CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport slavernijverleden van Delft

Commissie Economie, Financiën en Bestuur 28 september 2023, gemeente DelftBij agendapunt: Bijeenkomst onderzoeksrapport slavernijverleden51.246 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

Zijn mening over slavernij was anno 1827 overduidelijk: ‘Het is aan dien gedwongen doch nuttigen arbeid, dat wij den bloei en welvaart van den koophandel over het algemeen, zoo wel als van onze Oost- en West-Indische bezittingen in het bijzonder, te danken hebben.’ Swaving werkte aan de Artillerie- en Genieschool, en woonde van 1815 tot 1825 op Oude Delft 189. We kennen hem en zijn turbulente leven door de vijfdelige autobiografische avonturenroman die hij schreef. Dat deed Swaving nadat hij Delft in allerijl had verlaten: vermomd in vrouwenkleding op de vlucht voor de politie. Daar moeten veel Delftenaren weet van hebben gehad. Alleen daarom al mag verwacht worden dat zijn boeken – die vanaf 1827 in Dordrecht werden uitgegeven – hier goed gelezen werden.344 De domineeszoon uit Naarden verhaalde in zijn boeken onder meer over de jaren die hij in Berbice (1807-1812) doorbracht. Hij schreef over de uitwassen op de plantages en het racisme dat ook zijn eerste echtgenote ervoer. Deze Wilhelmina Balk (1787-1808) was de dochter van een rijke plantagehouder en de Afrikaanse vrijgemaakte slavin Kaatje. Swaving leerde Wilhelmina kennen toen zij in Amsterdam op kostschool zat. Toen haar vader overleed, erfde het echtpaar plantage De Vriendschap in Berbice.

Daar ontmoette Swaving zijn schoonmoeder Kaatje, over wie hij schreef dat zij ‘zoo onmenschelijk van hare bloedverwanten afgescheurd’ en ‘met den naam haars eigenaars op den arm gebrandmerkt’ toch wel ‘het beklagelijkste schepsel’ op aarde was. Swaving leek vast van plan het op hun plantage anders te doen. De zwepen van de ‘bomba’s’ (zwarte opzichters) werden verbrand en ook strafmiddelen als de ketting en het blok gingen in de ban. Swaving verplaatste zich dus in de gevoelens van de slaafgemaakten, hij huwde een vrouw die als ‘mulattin’ een uitzonderingspositie bezat en hij had de mogelijkheid om op zijn plantage ook werkelijk iets te veranderen. Maar bij de anti-slavernijbeweging sloot hij zich niet aan – dat was voor hem vermoedelijk een stap te ver. Het experiment om zonder dwang op de plantage te werken mislukte al snel, hij zette het werk daar voort op oude voet. Toen zijn echtgenote overleed, vergreep hij zich volgens eigen zeggen aan de slaafgemaakte vrouwen in Berbice. Ook financieel maakte Swaving er een puinhoop van. Hij probeerde onder een door hemzelf vastgelegde vergoeding voor zijn Afrikaanse schoonmoeder uit te komen en hij ontvluchtte berooid de plantage. Enkele jaren later dook hij dus in Delft op waar hij docent werd aan de Artillerie- en Genieschool. In het debat over de afschaffing van slavernij vond zijn boek misschien wel enige weerklank.

Maar dan vermoedelijk vooral bij degenen die er weinig heil van verwachtten, zoals hij het in het hiervoor vermelde citaat al samenvatte. De afschaffing van de slavernij – zowel rond de Atlantische als rond de Indische Oceaan – zou te veel Nederlanders in armoede storten, het systeem werd als too big to fail beschouwd. 6.3 Afschaffing slavernij In 1814 werd wel de slavenhándel afgeschaft, in navolging – en onder druk – van de Engelsen die dit in 1808 bij wet vastlegden. Daarna bleef het voornamelijk stil rond dit thema in Nederland.345 Toen Groot-Brittannië in 1833 ook de slavernij afschafte en Frankrijk in 1848 volgde, kon Nederland niet achterblijven. Een van de redenen die voorheen gebezigd was, namelijk dat als één land ermee stopte het systeem toch door zou gaan, had nu geen waarde meer. Vanaf 1853 boog een staatscommissie 63

zich over de afschaffing van slavernij in de koloniën. Zuur genoeg stond hier vooral de verlangde compensatie voor plantagehouders, investeerders en eigenaren van slaafgemaakten op het programma. Delftenaren konden in de krant lezen over de vorderingen. In de Delftsche Courant verschenen af en toe berichten over de behandeling van het wetsvoorstel afschaffing slavernij. In 1860 stond er voor het eerst een oproep in de krant voor een bijeenkomst van de Delftse afdeling van de Nederlandse Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing der Slavernij, een in 1841-1842 opgericht gezelschap op initiatief van het Réveil. Vermoedelijk was er eerder nog geen Delftse afdeling. Loco-secretaris A.W.F. van der Hegge Spies ondertekende de uitnodigingen voor bijeenkomsten in de Stadsdoelen. Enkele maanden later bleek de rijksontvanger die op Koornmarkt 18 woonde ook de penningmeester te zijn, toen hij een gift van 100 gulden ontving die in de Oude Kerk bij een collecte was ingezameld.346 Toen de kogel eenmaal door de kerk was en de slavernij in 1860 in delen van Nederlands-Indië was afgeschaft nam ook het animo voor de afschaffingsvereniging toe. In 1861 was de afdeling Delft uitgebreid met ‘Westlandsche en andere dorpen’. Dominee A.H. Broens was als secretaris de gelederen komen versterken.

