Resultaten monitoring 2024
Tekst van het document
14 mrt 2025
Monitoring 2024 Resultaten van de monitoring in 2024
Colofon Documenttitel
.
Monitoring 2024
Opdrachtgever
.
Gemeente Delft
Verantwoordelijke bij opdrachtgever
.
Gerard Bloemhof
Status
.
definitief
Datum
.
14 maart 2025
Projectteam
.
Olivier Hoes
Disclaimer Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. De auteurs zijn niet verantwoordelijk voor eventuele fouten of consequenties. Aanvullingen of verbeteringen zijn welkom via info@hoeswateradvies.nl
ii
Monitoring 2024
definitief
Samenvatting Inleiding Op en rond de locatie van DSM in Delft Noord vindt sinds 1916 een forse grondwateronttrekking plaats. Deze onttrekking is van de gemeente Delft. Het opgepompte grondwater brengt hoge maatschappelijke kosten met zich mee. De gemeente bouwt de onttrekking dan ook af. Dit afbouwen gebeurt zorgvuldig en voorzichtig. Dit omdat het plotseling stoppen van de onttrekking kan leiden tot het abrupt stijgen van de grondwaterstanden in de regio en het onregelmatig zwellen van de ondergrond, met ongewenste effecten op gebouwen, constructies, waterkeringen en infrastructuur. Door de onttrekking voorzichtig in kleine stappen over een periode van circa tien jaar af te bouwen krijgt de ondergrond de tijd om geleidelijk te wennen aan de nieuwe situatie. Dit geleidelijke afbouwen geeft de gemeente Delft en inwoners de tijd om indien nodig maatregelen te nemen. Monitoren Voor het monitoren van de effecten van het reduceren van de onttrekking worden door de gemeenten rond de onttrekking, het hoogheemraadschap van Delfland en de provincie Zuid-Holland sinds enige jaren uitgebreid meetgegevens verzameld. Met voorliggende rapportage geeft de gemeente Delft het bevoegd gezag en belanghebbenden inzicht in het resultaat van de monitoring tot en met december 2024. Voorliggende rapportage bouwt voort op de eerder verschenen jaarlijkse rapportages van 2013 tot en met 2023.
Afbouw van het debiet Begin januari 2024 was het debiet 480 m3 per uur. Aan het eind van de zomer van 2024 is het debiet in drie stapjes op 7 augustus, 2 september en 27 september afgebouwd naar circa 360 m3 per uur. In 2024 is tot het eind van de zomer gewacht met het afbouwen, omdat in het vroege voorjaar de bodem nog licht omhoog kwam. Diepe grondwater (1e watervoerend pakket) Het eerste watervoerend pakket is een laag met grof zand op een diepte van 20 tot 40 meter onder maaiveld. Dit is de laag waaruit het grondwater wordt gewonnen. Door het afbouwen van het debiet is de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket rond het DSM-terrein conform de van tevoren voorspelde toename met zo’n 0.6 meter gestegen. Op alle andere peilbuizen in het eerste watervoerend pakket is deze toename in stijghoogte volgens verwachting kleiner naarmate de afstand tot de onttrekking groter wordt. Freatische (ondiepe) grondwater Naast de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket worden ook op zo’n 700 locaties freatische grondwaterstanden gemeten. Zowel 2023 als 2024 waren met zo’n 1250 mm per jaar, verreweg de twee natste jaren sinds het begin van de neerslagmetingen in Delft in 1925. Door deze grote hoeveelheden neerslag is de grondwaterstand onafhankelijk van de afstand tot de onttrekking hoog geweest.
Tussen de peilbuizen ver weg en dichtbij de grondwateronttrekking zijn er geen verschillen. Op geen enkele locatie heeft de reductie van de onttrekking in de afgelopen jaren geleid tot een stijging van de grondwaterstand.
Monitoring 2024
- iii -
Bodembeweging Met satellietwaarnemingen worden de veranderingen in de hoogte van het maaiveld en gebouwen gemeten. Vóór de afbouw was de bodemdaling zo’n -2 mm per jaar op het DSM-terrein en circa -1 mm per jaar in het centrum van Delft. Begin 2024 kwam de bodem op het DSM-terrein circa +0.7 mm per jaar omhoog. Voor het afbouwen in 2024 was het gewenst om te weten of dit zwellen in het begin van de zomer stabiel bleef, afnam of toenam. Vanaf eind juni nam het zwellen af. Nu eind 2024 zakt de bodem op het DSM-terrein met -0.2 mm per jaar. Ook verder weg van het onttrekking is de bodembeweging afgenomen. In de wijken rond het DSM-terrein varieert de bodembeweging tussen circa -0.3 en +0.3 mm per jaar. In de praktijk zijn deze bewegingen verwaarloosbaar klein dat de bodemdaling van voor de afbouw van de grondwateronttrekking tijdelijk tot stilstand is gekomen. Conclusie De in 2024 doorgevoerde reductie van de onttrekking en waargenomen toename van de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket geven nu géén aanleiding om – naast de al voorgenomen maatregelen – extra mitigerende maatregelen te nemen. Voorgesteld wordt om de komende maanden door te gaan met het monitoren en eind april te beoordelen of in de zomer van 2025 de onttrekking wederom met 120 m3 per uur kan worden afgebouwd van 360 m3/uur naar 240 m3/uur.
iv
Monitoring 2024
definitief
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
6
7
8
Inleiding ...........................................................................................................................1 1.1
Aanleiding ................................................................................................................................ 1
1.2
Doel ........................................................................................................................................... 1
1.3
Aanpak op hoofdlijnen ......................................................................................................... 1
De onttrokken debieten .................................................................................................2 2.1
Algemeen ................................................................................................................................. 2
2.2
De afgelopen jaren ................................................................................................................. 2
2.3
De komende jaren .................................................................................................................. 5
Stijghoogtes in het 1e watervoerend pakket ...............................................................6 3.1
Algemeen ................................................................................................................................. 6
3.2
Continuïteit van het meetnet in 2024 ................................................................................ 7
3.3
Raai noordwest-zuidoost ...................................................................................................... 7
3.4
5 peilbuizen uit de vergunning ........................................................................................... 8
3.5
De komende jaren ............................................................................................................... 13
Freatische grondwaterstanden ...................................................................................14 4.1
Algemeen .............................................................................................................................. 14
4.2
Freatische grondwaterstanden van peilbuis Delft 13-1.03 ......................................... 15
4.3
De ontwateringsdiepte bij alle peilbuizen ...................................................................... 16
4.4
Peilbuizen in het centrum van Delft ................................................................................ 18
4.5
De komende jaren ............................................................................................................... 22
Deformatie van maaiveld ............................................................................................23 5.1
Algemeen .............................................................................................................................. 23
5.2
De afgelopen jaren .............................................................................................................. 23
5.3
De komende jaren ............................................................................................................... 27
Deformatie van gebouwen .........................................................................................28 6.1
Algemeen .............................................................................................................................. 28
6.2
Monumenten in Delft .......................................................................................................... 28
6.3
Deformatie bebouwing binnen een straal van 5 km .................................................... 32
6.4
De komende jaren ............................................................................................................... 33
Overige thema’s ...........................................................................................................34 7.1
Algemeen .............................................................................................................................. 34
7.2
Oppervlaktewaterkwaliteit ................................................................................................ 34
7.3
Stabiliteit van boezemkaden ............................................................................................. 34
7.4
Parkeergarages, kelders en tunnels ................................................................................. 35
Conclusie en aanbeveling ..........................................................................................36
Monitoring 2024
-v-
1 1.1
Inleiding
Aanleiding Op de locatie van DSM in Delft-Noord vindt sinds 1916 een grondwateronttrekking plaats. Deze onttrekking is van de gemeente Delft. Het onttrokken grondwater wordt niet meer gebruikt, maar brengt wel hoge maatschappelijke kosten met zich mee. Daarom bouwt de gemeente Delft de onttrekking af. Dit afbouwen moet zorgvuldig en voorzichtig gebeuren. Dit omdat het plotseling stoppen van de onttrekking kan leiden tot het abrupt stijgen van de grondwaterstanden en het onregelmatig zwellen van de ondergrond in de regio, met ongewenste effecten op gebouwen, constructies, waterkeringen en infrastructuur. Door de onttrekking voorzichtig in kleine stappen over een periode van circa tien jaar af te bouwen krijgt de ondergrond de tijd om geleidelijk te wennen aan de nieuwe situatie. Daarnaast krijgen door dit geleidelijke afbouwen de gemeente en inwoners de tijd om indien nodig maatregelen te nemen. Het geeft de gemeente de mogelijkheid om zorgvuldig te monitoren wat de effecten zijn. Ook maakt dit het mogelijk waar nodig tijdig in te grijpen om de overlast en schade voor de omgeving te beperken. Voor dit monitoren van de effecten wordt sinds 2013 een groot aantal metingen verricht, verzameld en geanalyseerd. Met de meetgegevens van vóór de eerste afbouw is de nulsituatie vastgelegd.
En met de meetgegevens van de afgelopen en komende jaren kunnen de eventuele gevolgen van de reductie worden waargenomen, vastgelegd en beoordeeld.
