CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport_slavernijverleden_van_Delft.pdf

Commissie Economie, Financiën en Bestuur 3 oktober 2023, gemeente Delft51.246 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

Rapport slavernijverleden van Delft

Nancy Jouwe, Gerrit Verhoeven, Ingrid van der Vlis Met medewerking van Marion Claessens en Bas van der Wulp

Delft, juni 2023

Afbeelding cover: Portret van de uit Delft afkomstige opperkoopman Pieter Cnoll, zijn vrouw Cornelia van Nijenroode en hun twee dochters Catharina en Hester. Op de achtergrond staan twee tot slaafgemaakte bedienden, waarvan de man een vaandel draagt. Dit is vrijwel zeker Soerapati, die nu formeel een nationale held is in Indonesië. Zie voor dit verhaal paragraaf 6.1. Schilderij van Jacob Coeman, 1665 (Rijksmuseum Amsterdam SK-A-4062).

1

Inhoudsopgave Inleiding 1 Organisatie: VOC en WIC in Delft 1.1 Delft in de zeventiende en achttiende eeuw 1.2 Voorlopers van VOC en WIC 1.3 Oprichting en inrichting van de VOC 1.4 De VOC en slavernij 1.5 Oprichting en inrichting van de WIC Kader: Piet Hein en de Zilvervloot 1.6 De WIC en slavernij 1.7 De Sociëteit van Suriname en particuliere slavenhandel 2 Bestuur: banden tussen het stadsbestuur van Delft en de VOC en de WIC 2.1 Het Delftse stadsbestuur in de zeventiende en achttiende eeuw 2.2 Benoeming van VOC-bestuurders 2.3 Benoeming van WIC-bestuurders 2.4 Overlap tussen stadsbestuur en compagniebesturen 2.5 Belangenverstrengeling 2.6 De Weeskamer 3 Geld: beleggen in slavernijgerelateerde waardepapieren 3.1 Particuliere beleggers in de VOC 3.2 Particuliere beleggers in de WIC 3.3 Particuliere beleggers in de slavenhandel 3.4 Particuliere beleggers in plantagenegotiaties 3.5 Institutionele beleggers 4 Koloniale werkgelegenheid, status en kapitaal 4.1 Gebouwen en personeel van de VOC 4.2 Gebouwen en personeel van de WIC 4.3 Leveranciers van goederen en diensten 4.4 Rekrutering via het Weeshuis 4.5 Handelaars in koloniale goederen 4.6 Pronken met koloniaal kapitaal Kader: Status en pretenties in de naamgeving van VOC-schepen 4.7 Zichtbaarheid van koloniaal kapitaal: Oude Delft 95 en Sion 5 Slaafgemaakten 5.1 Oost 5.2 West Kader: Plantages die (voor een deel) in bezit waren

van Delftenaren 5.3 Zwarte mensen en mensen van kleur in Delft 5.4 Gedoopt in Delft 5.5 Mapping Slavery

2

6 Einde van de slavernij 6.1 Verzet 6.2 Debat 6.3 Afschaffing slavernij 6.4 Emancipatie 7 Van koloniaal naar postkoloniaal Delft, een reflectie 7.1 Introductie 7.2 Koloniale instituties in/en Delft 7.3 Mensen uit de koloniën in Delft 7.4 Herinneringsgemeenschap en impact Geraadpleegde bronnen Archieven Websites Literatuur Noten Bijlagen 1 Bewindhebbers van de VOC Kamer Delft 2 Delftse bewindhebbers van de WIC Kamer De Maze

3

Inleiding Van 1 juli 2023 tot 1 juli 2024 wordt herdacht dat de koloniale slavernij in 1873 officieel ten einde kwam. In delen van Nederlands-Indië werd slavernij afgeschaft in 1860. In de Nederlandse Cariben gebeurde dat in 1863, maar omdat veel slaafgemaakten nog tien jaar voor hun voormalige eigenaren moesten blijven werken, geldt 1873 als jaar van de definitieve afschaffing. Ook in Nederlands-Indië liepen slavernijpraktijken nog door. In de aanloop naar het herdenkingsjaar is veel onderzoek gedaan naar het Nederlandse slavernijverleden. Recent verschenen studies over Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Den Haag en andere steden. ABN AMRO en De Nederlandsche Bank onderzochten hun rol en eerstdaags verschijnen rapporten over het slavernijverleden van de Provincie Zuid-Holland en van de Nederlandse staat. Een onderzoek in opdracht van het Koninklijk Huis loopt nu, evenals onderzoek naar verzekeringsmaatschappijen. Alom wordt geconstateerd dat dergelijke rapporten een leemte vullen. Voor Delft is dat niet anders. Er bestaat sinds 2018 een stadswandeling over de slavernijgeschiedenis van Delft, ontwikkeld door Nancy Jouwe, maar tot nu toe is er in geen enkele studie over de geschiedenis van de stad Delft en haar inwoners aandacht besteed aan hun betrokkenheid bij de koloniale slavernij.

Slechts in enkele korte artikelen en de Gids Slavernijverleden Nederland (2019) wordt een tipje van de sluier opgelicht. Daarmee zijn we echter nog een eind verwijderd van een volwaardige geschiedenis van de hele stad en van al haar inwoners – inwoners die onder hun voorouders zowel slaafgemaakten als slavenbezitters kunnen hebben gehad. Daarom is in 2021 in de gemeenteraad gevraagd om in navolging van andere steden onderzoek te laten verrichten naar het Delftse slavernijverleden. In september 2022 is door het Stadsarchief Delft opdracht verstrekt aan een team van drie historici: Nancy Jouwe (vanaf december 2022), Ingrid van der Vlis en Gerrit Verhoeven. Omdat er voor Delft nog zo weinig onderzoek was gedaan, zijn we vooral in de primaire bronnen op zoek gegaan. Daarbij hebben we overigens dankbaar gebruik gemaakt van inzichten uit de onderzoeken die in andere steden zijn verricht. Vanwege de beperkte tijd die beschikbaar was, hebben we niet naar alles even diep kunnen graven. Dat komt ook omdat ons rapport zich op een lange periode richt. We onderzoeken namelijk de betrokkenheid van de stad Delft en haar inwoners bij de slavernij in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw, met 1873 als eindpunt. Daar komt bij dat we een groot gebied bestrijken. Te vaak wordt nog gedacht dat slavernij vooral in het Atlantisch gebied voorkwam.

De West-Indische Compagnie (WIC), opgericht in 1621 met Delft als een van de vestigingsplaatsen, staat immers al lang bekend om haar rol in de zogenoemde transAtlantische slavenhandel. De Sociëteit van Suriname die vanaf 1683 een op slavernij gebaseerde plantagekolonie exploiteerde was nauw verwant aan diezelfde WIC. De laatste jaren is ook volop aandacht gekomen voor de slavernij in de gebieden in Azië en Afrika waar de Verenigde OostIndische Compagnie (VOC) de scepter zwaaide. Die is opgericht in 1602, eveneens met een vestiging in Delft. Historici hebben intussen duidelijk gemaakt dat slavenhandel en -bezit in het VOC-gebied minstens zo omvangrijk waren als in het WIC-gebied, zo niet omvangrijker.1 Opmerkelijk genoeg is dit inzicht ruim twee eeuwen geleden al eens geventileerd, in Delft nog wel. In 1801 verscheen bij de Delftse drukker Mattheus Roelofswaert en een Haagse collega een boek over de ‘Bataafsche bezittingen in Oost-Indië’. De schrijver was Dirk van Hogendorp, tot kort daarvoor eigenaar van de buitenplaats Sion, net over de grens met Rijswijk.

