CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport_slavernijverleden_van_Delft.pdf

Commissie Economie, Financiën en Bestuur 3 oktober 2023, gemeente Delft51.246 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

-

Van de 29 bewindhebbers zaten er 22 in de Veertigraad (76 procent), op een na ook allemaal al voor hun benoeming. Het kwam dus vrijwel nooit voor dat iemand van buiten de Veertigraad tot bewindhebber werd benoemd. Van de 22 bewindhebbers die in de Veertigraad zaten, bekleedden er 17 het ambt van schepen en waren er 13 een tijd lang burgemeester van de stad.

Bewindhebbers die geen deel uitmaakten van de Veertigraad hadden vaak andere vooraanstaande posities. Reijer Vrancken van der Burch bijvoorbeeld werd in 1638 bewindhebber. Deze brouwer was toen al vijftien jaar hoogheemraad van Delfland. Minstens zo belangrijk voor zijn benoeming tot bewindhebber was het feit dat hij de zwager was van Adriaan Andriesz van der Goes (bewindhebber tot 1636) en de schoonzoon van Arent Jacobsz van der Graeff (bewindhebber tot 1638).66 Hoewel de aantallen bij de WIC lager waren dan bij de VOC was ook hier duidelijk dat families ervoor zorgden dat zij vertegenwoordigd bleven. -

-

Toen burgemeester Adriaan Gerritsz van Assendelft in 1740 zijn functie als bewindhebber neerlegde, volgde toekomstig burgemeester en schoonzoon Jacob Adriaansz van der Lelij hem op. In 1742 trad Gaspar Rudolph van Kinschot aan, de schoonzoon van de in 1725 overleden bewindhebber Philip Willemsz van Dedel. 18

-

De families Van der Graeff, Van Hoogenhouck en Van der Lelij leverden elk twee bewindhebbers, de familie Van ’s-Gravesande zelfs drie.

Ambt

Aantal

In Veertigraad

%

Eerst Veertigraad

Later Veertigraad

Bewindhebber VOC

65

58

89% 49

9

Bewindhebber WIC

29

22

76% 21

1

2.5 Belangenverstrengeling Belangenverstrengeling tussen VOC en stadsbestuur deed zich met name voor ten aanzien van de zorg voor de infrastructuur. De openbare werken in Delft en Delfshaven en het onderhoud van de waterweg ertussenin vielen onder de verantwoordelijkheid van de havenmeesters. Deze bestuurders werden doorgaans gerekruteerd uit de Veertigraad, net als de bewindhebbers. Om het steeds drukker wordende scheepvaartverkeer over de Schie te faciliteren liet het stadsbestuur in 1614 buiten de Schiedamsepoort een kolk graven, de huidige Zuidkolk, nu in gebruik als passantenhaven. De aanlegkosten werden betaald uit de stedelijke kas en gedekt door verhoging van de accijns op het ‘gemaal’, het malen van graan voor brood en andere eerste levensbehoeften. Deze maatregel trof juist de minderbedeelden onevenredig zwaar en leidde dan ook tot ernstige ongeregeldheden. Het leger moest eraan te pas komen om de orde te herstellen. De accijnsverhoging ging niet van tafel, de duur van de extra heffing werd slechts enigszins verkort.67 Tot 1713-1714 werden ook alle openbare werken in Delfshaven volledig betaald uit de stadskas. Toen werd besloten dat de VOC voortaan de helft van de baggerkosten van de havens moest vergoeden. In 1753 werd het baggergeld vastgesteld op 275 gulden per jaar, maar elf jaar later werd het verlaagd tot 200 gulden.

Dat gebeurde op voorstel van burgemeester Paulus Teding van Berkhout, tevens bewindhebber van de VOC. Hij kreeg daarbij steun van collega-burgemeester Franc Reijersz van der Burch, die het jaar daarop werd benoemd tot bewindhebber – een wederdienst?68 In de notulen van de burgemeesters kwamen zaken die de WIC aangingen niet voor, afgezien van het benoemen van de bewindhebbers. Wel is een pleidooi bekend uit 1637. Participanten van de Kamer Delft verzochten de Delftse afgevaardigden om er in de Staten van Holland voor te pleiten dat de Staten-Generaal het handelsmonopolie van de WIC op Brazilië zou handhaven. Deze Delftenaren hadden als vroege investeerders meebetaald aan de verovering van Brazilië. Wanneer de handel werd vrijgegeven zouden anderen daarvan profiteren, zij zouden ‘maeijen alsoo dat se niet gesaeijt en hebben’. Omgekeerd pleitten andere handelaren juist voor meer vrijheid. Daar zaten volgens deze participanten ook Delftse bewindhebbers bij, ‘gestuttet door affgunstige ende eijgenbaetsuchtige’ leden van het stadsbestuur. Het pleidooi haalde niets uit. Ook in andere steden klonken vergelijkbare protesten, maar de lobby van voornamelijk Amsterdamse grote handelaren bleek het sterkst. Daar kwam bij dat de kas van de WIC continu leeg was; door vrijhandel toe te staan kon er iets verdiend worden.

De handel op Brazilië werd in 1638 vrijgegeven, met uitzondering van verfhout en wapens. Dat bleef het domein van de WIC, net als de slavenhandel die na de verovering van fort Elmina in 1637 gouden bergen leek te beloven.69 2.6 De Weeskamer De Delftse Weeskamer, bestaande uit drie weesmeesters, was onderdeel van het stadsbestuur.70 Het was een wezenlijk andere instelling dan het Weeshúis, waar (half)wezen werden opgevangen. De hoofdtaak van de Weeskamer was het toezicht op het beheer van nalatenschappen voor minderjarige inwoners. Als van een gezin met minderjarige kinderen een ouder overleed, moest de overgebleven ouder binnen zes weken met twee of drie naaste verwanten van de overledene bij de weesmeesters de namen en leeftijden van de kinderen aangeven. Ook overlegden zij een eventueel testament van de overledene en een inventaris, waaruit de staat van de boedel duidelijk werd. Zo

19

moest voorkomen worden dat kwaadwilligen zich meester maakten van het erfdeel van minderjarigen. De weesmeesters zetelden in de Weeskamer in het stadhuis. Dagelijks hadden twee van hen zitting en als twee van de drie verhinderd waren, kwam een schepen de overgebleven weesmeester assisteren. Jaarlijks werden uit de Veertigraad twee nieuwe weesmeesters gekozen. De indruk bestaat dat het een soort ‘instap-ambt’ was. Een goede weesmeester kwam eerder in aanmerking om een volgend jaar tot schepen te worden gekozen en misschien zelfs tot burgemeester. De administratie van de Weeskamer werd bijgehouden door de secretaris, benoemd door het stadsbestuur. Hij ontving een salaris van 500 gulden per jaar uit de stadskas, in 1640 werd dat opgetrokken tot 900 gulden. Dat inkomen kon hij aanvullen met emolumenten, zoals schrijfloon en een vergoeding voor het beleggen van gelden. De Delftse weesmeesters correspondeerden intensief met de Weeskamer te Batavia. Die was opgericht in 1624 onder verantwoordelijkheid van de Hoge Regering van Indië. In Batavia gemaakte testamenten moesten na het overlijden van de testateurs door de notaris worden aangeboden aan de Weeskamer als het ging om christenen, aan de boedelmeesters als het ging om niet-christenen.

Bovendien bezaten de weesmeesters van Batavia de oppervoogdij over alle minderjarigen in het VOC-gebied en hielden zij dus toezicht op de overige Weeskamers, zoals die van Colombo, Malakka en Ambon. De Weeskamer in Batavia correspondeerde met een beperkt aantal andere steden in Nederland. Het ging om de vestigingsplaatsen van de VOC-Kamers (Amsterdam, Middelburg, Delft, Rotterdam, Enkhuizen en Hoorn) en Leiden, ’s-Gravenhage, Dordrecht en Utrecht.71 De samenwerking tussen de weesmeesters van Delft en Batavia betrof beheer en afwikkeling van nalatenschappen van in Indië overleden personen met relaties in Delft – of omgekeerd. Daarvoor onderhielden de beide Weeskamers een rekening-courant. Moest het tegoed van een van beide worden aangezuiverd, dan werd contant geld of edelmetaal via de Kamer Delft meegestuurd met een VOC-schip. Dat gebeurde ook met erfenissen, in beide richtingen. In 1627 bijvoorbeeld schreef de Weeskamer te Batavia over het testament en de boedelinventaris van kapitein Abraham Strijcker. Die was in Delft overleden en de Weeskamer alhier had zijn testament en boedelinventaris naar zijn weduwe Aaltje Lubberts in Batavia gestuurd. Die was niet van plan met haar kind naar Delft te reizen om de erfenis te innen, ‘also het geen speelreijs voor vrouwen of kinderen sijn, sulcken water over te varen’.

