CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting op Algemene uitkering (accres taakmutaties) decentralisatie- en integratie-uitkeringen

Commissie Algemeen 3 november 2022, gemeente DelftBij agendapunt: Programmabegroting 2023-20266.155 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 1: toelichting op Algemene uitkering (accres, taakmutaties), decentralisatie- en integratie-uitkeringen Het gemeentefonds is de grootste inkomstenbron van de gemeenten. Gemeenten ontvangen op drie tijdstippen in het jaar informatie over de gemeentefondsuitkeringen: in mei op basis van de Voorjaarsnota van het rijk, in september op basis van de Miljoenennota en in december, ter afronding van het lopende jaar, op basis van de Najaarsnota van het Rijk.. De indeling van de circulaire is afgestemd op de soorten uitkeringen die het gemeentefonds kent: 1. Algemene uitkering (algemene mutaties en taakmutaties) 2. Decentralisatie-, Integratie- en Suppletie-uitkeringen 3. Integratie-uitkeringen Sociaal domein. De belangrijkste componenten in de meicirculaire 2022 (gepubliceerd op 1 juni 2022) zijn een ophoging van het accres (groei), de verwerking van het Coalitieakkoord van het kabinet Rutte IV en de nieuwe verdeling van het gemeentefonds (vanaf 1 januari 2023). Leeswijzer Dit memo bevat een nadere toelichting op de Algemene uitkering (paragraaf 1), Decentralisatie- en integratieuitkeringen (paragraaf 2) en Integratie-uitkeringen Sociaal domein (paragraaf 3). In bijlagen A en B staat een toelichting op de concrete taakmutaties en op wijzigingen in de decentralisatie-en integratie-uitkeringen. 1.

Algemene uitkering De Algemene uitkering bestaat uit algemene mutaties en taakmutaties. Algemene uitkering o.b.v. Voorjaarsnota 2022 (accres, maatstaven) De algemene mutaties in de Algemene uitkering zijn van invloed op de financiële ruimte van de gemeente zonder dat sprake is van veranderingen in het takenpakket. Vanuit de algemene mutaties in de Algemene uitkering ontstaat de financiële ruimte voor de stijging van lonen en prijzen (nominale ontwikkeling) en de groei van de stad in de Programmabegroting 2023-2026. Tabel 1. Algemene mutaties Specificatie Algemene uitkering Algemene mutaties a. Accres b. BCF c. Maatstaven d. Belastingcapaciteit Mutatie algemene uitkering

*€ 1.000

2022 6.092 744 574 -686 6.724

2023 25.887

2024 32.533

2025 36.306

2026 19.651

662 -887 25.663

3.135 -887 34.782

3.292 -887 38.712

4.453 -887 23.218

a. Accres De ontwikkeling van de algemene uitkering wordt voor een belangrijk deel bepaald door de ontwikkeling van de totale rijksuitgaven (trap-op-trap-af). De toename of afname van het gemeentefonds wordt het accres genoemd. Voor 2022 tot en met 2025 is door het Rijk de bestaande normeringssystematiek toegepast. Uitzondering zijn de investeringsfondsen (stikstof, klimaat, mobiliteit/groei) die niet zijn meegenomen in de normering. Vanaf 2026 is het totale accres vastgezet. Hierover vindt aanvullend indexatie plaats voor de loon- en prijsontwikkeling.

Voor alle jaren tot en met 2025 sprake van een jaar-op-jaar positieve bijstelling van het accres. Ten opzichte van 2025 is in 2026 sprake van een neerwaartse bijstelling van het accres. De stijging van het accres komt door extra uitgaven in het Coalitieakkoord en de Voorjaarsnota (defensie, koppeling AOW aan het minimumloon, belastingen (box 3) en inflatie). Vastzetten volumedeel accres Het kabinet heeft met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) afgesproken de volumecomponent van het accres voor de jaren 2022 – 2025 te bevriezen. Daarmee beoogt het kabinet voor die periode een stabielere financiering van de medeoverheden te realiseren.. Financieringssystematiek medeoverheden Door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), de VNG en het IPO wordt in een gezamenlijk proces met een onafhankelijk begeleider gewerkt om te komen tot een nieuwe financieringssystematiek voor 2026 en verder. Daarbij wordt ook gekeken naar de zorg die gemeenten en provincies ervaren over hun financiën in 2026 en verder. De opdracht is om te komen tot een analyse van de financiële gevolgen van het Coalitieakkoord voor gemeenten en provincies. Daarnaast zal naar oplossingen gezocht worden voor de korte en lange termijn. De Tweede Kamer zal in september worden geïnformeerd over de uitkomst en de vervolgstappen. b.

BTW Compensatie Fonds Rekening is gehouden met de afrekening van het BTW Compensatie Fonds (BCF). Dit fonds is bestemd voor terugvordering van BTW door gemeenten en kent een plafond waarbij overschotten/tekorten worden verrekend met het gemeentefonds. Omdat gemeenten minder hebben gedeclareerd bij het BCF dan verwacht in de Septembercirculaire 2021 is de ruimte onder het plafond groter en ontstaat bij de definitieve afrekening in de meicirculaire een incidenteel voordeel. c. Maatstaven (hoeveelheidsverschillen) De verdeling van de algemene uitkering wordt voor een groot deel bepaald op basis van lokale maatstaven. Maatstaven zijn bijvoorbeeld aantallen inwoners, woonruimten, bijstandsontvangers en oppervlakte. Bij elke circulaire worden de maatstaven geactualiseerd. Vanaf uitkeringsjaar 2023 is door de invoering van het nieuwe verdeelmodel sprake van een grootaantal wijzigingen in de verdeelmaatstaven. d. Belastingcapaciteit Voor de maatstaven onroerendezaakbelasting (OZB) is de actuele belastingcapaciteit verwerkt. Dit gebeurt op basis van actuele, hogere WOZ-waarden (opgave Regionale BelastingGroep (RBG)1) en, in samenhang hiermee, een bijstelling van de landelijke (reken)tarieven. De stijging van de WOZ-waarden wordt gecompenseerd door een daling van de rekentarieven. Per saldo is sprake van een nadeel.