Hij had jarenlang in OostIndië gewerkt en schreef daarover: ‘de slaavenhandel, of de wijze om slaaven te krijgen, te vervoeren en te verkoopen, is in deeze gewesten even zo wreed, hard en onrechtvaardig, en verfoeijelijk als in de West-Indiën’.2 Als we het over deze vorm van slavernij hebben, dan is het ook belangrijk om de algemene kenmerken van dit systeem te benoemen: slaafgemaakte individuen konden worden gekocht en verkocht, de status van slavernij was in principe voor het leven en ging over van generatie op 4

generatie en het overkoepelende doel van dit slavernijsysteem lag in de productie van handelsgoederen om winst te maken. Tevens was ontmenselijking een inherent onderdeel van deze vorm van slavernij. Deze ontmenselijking kwam tot uiting in de ontwikkeling van racistische theorieën om de slavernij te legitimeren. Ook werden daarmee op huidskleur en andere uiterlijke kenmerken gebaseerde praktijken van sociale controle gerechtvaardigd.3 In dit rapport behandelen we zoals gezegd zowel het werkgebied van de VOC (de Indische Oceaan, inclusief Nederlands-Indië; alles ten oosten van Kaap de Goede Hoop) als van de WIC (de Atlantische Oceaan en met name het Caribisch gebied; alles ten westen van Kaap de Goede Hoop). Beide compagnieën speelden een prominente rol in de slavernij in de door hen bestreken gebieden. We gaan er daarom van uit dat bemoeienis met zo’n compagnie, in welke vorm dan ook, direct of indirect betrokkenheid bij slavernij betekende. In de eerste vier hoofdstukken onderzoeken we de rol van Delftse instellingen en personen in de VOC en de WIC – als bestuurders, beleggers, personeelsleden en leveranciers of afnemers van goederen en diensten. Daarnaast bekijken we hoe Delftenaren buiten het verband van deze compagnieën, bijvoorbeeld via plantagehypotheken, en na de opheffing daarvan bij slavernij betrokken waren. In hoofdstuk 5 richten we de blik op de slaafgemaakten.

We zoeken naar relaties tussen Delftse eigenaren en slaafgemaakten en naar de aanwezigheid van zwarte mensen en mensen van kleur in Delft. Hoofdstuk 6 is gewijd aan de afschaffing van de slavernij. Was er in Delft iets te merken van een debat over deze kwestie? En hoe waren de reacties, hier en in de koloniën? In het slothoofdstuk gaan we in op de banden tussen Delft en de koloniën na 1873. Ten slotte iets over onze werkverdeling. Het rapport staat onder redactie van Ingrid van der Vlis, Gerrit Verhoeven en Nancy Jouwe. Ingrid en Gerrit schreven de hoofdstukken 1 tot en met 6. Gerrit verrichtte het onderzoek naar slavernij in het werkgebied van de VOC, Ingrid in het werkgebied van de WIC. Bij hun onderzoek werden zij vanuit het Stadsarchief geassisteerd door Marion Claessens en Bas van der Wulp. Nancy Jouwe werkte mee aan de vraagstellingen, de interpretatie van de bevindingen en de conclusies. Zij zorgde ook voor een substantiële uitbreiding van het aantal Delftse items op de website Mapping Slavery (zie 5.5) en schreef het slothoofdstuk over de relaties tussen Delft en de koloniën na 1873. Zij pleit hierin onder meer voor een betekenisvolle en levendige herinneringscultuur rond het Delftse slavernijverleden. Wij nodigen iedereen van harte uit om daar invulling aan te geven en hopen dat ons rapport daar een bijdrage aan kan leveren.

5

Conclusies en samenvatting 1 Delft en Delftenaren waren nauw betrokken bij de VOC en de WIC en namen zo actief deel aan het mondiale economische en maatschappelijke systeem dat slavernij mogelijk maakte en in stand hield. De Verenigde Oost-Indische Compagnie (1602) en de West-Indische Compagnie (1621) hielden zich bezig met slavenhandel en exploiteerden slaafgemaakten. Beide compagnieën hadden bestuurskantoren en pakhuizen in Delft. Vanuit Delft werden schepen uitgereed en in de stad werden de aangevoerde koloniale producten verhandeld. Delftse burgers werkten voor de VOC en de WIC in de stad, op zee en overzee. Binnen én buiten het verband van de VOC en de WIC waren Delftenaren betrokken bij slavernij en slavenhandel, zowel in laagbetaalde uitvoerende functies als op hoge bestuurlijke posten. Daarnaast was er sprake van omvangrijk particulier bezit van slaafgemaakten. Er zijn talloze voorbeelden van Delftenaren die slaafgemaakten bezaten, kochten, erfden, bij testament vermaakten, vrijlieten of bij opbod verkochten. 2 De verwevenheid tussen het stadsbestuur en de bewindhebbers van de handelscompagnieën was zeer groot. Van de VOC-bewindhebbers had 89 procent zitting in de Veertigraad, van de WICbewindhebbers 75 procent. In de onderzochte periode was er geen gekozen gemeenteraad zoals nu.

Het belangrijkste orgaan was de Veertigraad, die besliste wie er in het Delftse stadsbestuur zitting kreeg. Deze veertig mannen speelden elkaar, en hun familieleden, de belangrijkste functies in de stad toe en kozen uit hun midden de burgemeesters. Het ambt van burgemeester gaf de meeste macht en het meeste aanzien. Een college van vier burgemeesters hield zich bezig met het dagelijks bestuur van de stad. Van de VOC-bewindhebbers bekleedde 75 procent (49 van de 65 benoemden) op enig moment het ambt van burgemeester, bij de WIC-bewindhebbers was dit 43 procent (12 van de 28 benoemden). 3 Er stonden geen aandelen in de VOC en WIC op naam van de stad Delft (als instituut). Een aantal Delftse liefdadigheidsinstellingen bezat wel aandelen in de compagnieën. De stad was financieel niet in de positie om aandelen te kopen. Individuele stadsbestuurders bezaten wel aandelen; het was een voorwaarde om bewindhebber van VOC of WIC te kunnen worden. Diverse Delftse liefdadigheidsinstellingen bezaten aandelen in de VOC en de WIC: de diaconie van de hervormde gemeente, het Gasthuis, het Weeshuis en de Kamer van Charitate. Er zijn geen Delftse institutionele beleggers gevonden in plantagehypotheken. 4 De Delftse Weeskamer, onderdeel van het stadsbestuur, belegde actief in de VOC en WIC, en speelde een belangrijke rol in het overmaken van koloniaal kapitaal.

De Weeskamer bestond uit drie weesmeesters, benoemd door en uit de Veertigraad. De Weeskamer was een onderdeel van het stadsbestuur en hield kantoor in het stadhuis. De weesmeesters beheerden boedels van kinderen van wie één of beide ouders waren overleden. De Weeskamer zorgde ook voor het beheren en verdelen van boedels van Delftenaren of hun verwanten die in het VOC-gebied overleden. De weesmeesters belegden daartoe behorende gelden actief in aandelen van de VOC en WIC. Die aandelen stonden niet

6

op naam van de Weeskamer, maar de weesmeesters (stadsbestuurders) beslisten wel waarin belegd werd. De Delftse Weeskamer genoot een uitstekende reputatie en werd ook door niet-Delftenaren ingeschakeld voor intercontinentaal boedelbeheer en het overmaken van koloniaal kapitaal. Het stadsbestuur was zich ervan bewust dat deze taken financieel aantrekkelijk waren, met name voor de functionarissen van de Weeskamer. 5 Delftse particulieren investeerden via de VOC en de WIC, maar ook via andere kanalen, in slavernij. Delftenaren investeerden in de VOC en de WIC. Het bezit van een bepaald bedrag aan aandelen was een voorwaarde om bewindhebber te kunnen worden. Delftenaren investeerden ook in de Sociëteit van Suriname, negotiatiefondsen (plantagehypotheken) die vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw in omloop kwamen en in andere particuliere ondernemingen die zich bezighielden met slavernij. 6 In een stad als Delft wist iedereen, of kon iedereen weten, dat slavernij bestond en wat het inhield. Vele duizenden Delftenaren reisden op de compagnieschepen naar VOC- en WIC-gebied en terug. Zij schreven brieven naar huis en vertelden na terugkeer verhalen. Sommigen regelden van hieruit bij Delftse notarissen zaken die te maken hadden met slaafgemaakten in de VOCen WIC-gebieden. En op bescheiden schaal werd er ook in Delft debat gevoerd over de afschaffing van slavenhandel en slavernij.

7 In Delft verbleven vanaf de zeventiende eeuw zwarte mensen en mensen van kleur. Afrikanen en Aziaten maakten onmiskenbaar al deel uit van de Delftse samenleving vanaf de zeventiende eeuw. De meesten zullen als slaafgemaakten zijn meegebracht naar Nederland. Ze werden hier in principe vrij – maar in de praktijk niet altijd. Wat hun precieze status was, blijft vaak onduidelijk. Hoe het hun verder verging in Delft vraagt meer onderzoek, als we de gegevens al boven water zouden kunnen krijgen. De archiefbronnen over deze Delftenaren zijn karig met informatie. Van sommigen weten we niet eens een naam, van anderen kennen we een paar levensfeiten en slechts een enkeling kennen we van gezicht. 8 In Delft en daarbuiten zijn tot op heden tastbare sporen te vinden die herinneren aan het Delftse slavernijverleden en het koloniale verleden. De VOC en de WIC hebben sporen nagelaten in de stad. Voorbeelden zijn het Oost-Indisch Huis en Oost-Indisch Pakhuis, het West-Indisch Huis, het Zeemagazijn in Delfshaven, particuliere woonhuizen en buitenplaatsen, schilderijen en andere kunstvoorwerpen, archieven en graven in kerken. Ook na de opheffing van de VOC en de WIC bleven er banden bestaan tussen Delft en de koloniën. Denk hierbij aan de Indische Instelling, de TU Bandung, de Rubberstichting, de Botanische Tuin, TNO en Museum Nusantara.