Hij was ook degene die in oktober 1862 een vergadering in de Stadsdoelen uitriep om de afdeling te ontbinden, zoals ook de landelijke Maatschappij zou doen. Kort daarvoor was bekend geworden dat slavernij ook in de Caribische gebieden zou worden afgeschaft.347 Bij de opheffing van de Delftse afdeling ging dominee J.A. Schuurman voor in een dankdienst in de Waalse kerk. Er werd geld ingezameld voor de nu op te richten afdeling van de Maatschappij ter Bevordering van het Godsdienstig Onderwijs onder de Inlandse Bevolking der Kolonie Suriname.348 Slavernij leek passé, maar het koloniaal denken was nog springlevend. Onder de bestuurders van deze nieuwe vereniging zien we overigens een aantal bekende namen: A.W.F. van der Hegge Spies en dominee A.H. Broens die hun werk voortzetten, maar ook A.F.L. Bichon van IJsselmonde, H.J. Hoogeveen, A.M. Schagen van Leeuwen én J.J. Rammelman Elsevier – de voormalige gouverneur van Curaçao die juist in deze periode een compensatie ontving voor de laatste slaafgemaakten die hij nog in bezit had.349 6.4 Emancipatie De term emancipatie klinkt positief. Het betrof immers vrijmaking van de slaafgemaakten in de koloniën. Maar de papieren neerslag getuigt van een kille administratieve operatie. In NederlandsIndië kregen de eigenaars een financiële vergoeding die afhankelijk was van de leeftijd van degene die zij vrijlieten.

Bij brief van 17 september 1860 deed de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië verslag aan het ministerie van Koloniën over het resultaat van de emancipatie-actie. Er waren 1777 slaafgemaakten vrijgelaten op Java en Madoera en 2958 in de ‘buitenbezittingen’, onder meer 504 op Banda. Voor 4152 van de 4735 vrijgelatenen was een ‘schadevergoeding’ betaald aan hun voormalige eigenaars. In totaal was 784.008 gulden uitgekeerd, gemiddeld 189 gulden per vrijgelatene. De gouverneur-generaal voegde verslagen van beoordelingscommissies in de verschillende residenties als bijlagen bij zijn brief. Slechts een enkele keer zit daar ook een lijstje bij met gecompenseerde eigenaren. In Japara, op het noorden van Java, kreeg tabakshandelaar Emile Jules Ferdinand Bousquet compensatie voor de vrijlating van vijf slaafgemaakten: Alima (54 jaar, 100 gulden), December (23 jaar, 350 gulden), Annetta (21 jaar, 350 gulden), Dina (17 jaar, 220 gulden) en Morissa (6 jaar, 100 gulden).350 Bousquet was in 1811 in Delft geboren als zoon van de zeepzieder Isaak Bousquet aan de Voorstraat. Hij huwde in 1836 in Batavia met Wilhelmina Barthold; hun zoon Isaak trouwde in 1861 in Delft.351 Vlakbij Japara lag Semarang, vanwaaruit verslag werd gedaan door resident Dirk Carel August van Hogendorp, de kleinzoon van de hiervoor genoemde Dirk van Hogendorp.

Het aantal aangevraagde compensaties was verrassend laag, constateerde schrijver Reggie Baay enkele jaren geleden. Hij veronderstelde dat dit kwam omdat de aanmeldingstermijn onverwacht werd bekort. Bovendien gold de compensatie alleen voor officieel geregistreerde slaafgemaakten en waren er veel ongeregistreerden. Zijn argument dat het alleen ging om Java en 64

Madoera snijdt geen hout, want zoals vermeld werden ook in de buitengewesten slaafgemaakten vrijgelaten. Dit versterkt overigens wel zijn constatering over het geringe aantal vrijgelatenen.352 De zogenoemde ‘Emancipatieregisters’ uit de koloniën in het Caribisch gebied lijken wel volledig te zijn. Wie in 1862 nog slaafgemaakten bezat, werd gevraagd hun namen door te geven. Dat leidde tot borderellen met de gegevens van 34.442 slaafgemaakten en hun eigenaars. Die laatsten hadden met succes gelobbyd voor een financiële compensatie: 300 gulden per slaafgemaakte in Suriname, 200 gulden per slaafgemaakte op Aruba, Bonaire, Curaçao, Sint Eustatius en Saba, en 150 gulden per slaafgemaakte op Sint Maarten. Als klap op de vuurpijl werd tien jaar staatstoezicht ingesteld, een regeling waarbij de geëmancipeerde slaafgemaakten nog tien jaar lang voor hun voormalige eigenaren moesten werken. De maatregel was bedoeld om leegloop van de plantages te voorkomen, ook hier stond het belang van de voormalige eigenaars voorop.353 In de emancipatieregisters van Suriname en de Nederlandse Antillen komen drie slaafgemaakten voor met een naam die rechtstreeks naar Delft lijkt te verwijzen; tussen haakjes staat de door de eigenaren gebruikte ‘slavennaam’. David Delft (Geluk, 58 jaar) en Eva Delft (Charmantje, 62 jaar) waren broer en zus, ze verbleven op plantage Cannawapibo (Boven Commewijne).

De eigenaren die voor hen een vergoeding ontvingen kunnen niet aan Delft gelinkt worden. De vergoeding ging naar de Firma Unico Wilkens en Compagnie van Unico Hendrik Wilkens. Dat David en Eva een plaatsnaam als achternaam hadden gekregen was niet geheel toevallig. Op de lijst met de 248 slaafgemaakten die de firma in 1862 invulde, staan meer geografische namen: Apeldoorn, Bloemendaal, Doesburg, Drenthe, Emden, Frankfort, Gouda, Haarlem, Harderwijk. Het lijkt erop dat de administrateurs ter plaatse telkens ‘zomaar’ een naam bedachten voor een gezin of groep slaafgemaakten die binnenkwam. De slavennamen tonen net als bij ‘Geluk’ en ‘Charmantje’ een keur aan onterende onzinnamen als Bloemkool, Cederhout, Cadeau, Cupido, Minerva en Venus.354 Of Sophie Cornelia Delft (Sophie, 30 jaar) wel door iemand naar de eigen stad was genoemd is onbekend. Zij verbleef op de plantage Etablissement Batavia (Beneden Saramacca). Er staat geen eigenaar bij haar naam vermeld omdat zij lepra had en haar werkkracht niet vergoed werd.355 Zoals vrijwel overal zijn de eigenaren beter gedocumenteerd dan de slaafgemaakten. In de emancipatieregisters zijn een paar duidelijke relaties met Delft te leggen. Ten eerste stond hier Theodorus Bonn (of Boon) vermeld, een gepensioneerd WIC-kapitein uit Delft, getrouwd met Maria Penny. Het echtpaar woonde aan het Noordeinde.

