CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport_slavernijverleden_van_Delft.pdf

Commissie Economie, Financiën en Bestuur 3 oktober 2023, gemeente Delft51.246 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

Aan de vrije christenvrouw Johanna Breugel, vermoedelijk zijn bijzit, vermaakte hij een huis en erf met een tuintje en vier stenen ‘pedakken’ of huisjes. Daar woonden waarschijnlijk de slaafgemaakten die hij haar ook vermaakte: Iremat van Timor, Ontong van Nias, Batjo van Soembawa met zijn vrouw Alima van Timor en Flora van Bali.253 Vrijheid in gebondenheid Hermanus de Roo, een oud-pupil van de Fundatie van Renswoude, werkte als landmeter in Batavia. In 1791 bepaalde hij in zijn testament dat Augustus van Neas en zijn vrouw Delphia van Boegis en hun kinderen, Koenam van Boegis en haar man Mada van Boegis en hun kinderen en Calistra van Batavia na zijn overlijden ‘hun eijgen lijfheer’ mochten zoeken. Die moest wel voor hen betalen, maar de prijs mocht best iets lager zijn dan waarvoor hij hen had gekocht.254 Gijsbert Jacob Welgevaren (1730-1793), secretaris van de Raad van Justitie, bepaalde iets soortgelijks: zijn slaafgemaakten gaf hij tot veertien dagen na zijn overlijden ‘de vrijheid om een lijfheer of lijfvrouw naar haar vrij keuse’ te zoeken. Dat was misschien ook de reden dat hij expliciet verbood dat zij na zijn overlijden werden opgesloten, zoals gebruikelijk was om weglopen te voorkomen. Welgevaren wilde dat ze in zijn huis en op zijn landgoed Werk en Rust konden blijven wonen.

Ook moesten zij worden behandeld ‘met alle mogelijke zagtzinnigheid’, onder leiding van de ‘kapiteins van de inlanders’ Castor van Boegis en Geduld van Boegis. Welgevaren had ook in andere opzichten een goede verstandhouding met zijn personeel. De executeurs-testamentair hoefden van hem geen boedelinventaris op te stellen, want alles stond in zijn grootboek en verder konden zij volkomen geloof schenken aan de getuigenis van Castor, diens vrouw Clarinda van Gorontalo, Balanda van Batavia en Gonio van Batavia. Zij en andere vrije personen kregen legaten van minimaal 50 rijksdaalders, Castor zelfs 500 rijksdaalders. Sommigen kregen ook één of meer slaafgemaakten, maar die moesten drie jaar na zijn overlijden alsnog worden vrijgelaten, op kosten van zijn nalatenschap. Alle slaafgemaakten, groot en klein, kregen 2½ rijksdaalder.255 5.2 West Ongeveer 600.000 Afrikanen werden door de WIC en particuliere slavenhandelaren verscheept naar de koloniën en handelsknooppunten via de trans-Atlantische route. Ca. 75.000 van hen overleefden de oversteek niet. De trans-Atlantische slavenhandel was bovenal opgezet om arbeidskrachten voor plantages te ronselen. Delftenaren kwamen voor in alle schakels van deze keten, in hoge en in lage functies. Zij werden weliswaar aangestuurd vanuit de Republiek, maar voerden pragmatisch vaak zelf het gezag in de koloniën.

Door geografisch de route van de trans-Atlantische slavenhandel langs te gaan, geven we een aantal voorbeelden van plekken waar slaafgemaakten en Delftenaren elkaar in 48

levenden lijve tegenkwamen. Het biedt heel soms de mogelijkheid om het perspectief van de individuele slaafgemaakten voor het voetlicht te halen. Dat lukt helaas maar minimaal. Nog minder dan uit het VOC-gebied kennen we de mensen bij hun naam; als ontmenselijkte vracht werd vaak alleen het aantal ‘koppen’ genoteerd dat verkocht en vervoerd werd. Afrika Naamloos was het leven van de Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen natuurlijk niet begonnen. Net zomin als dat zij zich allemaal als ‘Afrikaan’ identificeerden, dat was slechts het continent waar zij geboren waren. De gevangen genomen en tot slaafgemaakte Afrikanen waren afkomstig uit een enorm groot achterland, soms duizenden kilometers van de kust vandaan uit verschillende Afrikaanse landen en culturen. Lokale en regionale leiders dreven hen naar de kust om te verkopen voor handelswaren die Europese handelaars aanboden: textiel, wapens, drank. Over de slavenhandel in Afrika en over het transport naar de kust is weinig gepubliceerd, maar aangenomen wordt dat voordat de slaafgemaakten werden ingescheept al zo’n 300.000 slachtoffers waren gevallen.256 Van de door Nederlandse handelaren verkochte slaafgemaakten is niet altijd bekend waar zij vandaan kwamen, wel waar zij gekocht en ingescheept werden.

Dat begon in de jaren 1630 op de Goudkust (nu Ghana) waarna de handel zich uitbreidde over vrijwel de gehele westkust van Afrika, van Gorée in het noorden tot Luanda in het zuiden.257 De belangrijkste kustlocaties waren daarbij, in volgorde van omvang van de handel: - Centraal-West-Afrika (tussen Kameroen en Angola) - Slavenkust (tussen de Volta in Ghana en het Kanaal van Lagos in Nigeria) - Goudkust (Ghana) - Sierra Leone, Liberia en Ivoorkust - Bocht van Biafra, m.n. Calabar (Nigeria) - Senegal, Gambia, eiland Gorée Aan deze kusten werden de slaafgemaakten opgesloten in zogenoemde slavenforten of andere gevangenisonderkomens, wachtend op een onzeker lot. Kapiteins die slaafgemaakten kwamen halen, voeren langs de kust. Zij hadden cargazoen (handelswaar) bij zich om de slaafgemaakten mee aan te schaffen en geschenken om de verkopers te paaien. Lang niet overal waren goede havens langs de kust. Verkopers kwamen met kano’s naar de schepen toe, waar werd onderhandeld over de ruilwaarde van de goederen en de te leveren slaafgemaakten. Voor die tijd waren de slaafgemaakten ‘gewasschen, gewreven, gesmeerd, geschoren’, werden grijze haren verwijderd en kregen zij een flinke maaltijd opdat ze er zo fit mogelijk uitzagen. Was een deal beklonken dan werden de slaafgemaakten uit hun kerkers gehaald en geboeid aan boord gebracht.

Een brandmerk van de aankopende firma of compagnie op de rechterbovenarm maakte de ontmenselijking compleet.258 Bewakers, roeiers, brandmerkers, soldaten en alle andere personeel langs de kust kregen hun aanwijzingen vanuit fort Elmina (ook wel fort George). De WIC had dit goed verdedigde fort in 1637 op de Portugezen veroverd. Elmina bleef tot 1871 in Nederlandse handen, totdat de slavernij was afgeschaft.259 Op deze voor de slavenhandel strategisch belangrijke plek zat het hoogste gezag namens de WIC met de directeur-generaal als de machtigste van allemaal. Een Raad met een aantal hoge functionarissen adviseerde hem en de Heren XIX (vanaf 1674 Heren X) gaven instructies, maar die instructies kwamen met grote vertraging via brieven uit de Republiek. Zij vertrouwden deze functie dan ook het liefst toe aan iemand die zijn waarde voor de compagnie bewezen had.260 Aan het begin van de achttiende eeuw maakten minstens drie Delftenaren deel uit van deze machtige Raad in Elmina. Johan Dirk Ingelbij verbleef van 1699 tot 1702 op de kust van Guinea in dienst van de WIC en was hier in ieder geval vanaf 1709 weer, toen als opperkoopman in Elmina, de tweede man na de directeur-generaal.261 Hij was een zoon van luitenant-kolonel Willem Ingelbij en Cathalina van der Dussen; het echtpaar woonde in ieder geval vanaf 1680 in Delft – vanaf zeker moment aan de Oude 49

Langendijk.262 Johan Dirk nam vanuit Delft zijn broer Simon Anthonij mee naar Afrika, waar hij als ondercommies (administratieve medewerker) aan de slag ging. Tot in 1711, toen beide broers in Elmina stierven. Hun bezittingen vloeiden naar Delft, waar moeder Cathalina van der Dussen tot aan haar dood in 1740 aan de Oude Langendijk bleef wonen.263 In Elmina stonden de broers van 1709 tot 1711 onder supervisie van directeur-generaal Adrianus Schoonheijd, wiens familie net in deze jaren naar Delft verhuisde.264 Als hoogste baas correspondeerde Schoonheijd met de Heren X, waardoor we een zeer bescheiden glimp kunnen opvangen van zijn omgang met de slaafgemaakten op zijn post. De Heren X hamerden vooral op zuinigheid en op een nauwkeurige boekhouding van handelswaar die binnenkwam en retour werd gestuurd. Schoonheijd liet weten dat hij ‘jonge slaven het roejen op de canoos laat leeren’ om daarmee gage voor de roeiers uit te sparen.265 Dat betekende feitelijk dus dat slaafgemaakten onder meer andere slaafgemaakten naar hun koper moesten brengen. Het cynisme hiervan werd niet gezien of in ieder geval niet benoemd. De Heren X waren enthousiast. Minder te spreken waren ze over het gerucht dat ze hadden gehoord dat er schepen met slechts ‘500 koppen slaven’ werden uitgezonden.