7

1 Organisatie: VOC en WIC in Delft In 1602 werd in de Nederlandse Republiek de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht door Johan van Oldenbarnevelt (raadspensionaris) en prins Maurits (stadhouder). In 1621 volgde de Verenigde West-Indische Compagnie (WIC). Beide compagnieën kregen van de Staten-Generaal het alleenrecht om te koloniseren, handel te drijven, te onderhandelen en oorlog te voeren. Aangezien beide compagnieën zich bezighielden met slavenhandel, onderzoeken we de betrokkenheid van Delft en zijn inwoners bij de VOC en de WIC. 1.1 Delft in de zeventiende en achttiende eeuw Delft was omstreeks 1600 een van de grootste en machtigste steden van Holland. Het telde circa 20.000 inwoners, een aantal dat in de zeventiende eeuw groeide tot 24.000. Vanaf ongeveer 1680 nam de bevolking af tot 14.000 in het midden van de achttiende eeuw. Op politiek gebied gold Delft als de derde stad van Holland: het stemde in de Staten na Dordrecht en Haarlem, maar voor Leiden, Amsterdam en Gouda. Delft was rijk geworden door de lakennijverheid en vooral de bierbrouwerijen. De Opstand tegen Spanje (1568-1648) en de scheiding van de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden brachten de stad in economische problemen. Brabant en Vlaanderen vielen weg als afzetmarkten voor het Delftse bier.

De traditionele textielproducten werden verdrongen door nieuwe stoffen, geïntroduceerd door gevluchte Vlamingen. De opkomst van de intercontinentale handel zorgde voor nieuwe bedrijvigheid en werkgelegenheid. Delft bezat een rechtstreekse vaarverbinding met de Maasmond via de Schie. Aan de monding van deze vaart lag Delfshaven, een nederzetting die door Delft werd gesticht en bestuurd. Delftse kooplieden en reders waren al vóór de oprichting van de VOC en de WIC actief in de zeehandel. En er was vooral bij voormalige brouwers kapitaal om te investeren in de nieuwe mogelijkheden die de VOC en de WIC boden. 1.2 Voorlopers van VOC en WIC De handel op Oost- en West-Indië was in de zestiende eeuw hoofdzakelijk in handen van Spanjaarden en Portugezen. Antwerpen fungeerde als stapelmarkt voor de doorvoer van producten als specerijen en suiker naar Noordwest-Europa. De oorlog met Spanje, de val van Antwerpen in 1585 en steeds strengere handelsbelemmeringen door de Spaanse overheid deden de aanvoer stokken. Handelaren in Hollandse en Zeeuwse steden zochten aan het eind van de zestiende eeuw naar mogelijkheden om zelf goederen uit overzeese gebieden in te voeren. Ze namen deel in ad-hoc opgerichte vennootschappen die schepen uitzonden in het Atlantisch gebied en ze richtten compagnieën op om zelf op Oost-Indië te gaan varen.

Koopman Claas Adriaansz van Adrichem (1538-1607) was er vroeg bij. Hij had zitting in het Delftse stadsbestuur als burgemeester, was eigenaar en bewoner van het pand Het Dubbele Kruis aan de Koornmarkt en bezat handelscontacten in heel Europa. In 1593 was hij een van de eersten die vanuit de Republiek een schip naar de westkust van Afrika zond op zoek naar goud, ivoor en maniquette peper. Die eerste tocht leverde een negatief saldo op, maar volgende handelsreizen compenseerden dat verlies ruimschoots. Mede door zijn succes besloten andere ondernemers ook in handel op West-Afrika te beleggen.4 In die kring bewoog zich Maarten Jansz van Hoogenhouck, oudburgemeester van de stad. Hij verhuurde pakhuisruimte in zijn pand op de Koornmarkt aan de Compagnie van Guinea die in 1599 in Amsterdam was opgericht om gezamenlijk handel te voeren op Afrika.5 Slavenhandel kwam bij deze vroege reizen nog niet expliciet aan de orde. Dat neemt niet weg dat de handelaren wisten dat zout en suiker in Brazilië met slavenarbeid gewonnen en verbouwd werden. Kort na Van Adrichem, in 1597 en 1598, reedde de Rotterdamse Johan van der Veken trouwens al schepen uit om Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen naar het Caribisch gebied te verschepen.6 Van der Veken was voor de Delftse koopmanselite geen onbekende. In 1598 8

participeerden Cornelis Adriaansz Boogaert, Dirk Gerritsz Meerman en Arend Jacobsz van Lodensteijn in een compagnie van deze snel rijker wordende Rotterdammer om naar Oost-Indië te varen. Zij wilden met vijf schepen de reis maken via Straat Magellaan, onder Zuid-Amerika langs, maar dit werd geen succes. Drie schepen gingen verloren, één keerde terug en één bereikte weliswaar Azië, maar werd inbeslaggenomen in Japan.7 In deze jaren zagen meer zogenoemde ‘voorcompagnieën’ van de VOC het licht. Op 28 juni 1600 vertrok een vloot van de Oude Compagnie via Kaap de Goede Hoop naar Azië. Een van de zes schepen heette Delft, een aanwijzing dat ook Delftse kooplieden erin hadden geïnvesteerd. Aan boord van het schip Gouda voer Delftenaar Pieter Walichsz mee. Hij belandde via Bantam, Banda, de Molukken, Ternate en China in Pattani in het huidige Thailand. Daar zou hij voorlopig blijven als onderkoopman, zo schreef hij in augustus 1602 in een brief aan zijn broer Jacob in Delft.8 Intussen hadden twaalf Delftse kooplieden, onder wie opnieuw de al genoemde Boogaert, Meerman en Van Lodensteijn, in oktober 1601 een eigen compagnie opgericht. Van hun beraadslagingen is een resolutieboek bewaard gebleven. Zij huurden van schipper Adriaan Cornelisz Haai het schip De Haai, waarop Jan Gerritsz Meerman als kapitein zou fungeren.

Alles leek klaar voor vertrek, maar de plannen werden op het laatste moment gewijzigd.9 1.3 Oprichting en inrichting van de VOC10 Om de concurrentie tussen de Hollandse steden te beteugelen, riep Johan van Oldenbarnevelt vertegenwoordigers van alle plaatselijke compagnieën bij elkaar. Hij wist hen te bewegen tot bundeling van krachten. De Verenigde Oost-Indische Compagnie kreeg op 20 maart 1602 van de Staten-Generaal voor 21 jaar het alleenrecht op alle handel ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van Straat Magellaan. De compagnie kreeg het recht namens de Staten-Generaal verdragen te sluiten met andere mogendheden en zo nodig oorlog te voeren. In de zes steden waar al een compagnie bestond, werd een Kamer van de VOC gevestigd met eigen bewindhebbers, in principe voor het leven benoemd. Er waren er zestig in totaal. De Kamer Amsterdam kreeg twintig bewindhebbers, Zeeland (Middelburg) twaalf en Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen elk zeven. Voor de bezetting van die Delftse zetels zie 2.2 en bijlage 1. In 1661 raakte de Kamer Delft één bewindhebbersplaats kwijt. De landgewesten droegen financieel bij aan de faciliteiten die de VOC genoot van de landelijke overheid en eisten in ruil daarvoor het recht om bewindhebbers te benoemen. De Staten van Overijssel mochten voortaan iemand voor maximaal acht jaar benoemen in de Kamer Delft.

