CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Teding van Berkhoutlaan

Raadsvergadering 9 maart 2023, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake Coördinatieprocedure bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan (nr. 2304047)21.713 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.4

Flora en fauna

4.4.1

Inleiding

In het kader van de Wet natuurbescherming is onderzocht of binnen of nabij het plangebied beschermde soorten voorkomen en of de ontwikkeling negatieve effecten heeft op beschermde gebieden in de omgeving. Door Ecoresult B.V. is op 2 juli 2021 de quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming en Verordening ruimte uitgevoerd. Dit rapport is opgenomen in bijlage4 bij de toelichting.

4.4.2

Beleid

De Wet natuurbescherming (Wnb) biedt het wettelijk kader voor alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Soortenbescherming bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 28

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels; 3. 'andere soorten' (onderdeel A 'fauna' en onderdeel B 'flora'). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. Soorten van de Vogelrichtlijn Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen. Dit laatste verbod geldt niet voor een aantal vogelsoorten, indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding en het nest zelf zijn functionaliteit behoudt.

Indien bij het voornemen het overtreden van verbodsbepalingen in artikel 3.1 niet kan worden uitgesloten, kan onder bepaalde voorwaarden gewerkt worden conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het aanvragen van een ontheffing bij de provincie, waarin het voornemen plaatsvindt, noodzakelijk. De grond waarop een ontheffing kan worden verleend, verschilt per categorie. Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings- of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast geldt er een verbod op om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Indien bij het voornemen het overtreden van verbodsbepalingen in artikel 3.5 niet kan worden uitgesloten, kan onder bepaalde voorwaarden gewerkt worden conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode.

Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het aanvragen van een ontheffing bij de provincie, waarin het voornemen plaatsvindt, noodzakelijk. De grond waarop een ontheffing kan worden verleend, verschilt per categorie. Andere soorten Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna, is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Deze soorten zijn opgenomen in artikel 3.10, bijlage A en B van de Wnb, zie ook Bijlage tabel B (1 en 2) en C van voorliggende rapportage. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren, opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen van dieren. Voor soorten in bijlage B geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan. Indien bij het voornemen het overtreden van verbodsbepalingen in artikel 3.10 niet kan worden uitgesloten, kan onder bepaalde voorwaarden gewerkt worden conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het aanvragen van een ontheffing bij de provincie, waarin het voornemen plaatsvindt, noodzakelijk.

De grond waarop een ontheffing kan worden verleend, verschilt per categorie. Het voorgaande geldt echter niet indien de soorten zijn vrijgesteld door het bevoegd gezag. Bij voorliggende toetsing is de provincie Zuid-Holland bevoegd gezag. In de provincie Zuid-Holland zijn in tegenstelling tot de landelijke vrijgestelde soorten van artikel 3.10 onderdeel A (zie Regeling Natuurbescherming, Bijlage 13), de ondergrondse woelmuis en de tweekleurige bosspitsmuis niet vrijgesteld. De provincie heeft de vrijstellingslijst van het Rijk beoordeeld of de door het Rijk vrijgestelde bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 29

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan soorten in aanmerking komen voor een provinciale vrijstelling. Zo is per soort gekeken naar o.a de verspreiding en talrijkheid van de soort in de provincie Zuid-Holland. Hieruit blijkt dat de soorten ondergrondse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis (en molmuis), niet of nauwelijks voorkomen in Zuid-Holland zodat een provinciale vrijstelling voor die soorten niet opportuun is (Provincie Zuid-Holland, 2016). Voor deze soorten dient bij een overtreding van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 gewerkt te worden conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode of dient een ontheffing aangevraagd te worden. In de provincie geldt voor de overige landelijk vrijgestelde soorten, ook een vrijstelling. Voor deze soorten geldt enkel de zorgplicht. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden; Natura 2000-gebieden.

Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitars en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan uitsluitend worden vastgesteld in dien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden betreft voornamelijk voortzetting van de Boswet en richt zich op de instandhouding van het bosareaal.

Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. 4.4.3

Onderzoek

Het plangebied betreft een braakliggend terrein en een deel van het naastgelegen voetbalveld. Het braakliggende gedeelte bestaat vrijwel geheel uit gras met maar een paar andere plantensoorten zoals klein hoefblad. Verder staan bomen op het terrein. Het gaat om 4 middelgrote essen met kleine holen en scheuren. Het naastgelegen voetbalveldje is omgeven door middelgrote essen met diverse holen en scheuren en aan de west-, zuid- en oostzijde bevinden zich ook stroken met struiken. Verder bestaat het terrein volledig uit gras. Binnen het plangebied zijn enkele bomen aanwezig. Er zijn geen werkzaamheden gepland waarbij houtopstanden van 10 are of 20 rijbomen verwijderd worden. Wel moet en kapvergunning worden aangevraagd voor drie bomen en er geldt een herplantplicht in het kader van de gemeentelijke Bomenverordening. De bomen die gekapt zullen worden vertonen ziekteverschijnselen. Er is dan ook sprake van Essentaksterfte. De kapvergunning is aangehaakt bij de omgevingsvergunning voor bouwen. Bovendien loopt de de omgevingsvergunning parallel aan het bestemmingsplan. In deze planologische procedure is de coördinatieregeling toegepast. Natuurnetwerk Nederland Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt op circa 2,5 km ten noordoosten van het plangebied. Dit betreft de Tweemolentjesvaart.

De dichtstbijzijnde ecologische bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 30

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan verbindingszone ligt op ruim 3,7 km ten westzuidwesten van het plangebied en betreft de Lange Wetering. Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de activiteiten die zullen plaatsvinden valt op voorhand uit te sluiten dat er sprake is van negatieve impact op de wezenlijke waarden en kenmerken van bovengenoemde gebieden. Aanvullende (veld)onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Soorten Vogelrichtlijn Het plangebied is ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen, bebouwing is namelijk geheel afwezig. Aanwezigheid van deze soorten is dan ook uitgesloten. Het plangebied is geschikt voor niet jaarrond beschermde nesten. Er zijn potenties voor koolmees en pimpelmees. Tijdelijk schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van niet jaarrond beschermde soorten zijn te voorkomen door onder andere buiten het broedseizoen te werken (buiten 15 maart- 15 augustus). Indien binnen het broedseizoen wordt gewerkt, is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Dit geldt ook voor het struweel langs het voetbaldveldje dat potentieel geschikt is als voortplantingsplaats voor tal van algemene vogels.

