is dat er sprake is van een permanente zoektocht naar het bepalen van wat het ambitieniveau is.
De exploitatietekorten van voorzieningen zoals een schouwburg, concertzaal, filmhuis, kunstencentrum en lokale omroep zijn vaak zodanig dat het amper mogelijk is om meerdere van dat soort voorzieningen op een goed niveau in stand te houden. Vandaar dat er vaak keuzes worden gemaakt: het ene wel, het andere niet.
65204
Kenmerkend voor het cultuurbeleid van grote gemeenten (100.000+) is dat er steeds een natuurlijke spanning is tussen enerzijds het behouden en steunen van de bestaande instellingen (de culturele traditie) en anderzijds het vrijmaken van gelden voor het stimuleren van vernieuwing en experiment. Deze spanning komt vooral in de grotere steden tot uiting omdat daar de impulsen tot vernieuwing het grootst zijn, onder andere door de aanwezigheid van universiteiten en hogescholen, soms in het bijzonder van een kunstacademie.
6
7
65204
4. Cyclus met onmisbare schakels Hiervoor beschreven we wat een lokale culturele infrastructuur is. Hoe deze in praktijk functioneert kan goed worden begrepen via het concept van de creatieve cyclus. Dit is een eenvoudig analysemodel dat snel duidelijk maakt waar een gemeente sterk in staat en waar hiaten zijn. Het concept is gebaseerd op het gegeven dat de manier waarop mensen deelnemen aan cultuur een aantal vaste stappen kent: eerst moeten er vaardigheden worden geleerd, vervolgens moeten deze worden aangewend om een creatief product te maken, daarna kan het product aan een publiek worden gepresenteerd en als er veel draagvlak voor deze kunstuiting is zal deze wortelen in de samenleving en de basis vormen voor het ontstaan van weer nieuwe creatieve uitingen. Deze cyclus in de cultuurdeelname vergt bepaalde culturele voorzieningen. Die voorzieningen vormen samen de culturele infrastructuur van een gemeente en kunnen worden opgevat als een cyclus, met schakels die een ronde keten vormen: • • •
•
Het leren gebeurt in het reguliere onderwijs, bij muziekscholen/kunstencentra en in amateurkunstverband. Het produceren van kunst vindt plaats in werk- en oefenruimten, zowel voor amateurs als voor professionals. Het presenteren van kunstuitingen voltrekt zich op podia en festivals, in galeries, bibliotheken, artotheken, musea en zelfs de openbare ruimte. Het interesseren wekken voor kunst gebeurt via allerlei intermediaire acties voor en door culturele instellingen: denk aan draagvlakvorming, marketing, sponsoring, mecenaat.
8
65204
Essentieel voor het concept van de creatieve cyclus is het inzicht dat de schakels van de lokale keten in elkaar grijpen en elkaar versterken en dat het omgekeerd zo is dat een zwakke schakel de kracht van de hele keten aantast. Het model van de creatieve keten helpt bij het maken van keuzes in lokaal cultuurbeleid. Een aantal benaderingen is hierbij mogelijk. Eén is dat eenvoudigweg voor iedere schakel in beeld wordt gebracht wat er op dat gebied aan instellingen en initiatieven zijn en waar bijvoorbeeld de coronacrisis zorgt voor verzwakking of verlies. Als er sprake is van aantasting van de keten op kritische punten, dan kan het gemeentebestuur er over nadenken of er interventies nodig zijn. En als de benadering wordt toegepast in een periode van wederopbouw of van rust en continuïteit dan kan zij worden gebruikt om binnen en tussen werkvelden (podiumkunsten, beeldende kunst, film, erfgoed, amateurkunst, kunsteducatie, media en letteren) te bekijken hoe de cyclus geoptimaliseerd kan worden.