1.2
Doel Voorliggende rapportage beschrijft het resultaat van de monitoring tot en met december 2024. Het doel van deze rapportage is inzicht geven in de ‘stabiele’ situatie van vóór de eerste afbouwstap in het voorjaar van 2017 en de situatie na de afbouwstappen in 2017 t/m 2024. Dit inzicht is nodig om te kunnen beoordelen of het verantwoord is om een volgende afbouwstap door te voeren, of dat aanvullende maatregelen nodig zijn, dan wel het verder afbouwen tijdelijk te pauzeren.
1.3
Aanpak op hoofdlijnen Voorliggend rapport is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 tot en met 8 worden achtereenvolgens de onttrokken debieten (H2), de stijghoogtes in het eerste watervoerend pakket (H3), de freatische grondwaterstanden (H4), de verandering in maaiveldhoogte (H5) en deformatie van gebouwen (H6) besproken. In hoofdstuk 7 wordt de stand van zaken besproken op de thema’s a) de oppervlaktewaterkwaliteit, b) stabiliteit van boezemkades en c) het opdrijven van parkeergarages, kelders en tunnels. Als laatste bevat hoofdstuk 8 de conclusies en aanbevelingen.
Monitoring 2024
-1-
2 2.1
De onttrokken debieten
Algemeen De grondwateronttrekking op het terrein van DSM bestond ooit uit 43 pompputten met ieder een maximale opbrengst van 60 m3 per uur. Deze pompputten zijn niet meer in gebruik. Om storingsvrij grondwater te kunnen onttrekken, zijn in 2014 en 2015 twee puttenvelden net buiten het DSM-terrein aangelegd (Zie Figuur 1). In april 2014 is een puttenveld met 4 bronnen buiten het DSM-terrein aan de Meeslaan aangelegd. En in augustus 2015 een puttenveld met 14 bronnen aan de Prinses Beatrixlaan. Tevens is een grondwaterpompstation langs de Kerstanjewetering gebouwd
Bronnen Prinses Beatrixlaan Bronnen Meeslaan Persleiding naar Den Haag
gemaal Kerstanjewetering
Figuur 1 Locatie van de verschillende pompputten van de grondwateronttrekking Delft-Noord. In de inzet het gemaal Kerstanjewetering van waar uit het water via een persleiding naar zee wordt gepompt.
2.2
De afgelopen jaren Een overzicht van het in de afgelopen jaren onttrokken grondwater is weergegeven in Figuur 2 en Figuur 3. In Figuur 2 staan de in de afgelopen 50 jaar jaarlijks onttrokken volumes. In de gegevens ontbreekt 1970 en voor dit jaar is het volume geschat als gemiddelde van 1969 en 1971. Vanaf eind 2004 was het streven om continu 1200 m3/uur te onttrekken. Dit is gelijk aan 10.5 miljoen m3 per jaar. In 2017 is op 1 mei, 1 juni en 1 juli de onttrekking in drie stappen teruggebracht naar 1080 m3/uur. In 2018 is
-2-
definitief
de onttrekking teruggebracht naar 960 m3/uur. In 2019 naar 840 m3/uur. In 2020 naar 720 m3/uur. Ook in 2021 draaide de installatie op 720 m3/uur. In 2022 is de onttrekking teruggebracht naar 600 m3/uur, in 2023 naar 480 m3/uur en in 2024 naar 360 m3/uur met een totaal jaarvolume van 3.9 miljoen m3. volume/jaar (*106 m3)
15.0 14.0 13.0 12.0 11.0
10.5 miljoen m3
10.0 9.0 8.0 7.0 6.0 5.0 4.0
2024
3.0 2.0 1.0 0.0
start afbouw 2017
1960 1965 1970 1975 1980 1985 1990 1995 2000 2005 2010 2015 2020 2025 2030
Figuur 2 Onttrokken volumes per jaar van 1962 tot en met 2024
debiet (m3 per uur)
2 200 2 000 1 800 1 600 1 400
1 200
start afbouw 2017
1 000 800 600 400
200 0 2002 2004 2006 2008 2010 2012 2014 2016 2018 2020 2022 2024 2026 Figuur 3 Onttrokken debieten in m3 per uur van 1 januari 2002 tot 1 januari 2025
In Figuur 3 staan de gemiddeld per uur onttrokken debieten van 2002 tot en met 2024. Tot en met 2004 gebruikte DSM het onttrokken water als proceswater en koelwater. Hierdoor was er in de zomer meer water nodig dan in de winter, waardoor tot en met 2004 een seizoenfluctuatie zichtbaar is met uitschieters naar 2000 m3 per uur. Vanaf 2005 is bij DSM de behoefte aan koelwater komen te vervallen en zonder verschil tussen zomer- en winterdebiet geprobeerd om de onttrekking zo goed mogelijk te
Monitoring 2024
-3-
handhaven op 1200 m3 per uur. Dat lukte door de gebrekkige staat van de oude installatie niet altijd. Pas na het in gebruik nemen van het nieuwe puttenveld en het grondwatergemaal Kerstanjewetering lukte het in de zomer van 2015 wel om weer 1200 m3 per uur te onttrekken. In Tabel 1 is een overzicht van de debieten en onttrokken volumes per jaar gegeven. Tabel 1 De onttrokken debieten en volumes van 2002 tot en met 2023 Jaar
Minimum [m3/uur] 594
Gemiddeld [m3/uur] 1 507
Volume [106 m3] 13.2
Eigenaar
2002
Maximum [m3/uur] 2 028
2003
1 875
1 093
1 486
13.0
DSM
2004
1 796
875
1 387
12.2
DSM
2005
1 321
-
1 155
10.1
DSM
2006
1 392
343
1 161
10.2
DSM
2007
1 347
926
1 170
10.3
DSM
2008
1 348
857
1 133
10.0
DSM
2009
1 572
694
1 178
10.3
GR*
2010
1 347
946
1 205
10.6
GR*
2011
1 336
963
1 198
10.5
GR*
2012
1 341
343
1 211
10.6
GR*
2013
1 250
830
1 145
10.0
GR*
2014
1 398
955
1 193
10.4
GR*
2015
1 565
911
1 165
10.2
GR*
2016
1 282
935
1 198
10.5
Gemeente
2017
1 333
829
1205/1094**
9.9
Gemeente
2018
1 165
636
1096/937**
8.8
Gemeente
2019
1 007
584
942/841**
7.7
Gemeente
2020
928
230
833/710**
6.7
Gemeente
2021
852
499
725
6.3
Gemeente
2022
786
531
717/595**
5.8
Gemeente
2023
606
407
599/493**
4.7
Gemeente
2024
512
345
479/367**
3.9
Gemeente
DSM
* GR is de Gemeenschappelijke Regeling Beheer Grondwateronttrekking Delft-Noord ** 1e getal is van de maanden vóór de afbouwstap en het 2e getal van ná de afbouwstap.
In Figuur 4 is verder op de data van 2024 ingezoomd. Begin januari 2024 was het streefdebiet 480 m3 per uur. Aan het eind van de zomer van 2024 is het debiet in drie stapjes op 7 augustus, 2 september en 27 september afgebouwd naar een streefdebiet van circa 360 m3 per uur. In 2024 is uiteindelijk tussen 1 januari en 1 mei gemiddeld 479 m3 per uur onttrokken. Tussen 27 september en 31 december is gemiddeld 367 m3 per uur onttrokken. Hiervoor staan simultaan 6 pompen aan en 12 uit. Tussen de 18 pompputten wordt regelmatig gewisseld om de verschillende delen van de installatie gelijkmatig te belasten.
-4-
definitief
afbouwstap afbouwstap afbouwstap
600
debiet (m3 per uur)
560 520
480 440 400 streefdebiet 360 m3/u
360 320
test 25 mei 2025
280 240 200 160 120 80 40 0
Figuur 4 Onttrokken debieten van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025. Op 7 augustus, 2 september en 27 september zijn drie afbouwstappen doorgevoerd. Op 25 mei is getest of het gemaal ook op laag toeren water kan afvoeren naar zee.
De komende jaren Figuur 5 is vooralsnog het vertrekpunt voor het afbouwen van de grondwateronttrekking in de komende jaren, waarbij ieder jaar 120 m3/uur wordt afgebouwd. Met dit schema wordt de komende 3 jaar nog 4,7 miljoen m3 grondwater onttrokken. De reductie van de onttrekking in 2024 is zonder problemen uitgevoerd. De Gemeente Delft is voornemens om in 2025 de onttrekking weer in drie kleine stappen van 360 m3 per uur naar 240 m3 per uur af te bouwen. volume [10^6 m3] 14.0 Onttrokken debieten in de afgelopen jaren
13.0
Voorgenomen reductie via stappen van 120 m3/uur
12.0 11.0 10.0 9.0 8.0 7.0 6.0 5.0
4.0 3.0 2.0 1.0
2030
2029
2028
2027
2026
2025
2024
2023
2022
2021
2020
2019
2018
2017
2016
2015
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
-
2002
2.3
Figuur 5 Onttrokken debieten van 2002 tot en met 2024 en het voorgenomen afbouwschema waarbij de onttrekking met stappen van 120 m3/uur wordt afgebouwd.