Coalitieakkoord Rutte IV De volgende reeksen uit het Coalitieakkoord Rutte IV zijn verwerkt: het schrappen van de oploop van de opschalingskorting t/m 2025, uitname voor de woningbouwimpuls en volkshuisvestingsfonds (als voeding voor specifieke uitkeringen), Jeugdzorg (uitsluitend 2023, zie toelichting taakmutaties bijlage A) en negatieve reeksen als gevolg van de investeringen in valpreventie en Wmo als gevolg van de aanpassing van de eigen bijdrage voor de huishoudelijke hulp. Deze negatieve reeksen moeten volgens het kabinet leiden tot taakstellende besparingen (zie toelichting taakmutaties bijlage A).

1

De formele opgave van het CBS is nog niet beschikbaar.

Extra besparing jeugddomein In het Coalitieakkoord is een extra besparing in het jeugddomein opgenomen met een omvang van € 100 miljoen in 2024, oplopend naar € 500 miljoen in 2025 en 2026, en structureel € 511 miljoen vanaf 2027. Het kabinet heeft besloten dat deze besparing een Rijksverantwoordelijkheid is. Het Rijk is aan zet om de besparing in te vullen met (wettelijke) maatregelen als aanvulling op de beoogde Hervormingsagenda. Het gaat om maatregelen waarbij gemeenten minder uitgaven zouden hoeven plegen of waarbij alternatieve inkomsten gegenereerd worden. Over de verdeling van de middelen voor de Omgevingswet en Wet kwaliteitsborging voor het bouwen zijn afspraken gemaakt. Deze middelen komen beschikbaar via de septembercirculaire. Nieuw verdeelmodel De afgelopen jaren hebben de fondsbeheerders samen met de VNG, gemeenten en de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) gewerkt aan de nieuwe verdeling van het gemeentefonds. Hoofddoel voor een nieuw verdeelstelsel was om dat eenvoudig en uitlegbaar te maken en dat beter aan te sluiten bij de noodzakelijke kosten die gemeenten maken (vooral nodig in het sociaal domein). De indeling van de clusters is logischer en globaler gemaakt en het aantal maatstaven is gehalveerd. Op 6 april jl. zijn de Tweede Kamer en gemeenten door de fondsbeheerders geïnformeerd over de invoering van de nieuwe verdeling per 1 januari 2023.

De laatste doorrekening van het nieuwe verdeelmodel dateert van 23 december 2021 (peiljaar 2019). In de meicirculaire is het nieuwe model met de nu bekende gegevens geactualiseerd naar de stand 1 januari 2023. Voor Delft leidt dit tot een nadeel van € 1,88 miljoen (structureel). De actualisatie houdt rekening met de standen van de nieuwe en gewijzigde verdeelmaatstaven (zoals aantal inwoners, centrumfunctie, oppervlakte, aantal mensen met lage inkomens, WOZ-waarden, etc.), alle budgetontwikkelingen die in de periode 2020 tot en met 2022 hebben plaatsgevonden (bijvoorbeeld het accres, de loon- en prijsindexering en middelen voor Jeugdzorg) en een actuelere gemeentelijke indeling (2022). Zowel voor het klassiek als het sociaal domein zijn samenhangende taken van gemeenten in clusters ingedeeld. De clusters zijn bedoeld om een verdeling te kunnen maken en onderhouden; het is nadrukkelijk geen bestedingsnorm. Vooral de ontwikkelingen in het sociaal domein waren aanleiding om de clusterindeling te herzien. Het ingroeipad – het pad waarmee gemeenten naar de nieuwe verdeling ingroeien – is beperkt tot 3 jaar. Het maximale effect is -/+ € 7,50 per inwoner in 2023 en -/+ € 15 per inwoner in 2024 en 2025. Daarmee komt het maximale effect op -/+ € 37,50 per inwoner in 2025. Voor Delft is door het ministerie van BZK het nadeel berekent op € 18,17 per inwoner.

Om het nadeel te beperken tot het afgesproken effect ontvangt de gemeente Delft in 2023 een zogenaamde suppletie-uitkering van € 1,1 miljoen.

Model voor de nieuwe verdeling is geen eindstation

Het nieuwe verdeelmodel is geen eindstation en zal continu onderhoud vragen. De fondsbeheerders nemen het advies van de ROB, inclusief de door de ROB voorgestelde onderzoeksagenda, over. De fondsbeheerders geven hier graag in nauw overleg met de ROB en de VNG nadere invulling en uitvoering aan. De Tweede Kamer zal in september worden geïnformeerd over de onderzoeksagenda (grootstedelijkheid, overige eigen middelen / verevening belastingcapaciteit, huishouden kenmerken en centrumfunctie). De invoering van het nieuwe model zal tijdig geëvalueerd worden en aan de hand van deze evaluatie zal besloten worden over het traject 2026 en verder. Taakmutaties (inclusief arbitrage jeugdzorg) Naast algemene mutaties is ook sprake van taakmutaties. Dit zijn mutaties die veelal corresponderende gevolgen hebben voor uitgaven van de gemeente. Als het door het rijk geformuleerde beleid in lijn is met door de raad geformuleerde doelstellingen en recent niet al eigen middelen voor hetzelfde doel zijn vrijgemaakt, vindt in beginsel aanpassing van het uitvoeringsbudget conform het rijksbeleid plaats. In bijlage A staat een toelichting op alle taakmutaties. De grootste taakmutaties gaan over: • Jeugdzorg (extra middelen naar aanleiding van arbitrage): € 6,6 miljoen. Tegenover de extra middelen in 2023 staan geen nieuwe uitgaven omdat deze al in de Programmabegroting 2022-2025 zijn geraamd.