5. Delft in relatie tot het model Delft heeft momenteel bijna 104.000 inwoners. De stad is daarmee sinds 1995 met ruim 10% gegroeid (in 1995 woonden er ca. 92.000 mensen). In 2040 zullen er naar verwachting van het CBS ca. 123.000 inwoners zijn (zie Data op Maat, de statistische databank van de gemeente Delft). In 2050 verwacht het CBS dat er ca. 130.000 mensen in Delft wonen. De groei van Delft zal worden gerealiseerd door middel van diverse stedenbouwkundige projecten zoals Schieoevers en Beatrixlaan. Het bovengenoemde ringenmodel kent 7 hoofdonderdelen namelijk: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Festivals Podiumkunsten Film Media en letteren Cultureel Erfgoed Beeldende kunst en bouwkunst Amateurkunst en kunsteducatie.
Hieronder zetten we de culturele infrastructuur van een reguliere 100.000-plus gemeente af tegen de voorzieningen in Delft. We geven hierbij alle ons bekende elementen weer, niet alleen onderdelen waar de gemeente een subsidierelatie mee heeft.
9
65204
1. FESTIVALS
2. PODIUMKUNSTEN
Regulier voor een 100.000-plus gemeente
Aanwezig in Delft
Orkesten en/of muziekensembles
-
Theater- en/of dansgezelschappen
-
Theaterwerkplaats
Delft Fringe Productie
Matthäus Passion (Bachkoor Holland)
Schouwburg met grote zaal
Theater de Veste
Jazz Festival
Concertzaal
-
Blues Festival
Kernpodium popmuziek
-
Kernpodium jazzmuziek
-
Multifunctionele accommodatie
Lijm en Cultuur
Regulier voor een 100.000plus gemeente
Aanwezig in Delft
Podiumkunst
Delft Fringe Festival (nieuwe makers) Westerpop Delft Chamber Music Festival
Mooi Weer Spelen Lichtjesavond Varend Corso
Rietveld Theater
Taptoe Delft Erfgoed
Prinsenkwartier
Open Monumentendag
Cultuurlab
Dag van de architectuur Night at the museum for kids Techniek en innovatie
Auditorium TU Delft Jazz/poppodium
Steck (poppodium)
Highlight Festival
Ciccionina (pop)
TedXDelft
De Koornbeurs (pop) Cultuurlab Prinsenkwartier
10
65204
Uitvoeringen voor de jeugd
Ja, diverse
Kamermuziek
Ja, diverse, oa in kerken Camerata
Beurzen/opdrachten/prijzen voor schrijvers
-
Literaire activiteiten
DOK World Art Delft (poëzie)
Prinsenkwartier Oefenruimten
Kadmium (poezie)
St. Popoefenruimten Delft (SPOD)
World Art Delft
VAK Cultuurlab Kabelfabriek
Lokale radio-omroep
Omroep Delft
Openbare bibliotheek
DOK
5. CULTUREEL ERFGOED
3. FILM
Regulier voor een 100.000-plus gemeente
Aanwezig in Delft
Theater voor de artistiek waardevolle film
Filmhuis Lumen
Commercieel filmaanbod
Pathé Delft
Regulier voor een 100.000-plus gemeente
Aanwezig in Delft
Museum voor moderne kunst
Museum Prinsenhof heeft moderne kunst in de collectie en maakt soms tentoonstellingen met hedendaagse invalshoek.
Natuur- of cultuurhistorisch museum
Museum Prinsenhof Lambert van Meerten, Museum Paul Tetar van Elven Vermeercentrum Porceleyne Fles Historisch Joris Botanische Tuin TU Delft Diverse kleine musea, zoals Tabaksmuseum, museum Griffioen
Monumenten
Veel monumenten, waaronder de Oude en de Nieuwe Kerk
4. MEDIA EN LETTEREN
Regulier voor een 100.000-plus gemeente Lokale televisie
Aanwezig in Delft
11
65204
Oudheidkamer en/of historische vereniging
Ja (Delfia Batavorum)
Archieven
Erfgoed Delft
Archeologie
Erfgoed Delft
Overig
Erfgoednetwerk Delft
Kunstenaarsinitiatieven
Ontwerpersvereniging Delft Design Maakbaar (makerspace in het Prinsenkwartier) Vereniging Bacinol
Kunstuitleen
-
Stichting Kerkelijk Erfgoed Delft
Aankoopfonds
-
Science Centre Delft
Percentageregeling
-
Erfgoedhuis Zuid Holland
Architectuurbeleid
-
Kunst en inrichting in/van de openbare ruimte
Beeldenpark Land Art Delft
Tentoonstellingsruimte
Ja, diverse; o.a.