Soorten Habitatrichtlijn Het plangebied is niet geschikt voor vaste rust- en verblijfplaats van gebouwbewonende soorten vleermuizen. In het plangebied is geen bebouwing aanwezig. In 4 bomen rondom het voetbalveld en op de grens van het braakliggend terrein bevinden zich holtes en scheuren in verschillende maten. Tijdens het veldbezoek kon geen absoluut uitsluitsel worden gemaakt of de holtes in de bomen, geschikt of ongeschikt zijn als vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Naar aanleiding hiervan heeft nadere inspectie plaatsgevonden. Uit een op 14 juni 2021 uitgevoerde nadere inspectie bleek dat enkel in boom 54 een boomholte aanwezig is, welke geschikt is voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen. De holte loopt circa 10 cm naar boven, tijdens de inspectie werden geen sporen van en/of bewoning door vleermuizen waargenomen.

bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 31

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan

In boomnummer 54 is een voor vleermuizen geschikte holte aanwezig. De holte is geschikt voor zomer- en paarverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Voor winterverblijfplaatsen is de holte ongeschikt, vanwege de geringe diepte ten opzichte van de ingang,waardoor deze niet vorstvrij is. Er zijn daarnaast geen alternatieven aanwezig binnen een korte afstand, waardoor vleermuizen ook zonder energieverspilling kunnen verplaatsen bij eventueel strengere winterperioden. Hierdoor is het uitgesloten dat boombewonende vleermuizen van deze holten gebruik zullen maken als winterverblijfplaats. Volledigheidshalve en in het kader van de kapvergunning heeft nadere inspectie plaatgevonden naar de holte in boomnumer 54. Deze inspectie is op meerdere momenten en dagen uitgevoerd. In bijlage 5Nader onderzoek vleermuizen, d.d. 24-12-2021 is de inspectie terug te lezen. Uit dit nader onderzoek is gebleken dat binnen het plangebeid geen vaste rust- en verblijfplaatsen van gewone dwerg- en ruige dwergvleermuis aanwezig is. Het plangebied wordt niet gebruikt als onderdeel van een vliegroute en/ of foerageergebied. Bovendien zijn ook geen waarnemingen verricht van rosse vleermuis. Potentieel essentieel foerageergebied voor vleermuizen is binnen het plangebied afwezig.

Aan de westzijde van het plangebied maakt de sloot met lange populierenlanen aan weerszijden van de sloot deel uit van een lijnvormige structuur die door vleermuizen gebruikt worden als essentiële vliegroute. Tussen het plangebied en deze structuur is een weg aanwezig. Langs de Teding van Berkhoutlaan (zuidwestzijde plangebied) worden meerdere parkeerplaatsen aangelegd. Straatverlichting kan negatieve gevolgen hebben op potentieel aanwezige essentiële vliegroute. Om die reden is het noodzakelijk de verlichting niet te richten op de bomen en scherp te richten op het wegdek. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van amberkleurige verlichting of een andere warm gele tot oranje kleur. Overige Habitatrichtlijnsoorten Aanwezigheid van verblijfplaatsen en voorplantingsplaatsen van overige habitatrichtlijnsoorten zijn in het plangebied uitgesloten. Nader veldonderzoek is niet nodig. Nationaal beschermde soorten Niet vrijgestelde Nationaal beschermde soorten worden niet in het plangebied verwacht. Incidenteel bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 32

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan passerende soorten waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt, zijn niet uitgesloten. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt de zorgplicht, die inhoudt dat schadelijk effect zoveel mogelijk moet worden voorkomen. 4.4.4

Conclusie

Het aspect flora- en fauna vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling. Er zullen drie bomen moeten worden gekapt die ziekteverschijnselen vertonen.

4.5

Bodem

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet door bodemonderzoek worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Indien uit onderzoek blijkt dat er sprake is van humane, ecologische of verspreidingsrisico's (saneringsnoodzaak), dienen deze te worden weggenomen. De locatie is geschikt voor de beoogde functie als blijkt dat er voor die functie geen risico's meer aanwezig zijn (functiegericht saneren). In het algemeen dient de bodemkwaliteit te worden gehandhaafd en waar mogelijk op lokaal niveau te worden verbeterd. De bodemkwaliteit mag in geen geval verslechteren. De vigerende wetgeving (Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit), het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk bodembeleid moet in acht worden genomen. Het bestemmingsplan is conserverend van aard. Verder worden er geen nieuwe ontwikkelingen voorzien, anders dan de gebruikelijke bouwplannen die mogelijk zijn binnen het huidige juridisch-planologische kader van het huidig vigerend bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat de bodem geschikt moet zijn voor de beoogde functie.

De algemene bodemkwaliteit dient te voldoen aan de lokale maximale waarden in combinatie met de bodemfunctie die voor het betreffende gebied zijn vastgesteld. In de praktijk komt het erop neer dat de huidige bodemkwaliteit dient te worden gehandhaafd. Er dient bij voorkeur te worden gewerkt met een gesloten grondbalans (met uitzondering van mogelijk ernstig verontreinigde saneringslocaties). Alle vrijkomende grond dient zoveel mogelijk binnen het gebied te worden hergebruikt op basis van de Nota bodembeheer. Hierdoor wordt het gebruik van grondstoffen en vervoersbewegingen tot een minimum beperkt. Indien grond nodig is, dan dient dit zoveel mogelijk vanuit de regio te worden aangevoerd.