Hoewel Bonn inmiddels weer in Delft verbleef, bleek hij op een plantage op Curaçao nog een slaafgemaakte te bezitten. Bij de Delftse notaris Jacobus Vorstman liet Bonn een procuratie opstellen waarmee Johannis Hieronimus Beaujon op Curaçao het geld voor hem kon innen.356 De 128 vrijgemaakte mannen en vrouwen van plantage ’t IJland aan de Pauluskreek in Suriname zullen geen weet gehad hebben van Rhijnvisa Mathilda Elisabeth Catharina Feith. Toch werd mede voor haar een uitgebreide berekening gemaakt voor 128 maal 300 gulden die verdeeld diende te worden over achttien leden van de familie Feith. De in Delft woonachtige Rhijnvisa Mathilda Elisabeth bezat 2/1764 aandeel van deze plantage. Zij was de weduwe van Petrus Oosting, een griffier, met wie zij in 1841 in Zwolle was getrouwd. Met haar twee zoons en dochter verhuisde zij op zeker moment naar Delft, waarschijnlijk toen haar oudste zoon ging studeren.357 Tot slot stond dus ook Isaak Johannes Rammelman Elsevier genoteerd voor een tegemoetkoming voor elf slaafgemaakten op Curaçao, voor 2200 gulden in totaal. Deze jonkheer was van 1848 tot 1854 gouverneur van Curaçao en Onderhorigheden geweest en had al die tijd slaafgemaakten in bezit gehad.

In het slavenregister van Curaçao (1839-1863) zijn diverse transacties te zien, ook in de jaren 1850 werden er door de familie nog slaafgemaakten gekocht en verkocht.358 Rammelman Elsevier was getrouwd met Henriette Catharina Muller. Hun kinderen deelden in hun ‘menselijke bezittingen’. In 1863 stelde Rammelman Elsevier in Delft een akte op om de vergoedingen voor zijn dochters Louise Dithmarine Johanna Petronella en Sophia Mathilda te regelen. Zijn zoon Dithmar Melchior, werkzaam bij de rechtbank op Curaçao, tekende zelf het formulier met daarop de namen van zijn vijf slaafgemaakten: schoenmaker Pierre, wasvrouw Susanna en haar drie kinderen.359 65

Voor de meerderjarige dochter Louise ging het ook om vijf slaafgemaakten: een jongeman van 24 jaar die als schoenmaker werd opgevoerd, zijn drie jongere zusjes en een jongetje van een andere moeder van 2 maanden oud dat ‘Louis Francisco’ was genoemd. Ze golden als ‘privé-slaven’, als huisbedienden met familie waarschijnlijk. Ook de elf slaafgemaakten op de lijst van de voormalige gouverneur waren allemaal privé: een kok, een kleermaker en zo te zien een aantal kinderen van de vrouwelijke slaafgemaakten. Slaafgemaakte Fanny (43 jaar) bijvoorbeeld was zowel de moeder van de kleermaker Gijsberto François (25 jaar) als van Lucia Gijsbertha (16), Poan Riné (13) en Edgard Alphonso Amen (11). Dat het volledige huispersoneel verdeeld werd over het gezin blijkt wel uit de twee slaafgemaakten van de minderjarige dochter Sophie Mathilde. Zij was volgens de papieren eigenaresse van metselaar Ridcard Jacobus (24) en Anna Theodora (20).360 Voor deze vrijgemaakten liet de werkelijke vrijheid nog minstens tien jaar op zich wachten. Zij werden immers onder het staatstoezicht geacht nog tien jaar voor hun voormalige eigenaren te werken. Pas in 1873 waren zij werkelijk los van Delft, de stad waarmee zij door deze gezamenlijke geschiedenis tot dan toe verbonden waren geweest.

66

7 Van koloniaal naar postkoloniaal Delft, een reflectie 7.1 Introductie Dit laatste hoofdstuk gaat kort in op de periode na 1863 en valt daarmee technisch gezien buiten de huidige opdracht van de gemeente Delft. Toch leek het ons nuttig om ook over de periode na de afschaffing van koloniale slavernij iets te zeggen. Daarnaast dient dit laatste onderdeel meer als een reflectie in plaats van een serie conclusies van de voorgaande hoofdstukken, deze staan immers al vermeld aan het einde van het inleidende hoofdstuk van dit rapport. Slavernij was een economisch belangrijk en langdurig lopend onderdeel van het Nederlandse koloniale mondiale rijk, waarbij extreem geweld werd gebruikt en miljoenen mensen uit Azië en Afrika, evenals inheemse mensen uit Azië, Afrika en de Amerika’s werden ontmenselijkt en gedwongen ingezet in een mondiaal, koloniaal productieproces. Met de formele afschaffing van slavernij in 1860 in delen van het toenmalige NederlandsIndië (Java, Madura en Banda) en vervolgens in 1863 in de Nederlandse Cariben gingen in de praktijk in delen van Oost- en West-Indië de slavernijpraktijken gewoon door. Daarnaast werden andere vormen van onvrijwillige arbeid verder uitgebreid of nieuw ingezet met koeliesystemen en contractarbeid. Oftewel: het koloniale systeem was nog steeds in functie.

Juist in de (laat) negentiende eeuw breidde het Nederlandse koninkrijk zijn gebied in Nederlands-Indië met zeer veel geweld uit. Als je de kaart van Nederlands-Indië bekijkt in 1816, de periode waarop het gebied onder direct beheer van (inmiddels) koninkrijk Nederland valt, en 1870, dan zie je dat Sumatra, Celebes (huidige Sulawesi), Bali, West-Timor en een deel van Borneo (nu Kalimantan) erbij zijn gekomen. Aceh wordt vervolgens in een dertig jaar durende oorlog ook toegevoegd en begin twintigste eeuw is het gebied wat Nederlands-Indië is, bijna identiek aan wat nu Indonesië is. Deze gebiedsuitbreiding zorgt ook voor andere behoeftes, zoals de groei van een ambtelijk apparaat dat ook kan communiceren met de lokale bevolking. Delft wordt bij deze ontwikkelingen een belangrijke partij. In negentiende-eeuws Delft zien we meerdere koloniale instituties ontstaan. 7.2 Koloniale instituties in/en Delft Delft is in de negentiende eeuw een belangrijke stad voor wat betreft kennis van Nederlands-Indië. Dat komt op allerlei manieren tot uiting. Een schoolvoorbeeld van een Delfts instituut dat ook het koloniale systeem bedient is de door koning Willem II opgerichte Koninklijke Akademie, opgericht in 1842 en gevestigd aan de Oude Delft 95. Op deze locatie zaten voorheen de Artillerie- en Genieschool en het Fundatiehuis van de Vrijvrouwe van Renswoude.