6. BEELDENDE KUNST EN BOUWKUNST
Verschillende kunstobjecten verspreid door de stad (onderhouden door Kunstwacht)
Regulier voor een 100.000-plus gemeente
Aanwezig in Delft
Presentatie-instelling of Centrum voor beeldende kunst
38CC
World Art Delft
Kadmium
Kadmium
Architectuurcentrum
-
Broedplaatsen
Ateliers Bacinol
Ateliers
Ja, +/_ 30 (gemeentelijke ateliers)
Individuele subsidies
-
Opdrachten
Ja, diverse
38CC
OPEN Salon Huszar Huis van Delft
12
65204
7.AMATEURKUNST EN KUNSTEDUCATIE
6. Observaties: ringenmodel versus Delft
Regulier voor een 100.000-plus gemeente
Aanwezig in Delft
Pluriform aanbod aan cursussen en activiteiten
VAK
Uit bovenstaande vergelijking blijkt dat Delft een redelijk cultureel voorzieningenniveau heeft. Op sommige onderdelen doet Delft het goed (erfgoed), andere onderdelen zijn minder sterk. In zijn algemeenheid valt op dat Delft (nog) niet erg actief is met betrekking tot jonge makers. Of deze nu in de ontwerpdisciplines en de (beeldende) kunsten actief zijn of op het terrein van de ‘performing arts’, de hoeveelheid initiatieven om makers te stimuleren en te ondersteunen is relatief beperkt.
Delfts Peil (incl. Cultuurhuis Delft) World Art Delft (educatieprojecten) Vereniging Bacinol Microtheater Diverse particuliere dansscholen
De zwakte/sterkte per discipline is als volgt aan te merken:
Instituut voor kunsteducatie
VAK
1. Festivals: matig
Amateurkunstverenigingen
Veel en divers
Programma cultuur en school
Via DOK zijn er op 11 scholen zgn. Vindplaatsen (schoolbibliotheken).
Delft heeft niet veel festivals die buiten de stad bekend zijn en van daar veel publiek trekken. De uitzondering hierop is het Delft Chamber Music Festival. Een opvallende loot aan de stam is het Delft Fringe Festival, vooral omdat dit evenement precies op dát terrein actief is waar Delft nog niet zo stevig ontwikkeld is: dat van de jonge makers. Het ontbreekt nog aan een evenement dat Delft – al is het maar periodiek – écht op de kaart zet. Potentie hiertoe is wellicht aanwezig bij het driedaagse Highlight festival, dat installaties presenteert op het raakvlak van kunst en technologie, verspreid over locaties in het centrum van Delft en op de TU Delft Campus. Een ander initiatief dat hierin mogelijk iets kan betekenen is de musical over Willem van Oranje van producent Rick Engelkes. Hiervoor wordt op tijdelijke basis een speciaal daarvoor bestemd locatietheater gerealiseerd ten zuiden van de TU Campus.
13
65204
2. Podiumkunsten: matig Alle voorzieningen die bij een 60.000+ gemeente horen zijn in Delft aanwezig, maar die voor een 100.000+ gemeente niet. Wat in de voorzieningenstructuur wordt gemist is een vlakke vloerzaal en (of gecombineerd met) een goed geoutilleerd en ruim podium voor (pop)muziek. Zo’n zaal zou passen bij het innovatief karakter van Delft en de plannen van Theater de Veste voor een Theater van de Toekomst. Een poppodium zou passen bij de relatief jonge populatie die Delft kenmerkt. Wel is het de vraag of zo’n podium persé nodig is gezien de directe nabijheid van Rotterdam en Den Haag waar deze voorzieningen in ruime mate aanwezig zijn. Daarnaast worden ook initiatieven van jonge makers (ensembles, theatergroepen, dansgezelschappen etc) in Delft gemist, waar deze in vergelijkbare steden wél aanwezig zijn. De aanwezigheid van jonge makers is stimulerend voor het cultureel klimaat en bevordert dat de culturele cyclus (zie hoofdstuk 3) optimaal functioneert.