Zij kon de erfenis echter goed gebruiken, want zij had haar bezittingen in Batavia al moeten verkopen en woonde nu met haar kind en haar slavinnen in bij een zekere Michiel Zeroijen. Daarom verzocht zij om de boedel te gelde te maken en het geld over te zenden.72 De met Batavia corresponderende weesmeesters in Nederland behandelden ook zaken voor mensen buiten de eigen vestigingsplaats. Zo verzorgde de Weeskamer Delft de verdeling van de erfenis van Hendrik Schreuder, afkomstig uit Almelo en in Batavia overleden in 1759. In zijn testament benoemde hij tot erfgenamen zijn drie broers en één zuster, allen woonachtig in Almelo. De weesmeesters te Batavia schreven aan Delft dat zij de boedel reeds hadden beredderd. Zij verzochten hun collega’s om het testament ‘onder de nodige communicatie te willen oversenden aan sijn te Almelo in Overijssel woonagtig sijnde broeders en susters’, met het overgemaakte bedrag van 1549 rijksdaalders.73 Mogelijk was de keuze voor Delft ingegeven door het feit dat in deze VOCKamer een bewindhebber van het gewest Overijssel zat. Maar er waren ook zaken waarin geen enkele relatie lijkt te zijn tussen Delft en de belanghebbenden bij de nalatenschap. De Delftse weesmeesters vroegen zich in 1713 openlijk af of zij met het behandelen van de soms zeer omvangrijke Indische boedels niet te veel risico liepen.

Zij legden de burgemeesters de vraag voor of zij hiermee wel door moesten gaan. Die overwogen toen dat de Weeskamers in Delft en Batavia al meer dan zeventig jaar ‘met veel reputatie en confidentie’ correspondeerden en gelden aan elkaar overmaakten. Dit had nooit tot enig probleem geleid. Bovendien kwam die praktijk niet alleen zeer ten goede aan de reputatie van de Delftse Weeskamer maar ook aan die van de stad als geheel. Er werden gezinnen, boedels en aanzienlijke ‘liberaliteiten’ (vrijgevigheid, mildheid) voor de liefdadige instellingen mee aangetrokken. Ten slotte werd ook het ambt van secretaris van de Weeskamer er financieel aantrekkelijker door.74 20

Dat de burgemeesters opkwamen voor de belangen van de Weeskamersecretaris had een reden. Deze functionaris werd benoemd door de Veertigraad en door extra emolumenten werd zijn ambt aantrekkelijk genoeg voor lieden uit de regentenstand zelf. De secretaris had namelijk recht op 1 procent van de gelden die hij ontving en registreerde. Juist de Indische boedels waren vaak zeer omvangrijk en dan kon dit aardig oplopen. De boedel van Rijklof van Goens junior (1642-1687), onder meer gouverneur van Ceylon, bedroeg liefst 624.760 gulden, dus secretaris Reijer Reijersz van der Burch kon meer dan 6000 gulden opstrijken.75 In de achttiende eeuw verdiende secretaris George Hendriksz d’Aquet goed aan de boedel van Willem de Roo (1662-1712), onder meer gouverneur van Makassar en directeur van Bengalen, die 423.106 gulden beliep.76 De administrateur van een boedel mocht 1 procent rekenen voor gelden die hij belegde. Niet zelden vervulde een secretaris die functie zelf en verdiende hij twee keer aan dezelfde nalatenschap. In 1671 bijvoorbeeld belegde secretaris Isaak Cornelisz Graswinckel 52.833 gulden van het overgekomen kapitaal van Louis Philibert Vernatti. Die was advocaat-fiscaal van Indië geweest en overleed op de terugreis naar Nederland.

Graswinckel beurde 528 gulden voor zijn diensten.77 Het einde van de Republiek en de VOC in 1795 betekende ook het verlies van het contact met de overzeese gebieden, die grotendeels waren overgenomen door de Engelsen. In de Franse tijd werd de Code Napoleon ingevoerd, waarbij de taken van de Weeskamers werden toegewezen aan de rechtbank. De Weeskamers mochten nog even blijven bestaan om lopende zaken af te handelen. In 1821 werd de Weeskamer Delft vervangen door een ‘Commissie van Directie en Toevoorzigt over de alsnog ter gewezene Weeskamer geadministreerd wordende boedels’, vanaf 1824 door een ‘Commissie van Liquidatie voor de Zaken der voormalige Weeskamer’. Die liquidatie nam nog decennia in beslag, met name omdat het opsporen van gerechtigden tot Indische boedels moeizaam verliep. Het voornaamste hoofdpijndossier was de nalatenschap van Cornelis Everaad. Hij was in 1730 als opperchirurgijn naar Batavia vertrokken en daar in 1752 overleden als eerste administrateur van de ‘medicinale winkel’, ofwel de apotheek van de compagnie. Hij vulde zijn inkomen aan met privéhandel en bezat tientallen slaafgemaakten. Zijn enige zoon Joost Frans overleed in 1764 in Malakka. Zowel in Batavia als in Delft bevonden zich stukjes van de boedel van Cornelis Everaad.

Die waren aanvankelijk niet bijzonder omvangrijk, maar het Delftse deel groeide door belegging aan tot bijna 272.000 gulden in 1839.78 Na een oproep in de kranten meldden zich allerlei gegadigden en er dreigden zelfs processen. In 1845 schreef de Weeskamer Batavia naar Delft dat de boedel wat het Nederlandse deel betreft verder afgewikkeld zou worden in Amsterdam. De Delftse Commissie tot Liquidatie was laaiend en schreef dat zij door ‘Heeren Weesmeesteren te Batavia gegriefd’ was en achtte ‘onze eer en reputatie gecompromitteerd in het zo onverwacht en onverdiend ontnemen van een vertrouwen, waarin onze kamer ten allen tijde bij die van Batavia deelen mogt’.79 De ruzie liep met een sisser af en Amsterdam nam de behandeling inderdaad over. De Nederlandse pretendenten konden fluiten naar het geld van Cornelis Everaad. Zijn zoon Joost Frans bleek in Malakka vrouw en kinderen te hebben gehad en hun nazaten konden in 1854 de laatste delen van de boedel in ontvangst nemen.80 De Delftse Weeskamer heeft dus tot diep in de negentiende eeuw een belangrijke rol gespeeld bij de overdracht van koloniaal kapitaal naar Nederland. Omgekeerd behartigde zij de belangen van Nederlanders die overzee waren. Het stadsbestuur stimuleerde dit, met een beroep op plichtsbesef, prestige en financiële belangen.

Dat het kapitaal dat in de Weeskamer omging mede tot stand was gekomen door het verhandelen of exploiteren van slaafgemaakten, kon niemand ontgaan. In de boedelpapieren die de Weeskamer ontving en verwerkte, werden ze onomwonden vermeld. In hoofdstuk 5 gaan we hier verder op in.

21

3 Geld: beleggen in slavernijgerelateerde waardepapieren In dit hoofdstuk onderzoeken we of Delftse particulieren en Delftse instellingen belegden in de VOC en de WIC. Als geldschieters van deze ondernemingen faciliteerden zij de ontwikkeling en instandhouding van het economische en maatschappelijke systeem dat slavernij mogelijk maakte. Ook kijken we of Delftenaren financieel betrokken waren bij de particuliere slavenhandel die vooral in de achttiende eeuw in de trans-Atlantische slavenhandel opgeld deed. 3.1 Particuliere beleggers in de VOC Om expedities te financieren en risico’s te spreiden, gaf de VOC aandelen uit. Het ingelegde kapitaal bedroeg ruim 6,4 miljoen gulden, voor meer dan de helft afkomstig uit Amsterdam. In de Kamer Delft werd 469.400 gulden ingelegd, een fors bedrag. Over de hele periode van het bestaan van de VOC bedroeg het gemiddeld aantal aandeelhouders per jaar ongeveer 1500, met een aandelenkapitaal van gemiddeld 4266 gulden.81 Door de gekozen organisatiestructuur hadden de participanten anders dan in de al langer bestaande partenrederij geen rechtstreekse invloed op het beleid van de compagnie. Wel werden in elke Kamer zogenaamde hoofdparticipanten benoemd. In Delft moest iemand ten minste 3000 gulden aan aandelen bezitten om daarvoor in aanmerking te komen.