Monitoring 2024
-5-
3
Stijghoogtes in het 1e watervoerend pakket
3.1
Algemeen De in het vorige hoofdstuk beschreven installatie onttrekt het water uit het eerste watervoerend pakket. Het eerste watervoerend pakket is een laag grof zand tussen -20 en -40 meter beneden maaiveld en heeft een kD-waarde tussen de 1000 tot 1700 m2/d. De kD-waarde is een maat voor de transmissiviteit1 van een watervoerende laag. In Figuur 6 is de situatie tot mei 2017 schematisch weergegeven, waarbij 1200 m3/uur werd onttrokken. De freatische grondwaterstand bevindt zich op ongeveer 1 meter onder het maaiveld. Terwijl de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket bij het puttenveld tot circa 10 meter onder het maaiveld is gezakt. Deze stijghoogte in het eerste watervoerend pakket is afhankelijk van de afstand tot de onttrekking. Voor het monitoren van de onttrekkingskegel wordt gebruik gemaakt van een meetnetwerk van 54 peilbuizen in het eerste watervoerend pakket van de provincie Zuid-Holland.
1200 m3/u peilbuis eerste watervoerend pakket
peilbuis freatische grondwaterstand
-00 m
klei klei
-20 meter eerste watervoerend pakket
= Klei zand
-40 meter
klei
tweede watervoerend pakket
= Veen = Zand
-55 meter zand
-70 meter
klei
Figuur 6 Schematische weergave van onttrekkingskegel. De peilbuizen in het eerste watervoerend pakket hebben hun filter op zo’n 25 meter beneden maaiveld.
1 Transmissiviteit = het gemak waarmee water door een granulaire laag kan stromen, gelijk aan het product van de
waterdoorlatendheid en de laagdikte .
-6-
definitief
3.2
Continuïteit van het meetnet in 2024 In elke peilbuis van dit meetnet hangt een drukopnemer die ieder uur een waarneming opslaat. Deze gegevens worden vervolgens vier keer per jaar uitgelezen. De technische levensduur van een drukopnemer wordt bepaald door de batterij, die 8 tot 10 jaar moet meegaan. Het kan echter voorkomen dat een drukopnemer eerder defect raakt. Wanneer dit bij het uitlezen wordt geconstateerd, dan wordt de drukopnemer vervangen. De kwartaalgegevens van die peilbuis zijn in een dergelijk geval voor één kwartaal niet beschikbaar. Daarnaast verdwijnen peilbuizen door bijvoorbeeld graafwerkzaamheden. Het netwerk van de provincie bestond in 2013 uit 54 peilbuizen. Hiervan zijn er in de afgelopen jaren 11 verdwenen. Daarnaast zijn er 2 bijgeplaatst en 2 overgenomen door de gemeente. De provincie heeft nog 43 actieve peilbuizen. De gemeente Delft heeft 3 en Pijnacker-Nootdorp 1 peilbuis in het eerste watervoerend pakket. Verder heeft het Hoogheemraadschap van Delfland ook 26 buizen in het 1e watervoerend pakket. Dit maakt een totaal van 73 actieve buizen in 2024.
Figuur 7 Het netwerk van peilbuizen in het eerste watervoerend pakket. De cirkels bevinden zich op 1 tot 5 km van de onttrekking.
3.3
Raai noordwest-zuidoost Uit dit netwerk aan peilbuizen is een raai van noordwest naar zuidoost geselecteerd om inzicht te krijgen in de in Figuur 6 geschetste onttrekkingskegel. In Figuur 8 zijn de gebruikte peilbuizen opgenomen (boven) en (onder) de gemiddelde stijghoogte in het eerste watervoerend pakket van de maanden december 2016 tot en met december 2024. Voor december is gekozen, omdat in deze maand doorgaans geen werkzaamheden aan de installaties worden uitgevoerd en omdat de effecten van de reductiestappen dan voldoende zijn gestabiliseerd. In Figuur 8 is te zien dat de onttrekkingskegel niet symmetrisch is. In het zuidoosten kruist de raai de Zuidpolder van Delfgauw met het maaiveld op -3 meter en polder Schieveen met het maaiveld op -5 meter. Door de reductiestappen van 2017 tot en met 2024 zijn de stijghoogtes omhooggekomen ten opzichte van december 2016. Op 5 km van de onttrekking is de stijghoogte in de afgelopen jaren circa 0.7 meter gestegen en dicht bij de onttrekking circa 4.5 meter.
Monitoring 2024
-7-
Den Haag
2
Tunnelbak A4
Stijghoogte (mNAP)
Kruithuisweg
1 0 Z-polder Delfgauw
-1 -2
Schieveen
-3 stijghoogte dec 2024
-4
stijghoogte dec 2023 stijghoogte dec 2022
-5
stijghoogte dec 2021
-6
stijghoogte dec 2020 stijghoogte dec 2019
-7
stijghoogte dec 2018 stijghoogte dec 2017
-8
stijghoogte dec 2016 uiteindelijke stijghoogte
-9
maaiveld
Afstand (m)
- 10
-8000
-6000
-4000
-2000
0
2000
4000
6000
8000
Figuur 8 Raai van noordwest naar zuidoost en de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket.
3.4
5 peilbuizen uit de vergunning In de vergunning voor de onttrekking van de gemeente Delft van 23 april 2015 zijn 5 peilbuizen opgenomen: B37E0275, B37E312, B37E34743, B37E3507 en B37E3502 (zie Figuur 9). In deze peilbuizen moet de gemeente 1 x in de veertien dagen de stijghoogte meten. In de praktijk wordt de stijghoogte elk uur gemeten en automatisch naar een centrale database verstuurd.
-8-
definitief
Figuur 9 De 5 peilbuizen in Delft waar conform de vergunning de stijghoogte wordt gemeten
In Tabel 2 zijn de gemiddelde stijghoogtes in de maand december van de afgelopen jaren opgenomen. In de laatst kolom staat de bovengrens waar de stijghoogte onder moet blijven tot dat begonnen mag worden met een volgende afbouwstap. Op geen van de locaties is deze bovengrens bereikt. Tabel 2 Gemeten gemiddelde stijghoogte in het eerste watervoerend pakket in dec 2016 t/m 2021. Peilbuis
Straat
Gemeten dec 2016 (mNAP)
Gemeten dec 2017 (mNAP)
Gemeten dec 2018 (mNAP)
Gemeten dec 2019 (mNAP)
Gemeten dec 2020 (mNAP)
Gemeten dec 2021 (mNAP)
Gemeten dec 2022 (mNAP)
Gemeten dec 2023 (mNAP)
Gemeten dec 2024 (mNAP)
Bovengrens afbouwstap (mNAP)
B37E3507 B37E0275
Foreestweg
-8.6
-7.7
-6.9
-6.5
-5.9
-5.8
-5.5
-4.7
-4.2
-3.7
‘t Jaagpad
-6.5*
-6.0
-5.7
-5.1
-4.6
-4.6
-4.0
-3.5
-3.3
-2.8
B37E3473
Doelenstraat
-6.1*
-5.4
-5.1
-4.6
-4.4
-4.4
-4.0
-3.5
-3.3
-2.8
B37E0312
B. Powellpad
-5.1
-4.6
-4.5
-4.0
-3.8
-3.8
-3.5
-3.2
-3.0
-2.6
B37E3502
B. vd Polweg
-4.6
-4.3
-4.2
-3.9
-3.8
-3.7
-3.6
-3.3
-3.2
-2.7
* van december 2016 zijn er geen metingen van de peilbuizen B37E0275 en B37E3473, maar wel van januari 2017. De hier opgenomen -6.5 en -6.1 mNAP zijn de waarnemingen van januari 2017.
In Figuur 10 tot en met Figuur 14 zijn van deze 5 peilbuizen de metingen tussen januari 2014 tot en met 1 januari 2025 opgenomen.
Monitoring 2024
-9-
In Figuur 10 van de Foreestweg is de hoogst gemeten stijghoogte kortstondig -3.80 mNAP op vrijdagochtend 6 december 2024 om 02:00 uur. Dit omdat laat in de avond op 5 december de stroom was uitgevallen en de installatie 2 uur niet heeft gedraaid. De laatst gemeten waterstand in 2024 was -4.08 mNAP. De Oranje stippellijn stijgt 60 cm per jaar. B37E3507 van Foreestweg 0.0 - 0.5 - 1.0
start afbouw
- 1.5
Stijghoogte eerste watervoerend pakket (mNAP)
- 2.0
3 afbouwstappen 3 afbouwstappen3 afbouwstappen3 afbouwstappen
tussenjaar
3 afbouwstappen 3 afbouwstappen3 afbouwstappen
- 2.5 - 3.0 - 3.5 - 4.0 - 4.5 - 5.0 - 5.5 - 6.0 - 6.5 - 7.0 - 7.5 - 8.0 - 8.5 - 9.0 - 9.5
- 10.0 01-01-14
01-01-15
01-01-16
01-01-17
01-01-18
01-01-19
01-01-20
01-01-21
01-01-22
01-01-23
01-01-24
01-01-25
Figuur 10 Stijghoogte in het 1e wvp tussen 1-1-2014 en 1-1-2025 aan de Foreestweg.