3. Film: voldoende Met Lumen (grote zaal van 116 plaatsen en een kleine van 53) en Pathé zijn er twee complementaire aanbieders in de stad. De capaciteit van Lumen is wel erg beperkt voor een studentenstad als Delft. Het wekt dan ook geen verbazing dat het filmtheater plannen heeft ontwikkeld om in de Spoorzone (Nieuw Delft) nieuwbouw te realiseren met vier zalen. Inmiddels heeft hierover ook gemeentelijke besluitvorming plaats gevonden.
4. Media en letteren: voldoende DOK is een krachtige organisatie met een groot en divers aanbod. In OPEN is een podium waarop geregeld literaire activiteiten plaatsvinden. Dat gebeurt soms ook in de dependance van DOK in
de Voorhof. Naast hetgeen de bibliotheek doet gebeurt er op het vlak van de letteren echter niet heel veel in Delft. De lokale omroep manifesteert zich zoals te doen gebruikelijk in middelgrote gemeenten.
5. Cultureel Erfgoed: goed Delft kent een zeer ruim aanbod aan voorzieningen op dit vlak. De Prinsenhof bereidt zich voor op een grote verbouwing.
6. Beeldende kunst en bouwkunst: voldoende Delft kent een aantal organisaties die een interessant programma van tentoonstellingen en kunstprojecten organiseren. Wat mist (lees ook hiervoor) is een verder ontwikkeld beleid om makers (in de volle breedte van het woord – denk aan kunstenaars, ontwerpers, creatieve zzp-ers, architecten et cetera) te binden en te boeien zodat ze ervoor kiezen om in Delft te (blijven) wonen en werken. Bij het profiel van Delft (universiteitsstad, jonge populatie, gelegen in de Randstad) zou je verwachten dat er een creatief klimaat kan opbloeien en een brede voedingsbodem ontstaat voor innovatie, ook buiten de TU en de disciplines die daar worden beoefend om. Een actief beleid om broedplaatsen te stimuleren (zoals bv Dordrecht wel kent) is er echter niet.
7. Amateurkunst en kunsteducatie: zorgelijk VAK verzorgt in Delft een uitgebreid en uitstekend aanbod op dit gebied. Bovendien kent Delft een groot aantal amateurkunstverenigingen in diverse kunstdisciplines die deels op hoog niveau acteren. Opvallend is dat de verenigingen in Delft het tot de coronacrisis redelijk leken te redden zonder gemeentesubsidie: Delft week daarmee af van het beeld in veel andere steden. Of dit na de crisis nog steeds zo is valt te bezien. Landelijk vindt er momenteel in
14
65204
de amateursector een ‘shake out’ plaats. De transitie die al gaande was, lijkt in een deeltjesversneller terecht te zijn gekomen. Veel verenigingen (koren, harmonieën en fanfares, toneelclubs) die het al moeilijk hadden vanwege teruglopende ledenaantallen zijn ermee gestopt of gaan er naar verwachting mee stoppen. Veel amateurkunstbeoefenaren die na de crisis nog iets willen (en vooral de dertigers en veertigers) zullen van scratch af aan moeten beginnen: gelijkgestemden zoeken, nieuwe initiatieven opzetten. Dat kan leiden tot een totaal ander landschap wat betreft de amateurkunst (vooral: andere genres!). En ook tot andere behoeften en andere vragen aan de gemeentelijke overheid. Wat vooral belangrijk zal worden dat is dat hierover ná de crisis het gesprek kan worden gevoerd. Het gaat dan om de randvoorwaarden die nodig zijn om nieuwe vormen van amateurkunst (al dan niet in verenigingsverband) tot bloei te laten komen.