De opleiding geeft ook ruimte aan ambtenaren voor Nederlands-Indië door onderwijs in de Oosterse taal-, land- en volkenkunde aan te bieden. Dat was blijkbaar dringend nodig omdat er iets moest gebeuren aan de gebrekkige talenkennis bij de meeste bestuursambtenaren, aldus J.C. Baud, minister van Koloniën. Hij wijst zelfs op het staatsbelang van een goede talenkennis bij de bestuursambtenaren. De opleiding wordt ingewijd op 4 januari 1843 in het bijzijn van diverse autoriteiten, tot aan de koning toe die ‘onder het gejuich eener ontelbare menigte, aan het gebouw der Akademie afstapte’.361 In 1864 wordt de Akademie opgeheven en ontstaat de Polytechnische School, die een accent legt op techniek. In 1905 volgt de status van universiteit inclusief het promotierecht en voortaan heet het de Technische Hogeschool Delft. In 1986 wijzigt de naam in Technische Universiteit Delft. Omdat de Akademie is opgeheven en de Indische ambtenaren-in-opleiding naar Leiden dreigen te vertrekken, wordt in datzelfde jaar de Indische Instelling van onderwijs in de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië, kortweg de Indische Instelling, door de gemeente Delft opgericht. Deze Indische Instelling is er om ambtenaren op te blijven leiden voor de koloniale dienst en krijgt in 1875 een eigen gebouw op de Oude Delft 69. Lodewijk van den Berg is hoogleraar aan de 67

Indische Instelling, een kenner van koloniaal Indië en van het islamitisch recht. Later, in 1910 is hij tien jaar lang burgemeester van Delft. Maar voor het zover is, schrijft hoogleraar Van den Berg in 1890 een invloedrijk artikel in De Gids, getiteld ‘Het Kruis tegenover de Halve Maan’, waarin hij pleit dat het zogeheten ‘beschavingsniveau’ van Indonesiërs primair gekoppeld dient te worden aan de christelijke godsdienst. Hij pleit ervoor dat Indonesische christenen gemakkelijker toegang krijgen tot de status van Europeaan. Dat voorstel haalt het echter niet.362 Hij schrijft dit in een periode waarbij in politiek en bestuurlijk Nederland veel over burgerschap wordt gesproken, inclusief wat burgerschap in de koloniën behelst.

In december 1892 wordt de Wet op Nederlanderschap en Ingezetenen aangenomen waarbij is vastgesteld dat mensen in Suriname en de Caribische eilanden, inclusief voormalige slaafgemaakten en contractarbeiders, Nederlands staatsburger zijn terwijl in NederlandsIndië de zogeheten ‘inlanders’ en aan hen gelijkgestelden (Arabieren, Moren, Chinezen, heidenen) van Nederlands staatsburgerschap juist zijn uitgesloten.363 Als in 1901 de Indische Instelling de deuren sluit omdat er inmiddels een overschot aan ambtenaren is, ontstaat er een verweesde collectie die een andere weg moet vinden in Delft, en uiteindelijk de basis van museum Nusantara wordt.364 Hoe ontstaat deze collectie? In 1864 doet de Indische Instelling een oproep in de Delftsche Courant om voorwerpen af te staan voor een Ethnologische Verzameling. De voorwerpen zouden worden gebruikt als hulpmiddel bij de lessen. Na de Koloniale Wereldtentoonstellingen in Parijs (1878), Berlijn (1880), Amsterdam (1883) en Batavia (1893) verdeelt het ministerie van Koloniën de geëxposeerde voorwerpen over verschillende volkenkundige musea in Nederland, waaronder de Indische Instelling. Geleidelijk aan breidt de verzameling zich verder uit door schenkingen van docenten en oud-studenten die vanuit de kolonie voorwerpen naar Delft sturen. Omstreeks 1900 telt de collectie al meer dan 5000 voorwerpen. Ze worden naar functie of gebruik geordend.

Vanaf 1911 wordt de collectie onder de naam Ethnografisch Museum geëxposeerd in een bovenzaal van Museum Prinsenhof Delft. Rond 1977 huist het museum in het Sint Agathaplein tegenover museum Prinsenhof. Nusantara is dan in Nederland het enige museum dat zich geheel wijdt aan de kunst en cultuur van Indonesië en daarom geliefd bij Indisch Nederland. Het heeft op het moment van sluiting, in 2013, ruim 40.000 voornamelijk aan Indonesië gerelateerde items: 18.000 voorwerpen, 16.000 foto’s en beelddragers en 8000 boeken, tijdschriften en artikelen.365 Voor de meer dan 18.000 Indonesische objecten moet een nieuwe bestemming worden gevonden. Ruim 3000 voorwerpen worden overgedragen aan de Volkenkundige Rijkscollectie. De Nederlandse musea selecteren de overige voor hen interessante voorwerpen en 2000 objecten worden uit de collectie gehaald omdat zij niet aan de museale standaarden voldoen. Pas daarna worden de resterende objecten aangeboden aan Museum Nasional in Jakarta die het aanbod uiteindelijk afwijzen. De collectie wordt daarop over musea in Europa en andere landen in Azië verder verdeeld. Als het Museum Nasional in Jakarta toch interesse toont, worden er in 2020 alsnog 1564 objecten naar Indonesië gestuurd.