Deze hoofdparticipanten mochten de rekeningen van de Kamer controleren en waren benoembaar als bewindhebber. Daarnaast kozen de hoofdparticipanten van alle Kamers negen zogenoemde beëdigde hoofdparticipanten die als adviseur de vergaderingen van de Heren XVII mochten bijwonen. Delft mocht driemaal in de vier jaar een hoofdparticipant afvaardigen. Wie waren de investeerders in de VOC? De aandeelhoudersregisters van de Kamer Delft zijn niet bewaard gebleven. In notariële archieven in Delft, maar ook in Amsterdam en andere steden, komen aandeelhouders in de Kamer Delft voor, maar het blijft bij incidentele treffers. We treffen bekende Delftse families aan als Brasser, Vockestaert, Van Beresteyn, Van der Burch, Camerling, Meerman, etc. Een absolute grootaandeelhouder was Pieter Gerritsz van Santen (c. 1605-1658). Zijn eerste vrouw was Maria, dochter van Joost Jacobsz van Adrichem. Diens andere dochter Emerentia trouwde François Jansz Meerman. Hier kwamen drie van de voornaamste Delftse koopmansfamilies bij elkaar. Na het overlijden van Maria hertrouwde Pieter met Anna Spiering, dochter van Adriaan Spiering en Anna van Loon, een Rotterdams echtpaar. De boedelinventaris die na het overlijden van Pieter van Santen werd opgemaakt, beslaat een volledige foliant in het notarieel archief van Delft. Ten tijde van zijn overlijden woonde Pieter aan de Oude Delft, waar nu nummer 165 staat.

Hij bezat voor 7000 gulden aandelen in de VOC-Kamer Delft, tegen een koers van 360 procent. Daarnaast had hij voor 3000 gulden obligaties op de Kamer Delft tegen 4 procent per jaar en 18.700 gulden obligaties op de Kamer Amsterdam. Hij had voor 3000 gulden aandelen in de Kamer Amsterdam geleend van zijn zuster Elisabeth en had 24.000 gulden te goed van Johan van Tol wegens aandelen in de Kamer Amsterdam, wellicht wegens verkoop daarvan. Ten slotte bezat hij voor 6000 gulden aandelen in de Kamer Rotterdam. De helft was verkocht tegen een koers van 360 procent, de andere helft tegen 437 procent; samen hadden zij 21.600 gulden opgebracht. Anna Spiering had nog eens voor 23.000 gulden aan obligaties in de VOC ingebracht in het huwelijk.82 (zie voor de familiedynastie van Van Santen ook 4.7) Uit de achttiende eeuw hebben we enkele bronnen die een compleet overzicht bieden van alle aandeelhouders in een bepaald jaar, met vermelding van hun ingelegde kapitaal. Het gaat om dividendregisters uit 1747 en 1755 en een journaal van juni 1768 tot en met mei 1772.83 In 1747 was het kapitaal van 466.562 gulden verdeeld over 255 aandeelhouders. Gemiddeld bezaten zij voor 1830 gulden aandelen. Van de aandeelhouders kwamen er 90 in aanmerking voor de titel hoofdparticipant van de Kamer Delft, dat wil zeggen dat zij hierin voor 3000 gulden of meer aandelen bezaten.

Er waren 13 aandeelhouders met een deelneming van 6000 gulden of meer. De grootste waren:

22

Namen grootste aandeelhouders Kamer Delft VOC 1747 Francisco Lopes Suasso jr David de Pinto Pieter Antony de l’Espaul Petrus Pama Johanna van Riebeeck, weduwe van Cornelis Bors van Waveren Jacoba van Wickevoort Salomon van Groenewegen Hendrik van Slingeland Abraham Pereira Diederik Jacob van Tuijl van Serooskerke Joseph de Jacob de Pinto Johan Pesters

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12

Aandelen in guldens 9553 9061 9030 8555 7885 6634 6051 6024 6000 6000 6000 6000

Francisco Lopes Suasso jr, David de Pinto en Joseph de Jacob de Pinto behoorden tot PortugeesJoodse bankiersfamilies uit Den Haag en Amsterdam.84 De l’Espaul was eveneens een Amsterdammer, die fortuin maakte in de handel op de Levant.85 Hij zal familie zijn geweest van de Delftse veertigraad Pieter Isaaksz de l’Espaul (1699-1731). Petrus Pama (1699-1780) was een Amsterdamse koopman in tabak, onder meer eigenaar van de plantage Oosterleek in Berbice. Johanna van Riebeeck woonde in Amsterdam maar was een zuster van de Delftse veertigraad Johan van Riebeeck (1691-1735). Hun grootvader Jan van Riebeeck was stichter van de Kaapkolonie en secretaris van de Hoge Regering van Nederlands-Indië, hun vader Abraham bracht het daar tot gouverneur-generaal. Zij was zelf getrouwd geweest met gouverneur-generaal Joan van Hoorn.86 Jacoba van Wickevoort behoorde tot een schatrijke Amsterdamse koopmansfamilie.87 De enige Delftenaar in dit rijtje is Salomon van Groenewegen (1715-1757), lid van de Veertigraad, net als zijn vader en zijn zoon, beiden Juliaan geheten. Hendrik baron van Slingeland, woonachtig in Den Haag, stamde uit een vermogende Dordrechtse familie.88 Van Tuijl van Serooskerke was heer van Zuylen en Westbroek, schatrijk en bekend als de vader van de schrijfster Belle van Zuylen. Ook Pesters moeten we zoeken in Utrecht.

Wie we niet tegenkomen onder de grootste aandeelhouders van de Kamer Delft, zijn de bewindhebbers. Vier van de zes bezitten slechts het minimumvereiste aandeel van 3000 gulden, de vijfde 3372 gulden. De enige grotere aandeelhouder is Maarten van Bleijswijck met 5775 gulden. Namen bewindhebbers Kamer Delft VOC 1747 Adriaan Jacobsz van Vredenburch Abraham Cornelisz van Bleijswijck Paulus Pietersz Teding van Berkhout Maarten Francoz van Bleijswijck Adriaan Mattheusz van der Goes Adriaan IJsbrandsz de Bije

1 2 3 4 5 6

Aandelen in guldens 3000 3000 3000 5775 3000 3372

In 1755 zijn enkele opvallende wijzigingen te noteren: -

Een nieuwe grote aandeelhouder is Anna Petronella van Schuijlenburch, weduwe Van Heemskerck, voor 8000 gulden. De 9030 gulden van Pieter Antony de l’Espaul staan nu op naam van de diaconie van de Waalse gemeente te Amsterdam. De parnassim (het bestuur) van de Portugees-Joodse gemeente te Amsterdam stonden in 1747 voor 3000 gulden genoteerd, nu voor 6000. Hendrik van Slingeland, in 1747 goed voor 6024 gulden, is verdwenen.

23

-

Nieuw voor 6000 gulden is Moses de Raphael Mendes da Costa (1719-1761), uit een Amsterdamse bankiersfamilie, die onder meer zaken deed met Pieter Pama, goed voor 8555 gulden.89

In het journaal over de jaren 1768-1772 treffen we merendeels dezelfde namen aan. Nieuwe grootaandeelhouders in 1769 zijn Benjamin Teixeira junior met 9000 gulden, in 1772 uitgebreid tot 12.000 gulden; en Jacob Boreel Jansz met 12.000 gulden, in 1772 uitgebreid tot 14.000 gulden. Teixeira was de zoon van een schatrijke Haagse bankier90, Boreel was een Amsterdamse regent. Dat laatste geldt eveneens voor Nicolaas Faas, nieuwkomer in 1771 met 11.700 gulden. Er komen ook veel kleine aandeelhouders voor. De kleinste eenheid is 50 gulden. In 1747 staan voor dat bedrag genoteerd Adriaan van der Heul, Martinus Akkersdijk, Pieter Haverling en Salomon Post, naast Jacob, Robert en Willem Vlaardingerwoud; in het laatste geval kan sprake zijn van erfdeling van een ooit groter aandeel van 150 gulden. Wat kregen investeerders in de VOC terug voor hun inleg? Aanvankelijk vielen de rendementen op de aandelen nogal tegen. Pas in 1610 werd dividend uitgekeerd en dat was bovendien in natura: porties foelie en peper; in 1612 werd nootmuskaat aan de uitdeling toegevoegd. Vanaf 1623 werd het dividend regelmatig uitbetaald en bovendien gebeurde dat in geld. De koers van het aandeel VOC steeg en de uitkeringen waren niet alleen hoog, maar stonden ook in verhouding tot de winsten. Dit veranderde in de achttiende eeuw. De winsten daalden, onder meer door concurrentie van andere landen.