7. Uitgaven voor cultuur: absoluut en relatief Binnen de cultuurbegroting van de gemeente Delft worden de volgende elementen onderscheiden: archief, archeologie, cultuurpresentatie (diverse instellingen), media (DOK, Omroep Delft) en museum Prinsenhof. Cultuur omvat in de begroting van Delft dus ook de onderdelen archief en archeologie: in andere gemeenten staan deze onderdelen soms op een andere plek in de begroting. Laten we archief en archeologie buiten beschouwing dan bedroegen de begrote uitgaven in 2019 € 14,8 mln. en de publieksinkomsten € 2,9 mln: een saldo van “slechts” € 11,9 mln. Nb: in 2011 bedroegen de netto uitgaven nog € 15,0 mln. Wat we in deze cijfers terugzien is onder meer de forse bezuiniging die is gerealiseerd dankzij de verzelfstandiging en reorganisatie van de VAK en het regelmatig achterwege blijven van jaarlijkse indexeringen. Per inwoner bedragen de netto uitgaven met inbegrip van de taakvelden archief en archeologie: € 145,=. Zónder die twee taakvelden bedroegen ze in 2019 € 119,= Ter vergelijking de uitgaven voor kunst en cultuur (zonder de taakvelden monumenten, archeologie of archief) van andere gemeenten: • G4: ca. € 180 per inwoner. • G9: ca. € 165 per inwoner (bv. Eindhoven € 132) Bandbreedte gemeente van 100.000 inw: € 80 à € 130 per inwoner. Landelijk gemiddelde (CBS): € 101 per inwoner.
15
65204
Het is goed om het voorgaande toe te voegen dat in Delft een groot deel van de middelen aan twee grote organisaties wordt besteed: DOK en Museum Prinsenhof. Hierdoor is de spoeling in het culturele leven van Delft op andere gebieden dunner.
8. Uitgaven van andere 120.000-gemeenten Voor deze notitie onderzochten wij de programmabegrotingen van andere gemeenten die nu al qua inwoneraantal op het niveau zitten waar Delft in 2040 zal zijn. Gemeente
Aantal inwoners
Dordrecht
120.000
17,8
€ 148
Maastricht
120.000
18,2
€ 152
Leiden
125.000
20,9
€ 167
Zoetermeer
125.000
15,4
€ 123
Zwolle
128.000
18,5
€ 145
gemiddeld *)
Netto uitgaven voor cultuur 2019 in mln. euro's *)
Per inwoner
€ 147
Taakvelden: cultureel erfgoed, cultuurpresentatie (incl. cultuurproductie en cultuurparticipatie), media en musea
9. Scores in de Atlas van gemeenten (2018) In de Atlas voor gemeenten deed Delft het in 2018 opvallend goed. Dit kwam vooral doordat de aanwezigheid van monumenten erg goed scoorde op de Cultuurindex die werd gehanteerd. Hierdoor eindigde Delft als 4e stad van Nederland op cultureel gebied (van de 40 beoordeelde gemeenten)! Aspecten waarop Delft goed scoorde waren verder: • 48% hoogopgeleiden (tegen een gemiddelde van 39%) • Erfgoed: 2e • Beeldende kunst: 3e • Podiumkunsten: 23e • Culinair: 27e (nb: qua inwonertal komt Delft op de 30e plek) Aspecten waarop Delft minder scoorde waren: • •
10.
Banen in de cultuursector: 1,4% van het totaal (gem. = 1,6%) Banen in de creatieve sector: 4% (gem. = 5%)
Conclusies
Ten aanzien van de culturele infrastructuur van Delft kan worden geconstateerd dat deze nog niet op het niveau zit van een 100.000plus gemeente en verhoudingsgewijs wat dun is voor een gemeente die wil doorgroeien naar 120.000 inwoners en meer. De infrastructuur kan vooral worden versterkt op de volgende punten:
16
65204
• •
• •
Culturele festivals/evenementen met regionale of zelfs landelijke aantrekkingskracht; Faciliteiten en ruimte (letterlijke en figuurlijk) voor jonge makers en meer algemeen een verder ontwikkeld beleid om creatieven aan te trekken en vast te houden. Een multifunctionele middenzaal/vlakke vloerzaal van 300 à 350 stoelen voor theater en muziek. Meer zaalcapaciteit voor de vertoning van kwaliteitsfilms.