Eén object uit de Nusantara-collectie is dan al terug: een Buginese kris die premier Rutte tijdens zijn staatsbezoek aan Indonesië in 2016 aan president Joko Widodo schenkt.366 De gemeente Delft heeft 459 objecten behouden voor de collectie stadsgeschiedenis, nu (weer) in handen van Museum Prinsenhof Delft. Deze collectie is niet online te raadplegen en wordt op dit moment niet gebruikt in de vaste opstelling van het museum. Het Prinsenhof is bezig zich te richten op een herziening van de vaste opstelling waarbij de koloniale en slavernijgeschiedenis van Delft een duidelijker rol gaat krijgen. Op welke wijze de collectie Nusantara hierbij een rol gaat spelen is tijdens dit schrijven nog niet duidelijk. Intussen zijn begin twintigste eeuw, met het verlies van de Indische Instelling, de wetenschappelijke en economische banden met de kolonie Nederlands-Indië op andere manieren gecontinueerd waarbij Delft nog immer een rol speelt. Er ontstaat een groeiende wens in de kolonie 68

voor een universiteit of technische hogeschool aldaar en er volgen diverse lobbyactiviteiten. Na de Eerste Wereldoorlog wordt het belang steeds meer onderkend: financiering wordt geregeld via K.A.R. Bosscha, een rijke Nederlandse theemagnaat, filantroop en zoon van een van de rectoren van de Technische Hogeschool Delft. Financiers zijn onder andere de Bataafse Petroleum Maatschappij, Koninklijke Hollandsche Lloyd, Stoomvaart Maatschappij Nederland, mijnbouwmaatschappijen en Bosscha zelf. Na allerlei ontwikkelingen op Java wordt de Delftse hoogleraar Jan Klopper aangewezen om een curriculum te ontwikkelen waarna hij de eerste rector wordt van de Technische Universiteit in Bandung, die feestelijk wordt geopend in 1920, opgezet naar Delfts voorbeeld.367 Ook is er een groeiende wetenschappelijke belangstelling voor de eigenschappen van tropische planten (de Botanische Tuin) waarbij de Delftse hoogleraar Gerrit van Iterson een lab voor rubberonderzoek (de Rubberstichting) gefinancierd krijgt evenals een laboratorium voor vezelonderzoek. Deze instituten vormen de bakermat van de brede onderzoeksorganisatie TNO, waarvan Van Iterson later voorzitter zal worden.368 7.3 Mensen uit de koloniën in Delft Migratiestromen van en naar de koloniën blijven bestaan, ook na de formele afschaffing van de slavernij.

Zo zien we aan het eind van de negentiende eeuw zowel Javanen als Indische mensen, en zeker vanaf de twintigste eeuw Papoea’s, Antillianen en Surinamers uit (voormalige) koloniën reizen naar Delft. De Javaan Sosrokartono is de eerste van een regelmatige, toenemende stroom Indonesiërs die voor studie naar Nederland inclusief Delft komt en daarmee is hij een wegbereider. Maar al eerder komen slaafgemaakte bedienden uit het huidige Indonesië met hun eigenaren mee naar Nederland, de metropool, inclusief naar Delft. Het meest bekende voorbeeld is de eerder genoemde Wange van Bali die in de jaren 1810 verschijnt in Delft en op de Breestraat 1 komt te wonen. Wange wordt geboren in Flores (in het huidige Indonesië), meermaals verkocht op slavenmarkten en uiteindelijk aan het begin van de negentiende eeuw meegenomen naar Delft waar hij pas na enkele jaren vrijgemaakt wordt. Sosrokartono komt als vrij man naar Delft in 1896. Hij is een zoon van de regent van Japara en een broer van de beroemde Raden Adjeng Kartini, die helaas veel te vroeg is overleden (in 1904 in het kraambed) en tegenwoordig in Indonesië wordt geëerd als nationale heldin. Dat komt omdat Kartini zich uitspreekt over het belang van onderwijs en de emancipatie van de vrouw, ze schrijft erover met Nederlandse vrienden en bekenden.

Deze brieven worden in 1911 verzameld en uitgebracht onder de titel Door duisternis tot licht, gedachten over en voor het Javaansche volk van wijlen Raden Adjeng Kartini. Kartini en haar broer maken onderdeel uit van de Javaanse elite. Voor haar betekende het dat zij uitgehuwelijkt zou worden alhoewel ze graag wilde studeren in Nederland, voor hem betekende het dat hij een Europese studie kon gaan volgen.369 Sosrokartono wordt geboren in 1877, twee jaar vóór Kartini. Hij gaat naar de hbs in Semarang en is dan in de kost bij een Nederlands gezin. Zijn studie aan de Polytechnische School in Delft duurt een paar jaar waarna hij van studierichting verandert en naar Leiden gaat. Diverse studenten uit het huidige Indonesië komen naar Nederland in deze periode, en zo wordt in 1908 de Indische Vereniging opgericht in Den Haag, een studentenvereniging met ook Delftse leden die in de buurt van elkaar wonen in de Delftse Havenstraat, Spoorsingel, Van Leeuwenhoeksingel en Hugo de Grootstraat. Alhoewel het altijd mannen zijn die komen studeren, wordt in 1911 bij de Indische Vereniging een rede over Kartini gehouden, als ware zij een richtsnoer voor hen. De lezing wordt voorafgegaan door een brief van erelid Jacques Abendanon – in Paramaribo geboren en van Joodse komaf – die als koloniaal ambtenaar in Nederlands-Indië dient.

Abendanon doet in zijn brief verslag van het eerste Universal Races Congress, dat in de zomer van 1911 in Londen plaatsvindt, en mede door de befaamde Afro-Amerikaanse intellectueel W.E.B. Du 69

Bois wordt georganiseerd. Het toont dat ook Delftse studenten uit de koloniën input krijgen over mondiale ontwikkelingen.370 Dat er toch vrouwen uit Nederlands-Indië in de negentiende eeuw naar Delft komen, is omdat zij als bediende meekomen met een Nederlands gezin dat ofwel terugkeert uit de kolonie dan wel zich voor het eerst vestigt in de metropool, inclusief Delft. Zo is daar Bitja Bitja, die aangeduid wordt als ‘Mohammedaanse vrouw’, en die meekomt in 1867 naar Delft met het tienkoppige gezin van Hendrik Elias Vogel.371 In de negentiende eeuw is de komst naar Delft van zo’n 69 personen uit Suriname en de Antillen opgetekend. Voor de Tweede Wereldoorlog zijn dat in feite vooral kinderen van de Europese koloniale elite die kwamen studeren, zoals Percy Cohen Henriquez uit Curaçao, (nazaat van Portugese Joden) die in 1930 in Delft gaat studeren en cum laude promoveert aan de Technische Hogeschool.372 Pas later in de twintigste eeuw komen er ook vrije Creolen naar Delft. Zo is daar de Arubaan Boy Ecury, die in Puerto Rico wil studeren. Omdat bij de academie van zijn keuze geen mensen van kleur worden aangenomen gaat hij in Nederland studeren. Als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt gaat hij echter een zwervend bestaan leiden. Hij wil zich inzetten tegen de nazi’s maar het Amsterdamse verzet vindt zijn zwarte uiterlijk te opvallend.