Schoonheijd moest ervoor zorgen dat er meer aanvoer kwam en daartoe iemand aannemen om ‘so veele slaven’ als mogelijk te kopen. Alles opdat de compagnie met meer slaafgemaakten meer winst zou maken. Zover bekend deed Schoonheijd zijn werk zoals van hem verwacht werd. In 1711 overleed hij in Elmina, ongehuwd en zonder kinderen.266 Zijn vader, broer en zus in Delft erfden zijn bezittingen.267 Kort daarna kochten zij het riante huis Swanenburg, nu Oude Langendijk 23.268 Brazilië De verovering van delen van Brazilië in de periode van 1630 tot 1654 was voor de Republiek het grote omslagpunt om slavenhandel systematisch op te zetten. De WIC had suikerplantages veroverd en had daar werkkrachten voor nodig. Delftenaar Adriaan Jacobsz van der Dussen, die eerst op Banda had huisgehouden, adviseerde in Brazilië over het uitbouwen van de plantagekolonie (zie ook 1.4 en 1.6). Hij rapporteerde in 1640 over zijn bevindingen met Afrikaanse werkkrachten, waardoor we een glimp opvangen van het verzet dat slaafgemaakten leverden. Van der Dussen raadde de bewindhebbers in de Republiek af om Afrikanen van de kuststrook bij Nigeria te kopen: ‘Sij verheffen sich tegen die haer commanderen ende loopen veel in ’t bosch ende doen veel quaets, sij sijn stout ende onversaecht niemand ontsiende.’ Kaapverdië en Sierra Leone waren ook geen optie, want hij vond de mensen daar ‘niet soo arbeijtsaem’.

Van der Dussen raadde aan slaafgemaakten te kopen in Kongo.269 Kort daarna opende de WIC de aanval op het door Portugezen opgezette slavenstation Luanda (Angola), waardoor van 1641 tot 1648 de gewenste aanvoer van slaafgemaakten uit Kongo een stuk eenvoudiger was. Slavenvaart Delftenaren deden van begin af aan mee aan de slavenvaart van de Afrikaanse westkust naar de koloniën, soms met een trots naar de stad vernoemd schip. Het Wapen van Delft maakte onder leiding van schipper Simon Dirckx den Danser uit Delfshaven in 1640 en 1641 twee reizen waarbij slaafgemaakten werden verscheept naar Brazilië. Een groep van 244 mannen, vrouwen en kinderen uit Guinea, Ardra en Calabria kwam in 1640 levend aan in Pernambuco. Toen zij in Afrika aan boord gebracht werden, waren zij nog met 272 mensen geweest; onderweg waren 28 slaafgemaakten gestorven. Eenmaal in Brazilië werden 221 van hen in groepjes van meestal tien aan de hoogste bieders verkocht, in totaal voor een bedrag van 98.124 gulden. De namen van de kopers – voornamelijk Spaanse en Portugese handelaren – en de bedragen zijn tot in detail vermeld. De slaafgemaakten werden slechts opgeteld: ‘221 negros’ verkocht, de rest kon gebruikt worden ‘ten dienste van de compagnie’.270 Een jaar later nam dezelfde schipper 367 slaafgemaakten in hetzelfde schip mee.

Het ruim zal niet opeens groter zijn geweest, dus willens en wetens nam hij een groot risico door bijna honderd 50

mensen extra in het Wapen van Delft te stouwen. Liefst 52 van de slaafgemaakten overleefden de 89 dagen durende oversteek dan ook niet.271 Zo’n hoog sterftecijfer was overigens niet uitzonderlijk. Besmettelijke ziekten hadden vrij spel bij een dicht opeengepakte massa mensen in het ruim van een schip. De erbarmelijke omstandigheden aan boord van de slavenschepen waren bekend, ook bij tijdgenoten. Vrijwel altijd voer een chirurgijn mee om de mannen en vrouwen zoveel mogelijk op de been te houden. Dat dit alleen uit economisch oogpunt werd gedaan staat vast. Aan het eind van de achttiende eeuw schreef de Delftse bewindhebber Maximiliaan van ’sGravesande over de afschaffing van de slavernij (zie hierover 6.2). Hij zag niets in afschaffing, maar iets meer menselijkheid was volgens hem wel nodig bij de overtocht. Om het ‘lot der slaven te versagten’ stelde hij daarom drie verbeterpunten op. Ten eerste iemand toezicht laten houden op de schepen en ten tweede de families op zee en bij de verkoop ‘bij elkander te houden’. Dat vaders, moeders en kinderen op wrede wijze uiteengerukt werden was dus overbekend.

Vermoedelijk verwachtte Van ’s-Gravesande zelf het meeste heil van zijn derde punt: de plantagedirecteuren zelf laten betalen voor de behandeling van hun slaafgemaakten onderweg.272 Zij voelden het immers in hun portemonnee als er veel slachtoffers vielen of als de slaafgemaakten slecht behandeld werden. Dat er ook nog een optie was om slavernij helemaal af te schaffen, ging er bij Van ’s-Gravesande niet in. Curaçao Het in 1634 op de Spanjaarden veroverde Curaçao werd vanaf het midden van de zeventiende eeuw tot het begin van de achttiende eeuw door de WIC en door particuliere handelaren gebruikt om slaafgemaakte Afrikanen te verhandelen, en diende als overslagplek voor Caribische en ZuidAmerikaanse producten. Delftse WIC-bewindhebbers stelden in 1659 met schipper Jan Backer van de Eendracht een bevrachtingsovereenkomst op. Tot in detail spraken ze af wat de schipper betaalde, wat hij moest regelen en wat de bewindhebbers voor hun rekening namen. Maar wat hij ging doen, werd enigszins vaag omschreven. Was dat uit schaamte of uit onverschilligheid? Backer moest eerst naar fort Elmina varen en daar zijn koopmanschappen lossen. Vervolgens moest hij naar Curaçao om zijn ‘ingenomen goederen te ontladen’ en daar weer nieuwe waren en koopmanschappen inladen om naar Delfshaven te brengen. Uit niets in deze schriftelijke bronnen blijkt dat er in mensen gehandeld werd.

Toch bestond de ‘waar’ die Backer in Afrika inlaadde uit 388 slaafgemaakten, meegenomen uit Ardra. Zij hadden een meer dan gemiddeld zware reis voor de boeg. Van deze mannen en vrouwen leefden er nog maar 291 toen zij op Curaçao het schip verlieten.273 Jacobus van Oosterwijck, afkomstig uit Delft, kwam in 1695 in dienst van het schip De Gerechtigheijt om als ‘commissaris over den slavenhandel’ op Curaçao te werken, een van de hoogste functies naast die van gouverneur. Zijn werk draaide om grote sommen geld, maar zonder dat er veel contant geld aan te pas kwam. Slaafgemaakten werden met plantageproducten of met wisselbrieven betaald, voor gemiddeld zo’n 200 à 300 gulden per persoon. Van Oosterwijck zou het werk overigens niet uitvoeren, kort na aankomst op Curaçao overleed hij.274 De WIC stuurde vermoedelijk snel een vervanger, want juist de doorvoerhandel was hier groot – in deze periode zeker ook voor andere mogendheden.275 Slechts een deel van de uit Afrika aangevoerde slaafgemaakten bleef op Curaçao. Zij werkten onder meer in de haven waar ze moesten helpen met het in- en uitladen van de schepen. Vergeleken met plantagekoloniën in Suriname en Guyana werden relatief veel slaafgemaakten ingezet voor huishoudelijk werk, als ambachtslieden en om zwaar werk te doen in de bouw.