4.5.1

Inleiding

In het kader van het bestemmingsplan is bodemonderzoek uitgevoerd. Arnicon B.V. heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het bodemonderzoeksrapport 'Verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de Teding van Berkhoutlaan 10 te Delft, rapport C17-025-O, 5 april 2017 is opgenomen in bijlage 6 . Daarnaast zijn de volgende onderzoeken relevant voor dit bestemmingsplan Sanering Certificaat REIS 1987 betreffende ondergrondse opslag van aardolie produkten – 1 x 3.000 liter HBO-tank afgiftenummer E00116, datum 10-06-1991, te vinden in bijlage 7 bij de toelichting ; Rapport betreffende een verkennend en asbest in bodemonderzoek Teding van Berkhoutlaan 10 te Delft, IDDS bv, rapport 1105D214/DBE/rap1, juli 2011, gevoegd als bijlage 8 bij de toelichting. 4.5.2

Beleid

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6) is bepaald dat in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onder meer onderzoek moet worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging.

bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 33

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan 4.5.3

Onderzoek

Ter plaatse van het plangebied waar zich de voormalige school bevond is in 1991 één HBO-tank gesaneerd. De HBO-tank is afgevuld met zand en nog aanwezig. Tijdens de sanering van de tank is geen bodemverontreiniging geconstateerd. Ook in latere bodemonderzoeken zijn geen verontreinigingen rondom de tank aangetroffen of aangetoond. Uit de bodemonderzoeken blijkt dar er in de grond en het grondwater licht verhoogde concentraties PCB's zijn gemeten. Het grondwater bevat licht verhoogde concentraties barium en naftaleen. Er is visueel en analytisch geen asbest in de grond aangetroffen. Uit het onderzoek blijkt dat de locatie geschikt is voor de functie: wonen zonder tuin. PFAS Er is geen onderzoek uitgevoerd naar de PFAS-parameters. Deze stof is met name voor het hergebruik van de grond zeer bepalend. Daarnaast kan de stof in hoge concentraties risico's opleveren voor de volksgezondheid. Vanuit het historisch onderzoek is er geen bron bekend van waaruit PFAS in hoge concentraties op de locatie aanwezig zou kunnen zijn. De ontwikkelaar heeft aangegeven te gaan werken met een gesloten grondbalans. Omdat er geen grond van de locatie wordt afgevoerd is aanvullend onderzoek naar de stofgroep PFAS niet noodzakelijk. 4.5.4

Conclusie

De bestemming wijzigt naar gevoeliger gebruik. Om dit gebruik mogelijk te maken, wil de gemeente uitsluiten dat er risico's aanwezig zijn als gevolg van een aanwezige bodemverontreiniging. Met behulp van het bodemonderzoek uit 2017 is aangetoond dat er geen verdenking is op risico's als gevolg van een bodemverontreiniging. De bodemkwaliteit is geschikt voor de beoogde functie: wonen met tuin. Aanvullend onderzoek naar de stofgroep PFAS is niet noodzakelijk, omdat er gewerkt gaat worden met een gesloten grondbalans.

4.6

Milieuzonering bedrijven

4.6.1

Inleiding

Bedrijfsactiviteiten kunnen hinder voor de (woon-)omgeving veroorzaken door lawaai, onaangename geuren, stof, trillingen, verkeers- en parkeeroverlast. Daarom is het nodig om bedrijfsactiviteiten (of andere functies die het leefmilieu belasten) op een aanvaardbare afstand van woningen of andere hindergevoelige functies te situeren, al dan niet gecombineerd met het treffen van speciale maatregelen. Voor de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009). Voor het bestemmingsplan is door Rho adviseurs een onderzoek uitgevoerd in het kader van bedrijven en milieuzonering. Het onderzoek is onderdeel van het milieurapport dat is opgenomen in bijlage 3 bij de toelichting. In hoofdstuk 3 van het rapport wordt ingegaan op het aspect milieuzonering bedrijven. 4.6.2

Beleid

In de publicatie worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in zes categorieën, variërend van lichte tot zeer zware milieuhinder. Per milieucategorie zijn richtafstanden tot hindergevoelige functies opgenomen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in twee gebiedstypen: een rustige woonwijk en een gebied met een menging van functies. In tabel 1 zijn deze richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur.

bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 34

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan

4.6.3

Onderzoek

Binnen het plangebied worden 32 woningen gerealiseerd. De locatie ligt in een woonwijk en kan worden getypeerd als een ' rustige woonwijk'. In de directe omgeving van het plangebied zijn uitsluitend woningen aanwezig. Op een afstand van ruim 150 meter bevindt zich een bedrijf dat in auto- en motorfietsonderdelen handelt. Volgens de VNG-brochure valt dit bedrijf in milieucategorie 2 waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Verder zijn er in de omgeving verschillende percelen met een maatschappelijke bestemming met beperkte richtafstanden zoals een gymzaal (30 meter). Gezien de vigerende bestemmingen en de afstanden tot het plangebied is het uitgesloten dat de realisatie van het appartementencomplex zal leiden tot beperkingen voor bedrijven en activiteiten in de omgeving. 4.6.4

Conclusie

Ter plaatse van het appartementencomplex is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.7

Geluid

4.7.1

Inleiding

Ten behoeve van dit bestemmingsplan is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3 bij het milieurapport dat als bijlage 3 bij de toelichting is gevoegd. 4.7.2

Beleid

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt het wettelijke kader voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor nieuwe woningen binnen de geluidzone van een weg. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is erop gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. Het doel van het akoestisch onderzoek is het bepalen of ter plaatse van de gevoelige bestemmingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, hinder ontstaat ten gevolge van verkeerslawaai en de gevolgen daarvan. Indien blijkt dat de grenswaarden uit de Wgh worden overschreden, dient te worden beoordeeld of maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn en/of er een hogere grenswaarde moet worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Delft. Hierbij dient het beleid hogere grenswaarden van Delft te worden betrokken.

bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 35

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan 4.7.3

Onderzoeksresultaten

Ten behoeve van het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd zoals opgenomen in het milieurapport bijlage 3. Hierbij is de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op verschillende gezoneerde en niet gezoneerde wegen in beeld gebracht. Uit het onderzoek is gebleken dat de geluidbelasting ten gevolge van de gezoneerde wegen lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Dit geldt ook voor de omliggende niet gezoneerde wegen die in het kader van een goede ruimtelijke ordening alsnog inzichtelijk zijn gemaakt. De maximale berekende geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Prinses Beatrixlaan bedraagt 36 dB. Er is derhalve sprake van een goede akoestische situatie ter plaatse van het appartementencomplex. 4.7.4

Conclusie

Het verkeer op de wegen in de omgeving van het plangebied leidt niet tot overschrijding van de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Ook de omliggende 30 km/h wegen (niet gezoneerd) leiden niet tot overschrijding van de voorkeursgrenswaarden. Er is dan ook sprake van een goede akoestische situatie. Er is geen reden voor het vaststellen van hogere waarden.