In Figuur 11 staan de metingen van ’t Jaagpad-Rijswijk. Vóór 2017 heeft in deze peilbuis twee keer een defecte drukopnemer gehangen. Hierdoor ontbreken twee periodes. De hoogst gemeten stijghoogte is -3.17 mNAP op 22 december 2024. De laatst gemeten stijghoogte van 2024 was -3.20 mNAP. De oranje stippellijn stijgt 48 cm per jaar. B37E0275 't Jaagpad 0.0 - 0.5 - 1.0
start afbouw
- 1.5
Stijghoogte eerste watervoerend pakket (mNAP)
- 2.0
3 afbouwstappen 3 afbouwstappen3 afbouwstappen3 afbouwstappen
tussenjaar
3 afbouwstappen 3 afbouwstappen3 afbouwstappen
- 2.5 - 3.0 - 3.5 - 4.0 - 4.5 - 5.0 - 5.5 - 6.0 - 6.5 - 7.0 - 7.5 - 8.0 - 8.5 - 9.0 - 9.5 - 10.0 01-01-14
01-01-15
01-01-16
01-01-17
01-01-18
01-01-19
01-01-20
01-01-21
01-01-22
01-01-23
01-01-24
01-01-25
Figuur 11 Stijghoogte in het 1e wvp tussen 1-1-2014 en 1-1-2025 aan ’t Jaagpad.
- 10 -
definitief
In Figuur 12 staan de metingen van de Doelenstraat. Ook hier ontbreken vóór 2017 een aantal periodes door falende drukopnemers. De hoogst gemeten stijghoogte is -3.25 mNAP op 7 december 2024. De laatst gemeten stijghoogte van 2024 was -3.28 mNAP. De oranje stippellijn stijgt 37 cm per jaar. B37E3473 Doelenstraat 0.0 - 0.5
- 1.0
start afbouw
Stijghoogte eerste watervoerend pakket (mNAP)
- 1.5 - 2.0
3 afbouwstappen 3 afbouwstappen3 afbouwstappen3 afbouwstappen
tussenjaar
3 afbouwstappen 3 afbouwstappen3 afbouwstappen
- 2.5 - 3.0 - 3.5 - 4.0 - 4.5
- 5.0 - 5.5 - 6.0 - 6.5 - 7.0 - 7.5 - 8.0 - 8.5
- 9.0 - 9.5 - 10.0 01-01-14
01-01-15
01-01-16
01-01-17
01-01-18
01-01-19
01-01-20
01-01-21
01-01-22
01-01-23
01-01-24
01-01-25
Figuur 12 Stijghoogte in het 1e wvp tussen 1-1-2014 en 1-1-2025 in de Doelenstraat.
Figuur 13 staan de metingen van het Baden Powellpad. De hoogst gemeten stijghoogte is ook de laatst gemeten stijghoogte van -2.94 mNAP op 31 december 2023. De oranje stippellijn stijgt 30 cm per jaar. B37E0312 B. Powellpad 0.0 - 0.5
- 1.0
start afbouw
Stijghoogte eerste watervoerend pakket (mNAP)
- 1.5 - 2.0
3 afbouwstappen 3 afbouwstappen3 afbouwstappen 3 afbouwstappen
tussenjaar
3 afbouwstappen 3 afbouwstappen3 afbouwstappen
- 2.5 - 3.0 - 3.5 - 4.0 - 4.5
- 5.0 - 5.5 - 6.0 - 6.5 - 7.0 - 7.5 - 8.0 - 8.5
- 9.0 - 9.5 - 10.0 01-01-14
01-01-15
01-01-16
01-01-17
01-01-18
01-01-19
01-01-20
01-01-21
01-01-22
01-01-23
01-01-24
01-01-25
Figuur 13 Stijghoogte in het 1e wvp tussen 1-1-2014 en 1-1-2025 aan het Baden Powellpad.
Monitoring 2024
- 11 -
In Figuur 14 staan de metingen van de hoek Balthasar van der Polweg/Mekelpark. De hoogst gemeten stijghoogte is -3.14 mNAP op 22 december 2024. De laatst gemeten stijghoogte van 2024 was -3.21 mNAP. De oranje stippellijn stijgt 20 cm per jaar. B37E3502 B.Polweg 0.0 - 0.5 - 1.0
start afbouw
Stijghoogte eerste watervoerend pakket (mNAP)
- 1.5 - 2.0
3 afbouwstappen 3 afbouwstappen3 afbouwstappen 3 afbouwstappen
tussenjaar
3 afbouwstappen 3 afbouwstappen3 afbouwstappen
- 2.5 - 3.0 - 3.5
- 4.0 - 4.5 - 5.0 - 5.5 - 6.0 - 6.5 - 7.0 - 7.5
- 8.0 - 8.5 - 9.0 - 9.5 - 10.0 01-01-14
01-01-15
01-01-16
01-01-17
01-01-18
01-01-19
01-01-20
01-01-21
01-01-22
01-01-23
01-01-24
01-01-25
Figuur 14 Stijghoogte in het 1e wvp tussen 1-1-2014 en 1-1-2025 aan de Balthasar van der Polweg.
- 12 -
definitief
De komende jaren De metingen na de afbouwstappen van de afgelopen jaren laten een vergelijkbare geleidelijke toename zien. Nabij de onttrekking kwam de stijghoogte in de afgelopen jaren ieder jaar gemiddeld zo’n 0.6 meter omhoog. Dit valt binnen de op voorhand voorspelde toename van de stijghoogte. Deze stapgroottes in de toename van de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket laten zich goed extrapoleren naar de toekomst. Praktisch zijn er nog 3 afbouwstappen te gaan als de grondwateronttrekking tot 0 m3/uur wordt afgebouwd. Als ook bij de toekomstige afbouwstappen bij elke stap de stijghoogte 0.6 meter zal stijgen, zal de uiteindelijke stijghoogte 1.8 meter hoger komen te liggen. De huidige stijghoogte nabij de onttrekking is circa -4.1 mNAP (zie ook Figuur 15). Bij elkaar opgeteld komt de stijghoogte dan eind 2027 op circa -2.3 mNAP. Uiteraard zal jaarlijks met behulp van alle metingen gecontroleerd worden of de metingen uit de praktijk met de verwachtingen overeenkomt, alvorens tot een volgende stap wordt besloten. B37E3507 van Foreestweg 0.0 - 0.5 2017
- 1.0
2018
2019
2020
2021
2022
2023
2024
2025
2026
2027
- 1.5 - 2.0
Stijghoogte eerste watervoerend pakket (mNAP)
3.5
- 2.5 - 3.0 - 3.5 - 4.0 - 4.5 - 5.0 - 5.5 - 6.0 - 6.5 - 7.0 - 7.5 - 8.0 - 8.5 - 9.0 - 9.5
- 10.0 01-01-14
01-01-15
01-01-16
01-01-17
01-01-18
01-01-19
01-01-20
01-01-21
01-01-22
01-01-23
01-01-24
01-01-25
01-01-26
01-01-27
Figuur 15 Stijghoogte in het 1e wvp aan de Foreestweg De prognose voor eind 2027 is een stijghoogte van ongeveer -2.3 mNAP. De stijghoogte zal dus nog zo’n 1.8 meter stijgen.
Monitoring 2024
- 13 -
01-01-28
4 4.1
Freatische grondwaterstanden
Algemeen De onttrekking in het eerste watervoerend pakket krijgt zijn water via wegzijging uit de bovenliggende deklaag. De verwachting is dat bij het reduceren van de onttrekking de bandbreedte waarbinnen de freatische grondwaterstanden in de huidige situatie fluctueren iets zal verschuiven. In droge gebieden wordt het gemiddeld minder droog en in nu al natte gebieden, wordt het natter. De mate waarin dit gebeurt en of dit tot overlast of schade leidt, hangt af van de lokale situatie. Bijvoorbeeld in gebieden waar drainage is aangelegd of de gemiddelde grondwaterstand vrij diep zit, zal een geleidelijke en geringe toename van de gemiddelde grondwaterstand zonder overlast of schade aan funderingen of bomen e.d. kunnen worden opgevangen. Om te monitoren of en hoe de grondwaterstanden veranderen, is door de gemeenten Rijswijk, Westland, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Den Haag en Delft een uitgebreid grondwatermeetnet aangebracht. Daarnaast heeft het Hoogheemraadschap van Delfland een aantal peilbuizen in het buitengebied. In totaal zijn er circa 700 peilbuizen waarin elk uur met behulp van drukopnemers de grondwaterstand wordt gemeten (Zie Figuur 16). Afhankelijk van de apparatuur wordt deze drukopnemer of twee keer per jaar uitgelezen of is gekoppeld aan telemetrie, waarmee de data via het mobiele telefoonnetwerk wordt doorgestuurd.
Figuur 16 De 700 Peilbuizen rond de onttrekking waar elk uur de grondwaterstand wordt gemeten.