• Wetsvoorstel eenmalige energietoeslag lage inkomens: € 6,976 miljoen. Stelpost jeugdzorg 2024 e.v. Voor de jaren 2023 tot en met 2026 hadden het Rijk, de VNG en het IPO aanvankelijk afgesproken dat de gemeenten een stelpost mochten opnemen in de begroting van nog te ontvangen middelen. De netto-reeks van de Arbitragecommissie2 vormde daarvoor het uitgangspunt. Vanuit behoedzaamheid gold hiervoor een maximum van 75% omdat de resultaten uit de Hervormingsagenda kunnen leiden tot een lagere netto-reeks. De compensatie 2023 is in de meicirculaire 2022 echter volledig gegeven, dus 100%. De vraag is of voor de jaren 2024 en volgende nog steeds een afslag van 25% geldt.

2. Integratie- en decentralisatie-uitkeringen Onderdeel van het Gemeentefonds zijn integratie- en decentralisatie-uitkeringen. Dit zijn uitkeringen die (nog) niet via de reguliere verdeelmaatstaven aan gemeenten worden toegekend. De middelen zijn vrij besteedbaar en er is geen verantwoording naar het Rijk benodigd zoals bij Specifieke uitkeringen. Wel geldt dat de uitkeringen met een bepaald doel worden verstrekt en dat mutaties corresponderende gevolgen voor inkomsten of uitgaven hebben. Als het door het rijk geformuleerde beleid in lijn is met door de raad geformuleerde doelen en recent niet al eigen middelen voor hetzelfde doel zijn vrijgemaakt, vindt in beginsel ophoging van het bijbehorende budget conform het rijksbeleid plaats. Definitieve integrale afwegingen hierover worden gemaakt wanneer ook de uitkomsten van overige bouwstenen in de voorbereidingen voor de Programmabegroting 2023-2026 bekend zijn. In bijlage B staat een toelichting op de diverse uitkeringen. De grootste wijzigingen betreffen de nieuwe decentralisatie-uitkeringen Uitvoeringsmiddelen klimaatakkoord (2022) en Extra capaciteit BOA’s alsmede de overheveling van de Integratieuitkering Inburgering naar de Algemene uitkering. Vergoeding opvang ontheemden Oekraïne

2

De arbitragecommissie heeft in 2021 een uitspraak en advies uitgebracht inzake het geschil tussen Rijk en gemeenten over de structurele financiering van de jeugdzorg.

De gemeenten en veiligheidsregio’s werken aan het realiseren van opvangplekken. Om gemeenten duidelijkheid te geven over wat zij ontheemden kunnen bieden en welke kosten vergoed worden door het Rijk, is een regeling voor een specifieke uitkering op basis van normbedragen opgesteld. In het kader van de opvang ontheemden Oekraïne zijn de gemeenten ook verantwoordelijk voor: ▪ Het realiseren van voldoende en adequate onderwijshuisvesting. Vergoeding vindt plaats via een specifieke uitkering, waarbij de gemeenten achteraf gecompenseerd worden voor gerealiseerde kosten. ▪ Het inrichten van leerlingenvervoer. Vergoeding vindt plaats via een eenmalige decentralisatie uitkering voor de periode maart – juli 2022. ▪ De zorg en ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet, en de uitvoering van het basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg, het Rijksvaccinatieprogramma en het prenataal huisbezoek uit de Wet publieke gezondheid.

3. Integratie-uitkeringen Sociaal domein De Integratie-uitkeringen Sociaal domein maken net als de Decentralisatie-uitkeringen deel uit van het gemeentefonds, maar hebben een eigen verdeling. Ook deze uitkeringen zijn vrij besteedbaar en er vindt geen verantwoording plaats naar het Rijk. Wel zijn de uitkeringen verbonden met een zeker doel. De aanpassingen leiden tot ophoging van lasten vanwege uitbreiding van het takenpakket en/of prijsaanpassingen. In bijlage B staat een nadere toelichting op de diverse uitkeringen. In de meicirculaire zijn extra middelen beschikbaar gesteld voor Beschermd wonen (volume, loon- en prijsontwikkeling) en zijn de Integratie-uitkeringen Nieuw Wajong, Nieuw Begeleiding (Participatie) en Voogdij 18+ overgeheveld naar de Algemene uitkering.

Bijlage A: Toelichting op Taakmutaties

Conform de Begrotingsregels is getoetst of de middelen voor taakmutaties exact in deze omvang benodigd zijn. Als dat het geval is, wordt in de Programmabegroting 2023-2026 een budget geraamd op het programma. *€ 1.000

Specificatie Algemene uitkering Taakmutaties 1. Valpreventie bij ouderen (coalitieakkoord) 2. Eigen bijdrage huishoudelijke hulp (coalitieakkoord) 3. Jeugdhulp: subsidieregeling continuïteitsregeling cruciale jeugdzorg 4. Prenataal huisbezoek Taakmutaties: uitname 5. Jeugdzorg (coalitieakkoord) 6. Energietoeslag 7. Inburgering: Leefbaarheidstoets 8. Participatie: loon- en prijsbijstelling 2022 9. Voogdij 18+: loon- en prijsbijstelling 2022 10. Versterking dienstverlening gemeenten: Systeemleren 11. Toezicht en handhaving voor EPBD III 12. Overgangsrecht levenslang Taakmutaties: uibreiding takenpakket Totaal taakmutaties

2022

2023

2024 -68

2025 -68 -397

2026 -73 -401

2027 -76 -400

-45 6.631

-68

-465

-474

-476

29 23 123 28

30 24 125 29

31 24 127 29

31 25 129 29

31 25 129 29

6.985

6.834

208

211

214

5 219

6.926

6.789

140

-254

-260

-257

-45 -46 -13 -59 6.976

9

1. Valpreventie bij ouderen (Coalitieakkoord Rutte IV) Het kabinet heeft valpreventie, als kostenbesparende preventiemaatregel, in het Coalitieakkoord opgenomen. Valpreventie draagt bij aan gezond ouder worden en leidt tot netto besparingen in de domeinen Zorgverzekeringswet (Zvw) en Wet langdurige zorg (Wlz). Er dient geïnvesteerd te worden in het opschalen van beweegprogramma’s, het uitvoeren van de multifactoriële interventie en de organisatie van opsporing en screening. Dit betekent dat we in Delft scherper moeten sturen op gebruik van deze interventies en inwoners moeten wijzen op vergoedingen door de Zorgverzekeraar en Zorgkantoor