4.8

Luchtkwaliteit

4.8.1

Inleiding

Voor dit bestemmingsplan zijn de effecten op de luchtkwaliteit beoordeeld door Rho adviseurs. Deze rapportage is terug te vinden in hoofdstuk 5 van het milieurapport dat als bijlage 3 bij de toelichting is gevoegd. 4.8.2

Beleid

Wet milieubeheer De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wm). In samenhang met Titel 5.2 zijn de grenswaarden voor luchtkwaliteit in bijlage 2 van de Wm opgenomen. In Titel 5.2 Wm is bepaald dat bestuursorganen een besluit dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit kunnen nemen wanneer: wordt voldaan aan de in bijlage 2 Wm opgenomen grenswaarden; een besluit (per saldo) niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; aannemelijk is gemaakt dat een besluit 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentratie van een stof; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (NIBM) is vastgelegd wanneer een project/plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. In dit Besluit is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Deze twee situaties zijn: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³)' een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met en bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 36

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan 4.8.3

Onderzoeksresultaten

De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 32 woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt op grond van het Besluit niet in betekenende mate in de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. De ontwikkeling bedraag niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Om die reden is toetsing aan de wettelijke grenswaarden niet noodzakelijk. 4.8.4

Conclusie

Op grond van de Wet milieubeheer kan de ontwikkeling van 32 woningen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Externe veiligheid

4.9.1

Inleiding

Voor het ontwikkelen van 32 appartementen dient een verantwoording ten aanzien van de externe veiligheid te worden gegeven. In het kader van het bestemmingsplan is daarom gekeken naar risicodragende objecten in de omgeving. Door Rho adviseurs is onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid. Het rapport 'Externe veiligheid' is terug te vinden in hoofdstuk 6 van het milieurapport dat als bijlage 3 bij de toelichting is gevoegd. 4.9.2

Beleid

Externe veiligheid heeft betrekking op risico's voor de omgeving vanwege het gebruik, de productie, opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het wettelijk kader, voor buisleidingen is dit het Besluit externe veiligheid buisluidingen (Bevb). Het huidige beleid transportmodaliteiten in het Besluit externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hieronder worden deze laatste twee toegelicht. Plaatsgebonden risico Risico op een plaats nabij een buisleiding, langs, op of boven een transportroute of buiten een inrichting, uitgedrukt in een waarde voor de kans per jaar dat een persoon onafgebroken onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval met die buisleiding, transportroute of binnen die inrichting, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor nieuwe situaties (zoals het vaststellen van een bestemmingsplan) geldt de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour voor kwetsbare objecten als grenswaarde en voor zogenaamde beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde.

Groepsrisico De cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. Voor het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. De oriëntatiewaarde kan gezien worden als een soort thermometer, waarmee de hoogte van het groepsrisico vergeleken kan worden. De verantwoording van het groepsrisico is een plicht voor het bevoegd gezag om naast de omvang van het groepsrisico ook andere aspecten, zoals de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid mee te wegen in de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het groepsrisico. 4.9.3

Onderzoek

Uit de professionele risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over de weg, het spor, het water of door buisluidingen. Op ruime afstand vindt wel transport plaats over de A4 en A13, respectievelijk >1km en >2km. Deze routes zijn opgenomen in het Basisnet en vallen onder het Bevt. De minimale afstanden tot de snelwegen zijn echter dermate groot dat ter hoogte van het plangebied geen sprake is van ruimtelijke beperkingen. De plaatsgebonden risicocontouren en plasbrandaandachtsgebieden reiken tot maximaal 30 meter vanaf de rand van de snelweg. Over de A13 vindt onder andere transport van toxische stoffen (GT4) plaats, bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 37

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan hiervoor geldt een invloedsgebied van 4 km en reikt daarmee tot over het plangebied. Gezien de grote afstand tot het plangebied heeft de realisatie van het appartementencomplex geen gevolgen voor de hoogte van het groepsrisico. Wel is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Risicovolle inrichtingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Wel is op enige afstand DSM Delft Permit B.V. gevestigd. Uit de informatie uit het vigerende bestemmingsplan van DSM bedrijventerrein Delft Noord (DSM), vastgesteld in 2015 blijkt dat de PR 1010-6 contouren niet tot over het plangebied reiken. Dit geldt zowel voor de vergunde situatie als het toekomstige ontwikkelscenario dat in het kader van het bestemmingsplan is beschouwd. Uit de berekeningen van het groepsrisico van de risicovolle inrichtingen in het vigerende bestemmingsplan blijkt dat het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde ligt. Alleen ontwikkelingen binnen de 10-7 contour hebben zichtbaar invloed op de hoogte van het groepsrisico. Het plangebied aan de Teding van Berkhoutlaan ligt buiten deze contour. Een berekening van het groepsrisico is derhalve niet noodzakelijk. 4.9.4

Conclusie

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A13 en de risicovolle inrichting DSM Delft Permit B.V.. Conform het Bevt en Bevi wordt de veiligheidsregio Haaglanden in de gelegenheid gesteld voor adives. Gelet op de afstand van het plangebied tot de omliggende risicobronnen zal de veiligheidsregio naar verwachting algemene aanbevelingen doen om de de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een eventuele calamiteit te vergroten.

4.10

Archeologie

4.10.1 Toetsingskader Conform de Erfgoedwet beschermd de gemeente Delft het archeologisch erfgoed door middel van het bestemmingsplan. Bekende en te verwachten archeologisch waardevolle gebieden krijgen een archeologische (mede)bestemming. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen in greep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Om te bezien of een dergelijke beschermingsregime ook dient te worden opgenomen in het onderhavig plan, is op basis van bureaonderzoek en inventariserend veldonderzoek uit 2017 archeologisch onderzoek uitgevoerd door middel van verkennende boringen. Het onderzoek is uitgevoerd door ArcheoMedia BV en is als bijlage 9 gevoegd bij dit bestemmingsplan.

