Uitgangspuntennotitie Warmteprogramma format
Tekst van het document
Programma's en Projecten
Doorkiesnummers: Telefoon +316 51 85 04 78
Aan
De gemeenteraad van Delft Afschrift aan
Nota Datum
Onderwerp
01-07-2025
Uitgangspuntennotitie Warmtprogramma 2026
Ons kenmerk
6182188 Opsteller
Sven Niekel Bijlage
Inleiding Het Warmteprogramma beschrijft met de huidige inzichten welke aardgasvrije warmtetechniek per gebied het meest voor de hand ligt en in welke gebieden de gemeente de komende 10 jaar aan de slag gaat met het aardgasvrij maken van Delft. Ook beschrijven we hoe we dit willen doen. Oftewel: we geven zo concreet mogelijk antwoord op de vraag “Wat?”, “Wanneer?” en “Hoe?”. We maken elke vijf jaar een nieuw Warmteprogramma. Dit is wettelijk verplicht. De voorloper van dit Warmteprogramma is het Warmteplan Delft 2021. Voordat we beginnen met het schrijven van het Warmteprogramma hebben we in deze notitie de uitgangspunten verzameld waar het Warmteprogramma aan moet voldoen. Hieronder volgt eerst een overkoepelend uitgangspunt voor de ambitie, participatie en de doelstelling en tot slot een lijst van technische uitgangspunten om te komen tot de “WAT?” kaart. Uitgangspunten Ambitie en Participatie 1. Ambitie voor een kaderstellend Warmteprogramma In het Warmteprogramma geven we richting aan de aanpak en de omgang met onze bevoegdheden over het aardgasvrij maken van de bebouwde omgeving. Dat betekent ten eerste dat het Warmteprogramma een aanzet vormt voor de later definitief aan te wijzen Warmtekavel(s). Het Warmteprogramma geeft een mogelijke kavelindeling voor de collectieve warmtenetten aan.
In het Warmteprogramma zijn dit de warmteclusters waarvoor een warmtebedrijf in overleg met de bewoners /eigenaren gaat onderzoeken of er een betaalbaar warmtenet kan worden aangelegd. In het Warmteprogramma nemen we ook op voor welke gebieden we de aanwijsbevoegdheid voornemens zijn in te zetten en aan welke voorwaarden dan moet zijn voldaan. Het opnemen van het voornemen in het Warmteprogramma stelt de gemeenteraad in staat om op termijn in een omgevingsplanwijziging te toetsen of aan de voorwaarden is voldaan en het definitieve besluit te nemen de levering van aardgas in een gebied te beëindigen. Tot slot beschrijven we hoe het proces na vaststelling van het Warmteprogramma tot aan het al dan niet inzetten van de aanwijsbevoegdheid eruit zou zien.
Naast het opstellen van het Warmteprogramma wordt er ook gewerkt aan de besluitvorming over het warmtebedrijf dat in Delft actief wordt. De uitkomsten van de besluitvorming worden in het Warmteprogramma verwerkt. 2. Participatie medebepalend voor de inhoud In het Warmteprogramma volgen wij dezelfde participatieopzet van het Warmteplan en passen we Delfts Doen en het Delftse Rekenkamerrapport over participatie in de energietransitie toe. Omdat het Warmteprogramma over heel Delft gaat, participeren we op drie niveaus. Allereerst raadplegen we de hele stad. De raadpleging gaat over betaalbaarheid en over in welk soort gebieden wij zouden moeten beginnen. Omdat keuzes in het Warmteprogramma taaie materie zijn, komt er daarnaast een meedenkgroep die onder professionele begeleiding meedenkt en adviseert op inhoudelijke thema’s. We streven naar een zo divers en representatief mogelijke samenstelling van de meedenkgroep. Thema’s die aan bod komen zijn prioritering van inzet, betaalbaarheid en keuzevrijheid. Tot slot betrekken we de professionele partijen die in en om Delft actief zijn in het partneroverleg, waar we het programma technisch-inhoudelijk aanscherpen en fasering afstemmen. Hieronder wordt voor de onderdelen betaalbaarheid en prioritering de wijze van participatie nader omschreven.
2.1 Betaalbaarheid: Betaalbaarheid is deels subjectief: het gaat om de beleving van alle inwoners. Met de stadsbrede raadpleging vormen we een zo inclusief en compleet mogelijk beeld van wat Delftenaren verstaan onder betaalbaarheid, welke factoren het beïnvloeden en binnen welke bandbreedtes inwoners iets betaalbaar vinden. Dit geeft input voor de latere vaststelling van Warmtetkavel(s). Dat onderzoek wordt met de meedenkgroep geduid en met partners besproken. 2.2 Prioritering van inzet: In het Warmteprogramma komt een fasering op hoofdlijnen van wanneer we met welk gebied aan de slag gaan. Dat gaat in periodes van 5 jaar. Tot 2030 zijn we actief in Voorhof en Buitenhof. Met de meedenkgroep vertalen we de uitkomsten van de raadpleging naar een wenselijke prioritering van gebieden. De uiteindelijke fasering wordt een middenweg tussen wat wenselijk is en wat haalbaar is op basis van gesprekken met professionele partners. 3. Tot 2035 gaan we aan de slag met het aardgasvrij maken van 26.000 woningen: In het Warmteprogramma worden extra buurten opgenomen die optellen tot ca. 11.000 woningen, bovenop de 15.000 in Voorhof en Buitenhof. Deze ambitie is in lijn met de ambities in de Routekaart Delft Klimaatneutraal 2050.