Die verscheen overigens zelden of nooit ter vergadering, maar streek uiteraard wel het bij de functie behorende salaris op. In 1696 kreeg de Ridderschap, dat wil zeggen de edelen die samen één stem hadden in de Staten van Holland, een zetel in de Kamers Delft en Rotterdam, afhankelijk van waar er een vacature viel. De zes Kamers vaardigden drie keer per jaar vertegenwoordigers af naar het hoofdbestuur, de Heren XVII. Daarin had de Kamer Amsterdam acht zetels, Zeeland vier en de overige Kamers elk één. De niet-Amsterdamse Kamers vervulden bovendien bij toerbeurt een zetel om te voorkomen dat Amsterdam een meerderheid bezat. De VOC betaalde in de zeventiende eeuw een hoog dividend, dat bovendien regelmatig werd uitgekeerd. In de achttiende eeuw nam de concurrentie toe, met name van de Engelsen, en daalden de winsten. Om het dividend kunstmatig hoog te houden, ging de VOC obligaties uitgeven tegen een vaste rente. Zo werd het ene gat met het andere gedicht. Op den duur was dit beleid niet houdbaar. Het dividend moest toch geleidelijk worden verlaagd en werd vanaf 1781 zelfs helemaal niet meer uitgekeerd. De aandelenkoers stortte in en obligaties waren onverkoopbaar. Per 1 maart 1796 nam de staat alle bezittingen en schulden over.

Enkele Kamers bleven bestaan om lopende zaken af te handelen; de Kamer Delft werd in 1803 opgeheven.11 1.4 De VOC en slavernij Al voordat de VOC in 1602 werd opgericht, waren Nederlandse schepen actief ten oosten van Kaap de Goede Hoop. En al vanaf het begin waren zij betrokken bij slavernij: in 1595 maakte de bemanning van het schip de Hollandia twee jongens uit Madagascar tot slaaf.12 De VOC stichtte een 9

groot aantal handelsposten in Zuid- en Zuidoost-Azië. Overal vormden tot slaafgemaakte mensen de omvangrijkste bevolkingsgroep. Zoals historicus Remco Raben het uitdrukte: ‘Niets, maar dan ook niets, kon gedaan worden zonder de inspanning van tot slaaf gemaakten. De meeste vestigingsplaatsen van de VOC waren slavensamenlevingen.’13 Recente schattingen gaan ervan uit dat in de zeventiende en achttiende eeuw minstens een miljoen slaafgemaakten zijn vervoerd naar de vestigingsplaatsen van de VOC, meer dan het aandeel van Nederland in de trans-Atlantische slavenhandel. Zo’n 5 procent van hen werd verhandeld door de VOC, wat ongeveer overeenkomt met de eigen behoefte aan ‘compagnieslaven’. De rest van de slavenhandel was in handen van particulieren, onder wie ook personeel van de VOC. Verreweg de meeste slaafgemaakten waren in particulier bezit.14 De VOC zette slaafgemaakten in voor allerlei werkzaamheden, zoals aanleggen van wegen en versterkingen, laden en lossen van schepen, houthakken, timmeren op de scheepswerf van het eiland Onrust voor Batavia of mijnbouw, misschien wel het zwaarst denkbare werk.15 Op Banda, de enige eilandengroep waar nootmuskaat voorkwam, vestigde de VOC de eerste op slavernij gebaseerde plantagesamenleving.

De uit Delft afkomstige Adriaan Jacobsz van der Dussen (15921642) maakte in 1615 meer dan 400 mensen op het eiland Siauw tot slaaf en deporteerde hen naar het Bandanese eiland Pulau Ay voor het oogsten van nootmuskaat. Om de productie nog verder op te voeren en een monopolie te verkrijgen veroverde Jan Pietersz Coen in 1621 het grootste eiland Banda Besar met veel geweld. De oorspronkelijke bevolking werd voor het grootste deel vermoord of tot slaaf gemaakt, een klein deel wist te vluchten. De VOC stichtte hier plantages (perken), waarop het werk werd verricht door duizenden van elders aangevoerde slaafgemaakten, vooral uit ZuidIndia.16 Bij deze bloedige expeditie was ten minste één Delftenaar betrokken. Pieter, de zoon van de gewezen boelhuismeester Jan Cornelisz, diende als kwartiermeester op het schip Schiedam, in 1620 uitgereed door de Kamer Delft. Na terugkeer, in december 1624, machtigde hij zijn zuster om bij de VOC-Kamer Amsterdam zijn aandeel te gaan innen in de beloning voor de verovering van Banda.17 De Delftse predikant Philippus Baelde of Baldaeus (1632-1671) beschreef hoe mensen in Zuid-India tot slaaf gemaakt werden. Hij wilde net als zijn oom Robertus Junius eigenlijk predikant worden op Formosa, maar werd door de kerkenraad van Batavia naar Ceylon gestuurd. Daar waren troepen onder leiding van Rijklof van Goens in gevecht met de Portugezen.

Baldaeus volgde de oprukkende Van Goens van Ceylon, via het eiland Delft naar Zuid-India. Waar de bevolking door de Portugezen tot het katholicisme was bekeerd, moest Baldaeus proberen protestantse gemeenschappen te stichten. Hij vond dat hij zijn werk als predikant alleen kon doen door zich te verdiepen in de plaatselijke taal en cultuur. Postuum werd zijn beschrijving van de Malabar en Coromandel gepubliceerd, een werk dat hij had gemaakt met behulp van Gerrit Mosopatam. Dat zal een van zijn ‘slaven ofte dienaars’ zijn geweest; Baldaeus maakte er namelijk geen geheim van dat hij zelf ook slaafgemaakten in dienst had. Gerrit kwam in 1665 mee naar Nederland en staat ook op een portret dat Baldaeus van zichzelf liet schilderen door Johan de la Rocquette.18 Baldaeus beschreef onder meer hoe hij op 18 juli 1660 preekte in Negapatnam, in het Nederlands en het Portugees. De stad was nog niet vast in handen van de VOC en naburige vorsten probeerden hem te ontzetten. Een van hen had het gebied net ‘af-geloopen’, pagodes tot paardenstallen gemaakt en alles verwoest. De bewoners hadden geen eten én geen zaaigoed meer. Baldaeus schreef dat duizenden mensen naar de stad kwamen om zichzelf, hun vrouwen en hun kinderen te verkopen wegens de hongersnood en dat de straten bezaaid lagen met lijken.

Sommigen waren bereid om slaaf te worden alleen voor kost en inwoning, ‘de hooghste prijs was 4 a 5 gulden voor een mensch’. Circa 4000 tot 5000 mensen werden als slaafgemaakte naar Jafnapatnam vervoerd, eenzelfde aantal naar Colombo en enkele duizenden naar Batavia en elders.19 Gezien de onverwachte ‘buitenkans’ zullen voor het vervoer van al deze slaafgemaakten reguliere transportschepen zijn gebruikt. Speciale ‘slaafhaalders’, zoals de Kamer Amsterdam van de VOC die wel heeft laten bouwen voor het vervoer van grote aantallen slaafgemaakten, zullen niet 10

zomaar voorhanden zijn geweest.20 Het was heel gebruikelijk dat in het VOC-gebied ‘gewone’ schepen werden ingezet voor slaventransporten. De Delfland, gebouwd voor de Kamer Delft in 1717, voer enkele malen heen en weer tussen Nederland en Oost-Indië, maar werd na een aantal van dergelijke reizen vooral ingezet voor de binnen-Aziatische vaart. Zo werd het schip in 1734 van Batavia naar Madagascar gestuurd met handelswaar voor het inkopen van slaafgemaakten. Op de terugweg stierven behalve een aantal bemanningsleden 168 van de 283 slaafgemaakten door een uitbraak van pokken. De overlevenden werden afgeleverd bij de mijnen in Silida op Sumatra, waar goud en zilver werd gewonnen.21 In 1743 werd de bemanning van de Delfland het onderwerp van een strafrechtelijk onderzoek, onder meer naar illegale slavenhandel. Het schip moest van Batavia naar Tegal om rijst te laden, dan naar Banda om nootmuskaat te halen en vandaar terug naar Batavia. De hogere officieren aan boord besloten echter om een tussenstop te maken in Bantaeng op Zuid-Sulawesi, onder voorwendsel dat het schip lekkage had. Eenmaal daar kochten zij echter een grote partij rijst en 44 slaafgemaakten, die geboeid aan boord werden gebracht. De bedoeling was deze voor eigen gewin te verkopen op Banda. Zover kwam het echter niet.