4.10.2 Beoordeling Door ArcheoMedia BV is op X bureauonderzoek en vervolgens inventariserend veldonderzoek uitgevoerd door middel van verkennende boringen. Uit dit onderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie op geulafzettingen van de Gantel Laag ligt. De natuurlijke bodemopbouw is intact maar vertoont geen aanwijzingen voor bodemvorming. Archeologisch kansrijke lagen zijn in dit pakket dan ook niet aan te wijzen. De bovenste lagen zijn in de Nieuwe Tijd c.q. recent opgebracht. Bovendien maakt het plangebied volgens de Archeologische Monumentenkaart geen onderdeel uit van een gebied met een vastgestelde archeologische waarde. De resultaten van het bureauonderzoek en het inventariserende veldonderzoek geven geen aanleiding tot aanpassingen in de voorgenomen herinrichtingsplannen op de onderzoekslocatie.

bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 38

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan 4.10.3 Conclusie Op basis van het booronderzoek wordt een archeologisch vervolgonderzoek op de huidige onderzoekslocatie niet noodzakelijk geacht.

4.11

Verkeer en Infrastructuur

Verkeersgeneratie- en afwikkeling De realisatie van het appartementencomplex zal leiden tot een toename van verkeer op de ontsluitende wegen. Op basis van kengetallen van het CROW (publicatie 381) wordt de verkeersgeneratie bepaald. Daarbij is uitgegaan van uitsluitend koopwoningen, omdat een koopwoning meer verkeer genereert dan een huurwoning. In dit geval bedraagt de verkeersgeneratie 176 mvt/etmaal voor een gemiddelde weekdag. In de onderzoeken waarvoor de verkeersgeneratie van belang is, zoals het stikstofonderzoek en luchtkwaliteit, is uitgegaan van afgerond 180 mvt/etmaal. De locatie wordt ontsloten door de Teding van Berkhoutlaan en via de Van Foreestweg wordt het verkeer afgewikkeld naar de doorgaande Prinses Beatrixlaan. Uit het verkeersmodel (2030) blijkt dat de verkeersintensiteit op de Teding van Berkhoutlaan op een gemiddelde weekdag < 900 mvt/etmaal bedraagt. Op het drukste wergvak van de Van Foreestweg bedraagt de verkeersintensiteit in dat prognosejaar 8.581 mvt/etmaal. De Teding van Berkhoutlaan is een erftoegangsweg met een relatief breed wegprofiel zonder veel erfontsluitingen. Conform de Duurzaam-Veilig wegcategorieseringen is een erftoegangsweg berekend op verkeersintensiteiten tussen de 4.000 en 6.000 motorvoertuigen per etmaal afhankelijk van het gebruik en inrichting van de weg.

De Van Foreestweg is een gebiedsontsluitingsweg waarvoor conforme de Duurzaam-Veilig wegcategorisering verkeersintensiteiten tot 15.000 motorvoertuigen per etmaal is berekend. Gezien de verkeersintensiteiten in combinatie met het gebruik en de inrichting van de wegen in de referentiesituatie kunnen de ontsluitende wegen de beperkte hoeveelheid extra verkeer op een goede manier afwikkelen. Maatgevend is de verkeersafwikkeling tijdens de ochtend- en avondspits. Tijdens de spitsperiodes bedraagt de verkeersgeneratie op basis van vuistregels circa 10% in dit geval 18 mvt/etmaal. Een dergelijke beperkte verkeersgeneratie heeft geen relevante gevolgen voor de verkeersafwikkeling.

Parkeren Bij nieuwe ontwikkelingen is het uitgangspunt conform de Nota Parkeernormen 2018 dat het parkeren op eigen ontwikkelterrein wordt opgevangen. Het plangebied is gelegen binnen de zone 'Rest Delft'. In totaal zijn 42 parkeerplaatsen benodigd (zie tabel 4.1).

In het ontwerp wordt voorzien in 45 parkeerplaatsen, waarvan 12 aan de Sasboutstraat en 33 aan de Teding van Berkhoutlaan. Hiermee wordt voorzien in de parkeerbehoefte. Langzaam verkeer en openbaar vervoer De ontwikkeling is gelegen op circa 250m (3 minuten) loopafstand van de bushalte aan de Van Foreestweg. Het NS Station Delft is gelegen op 2,0 km (7 minuten) fietsafstand. Voor parkeren wordt in de Nota Parkeernormen (2018) aangesloten bij de eisen uit het Bouwbesluit. Conform het Bouwbesluit moet worden voorzien in afsluitbare buitenruimtes op de begane grond van het appartementencomplex. Hier wordt in voorzien, deze zijn toegankelijk vanaf de zuidzijde van het appartementencomplex. Conclusie De realisatie van het appartementencomplex leidt tot een beperkte toename van verkeer op de ontsluitende wegen. Deze hebben voldoende capaciteit om het extra verkeer op en goede en veilige bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 39

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan manier af te wikkelen. Binnen het plan wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen. De beoogde herontwikkeling leidt derhalve niet tot parkeeroverlast in de omgeving.

4.12

Kabels en leidingen

In het kader van het bestemmingsplan is een klic melding gedaan. Hieruit is gebleken dat binnen het plangebied geen planologisch relevante kabels en leidingen liggen.

4.13

Duurzaam- en natuurinclusief bouwen

4.13.1 Kader De gemeente zet in op het vergroten van de kansen voor flora en fauna door het uitwerken van een kader voor natuurinclusieve maatregelen in en aan gebouwen en de directe omgeving van deze gebouwen. Het doel is de stad te vergroenen en klimaatadaptief te maken. Denk hierbij aan groene daken, gevelbegroeiing en nestgelegenheid voor vogels en insecten. Doel hiervan is een biodiverse en klimaatadaptatieve stad waar het fijn leven is voor mens en dier. Om natuurinclusief bouwen en ontwikkelen in Delft vorm te geven is gekozen om een concreet kader te ontwikkelen voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen in samenhang met klimaatadaptieve maatregelen. Ook bij renovatie moet rekening worden gehouden met planten en dieren en de kansen voor het versterken van soorten worden benut. Om een gezonde, toekomstbestendige leefomgeving voor mens, plant en dier te creëren en te behouden, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen in ontwikkeling van de stad. Door natuurinclusieve maatregelen mee te nemen in (gebieds)ontwikkelingen kan de stad zich gezond ontwikkelen en draagt elk project bij aan de biodiversiteit in de stad, een prettig woonmilieu en een gezond functioneel stedelijk ecosysteem.