Zo komt hij op eigen initiatief naar Delft in 1944 waar hij verblijft bij zijn vriend, verzetsman Delfincio ‘Boy’ Navarro (net als Percy Cohen een nazaat van Portugese Joden). Vervolgens sluit Boy Ecury zich bij een Haagse verzetsgroep aan en voordat hij een trip naar Rotterdam aanvangt, schrijft hij aan zijn ouders dat hij het een eer vindt om aan het verzetswerk deel te nemen, zowel voor zichzelf als voor zijn ‘dushi Aruba’, zijn geliefde Aruba. In Rotterdam wordt hij verraden door een bekende en opgepakt waarna hij op de Waalsdorpervlakte wordt gefusilleerd.373 Na de oorlog, in 1948, wordt de Vereniging van Curaçaose Studenten in Nederland opgericht waarbij ook een kleine Delftse afdeling ontstaat; in 1949 gaat het om vijf leden. Ook de Surinaamse studenten zetten een vereniging op in Delft in 1948. Met het dekolonisatieproces van Indonesië en Suriname vestigen zich vanaf eind jaren veertig Indische, Molukse en Papoeagroepen in Nederland, inclusief Delft. Dit geldt in de jaren zeventig ook voor Surinamers. 7.4 Herinneringsgemeenschap en impact De term herinneringsgemeenschap verwijst naar een gemeenschap die zich actief en vaak ook bewust identificeert met een specifiek thema uit het – in dit geval – koloniale verleden. Zo is er in Nederland een herinneringsgemeenschap rondom het slavernijverleden, eentje die ook groeiende is.

Nederland was laat met het afschaffen van de slavernij en eveneens laat met herdenken. Tot in dit millennium is er sprake van een stilte in Nederland rondom de geschiedenis van slavernij. Er blijkt tot in de eenentwintigste eeuw nauwelijks een publieke herinneringscultuur rondom slavernij te zijn geweest in Nederland. Diverse onderzoekers spreken zich daarover uit. De reden voor die late ontwikkeling is meervoudig. Als we kijken naar de afschaffing van de slavernij en het publieke debat dan valt op dat Nederlandse kranten en politici in aanloop naar en op de dag van de emancipatie (1 juli 1863) zelf niet of slechts summier naar dit historische moment verwijzen. Deze relatieve ‘stilte’ is een voorteken. De biografie van de publieke herinnering aan de slavernij in Nederland na 1863 wordt door die stilte gedomineerd. Met name de Afro-Caribische diaspora agendeert de Nederlandse slavernijgeschiedenis en duidt deze als een trans-Atlantische slavernijgeschiedenis. Ruim vóór de grote migratiestroom van Surinamers naar Nederland in de jaren 1970, zien we in Amsterdam op 1 juli 1963 al een optocht van Surinaamse Amsterdammers die aandacht vestigen op de slavernijgeschiedenis. Met de komst van Afro-Caribische Nederlanders naar Nederland wordt er – vooral in eigen kring – aandacht besteed aan deze geschiedenis.

In de rest van Nederland blijft het vooral stil, op een handjevol historici na die erover schrijven in boeken en artikelen die vooral gelezen worden in eigen academische kring.

70

Vanaf de jaren negentig pleiten verschillende partijen, zoals vrouwencollectief Sophiedela, activist Barryl Biekman en schrijver Frank Martinus Arion, voor meer aandacht voor het Nederlandse slavernijverleden en een landelijk slavernijmonument. Met de installatie van een nationaal slavernijmonument in Amsterdam op 1 juli 2002 en de oprichting van het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) op 24 juni 2002, wordt het Nederlandse slavernijverleden eindelijk serieuzer genomen, ook door de Nederlandse politiek, alhoewel dit een proces van horten en stoten is.374 Vijf jaar later volgt De Canon van Nederland (rapport Commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon) die wordt aangeboden aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Deze canon bevat 50 vensters: één ‘venster’ handelt over slavernij. Slavernijgeschiedenis wordt daarmee formeel een integraal onderdeel van de Nederlandse geschiedenis en een afzonderlijk veld voor historisch onderzoek, wat overigens niet betekent dat veel onderzoekers of docenten ermee aan de slag gaan.

De formalisering van de slavernijgeschiedenis wordt ondersteund door de toenmalige minister-president, Jan-Peter Balkenende die tijdens de nationale 1 juli-herdenking in het Oosterpark in Amsterdam, in de schaduw van het Nationaal Monument Nederlands Slavernijverleden aangeeft: ‘Slavernij en slavenhandel zijn onlosmakelijk verbonden met onze vaderlandse geschiedenis. Hoe pijnlijk ook, voor die feiten mogen we nooit meer weglopen en de ogen nooit meer sluiten. We mogen nooit meer zwijgen – dat is te lang gedaan.’ Deze belangrijke stappen komen relatief laat en hebben daarom impact gehad op hoe wij als Nederlanders een collectief geheugen en daaraan gekoppelde beeldvorming hebben ontwikkeld. Wetenschapper Guno Jones zegt hierover: Met de totstandkoming van het Nationaal Monument Nederlands Slavernijverleden in 2002 en het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) [ ] slaagden ‘herinneraars’ erin om van de slavernij een publieke kwestie te maken. Deze ontwikkeling werd voorafgegaan door een langdurige periode, waarin het Nederlandse slavernijverleden non-existent was in het Nederlandse herdenkings- en herinneringslandschap. Er had zich weliswaar al decennia een gespecialiseerde historiografie over de slavernij en slavenhandel ontwikkeld, maar die was niet in de canon van de Nederlandse geschiedenis opgenomen en had een geringe maatschappelijke impact.