Overigens had Curaçao ook ruim honderd plantages (zoutwinning, veehouderij) waar mannen en vrouwen op het land te werk werden gesteld.276 Van Oosterwijck kwam voor zijn koloniale oversteek uit Delft, Isaak Johannes Rammelman Elsevier ging juist na zijn koloniale werkzaamheden naar Delft toe. Hij was als veertienjarige op Curaçao terechtgekomen, waar zijn vader een hoge functie had. Rammelman Elsevier trad in de voetsporen van zijn vader, vervulde diverse overheidsfuncties en was van 1848 tot 1854 gouverneur. Eenmaal terug in Nederland schreef hij vanuit Delft een ingezonden brief naar onder meer het Algemeen Handelsblad om iedereen te danken voor alles wat 38 jaar lang overheidsfuncties op zijn geliefde Curaçao hem hadden gebracht. Met als slotzin: ‘Vaarwel Curaçao! Mijn hart zal steeds 51

kloppen voor uw geluk.’277 Dat geluk was overigens nog niet weggelegd voor Martis Anthonij (54 jaar), Fanny (43), Lourencia Isabella Elodie (33), Martien (31), Carlo Psidore (30), Gijsbert François (25), Lucia Gijsbertha (16), Felix Constantijn (13), Poan Riné (13), Edgar Alphonso Amen (11) en Telemachus Virgilius (10). Deze grotendeels aan elkaar verwante familie van slaafgemaakten had Rammelman Elsevier ook na zijn vertrek naar Delft nog in bezit. Pas bij de afschaffing in 1863 deed hij daar definitief afstand van (zie 6.4).278 Plantages De plantageslavernij nam in deze regio nog grotere vormen aan vanaf het derde kwart van de zeventiende eeuw, voornamelijk in Suriname en Guyana (Berbice, Demerary, Essequebo). Nederlandse kolonisten roken geld en stichtten in de loop der jaren honderden suiker-, koffie-, cacaoen tabakplantages, meestal langs de rivier steeds verder het binnenland in. Al snel was duidelijk dat het plan om Inheemsen gedwongen arbeid te laten verrichten – voor de kolonisten – te weinig opbracht. De mensen konden het zware werk niet aan, ze waren niet bestand tegen de ziekten die Europeanen met zich meebrachten en ze vluchtten zodra dit maar even mogelijk was het achterland in van waaruit ze verzet pleegden tegen de kolonisten. Een continue aanvoer van Afrikaanse arbeidskrachten werd gerealiseerd om de plantages te laten bewerken en toch winstgevend te maken.

Het werk was loodzwaar, en de behandeling was inhumaan en ongekend wreed. Wie het standaardwerk Wij slaven van Suriname (Amsterdam 1934) van Anton de Kom alleen maar openslaat, komen de gruwelijkheden al tegemoet. Eigenaren van de plantages zaten zelf vaak in de Republiek, zij lieten het dagelijkse werk op de plantages over aan een plantagedirecteur en het door hem aangesteld personeel. Het zal niet verrassen dat ook hier Delftenaren opdoken: als plantage-eigenaar, als directeur, als aandeelhouder of als kleine belegger. Ook hier zijn weer weinig individuele slaafgemaakten met een link naar Delft terug te vinden. Een bescheiden uitzondering was de man ‘Delft’. Hij stond in de Surinaamse slavenregisters in 1848 vermeld bij koffieplantage Monnikendam aan de Cotticarivier. Drie jaar later stond zijn naam weer op de lijst, maar nu met de opmerking erachter dat de eigenaar geen hoofdgeld (belasting) hoefde te betalen. Delft was weggelopen.279 In de tabel zijn alle tot nu toe bekende connecties tussen Delftenaren en plantages vastgelegd. Compleet is dit overzicht zeker niet, wel geeft het een goede eerste indruk van de manier waarop Delftenaren verbonden waren aan en van invloed waren op het koloniale plantagesysteem. Nader onderzoek kan veel meer relaties blootleggen, net als er ingezoomd zou kunnen worden op de verschillende plantages.

Wie werkten daar precies, wat deden ze daar en hoe was de relatie van Delftenaren daarmee? In archieven en online zijn er vele initiatieven waar de naamloze massa op de plantages weer een naam krijgt. Voor dit onderdeel van het rapport beperken we ons tot drie voorbeelden die een glimp werpen op het leven van slaafgemaakten – in relatie tot Delftenaren – op verschillende plantages: Berg en Dal (Suriname), Kocqsdam/Koksburgh/Kokswoud (Suriname) en Velserhoofd (Demerary).

Plantages die (voor een deel) in bezit waren van Delftenaren280 Berbice De Vriendschap

Justus Gerardus Swaving

Demerary Alliance Met en Meerzorg Phoenix Mirakka Velserhoofd

Christoffel Johan Hecke, Susanna Sara Dier Christoffel Johan Hecke, Susanna Sara Dier Paulus van Schuijlenburg Paulus van Schuijlenburg Maximiliaan Anna van ’s-Gravesande Guicherit 52

Suriname De Akkerboom Bellasoir Berg en Dal Claarenbeek Driesveld Duringe De Goudmijn ‘t IJland Jurke Ibo (?) Kocqsdam/ Clifford Kockshoven Koksburgh/ Mon Souci Kokswoud Kortevreugd en Kleinhoven Lunenburg Marienburg Moeite en Zorg Monbijoux Nieuw Roosbeek Nimmerdor De Ostage La Prosperité Rees en Crop Roosenburg De Schassenburg Schepmoed Sorghvliet/Zorgvliet Visserszorg De Vrede Welgedacht

Rachel Overgaauw Gerrit Hoogwaart Hendrik Temmingh Gerrit Cornelisz van Riebeeck Gerrit Harmijer Alida van der Net Antonia Dutrij van Haeften Rhijnvisa Mathilda Elisabeth Catharina Feith Catharina Theunis Verhoeff Pieter Hendriksz Clifford Kocq Pieter Hendriksz Clifford Kocq Pieter Hendriksz Clifford Kocq Rachel Overgaauw, Reijer van den Bosch Rachel Overgaauw, Reijer van den Bosch Rachel Overgaauw, Reijer van den Bosch Johanna Bleeker Alida van der Net, Gerrit Hoogwaart Gerrit Cornelisz van Riebeeck Gerrit Cornelisz van Riebeeck Antonia Dutrij van Haeften Gerrit Cornelisz van Riebeeck Johanna Bleeker Alida van der Net, Gerrit Hoogwaart Antonia Dutrij van Haeften Johan Willem Bertrand Jacobus Johannes Phaff Gerrit Cornelisz van Riebeeck Johan Willem Bertrand Rachel Overgaauw, Reijer van den Bosch

De hoogste in rang in Suriname was de gouverneur-generaal, aangesteld door de Sociëteit van Suriname. Vanaf 1722 was dat Hendrik Temmingh (ca. 1680-1728). Deze voormalige kapitein reisde met zijn vrouw en dochter vanuit Delft naar Paramaribo. Hij was gehuwd met de Delftse Machteld van Wouw, samen hadden zij een dochter: Catharina Eleonora.281 Temmingh belastte veertigraad en schepen van de stad Jacob van Wouw, verwant aan zijn echtgenote, met de zorg voor zijn woning aan de noordzijde van de Binnenwatersloot.282 Temmingh zou van 1722 tot 1727 gouverneur van Suriname blijven. Bij aankomst liet hij meteen aan de Sociëteit weten dat fort Zeelandia hoognodig versterkt moest worden. Zoals het er nu bijlag was het de naam fort nauwelijks waardig, het kon hoogstens een aanval van Inheemsen, ‘Indianen’, weerstaan.283 Uit de brieven die Temmingh naar de Republiek stuurde kan worden opgemaakt hoe hij zijn stempel drukte op het wel en wee van de plantage-economie in Suriname. Voor zichzelf schafte hij in totaal 5000 akkers bij de Parnassusberg aan, de suikerplantage Berg en Dal. Winstgevendheid stond ook voor hem voorop. Een van de laatste besluiten die Temmingh in 1727 nam, was dat slaafgemaakten voortaan strenger gestraft konden worden dan witte kolonisten voor eenzelfde vergrijp.284

53

Kort na aankomst in Suriname was Machteld van Wouw overleden en hertrouwde Temmingh met de voor Catharina meegereisde gouvernante Charlotta Elisabeth van Lith. Zij kregen samen nog een dochter, waarna Temmingh in 1728 overleed. De twee dochters erfden de helft van zijn plantage Berg en Dal, Catharina Eleonora ontving ook het huis aan de Binnenwatersloot. Zij reisde naar familie in Den Haag in het bijzijn van een ‘negerin’ die gratis meereisde en wier naam niet werd genoemd.285 Haar voogden verkochten het pand in Delft. Voor korte tijd keerde Catharina Eleonora daarna terug naar Suriname als echtgenote van Jacob Alexander Henry de Cheusses, van december 1734 tot zijn dood in januari 1735 gouverneur van de kolonie. Dit was overigens de opvolger en de broer van de vorige gouverneur Charles Emile Henry de Cheusses, met wie haar stiefmoeder Charlotta Elisabeth van der Lith hertrouwd was geweest.286 Er zijn geen plantages bekend met de naam ‘Delft’ of een verbastering daarvan. Wel kende Suriname drie plantages Kocqsdam, Koksburgh en Kokswoud – alle met een directe link naar de Delftse WICbewindhebber Pieter Hendriksz Clifford Kocq (1716-1789).287 Pieter groeide op in Suriname, waar hij van 1736 tot 1744 voor de Sociëteit van Suriname werkte als ‘ontvanger van oude slaafschulden’. Zoals vermeld betaalden plantage-eigenaren voor slaafgemaakten met de door hen uitgevoerde producten.