De Heren XVII probeerden het dividend hoog te houden. De aandeelhouders in de bovengenoemde registers van 1747 en 1755 ontvingen 20 procent dividend per jaar. In het journaal van 1768-1772 daalde het dividend jaarlijks, van 20 procent in 1769, via 15 procent in 1770 tot 12½ procent vanaf 1771. Lager wilden de Heren XVII niet gaan. Om het dividend op dit peil te houden en toch de torenhoge kosten van de onderneming te kunnen blijven betalen, gingen zij obligaties uitgeven. Deze hadden een vast rendement van enkele procenten en zij werden daarom gezien als een weliswaar conservatieve maar wel deugdelijke belegging. In vrijwel alle boedels van enige omvang komen we dan ook VOC-obligaties tegen. De Kamer Delft had in 1768 liefst 130.900 gulden uitstaan tegen 3½ procent rente, waarop jaarlijks 4581½ gulden moest worden betaald. Het ging om 36 obligatiehouders, van wie Maarten Meerman de grootste was, met 17.000 gulden. De kleinste geldschieter, met 200 gulden, was Maaijke Pouwels.91 Op den duur was dit beleid niet houdbaar. De rentes op de obligaties konden alleen maar worden betaald door nieuwe leningen aan te gaan. Tegen het einde van de achttiende eeuw lukte dit niet meer en ging de VOC failliet.

De staat nam alle bezittingen en schulden over.92 3.2 Particuliere beleggers in de WIC Bij de oprichting van de WIC zagen de Delftse stadsbestuurders vermoedelijk gouden bergen, zoals de VOC hen inmiddels al bezorgde. Zij regelden het zo dat zij op persoonlijke titel in ieder geval mee konden doen. Daarna waren andere ‘gequalificieerden burgeren’ aan de beurt.93 De angst achter het net te vissen bleek ongegrond. Anders dan bij de VOC waren er geen voorlopers die samengevoegd werden. Al het kapitaal moest nog ingezameld worden. Het duurde twee jaar voordat overal in het land voldoende investeringen waren toegezegd en de WIC operationeel werd. In maart 1623 meldde het Delftse stadsbestuur dat 200.000 gulden bijeen was gebracht.94 Daar kwam nog minstens 100.000 gulden bij, van buiten het kringetje van stadsbestuurders en uit Den Haag. De Haagse elite kocht zich zo in bij de Delftse WIC.95 Dat Kamer De Maze financieel meetelde, blijkt uit de toezegging van in totaal ongeveer 1 miljoen gulden, terwijl het startkapitaal van de WIC iets meer dan 7,1 miljoen bedroeg. Ondanks de stroeve inschrijving was Delft met de verzamelde 300.000 gulden binnen Kamer De Maze de tweede in grootte. Dordrecht bracht 500.000 gulden binnen en Rotterdam 200.000 gulden.

De strategische ligging van Rotterdam zorgde er overigens al snel voor dat juist deze stad de andere twee overvleugelde.96 Ook bij de WIC werden alleen hoofdparticipanten benoemd als bewindhebber. In Delft moesten zij minimaal 4000 gulden aan WIC-aandelen bezitten. Na 1674, bij de Tweede WIC, was een 24

aandeel van 2800 gulden in Delft voldoende, maar dat moest dan wel al minstens twee jaar lang in bezit zijn.97 Wie waren de investeerders in de WIC? De aandeelhoudersregisters van de Kamer Delft of Kamer De Maze zijn niet bewaard gebleven. We moeten het hebben van incidentele treffers in notariële archieven in Delft en andere steden als Rotterdam en Amsterdam. Een belangrijke groep hoofdparticipanten is wel bekend, dat zijn de bewindhebbers die grootaandeelhouders moesten zijn om verkozen te kunnen worden. Naast de familienamen uit de lijst bewindhebbers vonden we WIChoofdparticipanten in Kamer Delft in onder meer de families Van Berckel, Van der Chijs, Van Crombrugge, Eversdijk, Van der Heul, Lookeman, Poppe en Stalling. Net als bij de VOC viel ook hier Pieter Gerritsz van Santen op. Hij handelde intensief in aandelen van de WIC in de Kamers Delft en Amsterdam. Na zijn dood bevatte zijn boedel naast de vele VOC-aandelen ook allerlei WIC-aandelen en aandelen in schepen die onder meer voeren op Santiago de Cuba, de Canarische Eilanden, Guinea en St. Domingo.98 Hoeveel deze investeerders precies verdienden aan hun belangen in de WIC is lastig te zeggen. Op basis van cijfers van de Amsterdamse beurs in de zeventiende en achttiende eeuw zijn slechts trends aan te duiden.

In de beginjaren van de WIC leidden de verovering van de Zilvervloot en het veroveren van Portugese koloniën in Brazilië tot hoge verwachtingen. Door de continue oorlogsvoering bleven de koersen echter relatief laag in de jaren 1630. Na een kleine opleving na 1637 – de verovering van fort Elmina – duikelde de koers in de jaren 1650 door het verlies van Brazilië flink naar beneden. Het verschil met de koers van de VOC-aandelen was enorm; daar stegen de koersen in deze jaren juist continu.99 De WIC had in deze jaren meer schulden dan inkomsten, onder meer door de hoge kosten van het in stand houden van versterkingen op de Afrikaanse kust. De compagnie wist door het aantrekken van obligatiehouders net voldoende geld in kas te houden om niet failliet te gaan, hetgeen feitelijk wel gebeurde in 1674. Door de WIC opnieuw op te richten begon de compagnie met een schone lei. Dat nam niet weg dat de meeste jaren niet eens uitkering van dividend kon worden gedaan. Een vetpot werd een aandeel bij de WIC nooit.100 Uit eerder onderzoek is bekend hoeveel de bewindhebbers van Kamer De Maze over de periode 1693-1755 eraan verdienden. Zij ontvingen jaarlijks gemiddeld 192 gulden aan dividend, aangevuld met gemiddeld 262 gulden provisie op de omzet. In verhouding tot de rijkdom van de meeste beleggers was dit een zeer bescheiden inkomstenbron.

De status van de bewindhebbersplek en de mogelijkheid om handel en wandel te regelen rondom de compagnie waren dan ook van groter belang om te blijven participeren.101 Een unieke inkijk in het doen en laten van beleggers in en rondom de Delftse WIC biedt de administratie van Cornelis Willemsz van der Burch. Hij was van 1643 tot 1677 als boekhouder in dienst van de WIC-Kamer Delft. Van der Burch woonde met zijn gezin op wat nu de Korte Geer heet en waar het Armamentarium aan het eind van de zeventiende eeuw zou uitbreiden, recht tegenover het West-Indisch Huis. Zijn boekhouding bestaat uit een overzicht van persoonlijke en zakelijke gegevens door elkaar heen. Zo kocht hij voor zichzelf voor 3595 gulden aan aandelen in de WIC in 1637, toen de slavenhandel via de compagnie net van de grond kwam. In 1643 noteerde hij dat hij er 1475 gulden winst op had gemaakt. Blijkbaar stapte hij daarna over naar de VOC waar hij in 1650 aandelen voor kocht.102 Van der Burch fungeerde voor Delftse kooplieden als tussenpersoon. Hij regelde de investeringen van familieleden en noteerde regelmatig bedragen en goederen voor klanten overzee.

In 1640 bevoorraadde hij koopman Isaak Graswinckel in Brazilië met bier en stokvis, vijf jaar later gevolgd door ’45 pistoletten’.103 Omgekeerd kochten Cornelis en Jacob van ’s-Gravesande suiker uit Brazilië dat was aangeleverd met het WIC-schip het Wapen van Delft, een schip dat ook werd ingezet om slaafgemaakten te vervoeren.104 De handel beperkte zich niet tot Zuid-Amerika. Er ging onder meer ook linnengoed naar Virginia in Noord-Amerika en bier naar Batavia.105 Voor dit onderzoek zijn vooral relevant de door hem genoteerde 37 scheepsreizen naar Afrika (vooral Angola), Brazilië en Curaçao tussen 1643 en 1673.106 Van der Burch noteerde hoeveel 25

de WIC-Kamer Delft inlegde op de verschillende scheepsuitredingen. Dat waren niet alleen de eigen schepen, er werd net zo goed geïnvesteerd en gehandeld in andere WIC-Kamers en in particuliere uitredingen. Geld verdienen stond voorop.107 Dat hier ook slavenhandel mee gemoeid was, was overduidelijk. Voor zijn schoonmoeder, de weduwe van Anthonis van den Heuvel, noteerde hij onder meer in 1661 dat ze 12½ procent had ‘getrocken op de negros van [het schip] Sint Pieter’.108 Tien jaar later dook het doel van de handel nog een keer op, toen in 1671 een schip terugkeerde dat zoals afgesproken met de WIC ‘tot den slaeffhandel’ had gediend.109 Bij andere reizen noteerde hij vaak niet meer dan dat een schip naar de ‘custe van Africa ende West-Indien’ ging; mogelijk was daar ook slavenhandel mee gemoeid. 3.3 Particuliere beleggers in de slavenhandel Buiten de WIC om en zeker toen het monopolie op de slavenhandel werd opgeheven, namen particuliere handelaren het stokje over. Vanaf 1730 werd een deel van de Afrikaanse markt opengesteld, in 1734 gold dat ook de slavenhandel. Het monopolie op handel in slaafgemaakten in Suriname hield tot 1738 stand. Daarna was de Sociëteit van Suriname afhankelijk van particuliere handelaren, en riep deze in krantenadvertenties op wie in dit gat wilde springen.