Het toevoegen van beplanting op en aan gebouwen, op binnenterreinen en in de openbare ruimte draagt, naast positieve effecten voor biodiversiteit, ook bij aan bijvoorbeeld het vasthouden van water en het verminderen van wateroverlast of hittestress. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan de uitgangspunten van het convenant Klimaatadaptief bouwen dat de gemeente, samen met partners heeft ondertekend. Om biodiversiteit in de stad te versterken moet bij elk project en/of gebiedsontwikkeling een onderbouwing worden aangeleverd op welke wijze invulling wordt gegeven aan de eisen die voor de desbetreffende ontwikkeling worden gesteld. Een puntensysteem vormt de basis voor toepassingen op alle (nieuw)bouwprojecten, gebiedsontwikkelingen en renovatieprojecten binnen de gemeente Delft. Het puntensysteem biedt richting en houvast, maar tegelijkertijd moet er ruimte zijn/blijven voor de creativiteit en keuzevrijheid van architecten en ontwikkelaars. Om die reden is een (dynamische) lijst van maatregelen opgesteld waaruit de ontwikkelende partij of initiatiefnemer zelf een keuze kan maken. 4.13.2 Natuurinclusief bouwen in het bestemmingsplan Het kader natuurinclusief bouwen omvat een puntensysteem waarin punten worden toegekend aan verschillende maatregelen ten behoeve van natuurinclusiviteit.

Bij elk bouwproject moet een bepaald aantal punten behaald worden door het treffen of toepassen van maatregelen uit de lijst. Ontwikkelaars kunnen ook zelf maatregelen aandragen die opgenomen kunnen worden op deze lijst. Het aantal punten dat gehaald moet worden is afhankelijk van de grootte van het project. Indien ontwikkelaars zelf maatregelen aandragen is advies vanuit de gemeente nodig om te bepalen of de maatregelen zinvol zijn en zo ja hoeveel punten de maatregelen 'waard zijn'. Zo ontstaat een flexibel kader dat de ambitie voor natuurinclusief bouwen concretiseert. Het kader natuurinclusief bouwen maakt onderscheid in kleine, middelgrote en grote projecten en heeftdaarnaast de categorie gebiedsontwikkeling.

bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 40

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan

Categorieën projecten. Bron: Kader natuurinclusief bouwen.

Te behalen aantal punten per categorie project. Bron: Kader natuurinclusief bouwen. Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling wordt voorzien in natuurinclusieve maatregelen. Deze maatregelen zijn afgestemd met de stadsecoloog van de gemeente Delft. In de toelichting zijn de maatregelen die zullen worden genomen beschreven onder paragraaf 3.4.9. 4.13.3 Circulaire economie In de Visie op weg naar een circulair Delft in 2050 zijn voor vijf sectoren de navolgende ambities/doelstellingen opgesteld: Bouw: er wordt gebouwd zoals met lego, modulair, losmaakbaar en flexibel. Bouwmaterialen zijn hergebruikt, gerecycled en recyclebaar, of biobased. Biomassa & voedsel: voedselverspilling wordt teruggedrongen en organische reststromen worden zo hoogwaardig mogelijk verwerkt. Kunststoffen: het gebruik van eenmalige plastics wordt teruggedrongen, er worden zoveel mogelijk gerecyclede en biobased plastics gebruikt en de inzameling en recycling wordt verbeterd, bijvoorbeeld op evenementen. Maakindustrie: bedrijven worden gestimuleerd om hun producten of diensten circulair te maken of hun productieprocessen te vernieuwen, bijvoorbeeld innovatieve toepassingen voor ingezameld plastic. Consumptiegoederen: producten worden langer en effectiever gebruikt, bijvoorbeeld door ze te repareren of te delen. Afgedankte producten worden goed ingezameld en zo hoogwaardig mogelijk hergebruikt.

bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 41

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan 4.13.4 Conclusie De maatregelen voor duurzaam en natuurinclusief bouwen zijn uitgewerkt bij het bouwplan. De duurzaamheidsambities zijn daarbij meegenomen. Bij de bouw van de voorgenomen ontwikkeling zal worden voldaan aan circulair bouwen. Daarmee vormt het aspect duurzaamheid en natuurinclusief bouwen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

4.14

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.14.1 Inleiding De procedure van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang vroegtijdig en volwaardig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie of een bestemmingsplan. Het centrale onderdeel van een m.e.r. is het milieueffectrapport (MER) waarin de milieueffecten voor een tal van aspecten voor een of meerdere alternatieven geanalyseerd en beoordeeld worden ten opzichte van de referentiesituatie. Deze m.e.r.procedure is van toepassing bij activiteiten waarvan reeds vast staat dat er mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Deze activiteiten met bijbehorende drempelwaarden staan weergegeven in onderdeel C van het Besluit m.e.r. (ook geldt voor activiteiten uit onderdeel D waar een plan, bijvoorbeeld een structuurvisie, voor nodig is). Naast het direct uit moeten voeren van een m.e.r. zijn in het Besluit m.e.r. ook activiteiten met bijbehorende drempelwaarden aangegeven waarvoor eerst beoordeeld moet worden of sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten en drempelwaarden staan benoemd in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteiten dient een zogenaamde m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Door de wijziging van het Besluit m.e.r. is het tegenwoordig ook verplicht om aandacht aan m.e.r.

te besteden voor activiteiten die in onderdeel D genoemd staan, maar waar de drempelwaarden niet gehaald worden. Deze drempelwaarden zijn aantallen, oppervlaktes of grootte (bijvoorbeeld 100 hectare, 110 stuks, etc.). Voor activiteiten die wel in onderdeel D van het Besluit m.e.r. genoemd staan, maar waar de aantallen uit het betreffende plan of besluit onder de drempelwaarden liggen dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Hierbij wordt, net als bij de m.e.r.-beoordeling getoetst of er mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen op kunnen treden. Het verschil met de 'gewone' m.e.r.-beoordeling is dat aan de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen aparte procedurevereisten zitten (vandaar de term vormvrij). Qua inhoud gelden wel strikte vereisten vanuit de Europese richtlijn m.e.r. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd die als bijlage 10 is gevoegd bij het plan. De herberekening op basis van het geactualiseerde rekeninsturment Aerius Calculator 2022 heeft geen negatief effect op de vormvrije m.e.r.-beoordeling en leidt niet tot een andere conclusie.