Toen het schip vlak voor aankomst in Banda een nacht voor anker ging, kwamen de slaafgemaakten in opstand. De stuurman werd gedood, sommige bemanningsleden raakten gewond, anderen vluchtten. De slaafgemaakten zetten het schip aan de grond bij een naburig eiland en wisten zo te ontkomen. De Raad van Justitie te Batavia stelde een onderzoek in. Het verlaten van het schip was op zich al strafbaar, maar de aanleiding was dat ook: privéhandel door schepelingen was verboden, al gebeurde het op grote schaal. Ook andere VOCdienaren maakten zich hieraan schuldig. De bemanning verklaarde tijdens de rechtszaak namelijk dat zij de rijst en de slaafgemaakten hadden gekocht van de resident, de opperchirurgijn en de sergeant van Bantaeng. De Raad van Justitie veroordeelde de slaafgemaakten die nog konden worden opgepakt ter dood of tot geseling, brandmerking en 25 jaar dwangarbeid als kettingganger. De bemanningsleden werden ontslagen en mochten nooit meer voor de VOC werken. Zij werden onmiddellijk naar Nederland gestuurd en moesten onderweg werken voor de kost; eventuele tegoeden werden inbeslaggenomen. Onder de gestraften was kwartiermeester Arij Tertolen uit Delft. Hij had in 1723 als jongen zijn eerste tocht naar Batavia gemaakt, ook met de Delfland, en was enkele malen heen en weer gereisd.

Intussen had hij zelfs een bescheiden carrière gemaakt, maar in 1744 werd hij als crimineel naar huis gestuurd.22 Dankzij het feit dat de slaafgemaakten op de Delfland in opstand kwamen, krijgen we enig zicht op de omvangrijke particuliere slavenhandel. Die vond weliswaar plaats naast de officiële, gedocumenteerde slavenhandel van de VOC, maar wel met gebruikmaking van de schepen en het netwerk van de compagnie. 1.5 Oprichting en inrichting van de WIC Plannen om naar het voorbeeld van de VOC ook de Atlantische handel te organiseren, gingen de ijskast in toen met Spanje werd onderhandeld over een bestand. Na afloop van het Twaalfjarig Bestand in 1621 lag de weg vrij om ook een West-Indische Compagnie op te richten met een monopolie op handel en scheepvaart in het Atlantisch gebied. Verovering van handelsposten en koloniale bezittingen waren van begin af aan onderdeel van het werk van de WIC. De overzeese almacht van de Spanjaarden moest gebroken worden. Het initiatief voor de compagnie kwam ditmaal van de Staten van Holland, die aandrongen bij plaatselijke commissies om het benodigde kapitaal te vergaren. Het Delftse stadsbestuur stond achter de strijd tegen de Spanjaarden om de Republiek niet te laten ‘uytmergelen’.

De handelsbelangen gaven echter de doorslag om mee te doen, met veel animo voor de lucratieve suikerhandel en de zoutvaart.23 Net als bij de VOC had de WIC lokale bestuurskantoren: de Kamers Amsterdam, Zeeland, Noorderkwartier (Hoorn, Enkhuizen), Stad en Lande (Groningen) en De Maze (Delft, Dordrecht en Rotterdam). Amsterdam was de grootste met 4/9 aandeel, Zeeland bezat 2/9 en de overige drie elk 1/9. Omdat Delft binnen De Maze verantwoordelijk was voor 1/3 deel betekende dit dat Kamer Delft in principe stond voor een deelname van 1/27 in de WIC. Liefst 74 bewindhebbers waren over de Kamers verdeeld: twintig voor Amsterdam, twaalf voor Zeeland en voor de overige kamers elk 11

veertien. De overkoepelende macht lag bij de Heren XIX: negentien vertegenwoordigers van de afzonderlijke Kamers. De Kamers Amsterdam en Zeeland hadden ook hier het meest in de melk te brokken. Kamer De Maze had twee vertegenwoordigers, waardoor de kamers Delft, Dordrecht en Rotterdam per toerbeurt vertegenwoordigd waren.24 In 1630 nam de WIC het noordelijk deel van Brazilië in dankzij de Zilvervloot die Piet Hein had veroverd. De weg naar de suikerplantages lag open, wat een stimulans voor de overzeese handel betekende. De Portugezen probeerden uit alle macht hun kolonie terug te veroveren, waardoor voor de Republiek een tijd van continue strijd uitbrak, ook op de westkust van Afrika. De oorlogsvoering en de bescherming van handelsposten en koloniën drukten de verwachte hoge winsten. Al toen het eerste octrooi in 1646 afliep, werd gesproken over opheffing van de WIC of samenvoeging met de VOC. De WIC ging door, maar om kosten te besparen moest de organisatie inkrimpen. In 1651 werd besloten het aantal bewindhebbers te halveren, zodat Delft er nog maar twee overhield.25 De kantoren in Delft en Dordrecht raakten geleidelijk aan overbodig.

In 1669 viel het besluit om nagenoeg alle activiteiten van Kamer De Maze te concentreren in Rotterdam.26 In de tussentijd had Portugal Pernambuco in Brazilië heroverd (1654) en was het WICmonopolie uitgehold doordat de Staten-Generaal achtereenvolgens de handel op Brazilië, NieuwNederland en het Caribisch gebied vrijgaf. In 1674 maakte de WIC na financiële problemen een doorstart, ook wel bekend als de Tweede WIC. De organisatiestructuur werd vereenvoudigd, hoewel de opzet met de verschillende Kamers gelijk bleef. Het hoofdbestuur bestond voortaan uit tien vertegenwoordigers: de Heren X. De Kamer Amsterdam had vier zetels, Zeeland twee en de overige Kamers elk één. Het tiende lid was een afgevaardigde van de Staten-Generaal. De bewindhebberscolleges dienden ook in te dikken: Kamer De Maze ging van veertien naar zeven plekken.27 In deze afgeslankte vorm en enkel als handelsorganisatie bleef de WIC tot het derde kwart van de achttiende eeuw bestaan. Toen de WIC steeds vaker een beroep moest doen op de StatenGeneraal nam deze in 1791 alle aandelen over tegen 30 procent van de nominale waarde; de WIC werd failliet verklaard en opgeheven.28 Piet Hein en de Zilvervloot Tijdens hun eerste vergadering in 1623 bespraken de Heren XIX een groot aanvalsplan om de Spanjaarden en Portugezen van hun Atlantische gebieden en de Afrikaanse westkust te beroven: het Groot Desseyn.

De Delftse bewindhebber Adriaan van der Goes was als enige vertegenwoordiger van Kamer De Maze aanwezig bij die vergadering. Hij nam dus mede het besluit tot de aanvallen op de suikerplantages waar slavenarbeid de norm was en op de aanvoerhavens voor de hiertoe uit Afrika aangevoerde mannen en vrouwen.29 In datzelfde jaar trad de uit Delfshaven afkomstige Piet Hein (1577-1629) in dienst van de WIC. Hij was begonnen op de koopvaardij en werkte al zestien jaar voor de VOC. Hein voer onder meer mee met de veroveringsvloot van Pieter Willemszoon Verhoeff die de Portugese vestigingen in Goa en Mozambique moest aanvallen. Ook was hij betrokken bij de gewelddadige verovering van het specerijeneiland Banda Neira (1609). In de Banda-archipel voerde Hein daarna meerdere militaire expedities uit.30 Bij de WIC werd hij aangesteld voor de kaapvaart. Op zijn derde missie veroverde Hein in 1628 een Spaanse zilvervloot, zilver dat door slaafgemaakte Afrikanen en tot dwangarbeid gedwongen Inheemsen in de zilvermijnen was gedolven. Hij keerde terug met een buit ter waarde van ruim 11 miljoen toenmalige guldens. Hoewel er relatief weinig overbleef voor de WIC, gaf de verovering van de Zilvervloot wel de doorslag voor weer een nieuwe aanval op Brazilië.31 Hein vestigde zich in 1629 in Delft en huurde een huis op de plek van het tegenwoordige pand Oude Delft 171.

Enkele maanden later sneuvelde hij in een gevecht met Duinkerker kapers. Hij kreeg een staatsbegrafenis in de Oude Kerk, waar in 1638 een grafmonument voor hem werd opgericht.32

12

1.6 De WIC en slavernij In de jaren dat de WIC zich Brazilië had toegeëigend (1630-1654) ontpopte de compagnie zich hier tot een drijvende kracht achter de op slavernij gebaseerde suikerplantages. Er werd een Nederlandse kolonie gesticht met de naam Nieuw Holland, met vanaf 1636 de onervaren Johan Maurits van Nassau-Siegen aan het hoofd als gouverneur-generaal. Hij moest de gekoloniseerde slavensamenleving vormgeven. In zijn gevolg kreeg hij een Hoge en Secrete Raad met drie ervaringsdeskundigen: Mathias van Ceulen van Kamer Amsterdam, Johan Gijsselingh van Kamer Zeeland en de eerdergenoemde Delftenaar Adriaan Jacobsz van der Dussen van Kamer De Maze. De eerste twee hadden bestuurlijke ervaring opgedaan in Brazilië, de derde in Oost-Indië.33 Zij kregen mede de taak om in Brazilië een hofhouding op te bouwen die voornamelijk bestond uit tientallen slaafgemaakten – zowel voor de WIC als voor Johan Maurits persoonlijk.34 Dat legde laatstgenoemde geen windeieren. Met de suikeropbrengsten uit Brazilië liet hij in Den Haag het Mauritshuis bouwen. Adviseur Van der Dussen was een telg uit een Delftse regentenfamilie, de tiende zoon van Jacob Bruijnsz van der Dussen en Cornelia Fransdr Duyst van Santen. Hij had in 1636 al een flinke koloniale carrière achter de rug, en zeker geen smetteloze.