Vooral Zeeuwse handelaren gaven hier gehoor aan, met de Middelburgsche Commercie Compagnie (MCC) als grootste speler. Deze compagnie was in 1720 opgericht en reedde van 1732 tot 1802 in totaal 113 slavenhandelsreizen uit.110 Minstens één Delftenaar was er in 1720 direct bij om geld te verdienen aan de MCC. Juwelier Alewijn Verbrugge die aan de Oude Delft woonde, verkocht in het oprichtingsjaar voor 12.000 gulden aan aandelen. Hij zal ze eerder dat jaar aangekocht hebben met het idee ze met winst te kunnen verkopen. Zo fungeerde deze juwelier wel vaker als speculant – voor slavenhandel en ook voor obligaties op de staat.111 Het is waarschijnlijk dat meer Delftenaren belegden in de nieuwe slavenhandelaren. Omdat er een uitgebreid archief van de MCC is overgeleverd moet het mogelijk zijn hier naar meer Delftse sporen te zoeken. De overgang van WIC naar particuliere handel verliep overigens tamelijk geruisloos. In de eerste helft van de achttiende eeuw voer het schip Delft voor slavenhandel enkele malen uit voor de WIC.112 Het schip onder leiding van kapitein Jan Brouwer ondernam in 1735 de laatste slavenreis die voor de WIC gemaakt werd.

Aan de westkust van Afrika haalde de bemanning 571 slaafgemaakte Afrikanen op; slechts 461 van hen kwamen in Suriname aan.113 Zes jaar later – in 1741 – voer de Delft weer uit voor een slavenreis, met dezelfde kapitein die eerder in dienst was van de WIC, maar nu in opdracht van de MCC.114 3.4 Particuliere beleggers in plantagenegotiaties In 1753 kwam de plantagehypotheek op de markt, ook wel plantagenegotiatie genaamd, bedacht door de Amsterdamse burgemeester Willem Gideon Deutz. Verschillende koopman-bankiers stelden negotiatiefondsen beschikbaar voor plantages in Suriname en de koloniën in Guyana (Essequebo, Demerary en Berbice). Investeerders in de Republiek tekenden voor een bepaald bedrag in bij een fondsdirecteur die een hoog rendement (5 à 6 procent) per jaar beloofde. Het waren in zekere zin anonieme waardepapieren, maar het was voor iedereen duidelijk waar het geld voor gebruikt werd. De vraag was niettemin groot, want de obligaties golden als een solide geldbelegging. De plantagenegotiatie trok ook de aandacht van Delftse beleggers. In het Delftse notarieel archief treffen we de namen aan van belangrijke fondsverkopers als de Amsterdamse Bartholomeus van den Santheuvel en Harman van der Poll & Comp., en de Rotterdamse firma’s Wed. A. Hamilton & Meijners, Coopstad & Rochussen en Ferrand Whaley Hudig.

Het waren vaak grote firma’s die in het hele land obligaties verkochten om de kapitaalintensieve sector in stand te houden. Met het verzamelde geld van de obligaties financierde de fondsdirecteur plantagehouders die een plantage wilden opzetten of uitbreiden. Omdat de plantagehouder verplicht was zijn waren bij de fondsdirecteur in te kopen en te verkopen, verdiende de laatste vooral aan de handel tussen de Republiek en de kolonie. Plantagehouders hoefden de eerste tien jaar alleen rente te betalen, de daaropvolgende tien jaar moest de lening afgelost worden. Omdat de meeste plantages nauwelijks 26

winstgevend waren, stapelden veel plantage-eigenaren lening op lening totdat het financiële systeem eronder bezweek. De beurscrisis van 1772/1773 die in Londen begon bij de East India Company maakte duidelijk dat Suriname geen wingewest was. Toen ook de koffieprijs daalde, werden veel plantages verkocht of overgelaten aan administrateurs. Plantagehouders die hier snel geld hadden willen verdienen, verlieten de koloniën. Terwijl de financiering vanuit de Republiek stokte, lag het plantagesysteem zelf ook onder vuur. Weggelopen slaafgemaakten, marrons, wisten met steeds meer succes aanvallen op de plantages uit te voeren.115 Investeerders in plantagenegotiaties zagen hun inleg zeker na de jaren 1770 snel verdampen. Zij hadden met hun aankopen echter wel een grote financiële injectie gegeven aan de plantageeconomie. Het aantal slaafgemaakten dat aangevoerd moest worden om die plantages te bewerken, nam in de tweede helft van de achttiende eeuw fors toe. Juist omdat de verwachte winsten tegenvielen, mag aangenomen worden dat dit de levensomstandigheden van de slaafgemaakten op de plantages ernstig beïnvloedde.116 Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw investeerden vermogende Delftenaren in plantagehypotheken, of kregen zij deze door vererving in bezit. Wie een obligatie wilde aanschaffen, kon zich tot een handelshuis wenden.

Ook was het mogelijk om bij publieke veilingen in de Stadsdoelen dergelijke obligaties op de kop te tikken. Zeker toen de waarde afnam, gingen ze daar voor lage prijzen van de hand. In 1791 verkocht de Delftse makelaar Johannes van der Mandele een partij obligaties op plantages voor 24 c.q. 39 procent van de waarde.117 Onder andere het schatrijke echtpaar Charlotta Beatrix Strick van Linschoten en Gerrit Cornelis van Riebeeck, secretaris van Delft, bezat diverse obligaties op plantages in Suriname. Bij haar overlijden in 1795 stonden in de boedelinventaris van Charlotta Beatrix Strick van Linschoten obligaties uit op een aantal plantages bij Hamilton & Meijners. Langs de Commewijnerivier waren dat de suikerplantages Visserszorg, Claarenbeek, Nimmerdorr en Nieuw Roosenbeek. En aan de Correpinekreek bezat ze obligaties in een plantage voor houtgrond, La Prosperité. Van de genoemde plantages was Visserszorg de grootste; daar werkten in die tijd ruim 300 slaafgemaakten.118 Daarnaast bezat Strick van Linschoten obligaties in onder meer Rusland, de Weense bank, Opper- en Neder-Silezië. De investeringen in de koloniën waren een onderdeel van haar beleggingsportefeuille. De weduwe woonde tot haar overlijden aan de Oude Delft, en bezat ook buitenplaats Essesteijn in Voorburg.

De financiële belangen in de West-Indische koloniën vielen overigens in het niet bij de 75 aandelen à 1000 gulden op de VOC-Kamer Delft die eveneens in de boedel aangetroffen werden.119 Het waren niet alleen de allerrijkste regentenfamilies die in plantages investeerden. Pieter Breugel uit Schiedam begon in 1756 als onderstuurman bij de VOC voor de Kamer Rotterdam. Terug uit Batavia trouwde hij met Alida van der Net uit Rotterdam. Na zijn huwelijk ging hij nogmaals met de VOC mee, nu als schipper. Vervolgens bleef het echtpaar waarschijnlijk in Schiedam. Toen Breugel overleed, verhuisde zijn weduwe in 1799 naar Delft. Inmiddels was zij bemiddeld genoeg om een woning op de Oude Delft te kunnen betrekken, van waaruit zij in 1804 ook begraven werd in de Nieuwe Kerk in een eigen graf. In haar boedel die een waarde van ruim 26.000 gulden vertegenwoordigde werden onder meer obligaties op het kantoor van Ferrand Whaley Hudig aangetroffen op de suikerplantage Roosenburg, koffieplantage Mon Bijou120 en Duuringen in Suriname, en een obligatie op een cluster van tien plantages in Suriname bij Coopstad & Rochussen.121 De in de Republiek aangeboden plantagehypotheken betroffen voor het merendeel koloniën in Suriname en Guyana. Ook daarbuiten investeerden Delftenaren via dit financiële systeem.