2. Eigen bijdrage huishoudelijke hulp (Coalitieakkoord Rutte IV)

In het Coalitieakkoord is opgenomen dat dit kabinet werkt aan een aanpassing van de eigen bijdrage voor de huishoudelijke hulp in de Wmo. De komende periode wordt deze maatregel met cliënten, gemeenten en het Centraal Administratie Kantoor (CAK) uitgewerkt. Het betekent dat nog onduidelijk is welke baten er voor Delft zijn ten opzichte van de uitname door het Rijk. Dit moet nog worden berekend.

3. Jeugdhulp: subsidieregeling continuïteitsregeling cruciale jeugdzorg

In mei 2019 hebben de VNG en het Rijk afspraken gemaakt over de inrichting van een subsidieregeling ‘continuïteit cruciale jeugdzorg’ met een looptijd tot eind december 2021. Hiertoe is destijds € 20 miljoen vanuit de € 420 miljoen aan tijdelijke extra middelen Jeugdhulp voor gemeenten apart gehouden op de begroting van het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS). Via de subsidieregeling kunnen aanbieders van cruciale jeugdhulp tijdelijke liquiditeitssteun ontvangen indien dit noodzakelijk is om continuïteit van zorg te garanderen. Er is afgesproken dat de middelen na afloop van de subsidieregeling weer worden toegevoegd aan het gemeentefonds. Dit voorjaar zijn de VNG en het Rijk overeengekomen om de looptijd van de subsidieregeling ‘continuïteit cruciale jeugdzorg’ te verlengen. VNG en Rijk hebben daarnaast besloten om de hoogte van de beschikbare middelen voor de subsidieregeling vast te stellen op € 10 miljoen (een verlaging van € 10 miljoen ten opzichte van de eerder beschikbaar gestelde € 20 miljoen). Afgelopen decembercirculaire 2021 is, door vertraagde besluitvorming over de verlenging van de subsidieregeling, al € 18,9 miljoen van de eerder beschikbare € 20 miljoen teruggestort in het gemeentefonds. De overige € 1,1 miljoen was destijds uitgekeerd aan liquiditeitssteun.

In deze circulaire is daarom eenmalig € 8,9 miljoen uitgenomen om het budget voor de subsidieregeling weer op € 10 miljoen te brengen. Aan het einde van de subsidieregeling vloeien deze financiële middelen weer terug in het gemeentefonds.

4. Prenataal huisbezoek

In 2021 is structureel vanaf 2022 in totaal € 5,3 miljoen aan de algemene uitkering toegevoegd voor de uitvoering van het wetsvoorstel ‘Prenataal huisbezoek door de jeugdgezondheidszorg (PHB JGZ)’. Daarbij was uitgegaan van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel per 1 januari 2022. Het wetsvoorstel is evenwel niet per 1 januari 2022 in werking getreden maar treedt per 1 juli 2022 in werking. De niet benodigde middelen voor het 1e halfjaar van 2022 worden teruggeboekt naar het ministerie van VWS. Hierbij is wel rekening gehouden met de (extra) kosten die gemeenten eventueel al hebben gemaakt als gevolg van de inwerkingtreding (15% van € 2,65 miljoen). Daarom wordt nu € 2,25 miljoen teruggeboekt.

5. Jeugdzorg (Coalitieakkoord Rutte IV) Het kabinet stelt voor 2023 incidenteel € 1,454 miljard extra beschikbaar voor de jeugdzorg. Hierbij gaat het kabinet er vanuit dat gemeenten inzetten op besparingsmaatregelen voor een bedrag van € 374 miljoen op de jeugdzorguitgaven in 2023 (die ook onderdeel is van de reeks van de Commissie van Wijzen). Vanuit de € 1,454 miljard is, vooruitlopend op de nadere invulling van de hervormingsagenda, € 9 miljoen overgeheveld naar de begroting van het ministerie van VWS ten behoeve van de uitvoering van de hervormingsagenda in 2023. De besteding van deze middelen vindt plaats in samenspraak met de VNG. Het overige deel (€ 1,445 miljard) is toegevoegd aan de algemene uitkering aan gemeenten ter compensatie van de tekorten in de jeugdzorg. Daarnaast gaat het kabinet de komende tijd met gemeenten en andere relevante partijen verder in gesprek over de Hervormingsagenda Jeugd, die moet bestaan uit een combinatie van een set van maatregelen en een financieel kader waarmee een structureel houdbaarder jeugdstelsel wordt gerealiseerd. Het kabinet zal bij het afsluiten van de Hervormingsagenda ook besluiten over de extra middelen voor 2024 en verder die aan gemeenten beschikbaar gesteld worden, waarbij het advies van de Commissie van Wijzen het uitgangspunt vormt.