Van der Dussen was in zijn VOC-tijd tweemaal ontslagen, de eerste keer wegens onzedelijk gedrag en de tweede keer omdat hij te hard optrad tijdens een opstand op het Bandanese eiland Pulau Ay. Toch wist hij telkens terug te keren als koopman of bestuurder. Zijn familiebanden zullen hem ongetwijfeld geholpen hebben. Van der Dussens trouwde in 1625 met de weduwe Helena Leenders Besemer uit Enkhuizen. Hij huwde vanuit het ouderlijk huis op het Bagijnhof en vertrok daarna naar Rotterdam waar hij onder meer WICbewindhebber werd voor Kamer De Maze.35 Met een vaste stek in Brazilië zochten de Heren XIX naar een manier om aan slaafgemaakten te komen. Daartoe zetten ze hun zinnen op het Portugese bastion fort Elmina op de Goudkust (nu Ghana) dat de WIC in 1637 wist in te nemen. Na de verovering van het slavenstation waar Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen naartoe gebracht en opgesloten werden, pakte de WIC de slavenhandel steeds systematischer aan. Toen de WIC in 1641 ook de stad Luanda (in Angola) en de eilandengroep São Tomé en Principe in de Golf van Guinee veroverde, nam de slavenhandel fors toe.

Hoewel de vraag in 1645 stokte doordat Portugese kolonisten in Brazilië in opstand kwamen, werden er onder Nederlandse vlag bijna 28.500 Afrikanen op schepen ingeladen om op de suikerplantages in Brazilië te werken; nog geen 23.500 van hen haalden levend de overzijde van de oceaan.36 Toen Portugal in 1654 Brazilië heroverde, viel deze afzetmarkt weg. Het aan de westkust van Afrika opgebouwde systeem waarbij slaafgemaakten bijeengedreven, gevangengehouden en uiteindelijk naar de overkant van de Atlantische Oceaan werden gebracht bleef echter in stand. Inmiddels was een aantal Caribische eilanden veroverd waar slaafgemaakten te werk werden gesteld, en deed de WIC ook aan intra-Caribische slavenhandel.37 Fort Elmina bleef daarvoor de belangrijkste uitvalsbasis, zeker toen Luanda weer in handen van de Portugezen kwam. In de jaren 1660 werden Curaçao en Suriname nieuwe belangrijke bestemmingen voor de slavenvaart onder Nederlandse vlag. Ten tijde van de Tweede WIC nam de driehoekshandel een grote vlucht. Handelaren in de Republiek brachten goederen naar de Afrikaanse westkust. Daarmee kochten ze slaafgemaakten in aan de zogenoemde Slavenkust (nu Benin en Zuidwest-Nigeria). Met gemiddeld 500 personen per schip werden de slaafgemaakten naar Curaçao getransporteerd dat fungeerde als doorvoerhaven voor de verkoop naar Noord- en Zuid-Amerika en de Cariben.

Uit Afrika aangevoerde gezinnen hadden ook hier weer de kans uiteengerukt te worden, via slavenmarkten individueel verkocht aan de hoogste bieder. Voor de derde reis van de driehoek (de retourvaart) vulden de schippers hun vaartuigen met plantageproducten als koffie, suiker en tabak. 1.7 De Sociëteit van Suriname en particuliere slavenhandel Suriname was in 1667 in handen van de Republiek gekomen in ruil voor het afstaan van NieuwNederland aan Engeland, evenals het eiland Run (Molukken) en enkele forten aan de WestAfrikaanse kust, en stond onder gezag van de Staten van Zeeland. Vanaf 1682 was Suriname in bezit van de WIC. Omdat dit met zich meebracht dat de WIC verplicht was om jaarlijks voldoende 13

arbeidskrachten te leveren, werd een jaar later al een andere constructie gekozen. De Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname werd eigenaar. Hierin hadden de WIC, de stad Amsterdam en de Amsterdamse koopman Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck elk een derde aandeel. De Sociëteit was geen louter Amsterdamse aangelegenheid. Vrijwel van begin af aan zat er ook een Delftenaar in het bestuur. Hugo Adriaansz van ’s-Gravesande (1633-1699) was brouwer in De Dubbele Sleutel aan de Oude Delft (nu nummer 93) en was al enkele malen burgemeester van de stad geweest toen hij in juni 1683 als WIC-bewindhebber de vertegenwoordiger van Kamer De Maze werd in de Sociëteit van Suriname.38 Op de eerste vergadering waarbij hij aanwezig was, besloten de heren om de WIC opdracht te geven (en van geld te voorzien voor) het uitreden van twee slavenschepen.39 Nog directer was Van ’s-Gravesande in de weer met slavenhandel toen hij in 1695 als WIC-bewindhebber een bevrachtingscontract afsloot en ondertekende voor het leveren van vijfhonderd ‘swarte slaven’, voor een derde deel vrouw en twee derde deel man.40 Er zouden nog vele slaafgemaakten volgen.

Tussen 1683 en 1707 werden ruim 23.000 slaafgemaakte Afrikanen naar Suriname verscheept.41 Hoewel de WIC formeel alleenrecht had op slavenhandel waren het vanaf de jaren 1640 in toenemende mate particuliere handelaren die de trans-Atlantische slavenreizen organiseerden. Zij opereerden op de internationale markt als privéhandelaren, soms ook wel samen met de WIC en/of de Sociëteit van Suriname. De interesse van de handelaren kan deels verklaard worden uit de ontwikkeling van Suriname als plantagekolonie, maar meer nog door het asiento de negros dat de WIC via een tussenhandelaar verwierf: het alleenrecht om slaafgemaakten aan de Spaanse kroon te leveren. De Spanjaarden spraken daarbij een vaste prijs af voor de levering van duizenden slaafgemaakten in hun koloniën.42 Nederlandse handelaren sprongen daar gretig op in. In het derde kwart van de zeventiende eeuw, tussen 1651 en 1675, waren Nederlandse kooplieden zelfs de grootste slavenleveranciers in het Atlantische gebied. Naar schatting 100.000 slaafgemaakten werden in die krap 25 jaar uit Afrika vervoerd, waarvan niet meer dan ongeveer 80.000 de oversteek overleefden.43 In 1685 kwam de Delftenaar Adriaan Fijcq, WIC-bewindhebber en burgemeester, met andere bewindhebbers naar Amsterdam om een contract af te sluiten met Balthasar Coijmans.

Coijmans had in dat jaar een nieuw asiento de negros verworven en had afgesproken in vier opeenvolgende jaren telkens 3000 ‘negros slaven’ naar het Caribisch gebied te vervoeren. De WIC zou de schepen regelen en voldoende cargazoen (uitgaande handelswaar) leveren om eerst langs de Afrikaanse kust te kunnen handelen, en dan op Curaçao of een andere locatie de slaafgemaakten af te leveren. In vier jaar tijd moest dit 12.000 slaafgemaakten voor de Spaanse plantages opleveren.44 De WIC bezat lange tijd het monopolie op de slavenhandel tussen Afrika en Zuid-Amerika. Nadat in 1730 de handel op Afrika werd vrijgegeven, volgde in 1738 ook vrijstelling voor handel op het Caribisch gebied. De Heren X besloten de slavenhandel te beperken. Niet uit menselijk mededogen, maar uit winstoogmerk. De prijs van suiker, het product waarmee vaak in natura werd betaald, daalde namelijk fors.45 Particuliere handelaren, vooral uit Zeeland, namen de driehoekshandel over.46 Aan de slavenhandel verdiende de WIC daarna nog wel, maar dan indirect. Hoofden van forten en factorijen mochten sinds 1740 tot slaafgemaakten aan particuliere handelaren verkopen. De WIC ontving dan 20 gulden per verkochte Afrikaan.47 Na een misoogst in 1770 verkocht de familie Van Aerssen haar aandeel uit de Sociëteit van Suriname aan de stad Amsterdam, die de helft daarvan snel weer doorverkocht aan de WIC.