Toen in 1736 de suikermarkt inzakte, liepen de schulden snel op. Toen Pieter in 1744 een deel van de koffieplantage Kokswoud (aan de Pericakreek) van zijn vader erfde, ging hij als eigenaardirecteur aan de slag. Nog datzelfde jaar kocht hij 500 akkers land van de suikerplantage Koksburgh (later Mon Souci) aan de Boven-Commewijne, waar later onder meer ook koffie en bananen werden verbouwd. In 1746 viel hem bij loting nog de helft van de plantage Kocqsdam toe (later CliffordKockshoven), een koffieplantage aan de Warappakreek. Uit verschillende jaren zijn er cijfers bekend over de aantallen slaafgemaakten die de drie plantages moesten bewerken: 61 op Kokswoud (1744), 83 op Koksburgh (1765) en 59/144 op Kocqsdam (1750/1773). Clifford Kocq verhuisde in 1749 naar Delft en keerde zover bekend niet meer terug naar Suriname. Dat was gebruikelijk, zeker in de achttiende eeuw toen plantages vaker verhypotheekt waren en in vele kleine obligaties als anonieme waardepapieren golden. De dagelijkse leiding op de plantages werd aan anderen overgelaten. Er was zelfs een term voor: absenteïsme. Van een van de opvolgende eigenaren van de in deze familie vererfde plantage Clifford Kocqshoven weten we dat hij juist wel naar Suriname ging.

Gaspard Philippe Charles van Breugel (1798-1888), een kleinzoon van Pieter Hendriksz Clifford Kocq, reisde in 1824 door Suriname om deze plantage en de plantage Schoonwoud te bezoeken. Van Breugel ging zelf op inspectie en nam een aantal souvenirs mee naar huis. Hij liet zes kotomisi-poppen maken met Surinaamse klederdracht, bedoeld voor zijn dochter en nichtjes.288 Naar verluidt adviseerde Van Breugel eenmaal weer in Haarlem zijn familie de aandelen zo snel mogelijk te verkopen. Of dat uit schaamte voor de slavernij was, is niet bekend. Hij vond in ieder geval niet direct gehoor. Clifford Kocqshoven ging in 1840 over naar een Amsterdamse koopman.289 De in Delft opgegroeide kinderen Jeanne Theodore Guillelmine Guicherit en Maximiliaan Anne van ’sGravesande Guicherit erfden van hun vader in 1799 beiden een deel van de koffieplantage Velserhoofd in Demerary. In de papieren die daarbij hoorden, zaten afschriften uit de jaren 1770. Hun vader had een eenvoudige administratie bijgehouden waarin hij de gegevens over zijn slaafgemaakten uit 1771 en 1778 met elkaar vergeleek. Dat is enerzijds een kille opsomming van namen, maar toont anderzijds dat deze plantage-eigenaar in ieder geval maar matig op de hoogte was van wie er zoal op zijn plantage aan het werk was. De jongens Tromp en Tonie ‘werden niet gevonden’, evenmin als de meisjes Claertie, Saertie en Elisabeth.

Bij nader inzien bleken Claertie en Saertie er toch te zijn, alleen waren dat inmiddels vrouwen en stonden ze dus op een ander lijstje. Elisabeth was echt weg, die ‘vind sig niet’. Van de 57 mannen waren er in 1771 al ‘4 slaven sonder verlof absent’, en in 1778 misten er zelfs nog eens 19. Het is mogelijk dat er veel sterfte had plaatsgevonden, maar dat zou vermoedelijk wel als zodanig vermeld zijn. De kans is groot dat door 54

het blijkbaar gebrekkige toezicht verschillende slaafgemaakten het heft in eigen handen hadden genomen en van de plantage waren weggevlucht, hun vrijheid tegemoet.290 Dat de plantage hoe dan ook geen solide belegging meer was, merkte de voogd van de kinderen in 1806 op. Zij zouden – net als hun broers en zussen – ieder jaar 500 gulden ontvangen uit de winsten van de plantage om hun opleiding te betalen. Al direct na het aanvaarden van de erfenis bleek dat er een flinke hypotheek op de plantage zat. De voogden moesten geld voorschieten om de belofte waar te maken.291 Eenmaal volwassen verkochten Maximiliaan Anne van ’s-Gravesande Guicherit (inmiddels gemeenteraadslid in Delft) en Jeanne Theodore Guillelmine Guicherit hun aandeel. De plantage bracht voor alle broers en zussen samen in 1827 de niet onaanzienlijke som van 180.000 gulden op. Dat was inclusief 35 slaafgemaakten. Omdat de betaling over tien jaar werd uitgespreid, hielden de verkopers het recht op de grond en de slaafgemaakten. Wel vermeldden ze erbij dat als een van de slaafgemaakten overleed deze ‘niet door anderen zullen behoeven te worden vervangen’.292 5.3 Zwarte mensen en mensen van kleur in Delft Het verhaal over slavernij en slaafgemaakten speelt zich grotendeels ver buiten de landsgrenzen af. Dat doet vermoeden dat Delft in de zeventiende en achttiende eeuw een volledig ‘witte’ stad was.

Maar was dat ook zo? We kennen in Delft in ieder geval het verhaal van de Ashanti-prins Aquasi Boachi (1827-1904) en zijn neef Quamin Poco. Aquasi werd op tienjarige leeftijd uit Ghana samen met Quamin naar Delft verscheept als onderpand voor een deal tussen hun vader en koning Willem I. Aquasi verbleef in Delft op kostschool, studeerde aan de Koninklijke Akademie en kwam uiteindelijk op een plantage in Nederlands-Indië terecht waar hij vanwege zijn afkomst niet echt carrière kon maken. Quamin keerde terug naar Ghana.293 De Ashanti-prinsen waren een uitzondering. Toch is uit eerder onderzoek bekend dat zeker vanaf de zeventiende eeuw bijvoorbeeld in Utrecht en Amsterdam vrij en onvrije Afrikanen en Aziaten en mensen van gemengde afkomst woonden. Uit de koloniën kwamen met enige regelmaat slaafgemaakten naar de Republiek.294 Door met dat uitgangspunt de archiefbronnen te benaderen, hebben we kunnen achterhalen dat dat ook gold voor Delft. Een enkele keer was het een vrijgelaten slaafgemaakte die een eigen bestaan opbouwde. Vaker waren het tot slaafgemaakten die met hun repatriërende eigenaar uit de koloniën mee naar Delft kwamen. Als zij voet op Nederlandse bodem zetten, verkregen zij in principe de vrijheid. In de Republiek bestond immers geen slavernij.

Maar dan moest degene die in slavernij werd gehouden wel op de hoogte zijn van de wetgeving hier en de mogelijkheid hebben om die vrijheid op te eisen. Uit de gevonden voorbeelden blijkt dat lang niet iedereen die kans kon benutten. Van een enkeling is zijn of haar vrijheid wel expliciet benoemd. Zo’n jongen is Jan van Angola. Hij was ongeveer acht jaar oud toen hij op kerstavond 1655 aan de regenten van het Weeshuis op de Oude Delft 57 werd overgedragen. De naam van de jongen vertelt iets over zijn geboorteplek. Toen een Portugese zeemacht in 1648 de aanval had geopend op het in 1641 door de Nederlanders ingenomen slavenstation Luanda (Angola) werden zijn ouders gedood. Hun namen staan niet vermeld. Het is daarom niet met zekerheid te zeggen of zijn ouders slaafgemaakten waren die klaarstonden om naar Brazilië verscheept te worden of dat hij de zoon was van een WIC-medewerker en een slaafgemaakte vrouw. Het jongetje werd in ieder geval als weeskind meegenomen naar Recife in Brazilië en werd daar door de diaconie onderhouden. Daar zal hij ook gedoopt zijn en dus als christen verder door het leven zijn gegaan. Toen ook Recife in 1654 door de Portugezen heroverd werd, kwam de jongen mee naar de Republiek. De Delftse dokter Jacob Thierens – die enkele jaren in Recife werkte – regelde vervolgens dat hij, na betaling van 280 gulden, in het Weeshuis een plek kreeg.