Het verdient aanbeveling om bij het nadenken over het versterken van de culturele infrastructuur ook de eerder genoemde creatieve cyclus te betrekken. Kijken we hierna dan zijn de onderdelen ‘produceren’ en ‘presenteren’ (podia en festivals) in Delft de schakels die wat zwakker zijn. Als extra inspanningen worden overwogen is er veel voor te zeggen om juist op deze aspecten in te zetten.
Overigens is Delft niet de enige gemeente die groeit en onderzoekt hoe cultuur daaraan ondersteunend kan zijn. Steden als Ede en Lelystad onderzoeken momenteel hoe zij cultuur kunnen inzetten om hun aantrekkingskracht te vergroten en zo de groei en samenstelling van hun bevolking kunnen beïnvloeden. Wat opvalt aan Delft dat is dat de uitgaven voor cultuur in de afgelopen tien jaar zijn gestagneerd. Als Delft de sprong gaat maken naar een 120.000-plus gemeente dan is het aangewezen om qua inwonertal en voorzieningenniveau gelijke tred te houden. Hogere uitgaven voor culturele voorzieningen (structureel én in de sfeer van investeringen) zijn dan noodzakelijk. Daarmee wordt bevorderd dat ook hoog opgeleiden zich voor langere tijd in de gemeente vestigen.
17
65204
11.
Tot slot: inzichten over vestigingsklimaat
De vier grote steden maakten ooit een manifest voor de kabinetsformatie van 2002. Hierin stond het concept van cultuur als magneet centraal: een magneet voor de stad en een magneet in de stad. Citaat: "Kunst en cultuur trekken mensen en bedrijven naar de stad toe. Ze maken de stad interessant en levendig. Tegelijkertijd hebben uitingen van kunst en cultuur een belangrijke samenbindende functie voor de stedelijke bevolking zelf." Een aantal onderzoekers heeft geprobeerd hiervoor ook empirisch bewijs te vinden en trachtten de essentie van de magneetfunctie te vatten. Wij geven hier beknopt de voornaamste bevindingen weer. De rol van de creatieve klasse
De Universiteit Utrecht (Sociale Geografie) bracht in 2005 alle onderzoeken samen die zijn uitgevoerd naar de relatie tussen (de aanwezigheid van) creatieve klasse en regionaal-economische groei.2 Het concept ‘creatieve klasse‘ is afkomstig van de Amerikaanse socioloog en regionaal econoom Richard Florida (2002). De spreiding van de creatieve klasse binnen Nederland laat volgens hen hoge concentraties zien in de Noordvleugel van de Randstad, met uitlopers in zuidelijke en oostelijke richting (over de as Utrecht-Arnhem). Dit ruimtelijke patroon gaat op voor zowel de woonlocatie als de werklocatie van de creatieve klasse. De geografen van de Universiteit Utrecht maakten uit hun analyses op
Aalst, I. van, O.A.L.C. Atzema, R.A. Boschma & F.G. van Oort , Creatieve klasse en economische groei in stedelijk Nederland. In: B. Hofstede & S. Raes (red.), Creatief Vermogen (pp. 123-155). Den Haag 2006, pp. 123-155. 2
dat er een positief verband is tussen creatieve klasse en nieuwe bedrijvigheid en tussen creatieve klasse en totale werkgelegenheidsgroei, maar dat deze verbanden niet andersom opgaan. De kritiek dat de creatieve klasse zich vestigt op plekken waar al groei is, klopt derhalve niet. Het is niet meer zoals vroeger dat de werknemers zich op de plekken vestigen waar de bedrijven zijn. In de postindustriële samenleving vestigen de bedrijven zich daar waar de juiste mensen (lees: adequaat opgeleide mensen) wonen. De aanwezigheid van de creatieve klasse is dus een structurerende factor voor economische groei. Van Florida's theorie dat Tolerantie leidt tot vestiging van de creatieve klasse (Talent), wat weer zou leiden tot de ontwikkeling van Technologie (high tech werkgelegenheid) klopt volgens de onderzoekers alleen het eerste deel. Maar vervang Technologie door nieuwe bedrijvigheid en dan klopt het wel. Kortom, de creatieve regio als plek voor nieuw creatief talent en ondernemerschap gedijt het beste in een sociale sfeer van openheid en samenwerking. In het beleid is daarom een breed begrip van (broed)plaats en cultuur een randvoorwaarde om te zorgen dat creatieve steden en regio’s daadwerkelijk tot bloei kunnen komen. De werkers in de kenniseconomie