Toen kort daarna een grote beurscrisis plaatsvond, kwamen veel plantagehouders én de WIC in problemen.48 In 1795 werd ook de Sociëteit van Suriname ontbonden.

14

2 Bestuur: banden tussen het stadsbestuur van Delft en de VOC en de WIC De bewindhebbers van de Delftse Kamers van de VOC en de WIC werden benoemd door de burgemeesters van Delft, op voordracht van de hoofdparticipanten, de grootste geldschieters van de compagnieën. Het is dus zaak na te gaan wie dit waren en welke banden er tussen hen bestonden. Ten slotte behandelen we in dit hoofdstuk een onderdeel van het stadsbestuur dat heel direct te maken had met de praktijken in het VOC-gebied: de Weeskamer. 2.1 Het Delftse stadsbestuur in de zeventiende en achttiende eeuw49 Tot 1795, in de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, lag het dagelijks bestuur van Delft in handen van een college van vier burgemeesters. De rechtspraak werd uitgeoefend door de schepenbank, bestaande uit zeven schepenen en de schout. De schout was voorzitter en aanklager, de schepenen wezen vonnis. De schout, burgemeesters en schepenen van Delft werden benoemd door de stadhouder van Holland. De ambtsperiode van de schout varieerde van drie jaar tot soms wel levenslang. De burgemeesters en schepenen werden telkens benoemd voor één jaar. Zij werden voorgedragen door de Veertigraad, een kiescollege van veertig mannen dat zichzelf bij vacature mocht aanvullen.

Uit eigen midden koos de Veertigraad een thesaurier, die onder toezicht van de burgemeesters de stedelijke financiën beheerde, twee havenmeesters, verantwoordelijk voor de openbare werken, en drie weesmeesters, die de Weeskamer bestuurden waarover meer in 2.6. In de bijna twee eeuwen van 1618 tot 1794 hebben slechts 377 mannen in de Delftse Veertigraad gezeten. Zij behoorden tot een beperkt aantal voorname families, die onderling de bestuurlijke baantjes verdeelden. Stadsbestuurders vormden ook om andere redenen een uiterst select gezelschap. Behalve man moesten zij ook vermogend zijn. Alleen de rijksten konden het zich permitteren om hun tijd te besteden aan bestuursfuncties. Die waren immers in principe onbezoldigd, er stonden alleen presentiegelden tegenover en bescheiden vergoedingen voor het verrichten van bepaalde handelingen. Bovendien waren alle bestuurders gereformeerd, ten minste in naam. Sinds de Reformatie waren katholieken uitgesloten van deelname aan het stadsbestuur en zelfs bepaalde protestantse groepen zoals remonstranten waren niet welkom. Het traditionele regentenbewind én de stadhouder kwamen tegen het einde van de achttiende eeuw onder vuur te liggen van zogenoemde patriotten. Met hulp van Franse troepen maakten zij in 1795 een einde aan de Republiek, waarna politiek een roerige periode volgde.

Met de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1813 veranderde het staatsbestel, maar bleven de traditioneel machtige families vooralsnog de dienst uitmaken in de stad. 2.2 Benoeming van VOC-bestuurders De Delftse voorcompagnie werd in 1602 geïntegreerd in de VOC. De twaalf participanten werden allen bewindhebber van de Kamer Delft. Het waren leden van de families Meerman (3x), Van Lodensteijn (2x), Raedt, Van der Dussen, Boogaert, Sasbout, Van Willigen, Balbiaen en Dedel (zie bijlage 1). Hun aantal moest uitsterven tot zeven, zodat pas in 1617 voor het eerst een vacature ontstond. Verkiesbaar waren zogenoemde hoofdparticipanten die een aandeel van ten minste 3000 gulden bezaten. Pieter Cleijmentsz van Bleijswijck, voorgedragen in 1617, bezat niet voldoende aandelen, maar op belofte dat hij ze zo spoedig mogelijk zou kopen, werd hij toch alvast benoemd. De keuze en de benoeming gebeurde tot 1749 door de burgemeesters uit een drietal dat was voorgedragen door de zittende bewindhebbers en de hoofdparticipanten. Net als bij andere belangrijke ambten was zo’n voordracht doorgaans voorgekookt. De burgemeesters kozen namelijk altijd de voorkeurskandidaat van de Kamer, die op het lijstje van drie alvast was onderstreept.

In 1750 probeerden de Staten van Holland en West-Friesland de invloed van de stadsbesturen te beperken door de stadhouder aan te stellen tot opperbewindhebber en hem de exclusieve bevoegdheid te geven om nieuwe bewindhebbers te benoemen. Dit veranderde de gang van zaken nauwelijks, want de bewindhebbers hadden voldoende contacten aan het hof om ook daar de 15

gewenste benoemingen voor elkaar te krijgen. Dat bleek overduidelijk toen begin 1755 drie bewindhebbers tegelijk aftraden: Adriaan van Vredenburch, Arent van der Dussen en Paulus Teding van Berkhout. Van Vredenburch noteerde in zijn geschriften over de gang van zaken bij de Kamer Delft dat deze drie op 4 maart bijeenkwamen en afspraken wie zij als kandidaat-opvolgers op de nominatie zouden zetten – zij passeerden dus willens en wetens de participanten.50 Op 21 maart 1755 overhandigde een delegatie van de Kamer een nominatie van drie drietallen aan de burgemeesters. President-burgemeester De Veer ging naar Den Haag om de mening te peilen van Anna van Hannover, moeder en gouvernante van de piepjonge stadhouder Willem V. Zij verklaarde dat zij nog altijd positief stond tegenover ‘de drie heeren welke met haar communicatie hadden gesolliciteert’.51 Met andere woorden: de bewindhebbers hadden bij het hof al geregeld wie de nieuwe bestuurders zouden worden. En zo werd Van Vredenburch opgevolgd door zijn zoon Gerard, Van der Dussen door zijn zoon Hendrik, en Teding van Berkhout, die zelf geen zoon had, door zijn neef Johannes Pietersz Teding van Berkhout. Afstemming met het hof werd de staande praktijk, zo bleek toen in 1758 weer een vacature moest worden vervuld. Adriaan Boogaert van Belois meldde zich bij de burgemeesters met een nominatie van drie kandidaten.

Nog voordat de envelop was opengemaakt, verklaarde hij dat hij zelf bij de gouvernante had gesolliciteerd en dat zij hem steunde.52 Bewindhebbers ontvingen tot 1647 een percentage van de uitgaven en winsten. Dit werkte misbruik in de hand, omdat zij belang hadden bij het opvoeren van de kosten. Sindsdien ontvingen bewindhebbers van de kleine Kamers een vast salaris van 1200 gulden per jaar (in Amsterdam 3100, in Zeeland 2600), plus een portie specerijen. Alle gemaakte onkosten werden vergoed en voor extra werkzaamheden kreeg een bewindhebber ook extra betaald. Gerard van Vredenburch beurde zo in 1761 boven zijn jaarsalaris 4546 gulden aan emolumenten.53 De Delftse burgemeesters en schepenen kregen van de Kamer van de VOC jaarlijks een presentje in de vorm van specerijen, ter waarde van 30 gulden. 2.3 Benoeming van WIC-bestuurders Wie in aanmerking wilde komen voor een aanstelling als WIC-bewindhebber moest als hoofdparticipant voor minimaal 4000 gulden inleggen. Dat was hoger dus dan bij de VOC. Bij de Tweede WIC was een inleg van 2800 gulden genoeg om tot bewindhebber gekozen te kunnen worden.54 Kamer De Maze had bij de oprichting van de WIC veertien bewindhebbersplaatsen te verdelen, zes hiervan waren voor Delft gereserveerd. De burgemeesters benoemden nieuwe bewindhebbers, daarbij kiezend uit een door de hoofdparticipanten opgestelde voordracht van drie kandidaten.