Na tien jaar verliet Jan van Angola het Weeshuis om met het schip Dordrecht voor de VOC uit te varen. De Weeshuisregenten noteerden bij die mededeling: ‘is vrij man geworden’.295 Repatriërende Delftenaren namen soms slaafgemaakten mee naar de Republiek als ze daar toestemming voor hadden weten te krijgen en de middelen hadden om ervoor te betalen, zoals Aletta de Block, weduwe van Johan Focanus. Hij was militair geweest in Indië en overleed in 1711 op 55

weg naar huis. Aletta reisde door naar Nederland en vestigde zich aan de Wijnhaven in Delft (nu nummer 11/12) met haar minderjarige zoon Pieter.296 Uit de boedelinventaris van Focanus, die notaris Willem Vlaardingerwoud in 1712 opmaakte, blijkt dat het echtpaar in Batavia drie ‘manslaven’ had achtergelaten: Hannibal van Boegis, Ary van Boegis en Baeytje van Baly. Zij zouden niet bijdragen aan de waarde van de boedel, want zij waren naar verluidt weggelopen.297 Maar Aletta had ook iemand meegenomen naar Delft. Dat blijkt uit het testament dat zij in 1719 maakte. Daarin beval zij haar executeurs testamentair om het rendement op een obligatie van 3000 gulden te gebruiken voor het onderhoud van de ‘swarte meyd dewelke sij vrouwe testateur uijt India [Indië] heeft mede gebragt’.298 Dat de ‘swarte meyd’ niet bij name werd genoemd, was geen uitzondering. In 1712 arriveerden in Amsterdam Willem en Joan Carel, zoons van de in Batavia overleden Delftenaar Willem de Roo (1662-1712). Willems broer Ottho haalde hen op en droeg zorg voor hun opvoeding in Nederland. Hij declareerde de kosten bij de Weeskamer in Delft, waar de boedel werd beheerd. Hij overlegde onder meer een rekening van onkosten tijdens de overtocht van Batavia naar Amsterdam.

Daarop staan 8 rijksdaalders schadevergoeding aan de schipper voor iets dat was gebroken door ‘den slaav Gomban’ en 68 rijksdaalders ‘voor ’t transport van den slaav Gonbang’ naar Nederland. Vermoedelijk was hij genoemd naar de plaats Gombong op Midden-Java, ten zuidoosten van Jogjakarta. Opvallend is dat Ottho de Roo hem in zijn declaraties nooit bij naam noemt, maar steevast spreekt van ‘de swarte jongen’. Hij schafte bijvoorbeeld twee paar schoenen en twee paar muilen aan voor ‘de kinderen’ en één paar schoenen voor ‘de swarte jongen’. Op 1 januari 1713 gaf hij de dienstmeid en de ‘swarte jonge’ elk 6 gulden nieuwjaarsgeld, een paar weken later liet hij vier hemden voor hem maken en op 5 maart betaalde hij zijn schoolgeld. De administratie loopt nog tien jaar door, maar ‘de swarte jongen’ wordt er niet meer in vermeld. Hij lijkt ook niet (of niet meer) in dienst te zijn van de zoons van De Roo. Dat mogen we wel afleiden uit een brief van George d’Aquet, secretaris van de Weeskamer, van 27 december 1713. Willem en Joan Carel de Roo hebben via hun oom Ottho gevraagd om op kosten van de boedel een knecht te mogen aannemen.

D’Aquet voelde daar niets voor en de weesmeesters waren het met hem eens ‘dat sulx niet nut voor die kinderen soude sijn, en dat men denselven nu in Holland na de rijkborgerlijke en niet na de Oostindische manieren moet opvoeden’.299 Er zijn pijnlijke voorbeelden van mensen die bij repatriëring slaafgemaakten meenamen, mogelijk als bedienden aan boord, maar hen bij aankomst onmiddellijk terugstuurden om ervoor te zorgen dat zij geen aanspraak konden maken op vrijheid in de Republiek. De boedel van Jan van Landschot, afkomstig uit Middelburg en in 1734 in Batavia overleden, werd beheerd door de Weeskamer te Delft. Zijn zoons Jan en Nicolaas waren hier namelijk in de kost en kregen hier onderwijs. Zijn dochters arriveerden in 1735 met twee ‘slavinnen’, Dafne en Hagar. De Weeskamer zorgde ervoor dat ze op 3 augustus met schipper Abraham Renoeij weer vertrokken, en betaalde in totaal 92 gulden aan kosten vanaf hun aankomst tot en met hun verblijf op Kaap de Goede Hoop. Wat er daarna met hen gebeurde, wordt niet vermeld. Als het goed is werden ze in Batavia herenigd met hun familie.300 Ook plantage-eigenaar Pieter Hendriksz Clifford Kocq nam bij zijn terugreis naar de Republiek in 1749 drie slaafgemaakten mee: Iemme, Roxane en Benni.

Twee van hen werden vermoedelijk kort daarna weer naar Suriname gestuurd.301 Een paar jaar later betrok Clifford Kocq een huis aan de Oude Delft en beklom hij gestaag de sociale ladder in de stad. Zijn huishouden had zeker dienstboden, maar of dit nog de uit Suriname meegenomen slaafgemaakten waren is onbekend. Wel is bekend dat ‘de neegerin Bennij Bennij’ in 1776 naar Suriname terugkeerde. Was dit de in 1749 meegereisde Benni, of een dochter van haar? Vaststaat dat zij bij terugkeer op Surinaamse bodem nog altijd gold als ‘toebehoorende aan Pieter Kok Hendriks’. De juridische vrijheid die zij had moeten krijgen, was haar niet ten deel gevallen. Mogelijk was de terugreis niet toevallig in 1776. Juist in dat jaar werd na lobby van investeerders bepaald dat slaafgemaakten in de Republiek niet automatisch meer vrij werden, maar pas na een half jaar, met de mogelijkheid tot verlenging van nog een half jaar. De regel was ingevoerd nadat enkele slaafgemaakten op deze wijze met succes hun vrijheid hadden weten te verkrijgen.302 56

Er waren dus wel degelijk zwarte mensen en mensen van kleur in Delft. Dat blijkt ook uit achternamen in de doop-, trouw- en begraafregisters die kunnen verwijzen naar een herkomst uit de koloniën, zoals ‘de Neger’, ‘de Moor’, ‘La Congo’, ‘Van Macassar’, ‘Van Sollor’, et cetera. Maar zonder aanvullende informatie blijven het losse gegevens zonder context. Soms wordt zelfs helemaal geen naam genoemd en volstaat men met een aanduiding als ‘een zwarte meid’ of ‘een zwarte jongen’. Een vroege vermelding stamt uit 1603 toen bij de Nieuwe Kerk een ‘morijnkint’ van Matijs Ewoutsz uit de Zwaardsteeg werd begraven.303 Ruim honderd jaar later, in 1714, werd het doodgeboren kindje ‘van een swartin van de heer Stelant’ begraven bij de Oude Kerk.304 Het gaat hoogstwaarschijnlijk om Johannes van Steelandt, de voormalige gouverneur van Coromandel en lid van de Raad van Indië. Hij was in 1712 na beschuldigingen van privéhandel en afpersing naar Nederland teruggestuurd met een gouden handdruk.

Wellicht heeft hij deze zwarte vrouw meegebracht.305 Is de terloopsheid van de vermeldingen en het achterwege laten van namen dat zwarte mensen en mensen van kleur het zoveelste bewijs dat slaafgemaakten ontmenselijkt werden? Of moeten we het opvatten als een teken dat het gewoner werd gevonden dat iemand van kleur in zeventiende- en achttiende-eeuws Delft woonde dan we wellicht geneigd zijn te denken? 5.4 Gedoopt in Delft Een speciale categorie vermeldingen betreft de doopinschrijvingen in de Delftse kerken. De doop betekende voor slaafgemaakten vaak (maar niet per definitie) de weg naar vrijheid, vanuit de redenatie dat een christen geen slaaf kon zijn. Het was iets waar zeventiende-eeuwse theologen het over eens waren en waar Hugo de Groot in zijn De jure belli ac pacis (Het recht van oorlog en vrede) in 1625 ook op wees.306 Maar was dat ook wat in werkelijkheid gebeurde? Dat is in de hier gevonden individuele gevallen niet met zekerheid vast te stellen. Binnen de kerk ging de discussie over het al dan niet dopen van ‘heidenen’ vrijwel continu voort.307 Zo ook in Delft. In juli 1651 beraadslaagde de kerkenraad over ‘sekere Indiaensche vrouwe geboren van de Cust van Coromandel’.