Alex van Stipriaan stelt dat de slavernij in het Nederlandse onderwijs voor het jaar 2000 vooral geassocieerd werd met ‘de Verenigde Staten en de negerhut van oom Tom’ en dat er rondom het Nederlandse slavernijverleden een ‘oorverdovende stilte’ heerste.375 Interessant genoeg heeft de historiografie – de geschreven interpretatie van het verleden – waar Jones over schrijft, zich in de Nederlandse (post)koloniale historiografie grotendeels ontwikkeld langs de lijnen van de VOC en de WIC, wat betekent dat deze koloniale mondiale onderverdeling is gecontinueerd in kennisproductie. De gebieden, ondernemingen en vormen van kolonialisme en slavernij zijn vaak gescheiden behandeld in de Nederlandse historiografie en om die reden, in ieder geval deels ook zo in ons collectief geheugen gegrift. Daarbij wordt in de publieke beeldvorming de Verenigde Oost-Indische Compagnie – in ieder geval tot voor kort – nog regelmatig positief beoordeeld en de West-Indische Compagnie negatief. Een meer kritische blik op de VOC groeit inmiddels, maar steden als Hoorn en Delft maken (tot voor kort) in hun citymarketing gebruik van het feit dat zij ooit VOC-steden waren. Dat leverde Hoorn zelfs de tweede plaats op van beste citymarketingcampagne in 2019.376 Dankzij diverse stedelijke onderzoeken en institutionele verbanden met de Nederlandse slavernijgeschiedenis, komt er nu ook verdieping van onderzoek.

Zoals recent werd aangehaald in de Volkskrant, ‘Vaak wordt de slavernijgeschiedenis in algemene termen beschreven, lange halen, gauw 71

thuis. De stedelijke focus is historisch juist heel goed. De stad was vroeger de belangrijkste politieke en economische eenheid.’377 We zien dus een ontwikkeling van stilte naar agenderen en publieke interventies. Wat daarbij opvalt is dat stemmen uit de Indische en Molukse gemeenschappen in het verleden op dit onderwerp veel minder voorkomen. Er heeft zich volgens wetenschappers Guno Jones en Esther Captain niet echt een herinneringsgemeenschap rondom de slavernij in de Indische Oceaan gevormd, maar wel rondom de Japanse bezetting (1942-1945) en de daaropvolgende dekolonisatieoorlog in Indonesië, die een directe impact hadden op Indische Nederlanders. Dit wordt beaamd door Nancy Jouwe: [D]e Indische gemeenschap [was] niet met slavernij bezig, omdat de eerste en tweede generaties andere agendapunten hadden. De herinneringscultuur, zeker voor een belangrijk deel van de oudere generatie, gaat over die goeie ouwe tijd, tempo doeloe en de Tweede Wereldoorlog. Het leeuwendeel van hun politieke agenda richtte zich op de dekolonisatieperiode medio twintigste eeuw, mede onder invloed van een conservatief deel van de Indische gemeenschap dat sterke verbindingen kent met de landelijke ambtenarij en politiek. Dé herdenking van Indisch Nederland vindt plaats op 15 augustus in Den Haag bij het Indisch monument en richt zich op de capitulatie van Japan tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Voor Molukkers (25 april) en Papoea’s (1 juli) zijn andere data belangrijker die verwijzen naar niet-erkende onafhankelijkheid van Indonesië.378 Recenter zien we echter andere bewegingen, en de Delftse geschiedenis heeft daaraan bijgedragen. Ron Siteur is een gepensioneerd ambtenaar uit Oost-Nederland, die, als je hem op straat zou tegenkomen, niet meteen doet denken aan een nazaat van tot slaafgemaakten. En toch heeft die familiegeschiedenis hem juist geïnspireerd. Hij startte een website over Wange van Bali, zijn voorouder, die in de Breestraat 1 woonde. Wange is getekend door de broer van zijn eigenaar en het portret is in eigendom van het Rijksmuseum. Wange zelf heeft zijn memoires geschreven (in familiebezit): een voor Nederlandse begrippen uniek fenomeen. Bij jongere generaties is een groeiende belangstelling hiervoor te zien met netwerken zoals het Dekolonisatie Netwerk voormalig Nederlands-Indië, Zwart onder Oranje, Beyond Walls en Tracing your roots die allemaal, op verschillende publieke manieren hier aandacht aan schenken. Dit alles betekent ook dat lokale herinneringsgemeenschappen, zoals in Delft, ruimte krijgen om zich sterker te ontwikkelen en dankzij groeiende kennisproductie ook kennis te delen in hun omgeving op toegankelijke en creatieve manieren.

Kunstenaars, theatermakers, erfgoedspecialisten en community organisatoren maken gebruik van inzichten uit onderzoek of (eigen) familiegeschiedenissen om dit verhaal kenbaar te maken op allerlei manieren. We ontwaren dus een proces van groeiend bewustzijn. In de twintigste eeuw zien we eerst een breed aanvaard idee dat de slavernijgeschiedenis geen Nederlandse geschiedenis is. Scholieren in de twintigste eeuw krijgen Uncle Tom’s Cabin te lezen van Harriet Beecher Stowe, in plaats van Wij slaven van Suriname van Anton de Kom. In de jaren zeventig is de TV-serie Roots te zien, voor veel mensen een eerste visuele kennismaking met wat slavernij kan betekenen voor slaafgemaakten zelf. De serie zal het beeld hebben versterkt dat het hier vooral een Amerikaanse geschiedenis betreft. Dankzij het agenderen door met name de Afro-Caribische gemeenschap groeit in Nederland de bekendheid rondom slavernij met horten en stoten maar tegelijkertijd wordt het dan vaak nog gezien als vooral een geschiedenis van specifiek die gemeenschap. In 2023 inmiddels, is of in ieder geval lijkt er een sneller groeiende consensus te ontstaan dat dit een gemeenschappelijke Nederlandse (en mondiale) geschiedenis is die over ons allemaal gaat.