- 14 -
definitief
Freatische grondwaterstanden van peilbuis Delft 13-1.03 Een peilbuis die dicht op de onttrekking staat, is peilbuis 13-1.03 van de gemeente Delft aan de Pasteurstraat net ten zuiden van het DSM-terrein. De afgelopen jaren waargenomen waterstanden staan in Figuur 17. Het maaiveld rond de peilbuis ligt op -0.21 mNAP. Afhankelijk van het seizoen varieerde de grondwaterstand (blauwe lijn) grofweg tussen -0.8 mNAP en -1.5 mNAP. In de tijdserie ontbreekt door een defecte drukopnemer de periode 29 juni 2021 tot 5 mei 2022. Delft 13-1.03 0.00 - 0.10 - 0.20
water level (mNAP)
- 0.30
moving average 90 days (mNAP)
- 0.40
Freatische grondwaterstand (mNAP)
4.2
maaiveld
- 0.50 - 0.60 - 0.70 - 0.80 - 0.90 - 1.00 - 1.10 - 1.20 - 1.30 - 1.40
- 1.50 - 1.60 - 1.70
start afbouw
- 1.80 jan/10 jan/11 jan/12 jan/13 jan/14 jan/15 jan/16 jan/17 jan/18 jan/19 jan/20 jan/21 jan/22 jan/23 jan/24 jan/25
Figuur 17 Freatische grondwaterstanden in peilbuis Delft 13-1.03 van 12 feb 2010 tot 28 februari 2025
Het sterk fluctuerende karakter van de grondwaterstand in Figuur 17 maakt het lastig om de verschillende jaren vóór en na de start van de reductie van de grondwateronttrekking met elkaar te vergelijken. De gemiddelde wintergrondwaterstand is hiervoor een geschiktere parameter. Hiertoe is per peilbuis een voortschrijdend gemiddelde van 90 dagen bepaald (rode lijn) en vervolgens voor elk hydrologisch jaar (1 april - 31 maart) het maximum geselecteerd (Zie Tabel 3). Deze maxima laten sinds de start van de afbouw nog geen systematische toename van de freatische grondwaterstand zien. De verschillen tussen de jaren worden veroorzaakt door verschillen in de hoeveelheid neerslag. De hoogste grondwaterstand is gemeten op 3 november 2023. In de drie weken vóór 3 november viel al 212 mm neerslag en op 3 november nog eens 53 mm in 24 uur.
Monitoring 2024
- 15 -
Tabel 3 Maximum van het 90 dagen voortschrijdend gemiddelde van peilbuis Delft 13-1.03 Hydrologisch jaar
Max voortschrijdend gemiddelde 90
Bijbehorende ontwateringsdiepte
dagen
4.3
2010-2011
-0.91 mNAP
0.70 m-mv
2011-2012
-1.01 mNAP
0.80 m-mv
2012-2013
-0.96 mNAP
0.77 m-mv
2013-2014
-1.05 mNAP
0.84 m-mv
2014-2015
-0.98 mNAP
0.77 m-mv
2015-2016
-0.86 mNAP
0.65 m-mv
2016-2017
-1.01 mNAP
0.80 m-mv
2017-2018
-0.89 mNAP
0.68 m-mv
2018-2019
-1.01 mNAP
0.80 m-mv
2019-2020
-0.96 mNAP
0.75 m-mv
2020-2021
-0.89 mNAP
0.68 m-mv
2021-2022
NA
NA
2022-2023
-0.88 mNAP
0.67 m-mv
2023-2024
-0.83 mNAP
0.62 m-mv
2024-2025
-0.86 mNAP
0.65 m-mv
De ontwateringsdiepte bij alle peilbuizen Door de gemeente Delft worden al jaren alle meetgegevens verzameld van alle freatische peilbuizen in de omgeving van Delft. In 2013 waren dat 690 peilbuizen. Een groot gedeelte hiervan is destijds speciaal voor de grondwateronttrekking geïnstalleerd en een gedeelte bestond uit langer bestaande peilbuizen. Sindsdien zijn er buizen ontmanteld en nieuwe buizen bijgekomen. Nu begin 2025 zijn er zo’n 791 buizen waarvan de data actief wordt verzameld. Bij de meeste gemeenten zijn er in het afgelopen jaar enkele peilbuizen bijgeplaatst (Zie Tabel 4). Tabel 4 Overzicht van het aantal beschikbare peilbuizen in 2013 en 2021 Gemeente
Aantal peilbuizen (2013)
Aantal peilbuizen (2024)
Delft
201
234*
Westland
156
176
Leidschendam-Voorburg
90
94
Pijnacker-Nootdorp
101
116
Rijswijk
59
69
Den Haag
29
29
Midden-Delfland
25
36
HH Delfland**
29
37
Totaal
690
791
* 19 peilbuizen zijn in de nabijheid van diepe parkeergarages geplaatst om de grondwaterstand naast deze garages te monitoren. ** Deze buizen zijn van het GGOR-netwerk van het hoogheemraadschap van Delfland.
Van deze 791 peilbuizen komt niet altijd data door. Bij 90% van deze peilbuizen zijn de gegevens nagenoeg compleet. Bij circa 10% ontbreken meer dan 30 dagen door: a) Een defect aan de drukopnemer; b) Een (tijdelijk) niet toegankelijke peilbuis; of c) De laatste uitleesronde voor 1 december 2024 was.
- 16 -
definitief
Wanneer sprake is van een defecte drukopnemer of peilbuis niet meer toegankelijk is, zijn de data voor die periode verloren. Als een peilbuis tijdelijk niet toegankelijk is, of de laatste uitleesronde voor 1 december was, worden de data bij de volgende uitleesronde in het voorjaar van 2025 aangevuld. Op alle locaties met gegevens was het in 2024 aanzienlijk natter dan het gemiddelde van voorgaande jaren. Dit door de grote hoeveelheid neerslag in 2024: 1263 mm tegen gemiddeld 992 mm. Hiermee werd 2024 het natste jaar sinds het begin van de metingen in 1925. Vooral februari, mei en september waren erg nat (Zie Figuur 18). gemiddelde 1995-2024: 992 mm
Neerslag (mm)
2023: 1263 mm
180 160 140
120 100 80 60 40 20 0
jan
feb
mrt
apr
mei
jun
jul
aug
sep
okt
nov
dec
Figuur 18 Gemiddelde neerslag per maand in Delft en de neerslag van 2024. In totaal viel er 1263 mm (bron: KNMI dagwaarnemingen station 449 Delft).
Sinds gestart is met de afbouw waren nagenoeg alle jaren natter dan gemiddeld. Het lijkt erop dat er in de afgelopen decennia meer natte dan droge jaren optreden. Voor Figuur 19 is de jaarneerslag van station Delft van het KNMI gebruikt. In Delft wordt sinds 1925 continu gemeten. De zwarte lijn is het voortschrijdend gemiddelde over een periode van 30 jaar. In de jaren zestig was het gemiddelde nog maar zo’n 800 mm. Vanaf 1998 klimt het gemiddelde elk jaar met 5 mm en is inmiddels 992 mm per jaar. neerslag (mm) 1300 1200 1100 1000 900
800 700 600 500 400
300 200 100 0 1925 1930 1935 1940 1945 1950 1955 1960 1965 1970 1975 1980 1985 1990 1995 2000 2005 2010 2015 2020 2025
Figuur 19 Neerslag per jaar in Delft sinds 1925 (bron: KNMI dagwaarnemingen station 449 Delft)
Monitoring 2024
- 17 -
4.4
Peilbuizen in het centrum van Delft In overleg met de bewonersverenigingen in het centrum van Delft zijn in maart 2017 een zestal nieuwe peilbuizen geplaatst. Hiervoor zijn locaties in het centrum uitgekozen waar verwacht werd dat overlast door hoge grondwaterstanden het eerst merkbaar zou zijn. De locaties van deze buizen zijn: • • • • • •
Halverwege de Houthaak in het doodlopende dwarsstuk (11-1.29); Binnenterrein Doelenstraat (11-1.30); Speeltuin halverwege de van der Mastenstraat (11-1.31); Achter slager van Dam, Hofje van Pauw (11-1.32); Halverwege Visstraat (11-1.33); Speelterrein Max Havelaarschool (11-1.34).
In Figuur 20 zijn deze locaties opgenomen en in Figuur 21 tot en met Figuur 26 zijn de metingen vanaf 1 maart 2017 tot 1 januari 2025 opgenomen. Door het droge jaar 2018 (met 829 mm) en natte jaren 2019 (met 1030 mm) en 2020 (met 1061 mm) en de gemiddelde jaren 2021 (970 mm) en 2022 (923 mm) en de twee extreem natte jaren 2023 (1258 mm) en 2024 (1263 mm) is afhankelijk van de locatie, goed te zien dat vooral het uitzakken van de zomergrondwaterstand tussen deze jaren verschilt. De pieken in de wintergrondwaterstanden zijn om en nabij gelijk. Er is nog geen sprake van een door de reductie van de grondwateronttrekking veroorzaakte waarneembare jaarlijkse toename van de grondwaterstanden.
Figuur 20 De locaties van de in maart 2017 geplaatste peilbuizen in het centrum van Delft
- 18 -
definitief
verdamping
neerslag
11-1.29
maaiveld +0.45 mNAP
trend
100 90
80 70 60
50 40
neerslag (mm/dag)
freatische grondwaterstand (mNAP)
0.80 0.70 0.60 0.50 0.40 0.30 0.20 0.10 0.00 - 0.10 - 0.20 - 0.30 - 0.40 - 0.50 - 0.60 - 0.70 - 0.80 - 0.90 - 1.00 - 1.10 - 1.20
30
20 10 0
Figuur 21 Freatische grondwaterstanden in de Houthaak. Gemiddeld zat de grondwaterstand in 2017 op 74 cm onder maaiveld. In 2018 was dit 77 cm, in 2019 was dit 72 cm, in 2020 64 cm, in 2021
0.60 0.50 0.40 0.30 0.20 0.10 0.00 - 0.10 - 0.20 - 0.30 - 0.40 - 0.50 - 0.60 - 0.70 - 0.80 - 0.90 - 1.00 - 1.10 - 1.20 - 1.30 - 1.40
100 verdamping
neerslag
11-1.30
maaiveld +0.24 mNAP
trend 90
80 70 60
50 40
neerslag (mm/dag)
freatische grondwaterstand (mNAP)
61 cm, in 2022 op 67 cm, in 2023 60 cm en in 2024 59 cm.