Zij was in Delft gekomen als min van een kind van Arnoldus Heussen, de recent gerepatrieerde gouverneur van Coromandel.308 Zij was doodziek en vroeg om voordat zij zou sterven nog gedoopt te mogen worden. Dat was een probleem, want zij had nog niet de vereiste openbare belijdenis gedaan. De predikanten en ouderlingen die haar bezochten waren echter zo diep onder de indruk van haar kennis van het geloof, dat zij dispensatie verleenden. De vrouw werd op haar ziekbed gedoopt en kreeg de naam Katharine.309 In 1682 werd in het huis van de heer Van Goens het doopsel toegediend aan diens ‘dienaer en gewesene slaef Arange, genaemt Adriaen, een swarte, geboortich van de kust van Malabar’.310 Ook hier is duidelijk hoe de dopeling in Delft verzeild was geraakt. Rijklof van Goens junior was de net gerepatrieerde gouverneur van Ceylon. Zijn vrouw Louisa Brasser had hem op haar sterfbed gevraagd om hun vier kinderen naar Nederland te brengen. Blijkbaar hadden zij gekozen voor Delft, waar haar familie vandaan kwam.

In 1689 waren hun twee oudste zoons hier in de kost bij de Engelse predikant Thomas Hoogh.311 Een van hen, Rijklof Michiel van Goens, vestigde zich in november 1709 weer in Delft na terugkeer uit Batavia met zijn vrouw Elizabeth Leijdekker en een meisje Roselijn van Macassar.312 In 1732 ontving de kerkenraad een verzoek om belijdenis en doop van Hannibal de Coste (van de Kust van Coromandel) en Aurelia van Jaffanapatnam (op Ceylon). Deze ‘heijdensche moor en moorin’ woonden als bedienden bij Everard Kraeyvanger en Gijsberta Johanna Blesius aan de Oude Delft, vermoedelijk het huidige nummer 121. Kraeyvanger was advocaat-fiscaal van Batavia geweest en in 1728 gerepatrieerd.313 Op 6 september werden zij in het doopboek in geschreven als ‘een Moor en Morin’. In 1760 maakte Gijsberta Johanna Blesius een testament op, waarbij Hannibal en Johanna het vruchtgebruik kregen van een kapitaal van 24.000 gulden. Hannibal werd op 13 september 1760 met twaalf dragers begraven in de Oude Kerk vanuit een huis in de Kloksteeg. Aurelia volgde op 14 april 1775, met veertien dragers vanuit een huis aan de Oude Delft. Beiden waren ongehuwd en verkeerden gezien de status waarmee zij werden begraven in behoorlijke welstand.314 57

In 1761 werd Susanna gedoopt, een ‘neegerin’ geboren op de kust van Guinea. Meer staat er niet bij vermeld.315 Zij zal een uit de koloniën naar Delft meegenomen slaafgemaakte zijn geweest die hier gekerstend werd; of zij daarna als vrije vrouw door het leven kon is onbekend. Enige aanwijzing over wie haar hier naartoe bracht is er niet. Enkele jaren later werd de ongehuwde Willem Harrier gedoopt. Ook hij was op de kust van Guinea geboren, als slaafgemaakte naar het eiland St. Croix (een van de Maagdeneilanden) vervoerd en daar verkocht aan een zekere Willem Harrier. Bij zijn doop ontving hij de naam van zijn voormalige eigenaar, die we overigens niet hebben kunnen traceren als een inwoner van Delft. Een paar dagen later deed deze ‘moorman’ ook belijdenis.316 Bij Maria Janse waren doop en belijdenis meteen op dezelfde dag, op 29 januari 1772. Zij werd omschreven als ‘een negerin’ en als ‘eene Moore’ die uit het heidendom bij de christelijke kerk was ingelijfd. Zij woonde in de Lange Breedsteeg (nu Breestraat), op het toenmalige nummer 3.317 Dat de doop van een slaafgemaakte in de Republiek niet vanzelfsprekend was, blijkt uit de discussie rondom een doop in 1794 in de remonstrantse kerk. Hier werd Maria Zara Johanna (24 jaar), dochter van Cajo Sainquo Niabi en Masa Oribo, gedoopt. Het is vrij uniek dat we de echte – Afrikaanse – namen van haar ouders kennen.

Zij was geboren in Zoogwoin in het Afrikaanse Guinée en was in Demerary als slaafgemaakte verkocht aan ‘Hekker’ en nu met hem naar Delft gekomen. In het doopboek van de remonstrantse kerk staat vermeld dat de eigenaar – vrijwel zeker Christoffel Johan Hecke – geweigerd had om haar in zijn eigen hervormde kerk te laten dopen. Bij de remonstrantse kerk dacht dominee Abraham van der Meersch daar anders over, ‘vindende in haar een godsdienstig en eerlijk gemoed, te edel om langer in ene onchristelijke slavernij te leven’. Met zijn vrouw Sara Turfkloot besloot hij haar in hun eigen kerk te laten dopen. Om dat punt kracht bij te zetten, liet hij er een prent van maken. In het doopboek noteerde Van der Meersch hierbij: ‘Ach mogten hare ongelukkige lotgenoten met haar vrijheid genieten, en de christenen minder barbaren en slaven zijn!’318 Opvallend is dat in datzelfde jaar de echtgenote van Hecke, Susanna Sara Dier, met haar dochter en Wilhelmina Pidoris belijdenis deed in de hervormde kerk. Deze laatste woonde bij het gezin in en was in 1790 als bediende – en vermoedelijk slaafgemaakte – meegereisd naar Delft. Nadat zij tijdens de boottocht zwanger was geraakt, had Susanna Sara Dier haar geholpen bij het laten dopen van haar ‘onechte’ kind.

De kans is groot dat zij de ‘mulattin’ was die Susanna Sara Dier in 1802 definitief uit Demerary meenam toen zij haar aandeel in de plantages aan haar kinderen verkocht. Ze bedong toen ‘twee negerinnen, een negerjongen alsmede een mulattin’. Toen Susanna Sara Dier in 1813 overleed, verhuisde Wilhelmina Pidoris naar Den Haag. Zij was al die tijd bij haar bazin gebleven.319 Maria Zara Johanna had vermoedelijk een minder hechte band met het echtpaar Hecke-Dier, haar voormalige eigenaar. Wel was zij door de doop verbonden geraakt aan domineesvrouw Sara Turfkloot die naar Nieuwkoop was verhuisd, maar haar in een te Delft opgesteld testament nog vermeldde. Maria Zara Johanna kreeg onder meer een schaar met zilveren ketting, een zilveren naaldenkoker, een bed met kussens en bijbehorend beddengoed en haar kleding. Mogelijk is Maria Zara Johanna tot aan het overlijden van Sara Turfkloot in 1808 als hulp of als kleermaakster bij haar gebleven.320 In 1834 overleed zijzelf in Den Haag op 68-jarige leeftijd. Als er sprake was van een doop dan lukte het soms om een levensgeschiedenis van een dopeling iets verder uit te diepen. Zo kon Jacques Moerman relatief veel achterhalen over een in 1768 door Willem Hendrik van Steenberch meegenomen man uit Suriname.

De plantage-eigenaar nam de slaafgemaakte mee naar de Republiek, kocht in Schipluiden het kasteel Keenenburg en liet de man daar als zijn kok werken. In 1775 werd de man gedoopt, nadat hij belijdenis had gedaan en Nederlandse les had gevolgd. Bij zijn doop ontving hij de naam Hendrick de Kock, waarna hij als een vrij man zijn leven kon vervolgen. Voor zijn 21ste-eeuwse nazaten kwam het als een verrassing dat zij van een zwarte, onvrije man afstamden.321 Dat laatste overkwam ook de nazaten van Wange van Bali (ca. 1797-1869) uit Delft. Zijn verhaal is om meer dan alleen deze reden bijzonder. Hij schreef namelijk in 1850 zijn eigen levensverhaal op, waarmee we een unieke blik kunnen werpen op het persoonlijke leven van deze 58

voormalige slaafgemaakte. Anders dan zijn naam doet vermoeden, was Wange geboren in een klein bergdorpje op het eiland Flores. Daar werd hij op vier- of vijfjarige leeftijd als kind van een slaafgemaakte opgeëist door een slaveneigenaar en direct gescheiden van zijn twee broers. ‘Toen zij heen ging ik ziet hunne met bedroefde oogen achter na’, schreef hij later in zijn herinneringen. In de jaren die volgden werd Wange regelmatig verkocht van de ene naar de andere eigenaar, in 1808 aan Jan Hendrik Bagelaar: ‘de vreemde heer kiest mij en vaaren ik mee met de nieuwe heer weg naar zijn schip’. Met hem belandde Wange in Delft, bij diens zus Anna Susanna Bagelaar (1778-1846) en Jacobus van der Chijs aan de Korte Breedsteeg 1 (nu Breestraat 1). Daar werd hij als lid van het gezin opgenomen, ging hij naar school en werd hij gedoopt. Vermoedelijk bij deze gebeurtenis maakte graficus en etser Ernst Willem Bagelaar een portret van Wange, zodat we van hem niet alleen zijn verhaal maar ook zijn gezicht kennen.322 5.5 Mapping Slavery De Delftse locaties die verbonden zijn met slavernij worden sinds 2018 letterlijk in kaart gebracht op Mapping Slavery NL. Dit publieksgeschiedenis-project, opgericht in 2013, richt zich op de historische plaatsen van het slavernijverleden en erfgoed in Nederland en het voormalige koloniale rijk.