6. Energietoeslag

Op 15 maart jl. is het wetsvoorstel eenmalige energietoeslag lage inkomens ingediend bij de Tweede Kamer. Met het wetsvoorstel krijgen gemeenten de bevoegdheid om dit jaar via categoriale bijzondere bijstand een eenmalige tegemoetkoming voor de gestegen energieprijzen toe te kennen aan huishoudens met een laag inkomen. Voor de uitvoering en uitgifte van de eenmalige aanvullende tegemoetkoming – voor huishoudens met een laag inkomen - heeft het kabinet in maart 2022 een eenmalig budget van € 679 miljoen beschikbaar gesteld. In de voorjaarsbesluitvorming is een aanvullend bedrag van € 175 miljoen beschikbaar gesteld, waardoor het totaal beschikbare bedrag uitkomt op € 854 miljoen. Deze middelen worden via de algemene uitkering aan gemeenten verstrekt. Zoals gemeld in de brief aan de Tweede Kamer van 15 maart jl. is het gemeenten toegestaan vooruitlopend op de inwerkingtreding van het wetsvoorstel al tot uitbetaling van de eenmalige energietoeslagen over te gaan. De VNG en gemeenten hebben hier ook om verzocht. Via de maartbrief aan gemeenten van 6 april jl. is reeds een indicatie gegeven van het te ontvangen bedrag per inwoner per gemeente, op basis van het toen bekende bedrag van € 679 miljoen. In deze circulaire is het totaalbedrag van € 854 miljoen en de verdeling over de gemeenten verwerkt.

7. Inburgering: Leefbaarheidstoets

De leerbaarheidstoets is onderdeel van de brede intake in de Wet inburgering. De leerbaarheidstoets heeft als doel om inzicht te geven in het niveau van de Nederlandse taal dat een inburgeringsplichtige kan bereiken gedurende de inburgeringstermijn. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de begeleiding bij de afname van de leerbaarheidstoets. Concreet betekent dit dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het inplannen van de afspraken met de kandidaten voor de afname van de leerbaarheidstoets, het beschikbaar stellen van afnamelocaties en de begeleiding van de afname van de toets. Gemeenten hebben geen rol bij de verwerking of beoordeling van de leerbaarheidstoets. Zoals aangekondigd in de meicirculaire 2021 wordt de integratieuitkering in het kader van de nieuwe verdeling van het gemeentefonds per 1 januari 2023 overgeheveld naar de algemene uitkering. Voor 2023 en verder zijn de voor de integratieuitkering beschikbare middelen daarom toegevoegd aan de algemene uitkering (aflopend van € 77 miljoen in 2023 tot € 71 miljoen in 2027). Deze middelen wijzigen als gevolg van de toevoeging van middelen voor de leerbaarheidstoets, conform de afspraken die in oktober 2021 zijn gemaakt met de VNG. Het gaat om een bedrag van in totaal € 4,852 miljoen in 2023, € 4,785 miljoen in 2024 en € 4,717 miljoen vanaf 2025.

8. Participatie: loon- en prijsbijstelling 2022 De integratie-uitkering Participatie (onderdelen Nieuw Wajong en Nieuw begeleiding, excl. beschut werk) wordt met ingang van 2023 toegevoegd aan de algemene uitkering. De overgehevelde middelen wijzigen als gevolg van de toekenning van de loon- en prijsbijstelling 2022 (€ 66,595 miljoen in 2022, aflopend naar € 57,921 miljoen structureel).

9. Voogdij 18+: loon- en prijsbijstelling 2022

De integratie-uitkering Voogdij/18+ wordt met ingang van 2023 toegevoegd aan de algemene uitkering. De overgehevelde middelen wijzigen als gevolg van de toekenning van de loon- en prijsbijstelling 2022 (€ 26,668 miljoen vanaf 2022).

10. Versterking dienstverlening gemeenten: Systeemleren

In de reactie van het kabinet van 15 januari 2021 op het rapport Ongekend onrecht van de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) is toegelicht dat naast de hersteloperatie voor getroffen ouders en kinderen, ook maatregelen nodig zijn die structureel tot brede verbeteringen in beleid en uitvoering moeten leiden. Onderdeel hiervan is het versterken van de dienstverlening bij alle onderdelen van de overheid, waaronder de gemeenten. Het kabinet heeft besloten voor het versterken van de dienstverlening bij gemeenten en het extra ondersteunen van mensen in kwetsbare posities voor de periode tot en met 2027 in totaal € 150 miljoen per jaar beschikbaar te stellen. De bedragen zijn reeds verwerkt in de decembercirculaire 2021. Er was al € 5 miljoen beschikbaar via de algemene uitkering voor systeemleren. In deze circulaire worden de middelen van de decentralisatie-uitkering Systeemleren met ingang van 2023 additioneel toegevoegd aan de algemene uitkering. Voor de jaren 2023 tot en met 2027 is na deze toevoeging in totaal een bedrag van € 10 miljoen per jaar beschikbaar.

11. Toezicht en handhaving voor EPBD III De algemene uitkering wordt in 2022 met € 1,797 miljoen verhoogd in verband met de tweede herziening van de Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD III). De regeling is op 10 maart 2020 geïmplementeerd en heeft als doel om de energie-efficiëntie van gebouwen te verbeteren. Naar aanleiding van EPBD III is er een verplichting geïntroduceerd voor documenteren van de energieprestatie van een installatie, voor het installeren van zelfregulerende apparatuur per verblijfsruimte en voor laadinfrastructuur voor elektrische auto’s. Ook zijn de eisen voor de energieprestatie van technische bouwsystemen en de keuring van verwarmingsinstallaties en airconditioningssystemen aangepast. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving. Informatie over de jaren 2023 en verder volgt in een volgende circulaire. Meer informatie over EPBD III is beschikbaar via de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

12. Overgangsrecht levenslang De meerjarenraming strekt zich met ingang van deze circulaire uit tot en met het jaar 2027. Daardoor wordt in de tabel het onderwerp “overgangsrecht levenslang” in 2027 zichtbaar. Deze mutatie betreft een correctie op een extrapolatie van extramurale zorgkosten binnen de Wmo 2015 en/of Jeugdwet. Cliënten met een verblijfsindicatie voor een hoog zorgzwaartepakket op 31 december 2014 hebben overgangsrecht gekregen voor onbepaalde tijd. Door het overgangsrecht voor onbepaalde tijd zullen deze cliënten structureel hun extramurale zorg (bijvoorbeeld in de vorm van persoonsgebonden budget) afnemen ten laste van de Wet langdurige zorg (Wlz) in plaats van ten laste van de Wmo 2015 of de Jeugdwet. Om dit voor gemeenten te corrigeren, wordt gedurende 34 jaar jaarlijks € 1,158 miljoen extra toegevoegd aan het gemeentefonds tot aan het volledige bedrag van € 39 miljoen.