Paulus van den Boogaart, veertigraad, en president-weesmeester erfde in 1773 van zijn ongehuwde zuster een obligatie van 1000 gulden op plantages op de Maagdeneilanden die wisselend gekoloniseerd geweest waren door Nederland, Engeland, Frankrijk en Denemarken. Het betrof een obligatie die was aangegaan via de Amsterdamse firma A. ter Borch en Zonen op de toen Deense eilanden St. Croix, St. John en St. Thomas.122 De goede reputatie van de Delftse Weeskamer kwam al ter sprake (paragraaf 2.6). Mede daardoor beheerde deze stedelijke instelling soms grote hoeveelheden aan slavernij gerelateerde beleggingen, al dan niet van Delftse eigenaren. In 1774 overleed in Utrecht Herman Richard 27

Sprenkelman, heer van Dompselaar. In zijn testament bij een Utrechtse notaris sprak hij nadrukkelijk de wens uit dat zijn boedel moest worden beheerd door de Weeskamer te Delft. Hij bezat 97.000 gulden aan Surinaamse effecten, gekocht via Harman van der Poll en Comp. Ook had hij een obligatie van 25.000 gulden op de plantage Maalstroom in Suriname via weduwe Hamilton & Meijners. Naast huis en hofstede Dompselaer, onder Wijk bij Duurstede, was dit Sprenkelmans grootste bezit, waarbij hij liet aantekenen dat de Surinaamse effecten alleen voor de volle prijs verkocht mochten worden. De Delftse weesmeesters hadden er geruime tijd werk aan omdat de boedel niet zomaar aan de erfgename, een zus van Sprenkelman, mocht worden uitgekeerd. Zij was katholiek en voedde ook haar kinderen – tegen de wil van de erflater in – katholiek op. Pas als kinderen of kleinkinderen zouden overstappen naar de gereformeerde, lutherse of doopsgezinde kerk kwam de erfenis hun toe. Dat was in 1815 nog niet het geval. Toch besloten de weesmeesters in twee stappen tot verkoop van de effecten over te gaan – à 670 gulden per stuk – in verband met het naderende einde van de oorlog. Wonnen de Fransen, dan zouden de Engelsen de kolonie definitief innemen. Wonnen de geallieerden, dan zouden de prijzen van de koloniale producten sterk dalen.

Die laatste voorspelling kwam uit.123 Obligaties in plantagehypotheken die niet verkocht werden vererfden van de ene op de andere generatie, tot in de negentiende eeuw aan toe. Rachel Overgaauw was het een na jongste kind van koopman in boter en kaas Reijer Cornelisz Overgaauw en Agnetha Brasem. Ze werd in 1725 geboren in een groot gezin dat het Boterhuis op de Markt bewoonde. Rachel trouwde met Anthony Pennis die twee plateelbakkerijen bezat: De Porceleyne Schotel en De Twee Scheepjes aan de Molslaan. Haar broers en zussen boerden ook allemaal goed. Omdat zij de langstlevende dochter was, erfde zij – samen met haar ook in Delft wonende neef Reijer van den Bosch – een groot familievermogen. Bij de deling van de laatste bezittingen in 1787 bleken er veel obligaties op hypotheken uit te staan. De obligaties van 1000 gulden per stuk waren onder meer aangenomen bij fondsen van Frederik Dibbetz en zoon te Amsterdam, Clifford en Le Chevalier, Theodoor Christiaan van Nes en Cornelis van der Helm Boddaert. Niet alle plantages werden bij naam genoemd, vaak was het gewoonweg ‘ten laste van diverse planters in Suriname’. Waar wel een naam genoemd werd, ging het om de plantages Welgedacht, De Akkerboom, Korte Vreugd en Kleinhoven. Daarnaast bezat zij nog 4000 gulden op obligaties op VOC-Kamer Hoorn. Haar neef kreeg een vergelijkbaar pakket.

Samen bleven ze eigenaar van 3000 gulden aandelen op de VOC-Kamer Amsterdam, 3000 gulden aandelen op de WIC-Kamer Middelburg en een aandeel van bijna 1000 gulden op de MCC.124 Nog in hetzelfde jaar dat deze ‘familieboedel’ verdeeld werd, overleed Rachel Overgaauw. Haar bezit ging over naar haar zoons Jan en Cornelis. Haar jongste zoon Cornelis Pennis (1765-1843) was de eerste die de dubbele naam Overgaauw Pennis zou gaan voeren. Hij had een belangrijke stem in het stadsbestuur, was van 1813 tot 1840 raadslid, wethouder en enkele jaren burgemeester. Met zijn echtgenote Christina Elisabeth Overschie woonde hij afwisselend in het pand Oude Delft 62/64 en hun buitenplaats Pas Buiten aan de Rotterdamseweg. Of hij tot aan zijn dood de obligaties in de plantages behield is onbekend. Het is (nog) niet gelukt de hele afwikkeling van zijn boedel te traceren.125 3.5 Institutionele beleggers De grootste institutionele belegger in koloniale waardepapieren was de Weeskamer, onderdeel van het Delftse stadsbestuur. Die aandelen en obligaties stonden weliswaar op naam van de boedels waartoe zij behoorden, maar die werden wel actief beheerd door of namens de Weeskamer. Meestal gebeurde dat door de secretaris, soms door een speciaal voor een bepaalde boedel aangewezen rentmeester. Voor beleggingen en verkoop van waardepapieren was echter altijd toestemming nodig van de weesmeesters.

Hoe dat in zijn werk ging, blijkt uit de afwikkeling van de immense nalatenschap van Rijklof van Goens junior (1642-1687). Diens twee minderjarige zoons waren ondergebracht bij de Engelse predikant in Delft. Hun drie voogden vergaderden van tijd tot tijd over het beheer van de boedel. In 1690 bespraken zij een bericht van de Kamer Delft van de VOC dat daar een bedrag van 66.000 rijksdaalders (158.400 gulden) was binnengekomen ten behoeve van de boedel. De voogden waren geneigd hiervoor lijfrenten te kopen ten behoeve van de kinderen. De 28

weesmeesters beslisten echter dat een derde van het bedrag moest worden besteed aan de aankoop van aandelen in de Hollandse Kamers van de VOC.126 In 1692 en 1694 werden voor de boedel obligaties gekocht op de Kamer Delft, respectievelijk 5000 gulden en 40.000 gulden.127 In de hiervoor genoemde lijsten van aandeelhouders van de Kamer Delft van de VOC van 1747, 1755 en 1768-1772 komt het Delftse stadsbestuur niet voor. Ook uit andere jaren is geen aandelen- of obligatiebezit van het stadsbestuur bekend, ook niet in de WIC of de Sociëteit van Suriname. We kunnen daarvoor afgaan op de stadsrekeningen, die vanaf 1646 compleet en daarvoor lacuneus bewaard zijn.128 Dat de stad geen aandelen bezat, hoeft niet te verbazen: zij was simpelweg niet in de positie om aan anderen geld te verstrekken. Integendeel, zij kampte vrijwel permanent met tekorten en moest dan zelf de kapitaalmarkt op om geld te lenen. Als het stadsbestuur in geldnood zat, klopte het vaak aan bij de plaatselijke liefdadige instellingen. Sommige bezaten grote fondsen en bekostigden hun werk uit het rendement op dit vermogen. Deze instellingen hadden vaak wel aandelen of obligaties in de VOC, de WIC of de Sociëteit van Suriname. Soms belegden zij daar zelf in, vaker hadden zij deze waardepapieren gekregen uit erfenissen en legaten.

Het Gasthuis bezat volgens deze registers in de periode 1747-1772 aandelen VOC ter waarde van 420 gulden. Verder vinden we hierin de diaconieën van de hervormde gemeenten te Delft (3580 gulden), Brielle (1500 gulden), Gouda (1500 gulden) en Schiedam (600 gulden). De Delftse diaconie bezat overigens al veel langer aandelen in de VOC. In 1673 betaalde zij belasting over een aandeel van 3000 gulden.129 De Kamer van Charitate kreeg in 1629 een aandeel van 250 gulden in de WIC. Het was onderdeel van een schenking van Clais de Michel, secretaris van de Franse koning te Parijs, die 15.000 gulden investeerde in de WIC en dit kapitaal verdeelde over protestantse armen in Nederland. Die van Delft, ‘Nederlanders ende Franchoisen’, kregen 500 gulden; de andere helft van dit bedrag zal dus terecht zijn gekomen bij de Waalse gemeente.130 In 1718 kreeg de Kamer van Charitate toestemming van de burgemeesters om 582 gulden aandelen in de WIC te verkopen en te beleggen in losrenten of obligaties op het gemeneland (waterschap). Een soortgelijk verzoek ten aanzien van zijn aandelen in de VOC werd aangehouden, maar kennelijk is dat vóór 1747 alsnog gehonoreerd.131 Ook het Weeshuis vroeg in 1718 toestemming aan de burgemeesters om aandelen te verkopen. Er werd voor 186 gulden aandelen WIC verkocht op een publieke veiling. De regenten verkochten ze alleen omdat ze minder rendabel waren geworden.