30
20 10 0
Figuur 22 Freatische grondwaterstanden in de Doelenstraat. Gemiddeld zat de grondwaterstand in 2017 op 88 cm onder maaiveld. In 2018 was dit 87 cm onder maaiveld. In 2019 was dit 83 cm, in 2020 85 cm, in 2021 81 cm, in 2022 op 89 cm, in 2023 77 cm en in 2024 74 cm.
Monitoring 2024
- 19 -
100 verdamping
neerslag
11-1.31
maaiveld +0.41 mNAP
trend 90
80 70 60
50 40
neerslag (mm/dag)
freatische grondwaterstand (mNAP)
1.00 0.90 0.80 0.70 0.60 0.50 0.40 0.30 0.20 0.10 0.00 - 0.10 - 0.20 - 0.30 - 0.40 - 0.50 - 0.60 - 0.70 - 0.80 - 0.90 - 1.00
30
20 10 0
Figuur 23 Freatische grondwaterstanden in de van der Mastenstraat. Gemiddeld zat de grondwaterstand in 2017 op 62 cm onder maaiveld. In 2018 op 65 cm onder maaiveld, in 2019 was
0.60 0.50 0.40 0.30 0.20 0.10 0.00 - 0.10 - 0.20 - 0.30 - 0.40 - 0.50 - 0.60 - 0.70 - 0.80 - 0.90 - 1.00 - 1.10 - 1.20 - 1.30 - 1.40
100
verdamping
neerslag
11-1.32
maaiveld +0.24 mNAP
trend 90 80 70
60 50 40 30
neerslag (mm/dag)
freatische grondwaterstand (mNAP)
dit 60 cm, in 2020 56 cm, in 2021 53 cm, in 2022 op 63 cm, in 2023 52 cm en in 2024 50 cm.
20 10 0
Figuur 24 Freatische grondwaterstanden nabij het Hofje van Pauw. Gemiddeld zat de grondwaterstand in 2017 op 73 cm onder maaiveld. In 2018 op 74 cm en in 2019 was dit 70 cm, in 2020 69 cm, in 2021 65 cm, in 2022 op 70 cm, in 2023 67 cm en in 2024 66 cm.
- 20 -
definitief
verdamping
neerslag
11-1.33
maaiveld +0.47 mNAP
trend
100 90
80 70 60
50 40
neerslag (mm/dag)
freatische grondwaterstand (mNAP)
0.80 0.70 0.60 0.50 0.40 0.30 0.20 0.10 0.00 - 0.10 - 0.20 - 0.30 - 0.40 - 0.50 - 0.60 - 0.70 - 0.80 - 0.90 - 1.00 - 1.10 - 1.20
30
20 10 0
Figuur 25 Freatische grondwaterstanden in de Visstraat. Gemiddeld zat de grondwaterstand in 2017 op 80 cm onder maaiveld. In 2018 was dit op 85 cm, in 2019 was dit 84 cm, in 2020 88 cm, in 2021 85
1.20 1.10 1.00 0.90 0.80 0.70 0.60 0.50 0.40 0.30 0.20 0.10 0.00 - 0.10 - 0.20 - 0.30 - 0.40 - 0.50 - 0.60 - 0.70 - 0.80
100 verdamping
neerslag
11-1.34
maaiveld +0.83 mNAP
trend 90
80 70 60
50 40
neerslag (mm/dag)
freatische grondwaterstand (mNAP)
cm, in 2022 op 92 cm, in 2023 85 cm en in 2024 86 cm.
30
20 10 0
Figuur 26 Freatische grondwaterstanden speelterrein Max Havelaarschool. Gemiddeld zat de grondwaterstand in 2017 op 64 cm onder maaiveld. In 2018 op 69 cm, in 2019 was dit 61 cm, in 2020 57 cm, in 2021 53 cm, in 2022 op 62 cm, in 2023 54 cm en in 2024 51 cm.
Monitoring 2024
- 21 -
4.5
De komende jaren Door het langzaam reduceren van de onttrekking zal de huidige wegzijging de komende jaren minder worden en in sommige laaggelegen polders omslaan in kwel. Deze afname in wegzijging of omslag van wegzijging naar kwel, in combinatie met de ieder jaar andere meteorologische omstandigheden en de te verwachten klimaatverandering, maken dat het lastig is om de toekomstige grondwaterstanden te voorspellen. De monitoringstrategie is om voor alle peilbuizen het 90 dagen voortschrijdend gemiddelde van de afgelopen jaren te blijven bepalen. Voor zowel de peilbuizen ver weg als in de buurt van de onttrekking, levert dit een beeld op van hoe de gemiddelde grondwaterstand fluctueert. Als in Delft-Noord door de reductie van de onttrekking de freatische grondwaterstanden systematisch hoger worden, zullen de gemiddelde wintergrondwaterstanden ook hoger worden. De aanpak die nu wordt gevolgd, is om voor een vaste selectie van 10 peilbuizen dicht bij de onttrekking en waar nu al hoge grondwaterstanden optreden 10 ‘spiegel-peilbuizen’ te volgen die minimaal 2.5 km van de onttrekking liggen en vergelijkbaar gedrag vertonen. Door de peilbuizen die buiten de invloedsfeer van de onttrekking liggen te vergelijken met die binnen de invloedsfeer, zijn de gevolgen van de afbouw van de onttrekking inzichtelijk.
Het te verwachten effect van de afbouw van de onttrekking op de grondwaterstand is gering. Naarmate de onttrekkingskegel zich sluit, zal er minder ondiep grondwater, afkomstig van neerslag, kunnen wegzijgen naar het eerste watervoerend pakket. Ook zonder de onttrekking is in Delft nog steeds sprake van wegzijging, maar minder dan voorheen. Momenteel is de hoeveelheid water die in de bodem weg kan zakken potentieel 1.5 mm/m2 per etmaal op de locatie van de onttrekking. Dit is zo gering, omdat een dikke slecht waterdoorlatende deklaag zorgt voor een beperkte toestroom van freatisch grondwater naar het eerste watervoerend pakket. Als de grondwateronttrekking verder wordt afgebouwd dan zullen de grootste veranderingen in wegzijging op die locaties optreden waar de deklaag het dunst is: zoals bij de verdiepte waterpartijen en de tunnelbak van de A4 in Rijswijk. Bij een totale afbouw naar 0 m3/uur zijn de geschatte veranderingen rond de onttrekking zelf in de orde grootte van 0.2 tot 0.4 mm/m2 per dag. Bij het afbouwen in 10 stappen betekent dit dat per afbouwstap de verandering in wegzijging rond de onttrekking in de orde grootte ligt van 0.02 tot 0.04 mm/m2 per dag. Het effect van deze verandering in wegzijging valt in het niet in vergelijking tot de neerslag en verdamping en capaciteit van de bestaande ontwateringsmiddelen. De riolering, drainage, grachten, etc.
kunnen deze verandering in wegzijging eenvoudig opvangen. Het afbouwen van de grondwateronttrekking heeft een beperkte rol in de fluctuaties van de grondwaterstanden in en om Delft. Wel blijft het noodzakelijk dat de gemeente drainage blijft aanleggen op locaties met nu al hoge grondwaterstanden om grondwateroverlast te blijven voorkomen.
- 22 -
definitief
5 5.1
Deformatie van maaiveld
Algemeen Verwacht wordt dat wanneer de grondwateronttrekking stapsgewijs wordt gereduceerd, de waterspanning in de ondergrond verandert, waardoor de samendrukbare bodemlagen iets zullen terugveren. Door Deltares is in 2008 geschat (Deltares, 2008) dat bij een volledige stopzetting het maaiveld binnen de grenzen van het DSM-terrein in 30 jaar tijd meer dan 10 cm kan zwellen. Buiten het DSM-terrein is het omhoogkomen van het maaiveld beperkt tot enkele centimeters. Het abrupt en ongelijkmatig zwellen van het maaiveld met ongewenste effecten op gebouwen, constructies, waterkeringen en infrastructuur is één van de grootste risico’s. Dit is dan ook de voornaamste reden waarom het reduceren zorgvuldig en geleidelijk wordt doorgevoerd en tegelijkertijd uitgebreid wordt gemonitord.