Bijlage B: Toelichting op Integratie- en decentralisatieuitkeringen *€ 1.000

2022 Integratie- en decentralisatie-uitkeringen 1. Handhaving quarantaine (covid 19) 2 1. Uitvoeringskosten klimaatakkoord 592 2. Maatschappelijke opvang en OGGz (DU) -18 3. Kansrijke start / Gezond in de stad (DU) 33 4. Vrouwenopvang (DU) 326 5. Inburgering (IU) 29 6. Armoedebestrijding kinderen (DU) 7. Brede aanpak dak- en thuisloosheid (DU) 408 8. Einde lening inburgeringsplicht (DU) 16 9. Extra capaciteit BOA's 48 10. Combinatiefuncties/buurtsportcoaches (DU) 11. Beeldende kunst en vormgeving (DU) 12. Decentralisatie provinciale taken vergunningverlening, toezicht en handhaving (DU) 13. Voorschoolse voorziening peuters (DU) Totaal mutaties 1.436

2023

2024

2025

2026

2027

-18

-18

-18

-18

2.519

310

310

310

7

3.158

20

20

20

20

579

48

48

48

48

360

360

360

57

48 423 150 86 157 7.120

1. Handhaving quarantaine (covid 19) Gemeenten ontvangen voor de bezwaarprocedure van het handhaven van de quarantaineplicht in 2022 een gering bedrag (naar rato van het aantal inwoners. De middelen worden toegevoegd aan de reserve Maatregelen coronacrisis.

2. Uitvoeringskosten klimaatakkoord (Coalitieakkoord Rutte IV) Vanaf 2023 tot en met 2030 krijgen gemeenten meer uitvoeringsmiddelen voor klimaat- en energiebeleid. Om de uitvoering van het bestaande klimaatbeleid in 2022 te kunnen voortzetten, ontvangen gemeenten in 2022 een overbruggingsbudget van € 40 miljoen. Dat is onvoldoende om de reeds in 2022 gewenste versnelling teweeg te brengen. Daarom wordt van de toekomstige uitvoeringsmiddelen € 74,331 miljoen naar 2022 verschoven. Deze € 74,331 miljoen wordt aan de gemeenten uitgekeerd door ophoging van de decentralisatie-uitkering. Van de initiële € 40 miljoen gaat € 38,260 miljoen naar het gemeentefonds en € 1,740 miljoen naar het BCF. Dat betekent dat via het gemeentefonds in 2022 een totaalbedrag van € 112,591 miljoen beschikbaar wordt gesteld. Over de resterende middelen die in het Coalitieakkoord zijn gereserveerd voor de uitvoeringskosten van medeoverheden voor het klimaatakkoord en aanvullend klimaatbeleid vinden nog gesprekken plaats tussen onder andere VNG, IPO en het Rijk.

3. Maatschappelijke opvang en OGGz (DU)

Met ingang van 2022 is de verdeling van maatschappelijke opvang ten opzichte van de septembercirculaire 2021 veranderd als gevolg van het gebruik van actuelere maatstafaantallen en verwerking van de gemeentelijke fusies.

4. Kansrijke start / Gezond in de stad (DU) In het kader van het actieprogramma Kansrijke Start van 12 september 2018 zijn in 3 tranches (meicirculaire 2019, decembercirculaire 2019 en septembercirculaire 2020) middelen via de decentralisatie-uitkering Gezond in de Stad aan het gemeentefonds toegevoegd voor gemeenten die een lokale coalitie willen vormen rondom de eerste 1000 dagen van kinderen. Bij deze meicirculaire worden middelen voor een extra 4e jaar Kansrijke Start aan de decentralisatieuitkering Gezond in de Stad toegevoegd voor de betreffende gemeenten.

5. Vrouwenopvang (DU)

Dit geld is toegevoegd om tekorten op de vrouwenopvang landelijk op te vangen. Gezien de ambitie van de regiovisie huiselijk geweld en de wens om mensenhandel op te pakken in het coalitieakkoord willen we het geld hiervoor oormerken.

6. Inburgering (IU)

Zoals aangekondigd in de meicirculaire 2021 wordt de integratieuitkering in het kader van de nieuwe verdeling van het gemeentefonds per 1 januari 2023 overgeheveld naar de algemene uitkering. Voor 2023 en verder zijn de voor de integratieuitkering beschikbare middelen daarom toegevoegd aan de algemene uitkering. De omvang van de integratie-uitkering Inburgering 2022 wijzigt als gevolg van de toevoeging van middelen voor de leerbaarheidstoets, conform de afspraken die in oktober 2021 zijn gemaakt met de VNG. Gelet op bovengenoemde overheveling zijn deze bedragen meteen toegevoegd aan de algemene uitkering.

De leerbaarheidstoets is onderdeel van de brede intake in de Wet inburgering. De leerbaarheidstoets heeft als doel om inzicht te geven in het niveau van de Nederlandse taal dat een inburgeringsplichtige kan bereiken gedurende de inburgeringstermijn. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de begeleiding bij de afname van de leerbaarheidstoets. Concreet betekent dit dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het inplannen van de afspraken met de kandidaten voor de afname van de leerbaarheidstoets, het beschikbaar stellen van afnamelocaties en de begeleiding van de afname van de toets. Gemeenten hebben geen rol bij de verwerking of beoordeling van de leerbaarheidstoets.

7. Armoedebestrijding kinderen (DU)

In de decembercirculaire 2016 zijn gemeenten geïnformeerd over de € 85 miljoen die vanaf 2017 structureel beschikbaar is gesteld voor de bestrijding van de gevolgen van armoede onder kinderen. Jaarlijks vindt in de meicirculaire actualisatie plaats van de verdeling voor het jaar t+1 en verder. De middelen worden verdeeld op basis van CBS-gegevens over kinderen met een kans op armoede.