Toen het Weeshuis ze uit de boedel van Claas Commersz van der Marck had ontvangen in 1687 waren ze nog ruim 330 gulden waard geweest.132 Ook in 1718 verkocht het Weeshuis een aandeel van 500 gulden nominaal in de Kamer Delft van de VOC dat het in 1713 had geërfd van Hendricje van Noorden. Dat zal niet zijn geweest wegens onvoldoende rendement, want in 1714 werd 33 1/3 procent dividend ontvangen en in 1715-1717 zelfs 40 procent per jaar. Misschien was er direct een groot bedrag nodig, want het aandeel kon worden verkocht tegen 822 procent ofwel voor 4110 gulden.133 In de boedel van de stichteres van de Fundatie van Renswoude, Maria Duyst van Voorhout (1662-1754), bij haar overlijden de rijkste vrouw van de Republiek, bevinden zich grote pakketten aandelen in beide compagnieën.134 Deze zijn kennelijk bij de verdeling naar familieleden gegaan of te gelde gemaakt, want in de leggers van de bezittingen van de Fundatie komen ze niet voor.

29

4 Koloniale werkgelegenheid, status en kapitaal In dit hoofdstuk kijken we naar de verwevenheid van de Delftenaren met het koloniale systeem dat gebaseerd was op slavernij. De WIC en zeker de VOC zorgden voor veel werkgelegenheid. Dat ging om werk in Delft, om werk op de schepen en om werk in de koloniën overzee. Het bracht inkomsten voor de Delftse elite maar ook voor de lagere klassen. We concentreren ons hier op de koloniale werkgelegenheid in Delft, waarbij we ook onderzoeken of en in hoeverre dit zichtbaar was in het Delftse straatbeeld. 4.1 Gebouwen en personeel van de VOC De Kamer Delft beschikte de eerste dertig jaar van zijn bestaan niet over eigen vergaderruimte, kantoren en pakhuizen. Waar de bewindhebbers vergaderden is niet bekend, evenmin als de locatie waar de boekhouder de administratie verrichtte. Er wordt wel eens gezegd dat zij het stadhuis gebruikten, maar daar is geen bewijs voor. Vermoedelijk vergaderden zij bij iemand thuis en huurden zij pakhuisruimte. Dat ambulante bestaan veranderde pas in 1631, toen de bewindhebbers voor 6500 gulden huis De Harp met bijgebouwen kochten van Nicolaas Dedel, professor in de rechten te Leiden, en zijn vrouw Maria van Bleijswijck.135 De panden waren gelegen aan de westzijde van de Oude Delft. Door aankopen van buurpanden en het bijbouwen van pakhuizen groeide het hoofdkwartier van de Kamer Delft uit tot een fors complex.

Het Oost-Indisch Huis, nu Oude Delft 39, besloeg ten slotte een breedte van vijf panden en strekte zich uit tot de westelijke stadswal. In 1649 en 1665 kochten de bewindhebbers panden aan de overzijde van de gracht van de Oude Delft, op de Geer, waar naast het Armamentarium een tweede pakhuis verrees. Omstreeks 1670 kocht de Kamer een lijnbaan aan de stadswal, achter het Oost-Indisch Huis. Voor de afwerking van het hier vervaardigde touw kochten zij bij de Oostpoort een teerstoof met bijbehorend huis, ter plaatse van de huidige adressen Zuiderstraat 318-330.136 De zichtbaarheid van de Delftse VOC was nog veel duidelijker in Delfshaven, waar de schepen werden gebouwd, onderhouden en uitgereed. Daar verrezen werk- en opslagloodsen, met als pronkstuk het in 1672 gebouwde Zeemagazijn. Hier werd ook de uitrusting voor de reis verzameld onder toezicht van de equipagemeester. Als een schip gereed was, vertrok het naar de rede van Hellevoetsluis, de vaste vertrek- en aankomstplaats van de schepen van de Kamers Delft en Rotterdam. Voor vertrek werden handelswaren, proviand, bagage en tenslotte personeel en passagiers met kleine schepen van Delfshaven naar Hellevoetsluis gebracht. Als de hele vloot, inclusief eventuele begeleidende marineschepen, gereed was, werd gewacht op gunstig tij en wind om te kunnen vertrekken.

Een van de bewindhebbers ging de vertrekkende vloot met het Delftse VOC-jacht uitgeleide doen of de retourvloot binnenhalen. In het laatste geval zag hij erop toe dat de lading en de administratie klopten en dat geen smokkelwaar of verstekelingen aan boord waren. De meegebrachte handelswaar werd overgeslagen op kleine schepen en via Delfshaven naar de pakhuizen in Delft vervoerd.137 In 1740 verschafte de Kamer van de VOC alleen al in Delft werk aan 5 kantoorbeambten, 27 pakhuisknechten, 12 garbuleurs (kruidenlezers, die koopwaar sorteerden en van vuil ontdeden), een terreinopzichter en arbeiders op de lijnbanen. Daarnaast huurde de Kamer een wisselend aantal losse arbeiders in voor sjouwwerk, schoonmaak en dergelijke. In 1749 ontvingen 66 mensen, inclusief de bewindhebbers, rechtstreeks een traktement van de VOC.138 De hoogste en bestbetaalde ambtenaar was de opperboekhouder. Hij had een basissalaris van 800 gulden en hij ontving een derde van alle toeslagen die aan het kantoorpersoneel werden toegekend, inclusief de relatiegeschenken van mensen van buiten. Bovendien had hij een dienstwoning in het Oost-Indisch Huis; toen die in 1722 bij een verbouwing verdween, kreeg hij een vergoeding om een huis te huren. Samen met bijkomende betaalde werkzaamheden liep het salaris op tot 1200 gulden in 1789 – net zoveel als dat van een bewindhebber. Het ambt was daarom ook 30

aantrekkelijk voor leden van regentenfamilies als Van Lodensteijn, Meerman, Van der Lelij, Van Groenewegen, Van der Burch en Van Staveren. Minstens zo aantrekkelijk was het ambt van kassier. Hij ontving behalve een jaarsalaris van 1200 gulden namelijk ook 1,25 promille van al het geld dat hij met toestemming van bewindhebbers uitgaf. Juliaan van Groenewegen, zoon van opperboekhouder Adriaan van Groenewegen, verdiende zo in de jaren 1730-1736 jaarlijks tussen de 1048 en 1825 gulden boven op zijn reguliere salaris.139 De familie kon zich mede door dit soort lucratieve ambten een fraaie buitenplaats aan de Buitenwatersloot permitteren en een omvangrijke kunstcollectie aanleggen.140 De laatste zestig jaar van het bestaan van de VOC waren de ambten van opperboekhouder en kassier van de Kamer Delft in handen van één familie, de Van Staverens. Zij waren al sinds 1655 in dienst van de Kamer Rotterdam. Adriaan van Staveren (1699-1778) was daar brouwer in De Roos en werd in 1733 kassier van de Kamer Rotterdam. Hij stapte in 1736 over naar Delft als opperboekhouder. In 1739 werd hij hier ook kassier; niet lang daarna kreeg hij toestemming zijn piepjonge zoon Willem (1730-1787) aan te stellen als hulp-kassier – op eigen kosten, dat wel. Vanaf 1752 was Adriaan lid van de Veertigraad en vervulde hij diverse ambten in het stadsbestuur.

In 1767 droeg hij zijn functie van opperboekhouder over aan zoon Willem en die van kassier aan zijn andere zoon Cornelis (1735-1804). Twee jaar later deed Adriaan afstand van zijn plaats in de Veertigraad ten behoeve van Willem. Toen die in 1787 overleed, volgde zijn broer Cornelis hem op, zowel als opperboekhouder van de Kamer Delft als in de Veertigraad.141 Ook Adriaans derde zoon Hendrik (1734-1777) maakte carrière in dienst van de VOC. Hij vertrok in 1755 voor 22 jaar naar Oost-Indië, waar hij opklom tot commandeur van de westkust van Sumatra.142 De soldijboekhouder, verantwoordelijk voor de salarisadministratie, werd aangesteld sinds 1679. Hij verdiende 600 gulden per jaar en een promillage van het geld dat door zijn handen ging. De eerste was Gillis Grommé, een verwant van bewindhebber Van Lodensteijn. Het was voor Grommé een opstapje naar de Veertigraad, waar hij in 1694 een zetel verwierf. Dat hij in 1702 door de VOC werd ontslagen omdat hij particuliere handel had gedreven, bleek geen belemmering om hem drie jaar later tot bewindhebber van de WIC te kiezen.143 Lang niet alle VOC-medewerkers in Delft werden er rijk van. De terreinopzichter bijvoorbeeld was verantwoordelijk voor het uitvoerende werk in de pakhuizen en de overige compagnieslocaties in de stad. Hij kreeg een dagloon van 36 stuivers, in de achttiende eeuw 2 gulden.