4.14.2 Beoordeling In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 2000 of meer woningen (categorie D 11.2). De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 32 woningen die ruim onder deze drempelwaarde ligt. Dit betekent dat een zogenaamde vromvrije m.e.r. beoordeling noodzakelijk is. Bij activiteiten die op lijst D genoemd worden maar onder de drempelwaarde blijven is er de volgende verplichting: de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' of 'vergewissingsplicht'. Het feit dat de activiteit onder de drempelwaarde blijft is een indicatie dat er waarschijnlijk geen aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn. Of dat daadwerkelijk zo is, moet in het kader van het bestemmingsplan worden onderzocht. De vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen of er kan direct worden gekozen een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen.

Als belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten bestaat het resultaat bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 42

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling uit het volgen van een plan-m.e.r.-procedure. Als belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wel kunnen worden uitgesloten moet die conclusie door het bevoegd gezag worden opgenomen in de tekst van het uiteindelijke besluit in de moederprocedure (in dit geval de toelichting bij het bestemmingsplan). Het bevoegd gezag houdt daarbij rekening met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: de plaats van het project; de kenmerken van het project; de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het besluit of wel of geen volledige m.e.r.-procedure nodig is, wordt in een zo vroeg stadium, maar in ieder geval voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan genomen. Ten behoeve van het bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar de milieueffecten van het bestemmingsplan met als doel m te toetsen of als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse.

Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Ten aanzien van ecologie geldt dat nader onderzoek is vereist met betrekking tot holtes en scheuren die kunnen leiden tot potentiële verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen als rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Dit nader onderzoek is uitgevoerd in de vorm van nadere inspectie in bijlage 5. Voor het overige geldt dat tijdens de bouwwerkzaamheden milieueffecten kunnen optreden. Gelet op de nabijgelegen woningen dienen zo nodig maatregelen te worden getroffen om overlast voor de directe omgeving zoveel mogelijk te beperken. Dit dient bij het uitwerken van de aanpak en fasering van de uitvoeringswerkzaamheden nader te worden geconcretiseerd. 4.14.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen relevante negatieve milieugevoglen optreden. Er is dan ook geen aanleiding voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure in het kader van dit plan.

bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 43

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

5.1

Systematiek bestemmingen

5.1.1

Systematiek bestemmingsplan

Het onderhavige plan biedt de ruimtelijke planologische kaders voor de voorgenomen ontwikkeling op de Teding van Berkhoutlaan. Binnen het bestemmingsplan wordt de exacte bebouwing vastgelegd.Ten behoeve van de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de Coördinatieverordening van de gemeente Delft 2018 biedt om het bestemmingsplan te combineren met samenhangende vergunningen. Op de verbeelding is het bouwvlak aangegeven waarbinnen mag worden gebouwd. De afstand tussen de bestaande bebouwing en de nieuwbouw ligt daardoor vast. Daarnaast is tevens de maximale bouwhoogte vastgelegd. 5.1.2

Inleidende regels

Begrippen In dit artikel zijn de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. In de begrippen is 'bevoegd gezag' opgenomen (als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hoofdstuk 3 van het Besluit omgevingsrecht). Als hoofdregel geldt dat het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag is, tenzij een ander orgaan is aangewezen zoals gedeputeerde staten van de provincie indien het een project van provinciaal belang betreft, of een minister voor projecten van nationaal belang. Wijze van meten Het onderhavige artikel geeft aan hoe de hoogte- en andere maten, die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, gemeten moeten worden. 5.1.3

Bestemmingsregels

Bestemmingen Groen Voor de groenstroken binnen het plangebied is de bestemming 'Groen' opgenomen. Verkeer De bestemming ' Verkeer' heeft betrekking op de verkeersruimte in het gebied. Wonen De beoogde woningen zijn bestemd tot 'Wonen'. Deze gronden zijn bestemd voor wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Behalve de woning valt ook het zij- en achtererf binnen deze bestemming. De hoofdgebouwen dienen te worden opgericht binnen de aangegeven bouwvlakken, waarbij de maximale goot- en bouwhoogte is aangegeven. Tevens zijn bepalingen opgenomen voor toegestane gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voorwaardelijke verplichting bij de bestemming Wonen Ten aanzien van de klimaatopgave dient in het plangebied een compenserende waterberging te worden gerealiseerd en in stand gehouden. Deze dient effectief beschikbaar te zijn en blijven. Voor een uitgebreide uitleg van mogelijkheden kan worden verwezen naar de 'richtlijn toepassen vasthoudmaatregelen ter compensatie van verharding in het watertoetsproces' van het Hoogheemraadschap van Delfland. Bij voorkeur vindt compensatie plaats door het realiseren van extra oppervlaktewater.

Indien het voor een ontwikkeling niet mogelijk is om compensatie in oppervlaktewater te realiseren, kan ook worden gekozen voor het treffen van vasthoudmaatregelen ter compensatie van versnelde afvoer van hemelwater. Het principe is daarbij vasthouden- bergen- afvoeren. Toename van verhard oppervlak zorgt ervoor dat bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 44

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan regenwater minder gemakkelijk in de bodem kan infiltreren en versneld wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater of rioolstelsel. In combinatie met toenemende extreme neerslag door klimaatverandering kan dit voor overlast zorgen. Indien wordt gekozen voor het treffen van vasthoudmaatregelen is het belangrijk dat deze goed functioneert en ook op lange termijn betrouwbaar is. De maatregelen dienen dus effectief te zijn en blijven. In de specifieke gebruiksregel is gekozen voor de term 'effectief beschikbaar', omdat er meerdere mogelijkheden zijn voor het treffen van vasthoudmaatregelen. Om te bewerkstelligen dat vasthoudmaatregelen worden getroffen die functioneel en effectief zijn en voldoen aan de huidige maar ook de toekomstige richtlijnen van het hoogheemraadschap, is voor een flexibele maar dekkende term gekozen. Een aantal relevante voorwaarden hierbij is o.a.: De waterberging is niet eerder dan in 24 uur leeg en is in maximaal 48 uur weer beschikbaar Het in stand houden van bergingscapaciteit op lange termijn (beheer en onderhoud). De bergingscapaciteit moet het hele jaar door beschikbaar zijn met uitzondering van de ledigingstijd Minimaal het te compenseren oppervlak voert hemelwater af via de voorziening Voorbeelden van maatregelen zijn; aanleg van groene daken of kratten die een overschot aan hemelwater opvangen.