Dat doen we omdat we in 2050 aardgasvrij moeten zijn, we daarom na Voorhof-Buitenhof met ongeveer 33.000 woningen aan de slag moeten, dat in de komende drie Warmteprogramma ’s (2026, 2031, 2036) moet worden gedaan, en we rekening moeten houden met een uitvoeringstermijn.
2/4
Technische uitgangspunten Net als in het Warmteplan heeft het Warmteprogramma een kaart met daarin de voorkeursoplossing voor een aardgasvrije buurt; de WAT-kaart. De gemeente gaat de kaart van het Warmteplan herijken aan de hand van onderstaande uitgangspunten, die voortborduren op bestaand beleid zoals het Warmteplan, Energiestrategie Delft en het Isolatieplan. 4. Laagste kosten zijn bepalend: In het Warmteprogramma hanteren we, net zoals in het Warmteplan, het uitgangspunt dat laagste kosten sterk bepalend zijn voor de voorkeursoplossing. Het gaat om de laagste nationale kosten, want gemeenten hebben vanuit hun regierol de verantwoordelijkheid om de totale (nationale) kosten van de energietransitie te beperken. Ook gaat het om laagste eindgebruikerskosten, want betaalbaarheid is een randvoorwaarde (zie 2.1). 5. Ruimtelijke inpasbaarheid In het Warmteprogramma overwegen we alleen een voorkeursalternatief als deze ruimtelijk inpasbaar is. Het is druk in de Delftse onder- en bovengrond. Zo bleek uit een analyse voor het Warmteplan dat een warmtenet niet past in een aantal buurten waaronder de binnenstad. 6. Isolatie label C is het streven In het Warmteprogramma nemen we isolatielabel C als uitgangspunt voor de technische analyse.
Dit is in lijn met de doelstelling uit het Isolatieplan en het Warmteplan dat elke woning in Delft uiteindelijk geïsoleerd wordt naar label C of de Standaard. Dit omdat het bijdraagt aan minder energieverbruik en meer comfort en gezondheid. 7. Beperking van de impact op het elektriciteitsnet In het Warmteprogramma is impact op het elektriciteitsnet een belangrijke afweging voor het bepalen van de voorkeurstechniek. Dit is in lijn met de Energiestrategie Delft, de Regionale Energiestrategie Rotterdam-Den Haag en het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat. Dat betekent een voorkeur voor warmtenetten, daar waar mogelijk. Dit omdat er voldoende warmtebronnen in Delft beschikbaar zijn en om de problemen van netcongestie zo veel mogelijk te beperken. 8. Bodemenergiesystemen voor gebiedsontwikkelingen In het Warmteprogramma krijgt nieuwbouw een aparte status. Dat is in lijn met de module nieuwbouw van de Energiestrategie Delft. In gebieden waar de komende 10 jaar een gebiedsontwikkeling plaats vindt, zal de gemeente hier vooral sturen op de toepassing van bodemenergiesystemen. 9. Passieve koeling In het Warmteprogramma sturen we niet actief op koeling. Dit is in lijn met het duurzaam bouwen beleid. In Delft zetten we voor de bestaande bebouwde omgeving in op passieve koeling.
Of een warmtetechniek ook kan koelen, weegt dus niet mee in het bepalen van het voorkeursalternatief. Koelen gebeurt op gebruikers-, gebouw- en gebiedsniveau. Wel meten we de koelvraag en benoemen we aandachtsgebieden. 3/4
10. Duurzaam Gas achteraan in de rij In het Warmteprogramma wordt duurzaam gas (waterstof of biogas) voorlopig niet als realistisch voorkeursalternatief gezien. Dit bouwt voort op het Warmteplan. Het betekent dat duurzaam gas tot 2040 niet in aanmerking komt als alternatief en daarna alleen als er geen andere mogelijkheid is. Dit omdat het opschalen van de duurzaam gasproductie achterloopt, de beschikbaarheid onzeker is en het gebruik van het schaarse aanbod voor verwarming van de gebouwde omgeving lage prioriteit krijgt (waterstofladder). We beschrijven wel het handelingsperspectief voor de eigenaar / bewoners in de gebieden waar de technische analyse duurzaam gas als voorkeursalternatief geeft. 11. Aanzienlijke milieueffecten Voor het Warmteprogramma toetsen we op aanzienlijke milieueffecten. Het uitvoeren van een plan-milieueffectenrapportage is verplicht. Delft toetst met dit rapport of de “WAT?” kaart leidt tot aanzienlijke milieueffecten die niet mitigeerbaar zijn. Alleen wanneer sprake is van aanzienlijke nietmitigeerbare milieueffecten, is dit reden om het voorkeursalternatief te heroverwegen. 12. Ruimte voor initiatief In het Warmteprogramma bieden we ruimte voor bewonersinitiatieven. Het uitgangspunt is om de energie van de stad te benutten. Wel geeft het Warmteprogramma kaders daarvoor mee met als doel het gemeenschappelijk belang te borgen. 13.
Maatwerk voor bedrijventerreinen In het Warmteprogramma krijgen bedrijventerreinen een aparte status als maatwerkgebied. Dit omdat bedrijventerreinen een ander, vaak uniek, warmteprofiel hebben dan woonwijken en de modellen zich slecht lenen voor bedrijventerreinen, waardoor een integrale ontwikkeling (bijv. als smarthubs) als kansrijk wordt gezien. Planning
4/4