De bewindhebbers werden voor het leven benoemd. De meesten bleven ook tot hun dood in het zadel. Enkelen stopten eerder vanwege ouderdom of omdat ze bewindhebber bij de VOC werden. Zo’n dubbelfunctie was niet toegestaan.55 Tot viermaal toe stopte een bewindhebber om die reden: Maarten Pietersz van Hoogenhouck, Johan Fransz Meerman, Maarten Francoz van Bleijswijck en Adriaan Boogaert van Belois stapten van de WIC over naar de VOC. Omgekeerd kwam een dergelijke overstap niet voor. Hoewel uit recent onderzoek blijkt dat de Atlantische handel en de handel op Azië elkaar qua omvang niet zoveel ontliepen, gold een bewindhebberschap bij de VOC in de achttiende eeuw als een meer lucratieve en daardoor statusverhogende positie.56 Omdat het Delftse kapitaal voor een deel van Haagse investeerders kwam, had Den Haag inspraak bij twee van de zes bewindhebbersplaatsen. Haagse hoofdparticipanten maakten twee voordrachten. Uit de ene koos het Hof van Holland in samenspraak met het Haagse stadsbestuur een bewindhebber. Van de andere wezen de gezamenlijke hoofdparticipanten uit Den Haag en Delft iemand aan.

De Haagse hoofdparticipanten opereerden als een soort onderafdeling met de naam Haagsche Sociëteit.57 Dat was iets anders dan het Haagse Besogne, een door de Heren X ingestelde commissie die contacten onderhield met leden van de Staten-Generaal en andere hoogwaardigheidsbekleders in Den Haag.58 De Haags/Delftse keuze viel bij de start van de WIC op een Delftenaar. Zodoende benoemden de burgemeesters van Delft per 1 september 1623 vijf bewindhebbers, onder wie een brouwer, een 16

korenkoopman en een handelaar in buskruit. Dat het een aangelegenheid van het stadsbestuur was, blijkt nog eens te meer uit het feit dat het alle vijf veertigraden waren onder wie één zittende en één toekomstige burgemeester. Pieter Anthonisz van den Heuvel was twee jaar eerder als burgemeester aangesteld, Adriaan Andriesz van der Goes zou dat ambt vanaf 1624 bekleden. (zie bijlage 2) De eerstvolgende vrije plek ging in 1634 naar oud-burgemeester Arent Jacobsz van der 59 Graeff. Kort daarna werd Boudewijn de Man benoemd, binnen dit gezelschap een enigszins opvallende verschijning. De Man was ontvanger van de gemene middelen (belastinginner) en bezat een flink kapitaal, maar bekleedde geen functie in het stadsbestuur. Daar kwam bij dat zijn reputatie als belastingontvanger niet vlekkeloos was. Zijn carrière eindigde in 1643 in een faillissement. Tot die tijd had hij zijn geld vooral uitgegeven aan een grote kunstverzameling die na het faillissement voor duizenden guldens werd verkocht. Hierbij zat werk van kunstenaars als Hendrick Goltzius, Jan van Scorel en Rembrandt. De woning van De Man op Oude Delft 126 werd voor bijna 20.000 gulden verkocht. Zijn bewindhebbersplek raakte deze gewezen belastingontvanger toen eveneens kwijt.60 Na de inkrimping van de organisatie in 1651 telde de Delftse afdeling nog maar drie bewindhebbers, waarvan één uit Den Haag.

In de jaren voordien was al geen nieuwe bewindhebber aangesteld, zodat de twee zittende Delftenaren konden aanblijven. Voor Den Haag bleef alleen de door het Hof van Holland gekozen bewindhebber over; de plek van de in 1651 overleden Haagse bewindhebber Willem Schadee viel af.61 Mede door discussies over wanneer er een Haagse of een Delftse bewindhebber gekozen mocht worden, is niet altijd duidelijk wie voor welke stad werd aangesteld. Ook duurde het soms jaren voordat een nieuwe bewindhebber aantrad. Bij de Tweede WIC mocht het bewindhebberscollege maar voor één derde uit oude bewindhebbers bestaan, voor één derde uit aandeelhouders (hoofdparticipanten) en voor één derde uit obligatiebezitters. De ‘oude’ bewindhebbers moesten plaatsmaken voor vers bloed. Wanneer iemand overleed of afstand deed van zijn plek dan moest de nieuwe bewindhebber uit de kring van de hoofdparticipanten afkomstig zijn. Zij droegen voortaan één kandidaat voor; de burgemeesters konden niet meer kiezen. Zo’n nieuwe benoeming viel onder andere Johan van Segvelt (schepen van Schieland) en Adriaan Swalmius (notaris in Delft) ten deel. Hoewel zij niet tot de Delftse Veertigraad behoorden, behoorden ook zij tot de kring van invloedrijke burgers.62 Na 1750 kreeg de stadhouder ook bij de WIC een stevige vinger in de pap bij de benoemingen.

De Delftse burgemeesters noteerden in 1759 voor het laatst een verkiezing van een WIC-bewindhebber: Adriaan Adriaansz Weveringh.63 De drie daaropvolgende bewindhebbers werden door de stadhouder aangewezen, maar veel veranderde er niet. In 1769 viel de keuze op Adriaan Jacobsz van der Lelij als opvolger van zijn vader Jacob Adriaansz van der Lelij. Ook de laatstbenoemde bewindhebber, Maximiliaan van ’s-Gravesande, in 1783 was weinig verrassend. Zijn vader Cornelis Cornelisz van ’s-Gravesande was participantsbewindhebber geweest. Opvallender was in 1773 de benoeming van Pieter Hendriksz Clifford Kocq (1716-1789), niet verwant aan een van de oude Delftse regentengeslachten. Clifford Kocq was een schipperszoon uit Zuiderwoude en had in navolging van zijn vader carrière gemaakt in Suriname.64 Met vrouw en kinderen vestigde hij zich in 1753 in Delft, waar hij enkele jaren later werd opgenomen in de Veertigraad. Hij was eerst bewindhebber, pas zes jaar later werd hij burgemeester. 2.4 Overlap tussen stadsbestuur en compagniebesturen VOC Er is een complete lijst van bewindhebbers van de VOC-Kamer Delft beschikbaar. Leggen we die naast de lijst van leden van de Veertigraad, dan blijkt hoe groot de verwevenheid tussen beide colleges was. -

Van de twaalf bewindhebbers die hun ambt dankten aan participatie in de voorcompagnie waren er drie al lid van de Veertigraad, twee werden het later. 17

-

Van de 65 bewindhebbers die vanaf 1617 werden verkozen door de burgemeesters, waren er 58 op enig moment lid van de Veertigraad, ofwel 89 procent. Liefst 49 van de 58 waren al lid van de Veertigraad toen zij werden verkozen als bewindhebber. Na 1699 kwam het nooit meer voor dat iemand van buiten de Veertigraad tot bewindhebber werd benoemd.

Net als in de Veertigraad zorgden ook in het college van VOC-bewindhebbers enkele dominante families ervoor dat zij goed vertegenwoordigd bleven.65 -

Dirk Bruijnsz van der Dussen was bewindhebber van 1602 tot 1623, en werd in die functie opgevolgd door zes nazaten; de laatste overleed in 1765. De families Meerman en Van Bleijswijck leverden elk zes bewindhebbers. De families Boogaert van Belois en Van der Goes elk vier. De families Pauw en Van Lodensteijn elk drie. Van 1729-1781 waren vader, zoon en kleinzoon Van Vredenburch bewindhebber.

Zowel in de Veertigraad als in het college van bewindhebbers van de VOC gold dat vader en zoon niet gelijktijdig lid mochten zijn, maar elkaar wel konden opvolgen. Een vader mocht wel tegelijk met zijn schoonzoon Veertigraad of bewindhebber zijn, dus huwelijkspolitiek was een belangrijk instrument om familiebelangen te bestendigen. Omgekeerd kon ‘introuwen’ in een familie van veertigraden en/of bewindhebbers een positie in het bestuur opleveren. Zo dankten de families Van Bleijswijck en Boogaert van Belois de verkrijging van hun bewindhebbersdynastie aan de vrouwelijke lijn. Jan Jansz van Lodensteijn was bewindhebber sinds de oprichting van de VOC in 1602. Hij deed op 1 september 1625 afstand van zijn ambt. Op 21 november werden twee nieuwe bewindhebbers benoemd: Geraldo Welhouck en Ewout Evertsz van Bleijswijck. De eerste was getrouwd met Van Lodensteijns dochter Maria, de tweede was een broer van zijn tweede vrouw Maria van Bleijswijck. Welhouck had geen zoons. Hij deed in 1656 afstand van zijn ambt ten behoeve van Adriaan Nicolaasz Boogaert van Belois – getrouwd met zijn dochter Anna. WIC Ook de banden tussen het stadsbestuur en de WIC-Kamer Delft waren hecht, zo blijkt uit het vergelijken van de namen van de bewindhebbers en die van de Veertigraad. -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://delft.notubiz.nl/document/12900498/1#search=%22slavernijverleden%22