Dankzij het in 2022-2023 verrichte onderzoek is het aantal Delftse locaties flink uitgebreid en nog groeiende. https://mappingslavery.nl/portfolio/delft/

59

6 Einde van de slavernij Het is van belang om zicht te krijgen op wat Delftenaren wisten, of konden weten, over de slavernij die mede in hun naam overzee plaatsvond. In dit laatste hoofdstuk kijken we daarom naar het debat dat vóór 1863 woedde over de afschaffing van de slavernij. In hoeverre lieten Delftenaren – en Delftse drukkers – daarin van zich horen? Daarbij zoeken we zowel naar voor- als tegenstanders van de afschaffing. 6.1 Verzet Vooropgesteld dient te worden dat slavernij altijd tegengeluiden heeft opgeroepen, zowel in de Republiek als overzee. Niemand bood zich vrijwillig aan als slaaf of als lijfeigene. Tot slaafgemaakten kwamen op allerlei manieren in verzet, zowel collectief als individueel. Van weglopen en massale opstanden, tot het traineren van werkzaamheden en zelfdoding aan toe. Dat verzet werd door het koloniale bestuur en eigenaren hardhandig afgestraft.323 Dat verzet zal niet altijd grootschalig en zichtbaar zijn geweest, maar was ontegenzeggelijk aanwezig. Delftenaren konden daarvan weten, al was het maar omdat een aantal tot de verbeelding sprekende voorbeelden bekend is waarbij ook Delftenaren betrokken waren. Eerder kwam de muiterij op de Delfland in 1743 ter sprake, waarbij een groep slaafgemaakten zich meester wist te maken van het schip waarmee zij naar Banda werden gevoerd (zie ook 1.3).

Gaspar Anthony van Kinschot schreef in 1772 vanuit Batavia aan zijn broer over een forse tegenslag: er waren ‘vier stuks slaeven van mijn gedrost’, weggelopen dus. Bovendien waren er onlangs drie van zijn slaafgemaakten gestorven. Hij toonde geen spoor van medelijden met hun lot, maar klaagde alleen dat hij hierdoor een schadepost had van 1200 rijksdaalders. Hij kon het geld slecht missen, want hij probeerde vergeefs aan een lucratieve betrekking te komen. In 1774 kon hij melden dat hij gekozen was tot schepen van Batavia. Hij kreeg nu wel de rang van opperkoopman, maar niet meer gage. Sterker nog: hij ging erop achteruit, want hij moest zich voortaan verplaatsen in rijtuigen met leidsels en kwasten en zijn ‘lijffjongens’ kleden in rokken bij wijze van livrei.324 Vier weggelopen slaafgemaakten, dat viel in het niet bij wat een eeuw daarvoor gebeurde in de familie van Pieter Cnoll (1630-1672) en zijn neef Govert Cnoll (1657-1711), beiden afkomstig uit Delft. Pieter was opperkoopman in Batavia en als teken van zijn status liep er altijd een slaafgemaakte met hem mee om een parasol boven zijn hoofd te houden. Deze Soerapati (ca. 1648-1706), afkomstig van Bali, was voor hem zo belangrijk dat hij ook werd afgebeeld op het familieportret van Pieter Cnoll, Cornelia van Nijenrode en hun twee dochters. Over wat er na Pieters dood precies gebeurde, verschillen de lezingen.

Feit is dat Soerapati een tijd in de gevangenis zat en zich na zijn vrijlating ontpopte als aanvoerder van een leger in de binnenlanden van Java, dat het de VOC bijzonder moeilijk maakte. In 1706 leidde Govert Cnoll een veldtocht tegen Soerapati, die daarbij sneuvelde. In Indonesië wordt Soerapati tegenwoordig als nationale held geëerd.325 In Suriname groeide vanaf de jaren 1730 de groep marrons – weggelopen slaafgemaakten – almaar aan. Ze kozen daarmee voor een vaak zeer ongewis bestaan in het ondoordringbare oerwoud. Marrons sloten zich aaneen om plantages aan te vallen om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien en zoveel mogelijk andere slaafgemaakten te bevrijden.326 Delftenaren die daar op de plantages werkten of er als soldaat naartoe waren uitgezonden wisten van de dreiging die van deze groep uitging. In Berbice vond in 1763 een eerste grote opstand van slaafgemaakten plaats. Onder leiding van Cuffy wisten zij langer dan een jaar stand te houden. De opstand – en de bloedige onderdrukking – kwam ook in de Republiek in het nieuws. Delftenaren zullen daarover gelezen hebben, zeker degenen die investeringen hadden in deze kolonie.327 Nog voordat op Curaçao in 1795 ruim tweeduizend slaafgemaakten onder leiding van Tula in verzet kwamen, waren ook op andere plekken onderdrukten al met succes in opstand gekomen.

Van enkele Delftenaren weten we dat zij zo’n uitbarsting aan den lijve ondervonden hebben. Het gezin van Christoffel Johan Hecke en Susanna Sara Dier woonde in Demerary bij hun koffieplantage Met en Meerzorg (nu een dorp in Guyana). Hecke had een leidende functie als Raad 60

van Politie en Justitie en moest dus aan de slag toen in september 1789 dertig tot veertig slaafgemaakten op de naburige plantage De Uitvlugt het heft in eigen handen namen. Zij vielen de plantagebeheerders aan en voerden in de daaropvolgende nachten gewapende aanvallen uit op omliggende plantages om zoveel mogelijk mensen te bevrijden. Deels onder leiding van Hecke plaatsten Nederlandse kolonisten hun matrozen en soldaten op de verschillende plantages, ook op Met en Meerzorg, om de eigenaren en hun families te beschermen. De opstandelingen bleken niet bestand tegen deze gewapende macht. 44 mannen werden er opgepakt, waarvan er 32 de doodstraf kregen.328 Susanna Sara Dier reisde met een van hun dochters kort na de opstand naar Delft waar ze zich bij de hervormde kerk liet inschrijven en op de Oude Delft ging wonen.329 Christoffel Johan Hecke voegde zich enkele jaren later bij hen. Hoewel het gezin nog wel terugkeerde naar Demerary verhuisde Dier na het overlijden van haar man in 1800 definitief naar Delft.330 6.2 Debat In de Republiek zagen tegengeluiden er doorgaans anders uit – daar was het vooral een papieren kwestie, als er al sprake was van kritiek. Al sinds de oprichting van de VOC en de WIC werd gedebatteerd over de legitimiteit van slavenhandel en slavernij, vooral door theologen en juristen.

De uitkomst was bij de meesten dat christendom en slavernij niet met elkaar in tegenspraak waren.331 In de onderzochte periode kwamen ook boeken en pamfletten in omloop waarin het leven in de koloniën centraal stond; de elite van de stad had hier toegang toe. Dus wie die mogelijkheid had en wie dat wilde, kon zich in het onderwerp verdiepen. Kritisch op de slavernij waren deze werken overigens niet, hoogstens werd vermeld dat slaafgemaakten wreed behandeld werden.332 Naast de elite, die wellicht als belanghebbende handelaar op de hoogte wilde blijven van wat zich in de koloniën afspeelde, had ook de gewone man of vrouw in Delft weleens van slavernij gehoord. Jaar na jaar voeren duizenden medewerkers met de VOC of WIC uit over de wereldbol waarbij ze in aanraking kwamen met slaafgemaakten. Er waren Delftse soldaten die als taak hadden om de slavenschepen op de Atlantische Oceaan te bemannen.