Het idee is en blijft; water vasthouden/ bergen/ afvoeren. Uiteraard zijn meerdere maatregelen mogelijk, mits de essentie en het doel van vasthoudmaatregelen in acht worden genomen.

Voorwaardelijke verplichting met betrekking tot natuurinclusief bouwen en ontwikkelen Ten aanzien van het aspect natuurinclusief bouwen geldt dat dit project een lopend project is waarbij (vooruitlopend) voor vaststelling van de nota Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen afspraken zijn gemaakt. De afspraken die zijn gemaakt ten behoeve van te nemen maatregelen sluiten aan bij de bedoeling van de nota. Door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting wordt de nakoming ervan juridisch planologisch geborgd. In de voorwaardelijke verplichting is een koppeling gemaakt met de nota Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen, deze is als bijlage bij de regels opgenomen.

5.1.4

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Dit zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn ingeval (onderdelen van) bebouwingsstroken van verschillende eigenaars zijn. Algemene bouwregels In dit artikel zijn bouwregels opgenomen die gelden voor alle gebouwen binnen het plangebied. Deze regels gelden naast de overige regels in het plangebied. Algemene gebruiksregels In dit artikel is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. In lid 1 is aangegeven welk gebruik in ieder geval verboden is en in lid 2 welk gebruik hieronder niet wordt verstaan. Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van natuurinclusief bouwen. Het project betreft een lopend project waarbij afspraken zijn gemaakt die aansluiten bij de bedoeling van de nota Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen. Hiermee zijn deze afspraken in de planregels geborgd. Hierbij de de koppeling gemaakt met een bijlage bij de regels. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt aangegeven in hoeverre en in welke gevallen bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bouwregels ingeval van geringe afwijkingen van de bouwregels.

Parkeren In de algemene bouwregels is opgenomen dat gebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd indien voorzien wordt in voldoende parkeerruimte ten behoeve van het parkeren of stallen van motorvoertuigen. In de planregels is vastgelegd dat bij de invulling van het begrip 'voldoende parkeergelegenheid' getoetst dient te worden aan de in de Nota Parkeernormen 2018 opgenomen beleidsregels. Verder is vastgelegd bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 45

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan dat indien de beleidsregels tijdens de planperiode worden gewijzigd van de nieuwe of gewijzigde beleidsregels moet worden uitgegaan. Met deze regeling is aangesloten bij artikel 3.1.2, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor een beperkte overschrijding van bestemmingsgrenzen. Voorrangsregeling In dit artikel is een prioritering aangegeven van de (dubbel)bestemmingen indien er op gronden sprake is van meerdere (dubbel)bestemmingen en de daarbij gepaard gaande belangen. 5.1.5

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht Dit artikel bevat de overgangsregels met betrekking tot het bouwen en het gebruik van gronden. In afwijking van de bouwregels blijven enige bouwmogelijkheden bestaan voor die gebouwen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan afwijken van het plan en die zijn of worden gebouwd bij of krachtens de Woningwet of Wabo. Bestaande afwijkingen mogen in principe niet worden vergroot. Het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat het in werking treedt, mag worden voortgezet. Het overgangsrecht is echter niet van toepassing op gebruik dat al in strijd was met het voorgaande plan. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan, indien de afwijking hierdoor in mindere mate strijdigheid met dit bestemmingsplan oplevert. Slotregel Hierin is de naam van het bestemmingsplan opgenomen.

bestemmingsplan "Teding van Berkhoutlaan" (concept) 46

bestemmingsplan Teding van Berkhoutlaan

Hoofdstuk 6

Handhaving

Toezicht en handhaving is iets dat door betrokkenen als onprettig wordt ervaren. De gemeente doet het omdat we in een veilige, gezonde, aantrekkelijke en duurzame omgeving willen wonen, werken en leven. Soms kan het gedrag van individuele burgers of bedrijven dit streven bedreigen en een risico opleveren voor de leefomgeving. Deze risico's willen wij beheersbaar houden. Er is echter altijd een grens aan de middelen die de gemeente daarvan kan en wil inzetten. De rode draad in het gemeentelijke beleid is dat de inschatting van de risico's voor de gebruikers en voor de leefomgeving doorslaggevend is voor de prioriteiten die gesteld worden bij het stimuleren en/of afdwingen van het naleefgedrag. Daarbij wordt prioriteit gegeven aan onderwerpen en gevallen waarin de risico's van niet-naleving het grootst zijn. De concrete doelstellingen en speerpunten worden elk jaar vastgesteld in een jaarplan. De gemeente heeft verschillende instrumenten om het naleefgedrag te beïnvloeden en zo nodig naleving af te dwingen. Het begint met heldere regels waar draagvlak voor is en die bekend zijn bij degenen die door de regels worden geraakt. Daarnaast wordt er risicogestuurd toezicht gehouden.

Indien toezichtactiviteiten leiden tot de constatering van een illegale situatie, bijvoorbeeld omdat de regels van het bestemmingsplan niet worden nageleefd, dan wordt beslist of en in hoeverre en met toepassing van welke sanctiemiddelen de gemeente zich zal inspannen om de overtreder te dwingen deze illegale situatie op te heffen. De kaders hiervoor zijn vastgelegd in de (regionale) handhavingsstrategie. Uitgangspunt daarbij is de 'beginselplicht tot handhaving'. Gelet op de beperkte beschikbare capaciteit is het echter niet mogelijk en ook wenselijk - om tegen alle overtredingen handhavend op te treden. Afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding, het gedrag van de overtreder en de overige omstandigheden van het geval zal een passende reactie en aanpak worden bepaald. Dat kan onder meer zijn een legalisatietraject, afzien van handhaving, waarschuwing of het toepassen van een bestuursrechtelijk sanctiemiddel. Bij zeer ernstige overtredingen kan ook sprake zijn van een strafrechtelijk traject. Strafrechtelijke vervolging is afhankelijk van en gebeurt door het Openbaar Ministerie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12480943/1