5.2
De afgelopen jaren Voor het monitoren van de verandering in maaiveldhoogte wordt gebruik gemaakt van INSAR-metingen van de TerraSAR-X satelliet. Deze satelliet vliegt op 500 km boven het aardoppervlak en is eigendom van een joint venture tussen het German Aerospace Center en Airbus Defense and Space. Met INSAR-metingen kunnen deformaties van maaiveld worden gemeten door twee satellietbeelden van verschillende tijdstappen met elkaar te vergelijken. De verandering in hoogte wordt afgeleid van het faseverschil tussen deze twee metingen. Deze techniek kan toegepast worden om de verandering in hoogte van zowel het maaiveld als gebouwen in kaart te brengen. Door het gebruik van INSAR-metingen is het mogelijk om het gebied rond te onttrekking frequent te monitoren. Het gebruik van INSAR-metingen in plaats van bijvoorbeeld het monitoren van hoogtebouten via een doorgaande waterpassing heeft twee grote voordelen: a) b)
Hogere meetfrequentie: de gebruikte satelliet komt 1 x in de 11 dagen over; Grotere meetpuntdichtheid: circa 100 punten per hectare.
De deformatie rond de onttrekking over de periode januari 2023 tot en met december 2024 is in Figuur 27 weergegeven. Een periode van twee jaar wordt gebruikt omdat dan de trend in de bodemdaling over zo’n 60 meetpunten kan worden bepaald. Bij een (te) korte periode gaan bijvoorbeeld kleine verschillen tussen seizoenen de trend in deformatie beïnvloeden.
Monitoring 2024
- 23 -
Figuur 27 Deformatie van maaiveld in en om Delft in de periode 2023–2024.
In Figuur 27 valt op dat – net als vorig jaar - het maaiveld op het DSM-terrein lokaal licht zwelt. Daar waar vóór de reductie van de grondwateronttrekking in het verleden de bodemdaling zo’n 1 á 2 mm per jaar bedroeg, komt nu de bodem 1 á 2 mm per jaar omhoog. Dit wordt minder bij een toenemende afstand van het DSM-terrein. Om een goed beeld te krijgen van de hele omgeving is het nodig om uit te zoomen. In het hele gebied komen locaties voor die omhoogkomen en zakken. In Figuur 28 is voor iedere buurt in de omgeving van Delft de gemiddelde deformatie van het maaiveld berekend uit alle beschikbare punten over de periode januari 2023 tot en met december 2024. In de blauwe buurten komt het maaiveld licht omhoog.
- 24 -
definitief
Figuur 28 Gemiddelde deformatie in mm per jaar en rond Delft in de periode 2023-2024.
In Figuur 28 is te zien dat in de nabijheid van de onttrekking op buurtniveau het maaiveld licht zwelt. De snelheden zijn +0.1 tot +0.3 mm per jaar. Dat is ook precies de bedoeling. Door de voorzichtige stapsgewijze reductie van de grondwateronttrekking zwelt de bodem met een dusdanig lage snelheid dat deze zwel geen schade kan veroorzaken aan gebouwen en infrastructuur. De afgelopen jaren is elk jaar de gemiddelde maaivelddaling per buurt bepaald (zoals in Figuur 28 is weergegeven). Voor Figuur 29 zijn deze gegevens van het DSM-terrein en de buurten in het centrum van Delft achter elkaar gezet. Vanaf grofweg juni 2019 is de bodemdaling afgenomen en vanaf juni 2020 omgeslagen in zwel. In 2021 is de onttrekking niet afgebouwd en begon de bodem weer te dalen. Na wat licht zwellen van de bodem eind 2023 en begin 2024 lijkt de situatie zich in het najaar van 2024 te stabiliseren. Aanbevolen wordt om vóór de volgende afbouwstap in 2025 wel te controleren of de deformatie in februari en april 2025 stabiel gebleven is.
Monitoring 2024
- 25 -
2.25 2.00 1.75
1.50 1.25
DSM-terrein (mm/jaar) Centrum-West (mm/jaar) Centrum (mm/jaar) Centrum-Oost (mm/jaar) Centrum-Noord (mm/jaar) afbouw afbouw afbouw stappen stappen stappen
tussen jaar
afbouw stappen
afbouw stappen
afbouw stappen
afbouw stappen
1.00
deformatie (mm/jaar)
0.75 0.50 0.25 0.00 -0.25 -0.50 -0.75 -1.00 -1.25 -1.50
-1.75 -2.00 -2.25 jan-17
jan-18
jan-19
jan-20
jan-21
jan-22
jan-23
jan-24
jan-25
Figuur 29 Gemiddelde maaivelddaling in mm per jaar in de buurten Centrum-West, Centrum-Oost, Centrum-Noord, Centrum en op het DSM-terrein in de periode 2016–2024.
Alle punten die in de jaren 2023 en 2024 met 1.5 mm per jaar omhooggekomen zijn, zijn in Figuur 30 weergegeven. Opvallend zijn een paar lokale clusters op het DSMterrein. Buiten het DSM-terrein zijn het vooral losliggende punten die iets omhooggekomen zijn. Een deel van deze veranderingen zijn het gevolg van bijvoorbeeld bouwwerkzaamheden, groeiende bomen of een trottoirband die iets verschoven is etc.
> 1.5 mm/jaar descending > 1.5 mm/jaar ascending Figuur 30 Locaties in de omgeving van Delft waar het maaiveld de afgelopen 2 jaar met meer dan 1.5 mm per jaar is gestegen. De zwarte punten zijn van de opgaande baan van de TerraSAR-X satelliet en de blauwe punten van de neergaande baan.
- 26 -
definitief
5.3
De komende jaren Door de afbouw van de grondwateronttrekking is de bodemdaling afgeremd en op en rond het DSM-terrein licht gaan stijgen. Dat op een zeker moment zwel zou gaan optreden was conform verwachting: door het reduceren van de onttrekking zullen de samendrukbare lagen iets terugveren. De snelheid waarmee deze lagen terugveren is afhankelijk van de stappen waarmee de reductie zal worden uitgevoerd. De afbouwstrategie is om het afbouwen zodanig stapsgewijs door te voeren dat het maaiveld niet harder omhoogkomt dan het maaiveld in het verleden is gezakt. Het DSMterrein is hiervoor het meest relevant, omdat daar de grootste veranderingen worden verwacht (Deltares, 2008). In het verleden daalde het op en rond DSM-terrein tot zo’n -2 mm per jaar en in het centrum zo’n -1 mm per jaar. Zo lang dit onder om en nabij de +2 mm per jaar blijft is dit in overeenstemming met de geformuleerde beleidsuitgangspunten. Eind 2020 kwam het maaiveld zo rond de +0.9 mm per jaar omhoog. In het voorjaar van 2021 is dan ook besloten geen afbouwstap door te voeren. De ‘rustpauze’ in 2021 heeft gemaakt dat in de afgelopen 2 jaar de bodem licht is gaan zakken. In het vroege voorjaar van 2024 kwam de bodem weer licht omhoog: tussen de +0.3 en de +0.7 mm per jaar. Om deze reden is gewacht met de afbouwstap en is deze uiteindelijk in augustus en september doorgevoerd.
Aanbevolen wordt om half mei te controleren of de bodem nog steeds krimpt of licht zwelt en als dat het geval is in de zomer van 2025 (mei/juni/juli) weer een afbouwstap door te voeren: van 360 naar 240 m3 per uur.
Monitoring 2024
- 27 -
6 6.1
Deformatie van gebouwen
Algemeen De INSAR-metingen van de TerraSAR-X satelliet zoals beschreven in het vorige hoofdstuk, worden ook gebruikt om de deformaties van gebouwen te volgen. Net als bij het maaiveld zijn ook voor de gebouwen elke 11 dagen circa 100 metingen per hectare beschikbaar. Om een onderscheid te maken tussen gebouwen en maaiveld wordt gebruik gemaakt van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen van het kadaster (het BAGregister), waarin alle gebouwen in Nederland als object zijn opgenomen (zie Figuur 31).
Figuur 31 Panden in de omgeving van het centrum volgens het BAG-register.
6.2
Monumenten in Delft In en rond Delft worden de monumenten, die het aanzien van de stad Delft bepalen, met extra aandacht gemonitord. De belangrijkste monumenten in de nabijheid van de onttrekking zijn: ➢ ➢ ➢ ➢
Stadhuis/Waag/Hippolytuskapel/Genestetkerk. Prinsenhof/Waalse Kerk. Oude kerk. Nieuwe Kerk.
- 28 -
definitief
Stadhuis/Waag/Hippolytuskapel/Genestetkerk Voor de 4 monumenten Stadhuis, Waag, Hippolytuskapel en Genestetkerk zijn er in de periode over 2023–2024 in totaal 254 punten beschikbaar (Zie Figuur 32). Per gebouw is van deze meetpunten het gemiddelde van de deformatiesnelheid bepaald: ➢ ➢ ➢ ➢
Het stadhuis steeg met +0.2 mm/jaar (was over 2022–2023 +0.3 mm/jaar); De Waag steeg met +0.6 mm/jaar (was over 2022–2023 +0.6 mm/jaar); De Hippolytuskapel met +0.6 mm/jaar (was over 2022–2023 +0.5 mm/jaar); en De Genestetkerk met +0.4 mm/jaar (was over 2022-2023 +0.6 mm/jaar).
De deformatie van deze gebouwen is in lijn met de deformatie van het maaiveld. Volgens Figuur 28 kwam het maaiveld in 2022-2023 in het centrum gemiddeld met +0.1 mm per jaar omhoog.