Het uitvoerende werk werd doorgaans verricht door losse, ingehuurde krachten. De personeelssterkte in Delfshaven was afhankelijk van de aantallen schepen die werden gebouwd en vertrokken of aankwamen. Door de VOC zijn in totaal 1460 schepen gebouwd, waarvan 111 voor rekening van de Kamer Delft. Tot 1661 waren het er slechts zestien, daarna gemiddeld één per jaar, met uitschieters naar vier stuks in 1668 en drie in 1669. Gemiddeld werkten er 150 tot 200 mensen op het VOC-complex. In totaal vonden 4789 scheepsreizen plaats vanuit de Republiek naar het octrooigebied van de VOC en 3401 terugreizen. Voor de Kamer Delft voer 312 keer een VOC-schip uit naar Azië.144 Gemiddeld waren er 180-230 mensen aan boord. Uit de zeventiende eeuw zijn geen precieze gegevens bekend, maar voor de achttiende eeuw weten we dankzij de bewaard gebleven scheepssoldijboeken dat de Kamer Delft op alle uitgaande reizen samen ongeveer 50.000 bemanningsleden vervoerde. Tussen 1700 en 1704 was 57 procent van degenen die uitvoeren uit Delft afkomstig, in 1770-1771 nog maar 8 procent. Er voeren steeds meer buitenlanders op de VOCschepen, vooral uit Duitsland. De VOC wierf driemaal per jaar scheepsvolk. Gegadigden konden zich rechtstreeks melden bij de Kamer of in Delfshaven, of dat overlaten aan ‘slaapbazen’ of ‘volkhouders’.

Die exploiteerden logementen waar vooral buitenlandse aspirant-schepelingen verbleven tot zij konden aanmonsteren. Uiteraard lieten zij zich daar bijzonder goed voor betalen.145 Het personeel aan boord van de schepen was verdeeld in negentien rangen. De hoogste in rang was de schipper, die 60-100 gulden per maand verdiende, de laagste de scheepsjongen, die het moest doen met 4-6 gulden per maand. Gedurende de reis genoten zij gratis kost en inwoning, in de Oost kregen zij dagelijks een klein bedrag aan kostgeld.146 De gage werd bijgeschreven op de 31

soldijrekening bij de Kamer waarvoor iemand uitvoer. Daar kon het tegoed worden geïnd door een gemachtigde, bijvoorbeeld de achterblijvende echtgenote, of het bleef staan tot de betrokkene was gerepatrieerd en het zelf kwam ophalen. 4.2 Gebouwen en personeel van de WIC Het koloniale succes van de verovering van Brazilië met zijn suikerplantages echode na in Delft. De Kamer Delft had tot dan toe geen eigen plek in de stad gehad. Maar nu de zaken er voor de investeerders beter voorstonden, kocht de WIC in 1639 voor het forse bedrag van 11.500 gulden De Metalen Pot, een brouwerij met een dubbele gevel op de Lange Geer 26-28. Dit werd het WestIndisch Huis. Het lag gunstig aan het water en op een steenworp afstand van het Oost-Indisch Huis aan de overzijde dat in 1631 was gerealiseerd. Boekhouder Cornelis Willemsz van der Burch hield hier kantoor en de heren bewindhebbers kwamen er bijeen in de speciaal voor hen ingerichte vergaderkamer, versierd met goudleren behang en onder meer een staande klok. De rest van het dubbele pand deed dienst als pakhuis voor de handelswaar, net als het in 1641 aangekochte huis erachter aan het Achterom.

Twee in 1640 geplaatste hekken op de Lange Geer bakenden een deel van de stoep af en het rechterpand, nu nummer 26, was herkenbaar aan een op de gevel geplaatst vaantje in de vorm van een scheepje.147 Het West-Indisch Huis was kleiner dan de Oost-Indische evenknie, maar zeker rond 1640 was voor iedere voorbijganger duidelijk dat hier een onderneming van formaat was gevestigd. Anders dan bij de VOC lijkt de aanwezigheid van de WIC in Delfshaven minder prominent te zijn geweest. Over de bouw van eigen WIC-schepen is vrijwel niets bekend, ook niet voor andere steden. In hoeverre Delft daarbij een rol speelde, is dan ook niet zomaar te achterhalen. Bekend is wel dat toen de centralisering van Kamer De Maze in Rotterdam na 1669 een feit was, de Kamers Delft en Dordrecht nauwelijks meer schepen in hun eigen havens uitreedden. Particuliere WestIndiëvaarders, die zeker ten tijde van de Tweede WIC een steeds grotere rol speelden, meerden steevast in Rotterdam aan.148 Vergeleken met de VOC had de WIC (en zeker de Tweede WIC) weinig mensen in Delft in dienst. Een kleine Kamer als De Maze mocht zo’n vier à vijf personeelsleden aannemen. Dat ging dan om klerken en een boekhouder voor de administratie, en een commies (administratieve medewerker) om de schepen te bevrachten en uit te rusten – en dan ook nog eens verdeeld over drie Kamers.

Het waren goedbetaalde ambten, zeker in de jaren dat de WIC gouden bergen leek te beloven. Een boekhouder ontving 600 gulden per jaar en de equipagemeester 400 gulden. Waarschijnlijk van begin af aan was Isaak Huijgensz Busschaert boekhouder in Delft, vanaf 1643 opgevolgd door Cornelis Willemsz van der Burch die het ambt tot zijn dood in 1677 uitoefende.149 Bij de Tweede WIC werd gesneden in de organisatiekosten. Het aantal bewindhebbers was verlaagd, en ook de boekhouder (voortaan 500 gulden) en de equipagemeester (voortaan 250 gulden) moesten inleveren.150 Voor Kamer De Maze werden vanaf 1674 zelfs alleen nog maar in Rotterdam een oppercommies en een boekhouder aangesteld. Dordrecht en Delft hadden elk één commies in dienst. Van 1753 tot 1783 was dat voor Delft Isaak Kock, van 1784 tot de opheffing van de WIC was dat Pieter Goebeek jr.151 Het merendeel van de mensen dat in dienst was van de WIC, werkte aan boord van de schepen: als matroos of als soldaat. Matrozen (of bootsgezellen) waren verantwoordelijk voor de besturing en het onderhoud van het schip. Soldaten voeren vaak mee om naar een te verdedigen handelspost te reizen. Onderweg dienden zij uiteraard de opvarenden en de meegebrachte handelswaren te beschermen tegen kaapvaart.

Verder waren er medewerkers voor de materiële en geestelijke verzorging van de opvarenden en – specifiek op slavenschepen – de bewaking van de slaafgemaakten. Meestal voeren er ook passagiers mee om in overzeese gebieden aan het werk te gaan als bestuurder, koopman of handwerksman of – omgekeerd – terug naar de Republiek te reizen. Voor de WIC zijn (nog) geen indexen beschikbaar met alle opvarenden. Dat maakt het onmogelijk om harde cijfers te geven over de uit Delft afkomstige WIC-medewerkers.152 Voor de periode 1630-1656 heeft het Nationaal Archief wel een redelijk compleet overzicht van militairen die 32

in Brazilië hebben gewerkt, een database met 6013 individuen. Zoekend op ‘Delft’ levert dat 458 namen op. Zij voeren uit voor Kamer Delft of zij waren afkomstig uit Delft.153 Om meer over de werknemers te weten te komen in dienst van de WIC zou een langdurige zoektocht per opvarende nodig zijn. Toevalstreffers in het notariële archief van Delft laten soms iets meer zien over Delftenaren die in dienst van de WIC zijn uitgevaren. Van het WIC-schip de Swaan dat in 1635 een Portugees schip met honderden slaafgemaakten veroverde, kennen we een aantal bemanningsleden. Het schip stond onder leiding van de uit Delft afkomstige kapitein Pieter Gerbrantsz Ranck. Hij was 31 jaar oud toen hij met het schip uitvoer. Onder zijn bemanning bevonden zich minstens drie andere Delftenaren. Dat was ten eerste Jan Philipsz (26 jaar), een constapelmaat, de hulp van de scheepsofficier die over het geschut en munitie ging. Ook Michiel Fransz (28 jaar) kwam uit Delft, hij was kwartiermeester (na de bootsman de volgende in rang voor toezicht op het schip). Van de bekende Delftenaren was Claas Maartensz (23 jaar) de jongste; hij ging mee als bootsgezel (matroos). Omdat zij na terugkeer van hun reis een verklaring bij de notaris aflegden, zijn hun namen, leeftijden en woonplaats bekend.154 Ranck zal als kapitein vaak voor een deel het voor hem vertrouwde scheepsvolk weer aangenomen hebben.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://delft.notubiz.nl/document/12900498/1#search=%22slavernijverleden%22