8. Brede aanpak dak- en thuisloosheid (DU)

Het kabinet zet in op het voorkomen van dakloosheid, om- en afbouw van de maatschappelijke opvang en het realiseren van woonplekken met passende ondersteuning voor (dreigend) dakloze jongeren en volwassenen. Om uitvoering te kunnen geven aan de aanpak van het kabinet is het noodzakelijk dit geld beschikbaar te stellen. Dit geld is regionaal geld en zal regionale invulling krijgen.

9. Einde lening inburgeringsplicht (DU) In 2022 ontvangen gemeenten € 2,625 miljoen voor de ondersteuning van ELIPs. Deze afspraken zijn gemaakt in het bestuurlijk overleg van april 2020 tussen het ministerie van SZW en de VNG over het ondersteunen van de zogenaamde Einde lening inburgeringsplichtig (ELIPs). Dit zijn inburgeraars die hun lening voor de inburgering (vrijwel) volledig hebben uitgeput, maar nog steeds inburgeringsplichtig zijn. Gemeenten kunnen inburgeraars die tot deze doelgroep behoren begeleiden. Via een decentralisatie-uitkering worden hiertoe middelen aan gemeenten beschikbaar gesteld voor begeleiding en het in een beperkt aantal gevallen financieel ondersteunen van ELIPs bij het betalen van extra cursusuren of examengelden. De ELIPs-groep is in praktijk afgebakend als: “inburgeringsplichtige asielmigranten onder de Wet inburgering 2013 die nog niet aan de inburgeringsplicht hebben voldaan maar wel: - € 9.500 hebben verbruikt van hun lening (ongeacht de termijn) of; - € 7.500 hebben verbruikt van hun lening en waarvan de inburgeringstermijn binnen 12 maanden afloopt.” De middelen worden over gemeenten verdeeld op basis van het aantal ELIPS zoals volgt uit deze definitie, gemeten op basis van DUO-cijfers per 1 januari van het jaar.

10. Extra capaciteit BOA's

In de openbare ruimte verrichten BOA’s belangrijk werk in specialistische en complexe beleids- en wetsgebieden. In de afgelopen jaren zijn BOA’s binnen hun bevoegdheid ook steeds meer taken gaan uitvoeren. De Tweede Kamer heeft d.d. 23 september 2021 de motie Hermans c.s. aangenomen. Met deze motie, waarmee structureel € 200 miljoen is vrijgemaakt voor handhaving en veiligheid, is onder meer aan het kabinet de opdracht meegegeven om de capaciteit van (wijk)agenten en BOA’s in de openbare ruimte te vergroten. Van dit bedrag wordt structureel € 25 miljoen voor de BOA’s beschikbaar gesteld. In zijn brief van d.d. 12 november 2021 aan de Tweede Kamer heeft de minister van Justitie en Veiligheid (JenV) aangegeven op welke wijze hij deze € 25 miljoen wil inzetten. Naast onder meer € 5,5 miljoen voor de groene BOA en een bedrag voor de verdere professionalisering en een veilige taakuitvoering van de BOA’s in alle domeinen, wordt € 13 miljoen vrijgemaakt voor de capaciteit van BOA’s in de openbare ruimte. De € 13 miljoen loopt via het gemeentefonds, het resterende bedrag niet. Als verdeelsleutel wordt een standaard basisbedrag en een variabel aanvullend bedrag op basis van inwoneraantal gehanteerd.

Op deze manier wordt een eerlijke verdeling onder alle gemeenten geborgd en is er tegelijk extra aandacht voor de kleinere gemeenten, die de impuls voor meer capaciteit goed kunnen gebruiken.

1. 2. 3.

Integratie-uitkeringen Sociaal domein Beschermd Wonen (IU) Voogdij/18+ (IU) Participatie (IU) Totaal Integratie-uitkeringen Sociaal domein

2022

2023

847 155 404 1.406

1.300 -4.159 -454 -3.313

2024 1.300 -4.159 -516 -3.375

2025 1.301 -4.159 -569 -3.427

2026 1.302 -4.159 -571 -3.428

1. Beschermd wonen De omvang van de integratie-uitkering Beschermd wonen stijgt als gevolg van de toekenning van de loon- en prijsbijstelling 2022 en volume-indexatie. Alle mutaties zijn over de centrumgemeenten verdeeld naar rato van het aandeel in het huidige historische macrobudget. Advies is dit toe te voegen aan de reserve Beschermd wonen.

2. Voogdij 18+ Zoals aangekondigd in de meicirculaire 2021 wordt het budget Voogdij/18+ van de gelijknamige integratie-uitkering in het kader van de nieuwe verdeling van het gemeentefonds per 2023 overgeheveld naar de algemene uitkering. Voor 2023 en verder is de algemene uitkering daarom opgehoogd met het bedrag dat beschikbaar was voor Voogdij/18+. Daarnaast is rekening gehouden met de toekenning van loon- en prijsbijstelling in 2022. De bedragen voor ‘PC Gesloten jeugdzorg’ en ‘Academische component Kinder- en Jeugdpsychiatrie’ en de reservering voor de compensatieregeling blijven achter in de integratieuitkering. De verdeling van de integratie-uitkering Voogdij/18+ kent in 2022 nog een systematiek waarbij op basis van historisch zorggebruik (T-2) per gemeente gemiddelde dagprijzen (p) worden vermenigvuldigd met het aantal zorgdagen (q). Hierbij is al wel rekening gehouden met de invoering van het nieuwe woonplaatsbeginsel per 1 januari 2022. Met de invoering van het nieuwe woonplaatsbeginsel is de verantwoordelijkheid voor de zorg van zo’n 10.000 kinderen naar een andere gemeente verschoven. Vanaf 2023 vindt verdeling van de middelen voor voogdij/18+ plaats via de objectieve verdeelmaatstaven van het cluster Individuele voorzieningen Jeugd in de algemene uitkering. Compensatieregeling ‘onderbreking financieringssystematiek voogdij en 18+ a.g.v.