Figuur 32 Geselecteerde meetpunten Stadhuis, Waag, Hippolytuskapel en Genestetkerk
Prinsenhof/Waalse Kerk/Oude kerk Binnen de omtrek van het Prinsenhof, Waalse Kerk en de Oude Kerk zijn er in de periode 2023–2024 in totaal 990 meetpunten (zie Figuur 33). Per gebouw is ook hier van de meetpunten het gemiddelde bepaald: ➢ ➢ ➢
Prinsenhof steeg met +0.4 mm per jaar (was over 2022–2023 +0.4 mm/jaar); Waalse Kerk steeg met +0.4 mm per jaar (was over 2022–2023 +0.0 mm/jaar); De Oude Kerk steeg met +0.6 mm per jaar (was over 2022–2023 +0.1 mm/jaar).
De deformatie van deze gebouwen is vergelijkbaar met de deformatie van het maaiveld in de omgeving (+0.2 mm/jaar) over dezelfde periode (Zie Figuur 28).
Monitoring 2024
- 29 -
Figuur 33 Geselecteerde meetpunten Prinsenhof, Waalse Kerk en Oude Kerk
Door de gemeente Delft worden ook waterpassingen verricht aan 10 aan de toren van de Oude Kerk aangebrachte hoogtebouten. Het resultaat van de metingen van de afgelopen jaren is weergegeven in Figuur 34. Alle hoogtebouten vertonen vanaf 2009 tot en met 2024 om en nabij hetzelfde gedrag als de TerraSAR-X metingen: tot 2019 een zakking van gemiddeld 0.4 tot 0.6 mm per jaar. Rond 2021/2022 is de kerk licht omhoog gekomen. En het afgelopen jaar is de toren van de Oude Kerk weer gezakt. verschil tov 4-1-2001 (mm)
Oude Kerk
0 -1 -2
-3 -4 b1 -5
b2
-6
b3 b4
-7
b5 -8
b6
-9
b7 b8
-10
b9
-11
b10
-12 -13 -14 -15 -16 2000 2002 2004 2006 2008 2010 2012 2014 2016 2018 2020 2022 2024 2026
Figuur 34 Metingen aan hoogtebouten aan de Oude Kerk
- 30 -
definitief
Nieuwe Kerk Binnen de omtrek van de Nieuwe Kerk zijn er 698 meetpunten. De deformatie over de periode januari 2023 tot december 2024 is gemiddeld +0.2 mm per jaar, maar dit is niet gelijkmatig verdeeld. Rond de toren is de deformatie -0.3 mm per jaar (over 2022–2023 was dit +0.1 mm/ jaar). Terwijl de deformatie van het schip van de kerk +0.4 mm per jaar was (over 2022–2023 was dit ook +0.4 mm/jaar).
Figuur 35 De Nieuwe Kerk in Delft. Enkel bij de toren wijkt de deformatie iets af van het omringende maaiveld en het schip van de kerk.
Door de Gemeente Delft worden sinds 2004 ook periodiek waterpassingen aan 14 in de kerk rond de toren aangebrachte hoogtebouten verricht. Het resultaat van deze metingen is weergegeven in Figuur 36. De aan het schip gemonteerde bouten zakken gemiddeld 0.4 mm per jaar in de afgelopen 5 jaar. De aan de toren gemonteerde bouten zakken gemiddeld 1.0 mm per jaar in de afgelopen 5 jaar. verschil t.o.v. 16-6-2004 (mm)
Nieuwe Kerk
2 1 0 -1
bout_1
-2
bout 2
-3 -4
bout 3
-5
bout 4
-6
bout 5
-7 -8
bout 6
-9
bout 7
-10
bout 8
-11 -12
bout 9
-13
bout 10
-14
bout 11
-15 -16
bout 12
-17
bout 13
-18
bout 14
-19 -20 -21 -22 2000
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2014
2016
2018
2020
2022
2024
Figuur 36 Metingen aan hoogtebouten in de Nieuwe Kerk. Bout 8 is in 2017 verdwenen.
Monitoring 2024
- 31 -
2026
6.3
Deformatie bebouwing binnen een straal van 5 km Voor de omgeving van Delft is uitgezocht welke gebouwen in de periode 2023–2024 het meest gezakt zijn. Het zakken of stijgen van gebouwen in de directe omgeving van de onttrekking is in Figuur 37 weergegeven. Alle zakkende panden zijn blauw gemarkeerd. De groene, gele en oranje panden komen omhoog. Op en rond het DSM-terrein zijn er enkele panden die tussen de 1 en 2 mm per jaar omhoogkomen.
Figuur 37 Deformatie van panden in de omgeving van de onttrekking in de periode 2023–2024.
In Figuur 38 zijn alle gebouwen opgenomen die meer dan 0.5 mm/jaar omhoog zijn gekomen. De gele panden kwamen tussen de 0.5 en 1.0 mm per jaar omhoog. Dit zijn nu (2023-2024) 2700 panden en waren 3100 panden in 2022-2023. De rode panden zijn meer dan 1.0 mm per jaar omhooggekomen. Dit aantal is ook afgenomen: van 1900 panden in 2022-2023 naar zo’n 1600 panden in 2023-2024.
Figuur 38 Gebouwen die in de periode januari 2022 tot december 2023 omhooggekomen zijn.
- 32 -
definitief
6.4
De komende jaren Voor de reductie van de grondwateronttrekking was de bodem op en rond het DSMterrein aan het zakken. Door het reduceren van de grondwateronttrekking veren de samendrukbare bodemlagen iets terug. De strategie was en is om het afbouwen zodanig stapsgewijs door te voeren dat het maaiveld en de gebouwen niet harder omhoogkomen dan het maaiveld in het verleden is gezakt. Voor de binnenstad - met veel gebouwen op staal - betekent dit maximaal 1 mm per jaar omhoog. Of op het DSM-terrein maximaal 2 mm per jaar omhoog. Het maaiveld en de daarop staande gebouwen op staal stijgen gemiddeld met zo’n -0.2 tot +0.3 mm/jaar. Dit is minder dan het maximum van 1.0 mm per jaar. Een aantal grote gebouwen op en rond het DSM-terrein komt wel iets omhoog: tussen de +0.7 en +1.6 mm/jaar. Dit is niet zorgelijk. De natuurlijke fluctuatie waarmee panden tussen de zomer en winter bewegen is van dezelfde orde van grote. Aanbevolen wordt om in de zomer van 2025 een afbouwstap door te voeren, maar ook deze gebouwen in 2025 intensief in de gaten te houden.
Monitoring 2024
- 33 -
7 7.1
Overige thema’s
Algemeen Dit hoofdstuk is in dit rapport opgenomen om een samenvatting te geven over a) de oppervlaktewaterkwaliteit, b) stabiliteit van boezemkades en c) het opdrijven van parkeergarages, kelders en tunnels. Deze drie onderwerpen worden namelijk niet jaarlijks bemeten, waardoor er in 2024 geen nieuwe monitoring op deze onderwerpen heeft plaatsgevonden. In dit hoofdstuk wordt per onderwerp wel de stand van zaken besproken.
7.2
Oppervlaktewaterkwaliteit De verwachtte effecten van de reductie van de grondwateronttrekking op de oppervlaktewaterkwaliteit zijn gering. In ‘grondwatereffecten aan de oppervlakte gebracht’ (Deltares, 2008) is uitgezocht dat in een beperkt aantal gebieden een omslag kan optreden van infiltratie naar kwel en daar dan ook de chlorideconcentratie iets zal toenemen. In dezelfde studie bleek ook dat de chlorideconcentraties in de boezem aanzienlijk meer worden beïnvloed door de lekverliezen bij de Parksluizen in Rotterdam dan door het stopzetten van de grondwateronttrekking in Delft-Noord. In de periode 2009 tot en met 2011 is t.b.v. het reduceren van de grondwateronttrekking in Delft-Noord een langjarige nulmeting uitgevoerd. Hiervoor is op een veertigtal locaties gedurende drie jaar één keer in de maand een waterkwaliteitsmonster genomen. Dit waren 34 meetpunten in polders en 6 in de boezem. Uit deze metingen bleek dat, op Plas van der Ende na, nergens continu de waterkwaliteitsnorm van 200 mg/l voor chloriden werd overschreden. Met dit inzicht en de geringe verwachte verandering in de waterkwaliteit, heeft het Hoogheemraadschap van Delfland besloten pas een volgende specifieke meetcampagne te willen starten als in de reguliere monitoring van het hoogheemraadschap afwijkingen worden gevonden.
7.3
Stabiliteit van boezemkaden Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft aangegeven dat alle waterkeringen voldoende robuust zijn om de afbouw zonder problemen te doorstaan. Om dit te kunnen blijven beoordelen is toch een monitoringsprogramma opgezet waarbij Delfland begin 2015 op 68 locaties peilbuizen in boezemkaden en regionale keringen heeft geplaatst. Deze peilbuizen zijn allemaal voorzien van telemetrie en verzenden hun metingen real time naar de afdeling keringen van het Hoogheemraadschap van Delfland. Het Hoogheemraadschap van Delfland zal de analyse op stabiliteit van de keringen zelf verzorgen. Met het Hoogheemraadschap van Delfland is afgesproken dat deze analyse en ook de monitoringsgegevens van deze 68 peilbuizen voor de Gemeente Delft beschikbaar zijn. Deze metingen worden door de gemeente gebruikt.