Voorlopers van Richard Florida en zijn concept van de creatieve klasse waren de Harvard-econoom Edward Glaeser (de het concept van de ‘consumer city’ muntte) en de Amerikaanse socioloog Scott Lash en zijn Britse vakgenoot John Urry. Laatstgenoemden schreven in 1994 een invloedrijk boek over een nieuwe klasse die in het
65204
tweede deel van de twintigste eeuw is ontstaan, ‘the knowledge class’. De groei van de dienstverlenende sector heeft geleid tot een toegenomen vraag naar met name hooggeschoold en gespecialiseerd personeel. De productie van goederen is daarnaast steeds meer op geavanceerde technische methoden gaan berusten, waardoor bij werknemers de nadruk steeds meer is komen te liggen op kennis en communicatieve vaardigheden in plaats van lichamelijke arbeid. Zo is een middenklasse ontstaan van kenniswerkers in de informatie-industrie, mensen wier arbeid is gericht op het maken en distribueren van cultureel kapitaal (symbolische goederen). Lash en anderen (zoals Bourdieu en Bevers) signaleren dat de ‘nieuwe klasse’ van hoger opgeleiden vooral in de stad woont en daar werkt bij overheidsdiensten, zakelijke dienstverleners, mediabedrijven, het onderwijs en de kunstsector. Deze nieuwe klasse wordt niet zoals de traditionele middenklasse geassocieerd met waarden en een bepaalde mentaliteit, maar wordt omschreven als hedonistisch en consumptief. De nieuwe klasse stelt hoge eisen aan de kwaliteit van de stedelijke woon- en werkomgeving en het voorzieningenniveau (net als de overheidsdiensten en de bedrijven waarin zij werken dat doen). Lash spreekt in dit verband over een klasse met een ‘a tourist view of the world’. Proefschrift De aantrekkelijke stad
In 2009 promoveerde Gerard Marlet (bekend van de Atlas voor Gemeenten) op onderzoek naar de aantrekkelijke stad. In zijn dissertatie combineerde Marlet inzichten uit de stedelijke economie met inzichten uit de geografische economie en in het bijzonder de New Economic Geography van Nobelprijswinnaar Paul Krugman. Die combinatie stelde hem in staat om het belang van de kenmerken van een stad zowel en de ligging van die stad in één analytisch
18
model bijeen te brengen. Met dit model ontwierp Marlet een index om de aantrekkelijkheid van steden te meten. In deze index zijn factoren opgenomen zoals cultuur, bereikbaarheid, veiligheid, kwaliteit woonvoorraad en horeca. In zijn studie heeft Marlet verklaringen gezocht voor de verschillen in aantrekkingskracht tussen Nederlandse steden. Zijn voornaamste bevinding is dat steden die een gunstige ligging ten opzichte van werk en natuur combineren met een gevarieerd aanbod aan stedelijke voorzieningen de grootste aantrekkingskracht hebben op huishoudens. Dit zijn steden met veel historie, cultuur, horeca en andere woonattracties. Die locatiegebonden attracties hebben mensen graag in de buurt van hun huis, zodat ze er spontaan van kunnen genieten. Daarnaast zijn succesvolle steden natuurlijk steden waar mensen hun carrièrekansen kunnen optimaliseren. Aantrekkelijke steden zijn volgens Marlet steden met veel woonattracties naast de deur, natuur in de buurt en werk op acceptabele reisafstand. Steden die zo’n aantrekkelijke woonomgeving kunnen bieden slagen erin kansrijke mensen aan te trekken en vast te houden. Aantrekkelijke steden doen het daardoor ook economisch beter want inwoners besteden meer in de lokale economie.