de wijziging van het woonplaatsbeginsel’ Zoals hierboven vermeld is voor 2022 sprake van een verdeelsystematiek van het budget voor voogdij en 18+ op basis van het nieuwe woonplaatsbeginsel. Het gevolg hiervan is dat – vergeleken met 2021 en eerdere jaren - een onderbreking ontstaat in de financieringssystematiek. Gemeenten die in 2020 en 2021 geconfronteerd zijn met substantieel hogere uitgaven voor voogdij en 18+ dan hun budget in die jaren zien dit niet meer vertaald in een hoger budget in het jaar 2022 en verder. Hiertoe is de compensatieregeling ‘onderbreking financieringssystematiek voogdij en 18+ a.g.v. de wijziging van het woonplaatsbeginsel’ ontwikkeld. Deze compensatieregeling wordt 1 juni 2022 opengesteld. Gemeenten kunnen tot uiterlijk 1 oktober 2022 een aanvraag voor compensatie indienen. Compensatie wordt bij decembercirculaire 2022 uitgekeerd. Compensatieregeling ‘woonplaats onbekend’ + vangnetregeling ‘aangepaste werkwijze implementatie nieuw woonplaatsbeginsel’ Per 1 januari 2022 is het gewijzigde woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet ingevoerd. Bij de overgang van het oude naar het nieuwe woonplaatsbeginsel kan het voorkomen dat het nieuwe woonplaatsbeginsel niet met terugwerkende kracht vastgesteld kan worden.

Voor de kosten die een gemeente blijft maken voor kinderen waarbij het nieuwe woonplaatsbeginsel niet met terugwerkende kracht vastgesteld kan worden, is de compensatieregeling ‘woonplaats onbekend’ ontwikkeld. Deze compensatieregeling is in eerste instantie voor 2 jaar afgesproken (met betrekking tot de kosten in de jaren 2022 en 2023). Uitvoering van de compensatieregeling vindt begin 2023 en 2024 plaats. Uitkering van de compensatie vindt in de meicirculaire 2023 respectievelijk 2024 plaats. Aan de compensatieregeling ‘woonplaats onbekend’ is voor het jaar 2022 de vangnetregeling ‘aangepaste werkwijze implementatie nieuw woonplaatsbeginsel’ gekoppeld. Dit ziet op de extra zorgvuldigheid die eind 2021 ingebouwd is in de implementatie van het nieuwe woonplaatsbeginsel. Gemeenten blijven hierdoor langer financieel verantwoordelijk voor de jeugdhulp aan een jongere die nog niet volledig overgedragen is aan de

nieuw verantwoordelijke gemeente. De langer doorlopende kosten moeten gemeenten onderling verrekenen. Echter, daar waar dit toch niet mogelijk blijkt of lukt, kunnen latende gemeenten deze doorlopende kosten via deze compensatieregeling gecompenseerd krijgen. In totaal is voor de drie hierboven genoemde compensatieregelingen jaarlijks € 30 miljoen gereserveerd. Eventuele resterende middelen worden overgeboekt naar de algemene uitkering.

3. Participatie Zoals aangekondigd in de meicirculaire 2021 worden de budgetten voor Nieuw Wajong en Nieuw begeleiding (excl. beschut werk), beide onderdeel van de integratie-uitkering Participatie, overgeheveld naar de algemene uitkering. Dit in het kader van de nieuwe verdeling van het gemeentefonds per 2023. Voor 2023 en verder is de algemene uitkering daarom opgehoogd met het bedrag dat beschikbaar was voor Nieuw Wajong (oplopend van € 56 miljoen in 2023 tot € 71 miljoen in 2027) en Nieuw begeleiding (oplopend van € 53 miljoen in 2023 tot € 80 miljoen in 2027). De omvang van de integratie-uitkering Participatie wijzigt als gevolg van de toekenning van de loon- en prijsbijstelling 2022 (€ 66,595 miljoen in 2022, aflopend naar € 57,921 miljoen structureel). De verdeling van de bedragen per gemeente wijzigt in de eerste plaats door actualisatie van de verdeling van de middelen van Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Deze is gebaseerd op de gerealiseerde omvang van de sociale werkplaatspopulatie (gemeten in standaardeenheden (SE) per betalende gemeente) zoals die bekend is uit het voorgaande jaar en een inschatting van de blijfkansen in de sociale werkplaats. De Wsw-verdeling vanaf 2022 is geactualiseerd met de realisaties van het gemiddeld aantal SE in 2021 en de blijfkansen voor de jaren 2022 en verder.

Daarnaast is sprake van wijzigingen in de verdeling van de bedragen per gemeente door aanpassing van de drempelbedragen in de verdeling van de middelen Nieuw begeleiding (beschut werk). De drempelbedragen geven weer wat het gemiddelde bedrag is dat in het betreffende jaar beschikbaar is voor de begeleiding van beschut werk. Iedere gemeente ontvangt ten minste budget voor de financiering van de begeleiding van één beschutte werkplek. De drempelbedragen zijn in deze circulaire geïndexeerd vanwege de loon- en prijsbijstelling en bedragen € 8.100 vanaf 2022. Door het gebruik van historische cijfers blijft het aandeel van individuele gemeenten in de twee verdeelmodellen Nieuw Wajong (alleen nog relevant voor 2022) en Nieuw begeleiding (beschut werk) ongewijzigd ten opzichte van de meicirculaire 2021. Voor de verdeling van het verdeelmodel Nieuw Wajong wordt gebruik gemaakt van historische cijfers van de instroom in de werkregeling Wajong. Voor het verdeelmodel Nieuw begeleiding wordt in aanvulling daarop gebruik gemaakt van de (historische) instroom in de wachtlijst Wsw.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11685430/1