Vertelden zij eenmaal weer thuis of in de kroeg over mensen die kermend en al een slavenschip in gebracht werden, daar geketend maandenlang een bootreis moesten zien te overleven en die vervolgens op een slavenstation per opbod verkocht werden? Of verhaalden VOC-soldaten over de expedities die op eilanden in de Indische archipel gehouden waren waarbij de ene bevolkingsgroep werd uitgemoord en een volgende gedwongen aan het werk werd gezet? Of ze erover vertelden en of dat tot meer discussie leidde kunnen we uiteraard niet hard maken. Dát ze weet hadden van slavernij, staat echter buiten kijf. Lange tijd werd slavernij gezien als iets dat noodzakelijk was, anders zou er in de koloniën niets gebeuren. Met racistische theorieën legitimeerden tijdgenoten dat mensen uit de ene groep nu eenmaal als slaafgemaakten gekocht en verkocht konden worden, en dat mensen uit de andere groep daar als bezitters van profiteerden. Dat was voor betrokkenen in gewetensnood een veilige muur om zich achter te verschuilen. Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw klonken de eerste echt kritische geluiden tegen slavernij. Deze abolitionistische bewegingen waren over het algemeen geïnspireerd op buitenlandse Verlichtingsliteratuur en op de algehele revolutiegolf die over de wereld raasde.

De onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten in 1776, de Franse Revolutie in 1789 en de Spaans-Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlogen (1808-1826) inspireerden de slaafgemaakten om nog meer in verzet te komen, en de onderdrukkers om hun werkwijze te heroverwegen.333 De eerste maal dat we in Delft iets merken van enige discussie over slavernij is in 1778. In dat jaar werd het Delftse genootschap de Oeconomische Tak opgericht. Deftige heren bekommerden zich om de economische malaise waar het land zich in bevond; zakelijke belangen stonden dus centraal. Hun eerste bijeenkomst vond plaats in de grote zaal van het Prinsenhof, ter beschikking gesteld door de burgemeesters. Het stadsbestuur was goed vertegenwoordigd onder de 34 aanwezige leden. Ook Maximiliaan van ’s-Gravesande, die in 1783 bewindhebber voor de WIC zou worden, stond op de ledenlijst, net als de al zittende VOC-bewindhebbers Adriaan van Vredenburch, Jacob Gael en Joan Carel van Alderwerelt. Alleen heren werden lid. Wel was er een drietal donatrices, onder wie Elisabeth Overgaauw. Zij bezat een flink pakket aandelen op diverse plantages in het Caribisch gebied.334 61

De Tak-leden zochten naar oplossingen voor de sterk teruggelopen handel in het land. Een opvallende oproep kwam van Wijbo Fijnje (1750-1809), thesaurier van de Oeconomische Tak en in zijn werkzame leven uitgever van de Delftse krant. Hij liet in februari 1778 tijdens de tweede bijeenkomst weten getroffen te zijn door ‘de zeer ongelukkige gesteldheid der slaven op de Plantagien in de Westindien’. Fijnje stelde voor een beloning uit te reiken aan degene die ‘een uitvoerig en uitvoerbaar ontwerp zoude opgeeven, om de Plantagien in de WestIndische Colonien van deezen Staat op een andere wyze als thans door slaven geschied, na vereysch te cultiveeren, en te bearbeyden’.335 In de Tak-commissie voor Koophandel, Koloniën, Handwerken en Fabrieken kwam de vraag aan de orde. Daar werd gesproken over wrede straffen en onmenselijke behandeling, over ongelukkigen ‘die uit de armen van ouders en kinderen gescheurd en van hunnen vaderlijken grond vervoerd met de wanhoop in het hart duijzend mijlen verre hunne boeijen torschen’. Tegen degenen die inbrachten dat de plantagehouders toch zo slecht niet konden zijn, werd een artikel uit de krant aangehaald, uit ‘ons Delftsch nieuwspapier’. Onlangs had de krant een brief afgedrukt uit West-Indië over schadelijke mieren die levensgevaarlijk waren voor jonge kinderen.

De winstzucht was blijkbaar zo groot dat slaafgemaakte moeders hun kinderen tijdens het veldwerk op de grond moesten leggen, waardoor al verschillende kinderen waren omgekomen. Een deelnemer liet weten dat het moeilijk was om in dit systeem op zoek te gaan naar menslievendheid, want ‘indien de menschlievendheid de begunstigde hoofddeugd van het menschdom was, zou de slavernije onbekend zijn gebleeven’. Daar werd weer tegenin gebracht dat het goed was om naar de werkwijze te kijken, maar dat eventuele afschaffing van de slavernij ‘schadelijk voor den koophandel, verderflijk voor den volksplantingen en verwoestend voor hunnen akkerbouw’ zou zijn.336 Omdat bij de volgende algemene vergadering een meerderheid vond dat dit onderwerp ‘het heil van onze medemenschen’ raakte, werd het toch geagendeerd.337 Overigens zonder zichtbaar resultaat. Een alternatief voor plantage-arbeid door slaafgemaakten werd niet gevonden en daar bleef het bij. De discussie over slavernij kwam zover bekend niet meer terug bij de Delftse Tak. De belangen van handelaren werden nog vele malen belangrijker gevonden dan de belangen van slaafgemaakten.

De discussie over slavernij kreeg weer meer aandacht nadat in 1795 de Bataafse Republiek was uitgeroepen en er gesproken werd over een nieuwe grondwet.338 Met democratische beginselen hoog in het vaandel, een revolutie op het Franse Saint-Domingue (Haïti) en de opstand op Curaçao nog vers in het geheugen leek het moment nabij om een einde te maken aan de slavernij. Vooralsnog gebeurde er nog steeds niets. Uit Delft is een omvangrijke beschouwing overgeleverd, hoogstwaarschijnlijk van WIC-bewindhebber Maximiliaan van ’s-Gravesande, die omstreeks 1795 uitgebreid stilstond bij de onmogelijkheid en onwenselijkheid om slavernij af te schaffen. Naast nog veel meer argumenten droeg hij aan dat het lot van de Afrikanen in de koloniën veel beter was dan in hun moederland waar zij slachtoffers waren van binnenlandse oorlogen en anders wreed gedood zouden worden.339 Dat het systeem van slavernij in de kern mensonwaardig was, daarover repte hij niet. Dat ook gediscussieerd werd over de slavernij in het gebied rondom de Indische Oceaan, blijkt onder meer uit de publicaties van de eerdergenoemde Willem van Hogendorp (1735-1784) en zijn zoon Dirk (1761-1822). Zij stamden uit een Rotterdams regentengeslacht, maar kwamen door vererving in het bezit van buitenplaats Sion bij Delft (zie 4.6). Beiden werkten een aantal jaren in dienst van de VOC.

Willem schreef op basis van zijn ervaringen in Indië Kraspoekol, of de droevige gevolgen van eene te verre gaande strengheid, jegens de slaaven. In deze novelle, in 1780 gedrukt in Batavia, pleitte hij voor een goede behandeling van ‘mensen die door list of geweld slaaven zyn gemaakt’.340 Zoon Dirk ging een stapje verder en pleitte openlijk voor afschaffing van slavernij. Al in 1796, toen hij nog in Indië verbleef, schreef hij een brochure met de programmatische titel Proeve over den Slaavenhandel en de slavernij in Neerlands-Indië, benevens een ontwerp, om dien eerlozen handel ten eersten te verbieden, en ook de slaavernij zelve in der tijd geheel afteschaffen. Hij pleitte ervoor slavenhandel meteen af te schaffen, maar de slavernij zelf pas in 1820. Slaafgemaakten zouden volgens hem, geheel in lijn met de idealen van de Verlichting, immers niet van hun vrijheid kunnen genieten ‘zonder opvoeding, zonder begrippen van deugd en godsdienst’. De Proeve werd in 1801 in 62

Delft uitgegeven door Mattheus Roelofswaert, een drukker die zelf pamfletten schreef met pleidooien voor democratisering in de Nederlandse politiek.341 Daarna werkte Dirk van Hogendorp de novelle Kraspoekol van zijn vader om tot een toneelstuk waarin hij slavernij resoluut afwees. Het stuk verscheen in 1800 in druk bij dezelfde Delftse uitgever, maar werd slechts eenmaal opgevoerd. De voorstelling in de Haagse schouwburg werd verstoord door lieden met belangen in de koloniën. Roelofswaert verklaarde achteraf dat deze rel de vraag naar het stuk enorm aanwakkerde en dat hij wel tienmaal zoveel exemplaren had kunnen verkopen als hij in voorraad had.342 Omdat hij in Franse dienst gewerkt had, moest Dirk van Hogendorp in 1816 uitwijken naar Brazilië. Onder de rook van Rio de Janeiro beheerde hij een plantage die hij Novo Sion noemde, naar de buitenplaats waar hij een deel van zijn kindertijd had doorgebracht. Hij liet zijn slaafgemaakten als vrije dagloners werken, maar moest tot zijn spijt constateren dat dat geen succes bleek te zijn.343 De in Delft neergestreken Justus Gerardus Swaving (1784-1835) zal dat verschil tussen ideaal en praktijk hebben beaamd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://delft.notubiz.nl/document/12900498/1#search=%22slavernijverleden%22