Wonen volgt niet alleen werken (het oorzakelijk verband dat vroeger aan de orde was), maar werken volgt tegenwoordig ook wonen: in steden met veel hoogopgeleide, creatieve mensen is de voorraad menselijk kapitaal groter. Bedrijven komen daar vervolgens op af, omdat ze er productievere medewerkers vinden. Dit zijn redenen waarom in de aantrekkelijke steden niet alleen de bevolkingssamenstelling verandert, maar ook de werkgelegenheid groeit. Provincies en gemeenten kunnen de attractiewaarde van een stad of regio beïnvloeden door te investeren in de kwaliteit van de
65204
woonvoorraad, een veilige woonomgeving en stedelijke voorzieningen zoals cultuur. In De aantrekkelijke stad benoemt Marlet do’s en don’ts waarmee stedelijk beleid gericht op het aantrekkelijker maken van de stad meetbaar wordt. Op het terrein van cultuur is dat volgens Marlet vooral het aanbod aan podiumkunsten. Niet alle culturele voorzieningen, zo blijkt uit het onderzoek van Marlet, bevorderen in rechtstreekse zin de aantrekkelijkheid van een stad. In geen van zijn modellen bieden musea, musicals en festivals een significante verklaring voor het woongedrag van hoogopgeleide, creatieve huishoudens. Het feit dat musea en musicals niet, en (kleinschaligere) uitvoeringen in de podiumkunsten wel van invloed zijn op dat woongedrag ondersteunt de theorie dat het bij het culturele aanbod hoofdzakelijk gaat om het kleinschalige, continu beschikbare aanbod dat is gericht op de plaatselijke bevolking. Dit is waarschijnlijk ook de verklaring voor het ontbreken van aantrekkingskracht van culturele festivals. Door hun tijdelijke karakter groeien zij niet uit tot woonattractie. Uit de studie van Marlet zijn belangrijke criteria af te leiden waaraan culturele voorzieningen moeten voldoen om ook echt de aandacht te trekken van, en een rol te spelen in de vestigingsbeslissing van economisch kansrijke bevolkingsgroepen.
Investeringen in cultuur kunnen volgens Marlet de aantrekkingskracht van een stad alleen vergroten als ze worden ingezet op culturele activiteiten die: ■ kleinschalig en divers zijn ■ op een uitgekiende locatie in de stad liggen ■ continu beschikbaar zijn ■ gericht zijn op de plaatselijke bevolking.
19
Het gaat dus om kunst en cultuur waarvan de inwoners doorlopend kunnen genieten. Belangrijk is verder wat Marlet opmerkt over de aanwezigheid van kunstenaars in de stad. Hij signaleert dat veel beleidsmakers zich sinds Richard Florida laten leiden door de veronderstelling dat de aanwezigheid van kunstenaars in een stad er al toe leidt dat andere hoogopgeleide, creatieve mensen er ook gaan wonen – omdat die baat zouden willen hebben bij de kennisspillovers die van de kunstenaars/ cultuurproducenten uitgaan. Marlet stelt vast dat hij voor deze hypothese geen empirisch bewijs heeft kunnen vinden. In zijn analyses heeft hij geen significant verband kunnen ontdekken tussen de aanwezigheid van kunstenaars en de groei van de werkgelegenheid. Wat hij wél heeft gevonden is een stevige relatie tussen het culturele aanbod in de stad en de werkgelegenheidsontwikkeling. Kennelijk is het dus zo dat de culturele producten als de woonattractie gelden en niet de kunstenaars zelf. Marlet sluit hiermee aan bij een door Jane Jacobs veronderstelde causaliteit: het zijn niet de kunstenaars in oude fabriekspanden die een stimulans zijn voor een stad (of regio), maar hun culturele productie (Jacobs, 1984). Die productie en het daarmee samenhangende makersklimaat zorgt voor een voedingsbodem die ook andere vormen van creativiteit bevordert.