72

Geraadpleegde bronnen Archieven CBG = Centraal Bureau voor Genealogie Oost-Indische Bronnen ELO = Erfgoed Leiden en Omstreken 162.1.08 Gaarder van Nieuwkoop en Noorden 0506 Oude notariële archieven van Leiden HUA = Het Utrechts Archief 34-4 Notarissen in de stad Utrecht NA = Nationaal Archief 1.04.01 Compagnieën op Oost-Indië (voorcompagnieën) 1.04.02 Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) 1.05.01.01 West-Indische Compagnie (WIC) 1.05.01.02 Tweede West-Indische Compagnie (WIC) 1.05.03 Sociëteit van Suriname 1.05.10.01 Gouvernementssecretarie der Kolonie Suriname 1.10.83 A. van Vredenburch en G.

van Vredenburch 1.11.01.01 Aanwinsten van de voormalige Eerste Afdeling van het Algemeen Rijksarchief 2.02.09.08 Algemene Rekenkamer 2.10.02 Ministerie van Koloniën 2.10.74 Burgerlijke Stand Suriname (microfiches Slavenregisters) 2.21.008.69 Familie van Hogendorp SAA = Stadsarchief Amsterdam 518 Familie Van Hoorn en aanverwante families 922 Familie Luden en aanverwante families 5075 Notarissen ter standplaats Amsterdam SAD = Stadsarchief Delft 1 Stadsbestuur van Delft 14 Doop-, trouw- en begraafregisters Delft 16 Bevolkingsadministratie van Delft 72 Weeskamer Delft 161 Notarieel archief 169 Departement Delft van de Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Nijverheid 201 Weeshuis der Gereformeerden 212 Hofje van Pauw 263 Fundatie van de Vrijvrouwe van Renswoude 445 Hervormde Gemeente Delft 447 Kamer van Charitate 464 Familie Van Berckel 847 Familie Van Kinschot 924 Notaris J. Vorstman

73

SAR = Stadsarchief Rotterdam 1-01 Oud archief van de stad Rotterdam 1-02 Doop-, trouw- en begraafregisters Rotterdam 18 Notarissen te Rotterdam en daarin opgegane gemeenten ZA = Zeeuws Archief 20 Middelburgsche Commercie Compagnie

Websites ‘Achter de gevels’ = www.achterdegevelsvandelft.nl DAS = Dutch-Asiatic Shipping in the 17th and 18th centuries (knaw.nl) Dikland, Philip, Database met historische informatie over plantages in Suriname (www.surinameheritage-guide.com) TASTD = Trans-Atlantic Slave Trade Database (www.slavevoyages.org)

Literatuur Baay, Reggie, Daar werd wat gruwelijks verricht. Slavernij in Nederlands-Indië (Amsterdam, 2015) Beresteyn, E.A. van, Grafmonumenten en grafzerken in de Oude Kerk te Delft (Assen 1938) Beurden, Jos van, Herplaatsing collectie voormalige museum Nusantara Delft (Museum Prinsenhof Delft & Nationaal Museum van Wereldculturen 2019) Beurden, Jos van, Ongemakkelijk Erfgoed. Koloniale collecties en teruggave in de lage landen (Zutphen 2021) Chijs, J.A. van der, Nederlandsch-Indisch plakaatboek 1602-1811 dl. 9, Nieuwe Statuten van Batavia (Batavia en ’s-Gravenhage, 1891) Chotkowski, M.B. 750 jaar migratie naar Delft. Onderzoek in opdracht van het “Politiek Netwerk Migranten Delft” (Leiden 1996) Claessens, Marion, ‘Sporen van slavernij’, in: Delf (2008-3) 22-23 Delft en de Oostindische Compagnie. Serie-uitgave van het Genootschap Delfia Batavorum 14 (Amsterdam 1987) Dillo, Ingrid G., ‘Over scheepsbouw en scheepvaart bij de kamer Delft’, in: Delft en de Oostindische Compagnie, 37-56 Eekhout, L.L.M., ‘Een bedrijf in bedrijf: organisatie en werkverdeling van de kamer Delft’, in: Delft en de Oostindische Compagnie, 13-35

74

Es, B.J. van, De familie (Clifford) Kocq afkomstig uit Zuiderwoude (beschikbaar via www.hogenda.nl) Fasseur, Cees, De Indologen. Ambtenaren voor de Oost. 1825-1950 (Amsterdam 1993, derde druk) Fatah-Black, Karwan, Sociëteit van Suriname 1683-1795. Het bestuur van de kolonie in de achttiende eeuw (Zutphen 2019) Gaastra, Femme S., ‘Particuliere geldstromen binnen het VOC-bedrijf 1640-1795’, eerste Van Gelderlezing gehouden voor het Rijksmuseum Het Koninklijk Penningkabinet en Stichting Nederlandsche Penningkabinetten te Leiden op 27 november 2002. Gids Slavernijverleden. Nederland. The Netherlands. Slavery Heritage Guide, onder redactie van Dienke Hondius e.a. (Volendam 2019) Heijer, Henk den, De geschiedenis van de WIC (Zutphen 2002, 2e gewijzigde druk) Heijer, Henk den, Nederlands slavernijverleden. Historische inzichten en het debat nu (Zutphen 2022) Heuser, Dillon, ‘Maasstad in De Maze’. De handel en scheepvaart van de Rotterdamse WIC-afdeling tussen 1621 en 1740’ (masterscriptie EUR, Rotterdam 2019) Hogendorp, Dirk van, Stukken rakende den tegenwoordigen toestand der Bataafsche bezittingen in Oost-Indië en den handel op dezelve (J.C. Leeuwesteyn en M. Roelofswaert, ’s-Gravenhage en Delft 1801) Jacobs, Els M., Koopman in Azië. De handel van de Verenigde Oost-Indische Compagnie tijdens de 18de eeuw (Zutphen 2000) Jones, Guno, ‘De Slavernij is onze geschiedenis (niet).

Over de discursieve strijd om de betekenis van de ntr-televisieserie De Slavernij’, in: BMGN – Low Countries Historical Review vol. 127 (4) (2012) 5682 Jouwe, Nancy, ‘Een misdaad tegen de menselijkheid: Nederlandse lokale politici en burgemeesters’, in: Staat en slavernij. Het Nederlandse koloniale slavernijverleden en zijn doorwerkingen onder redactie van Rose Mary Allen, Esther Captain, Matthias van Rossum, Urwin Vyent. (in druk) (Amsterdam 2023) Jouwe, Nancy, ‘Van wie is de slavernijgeschiedenis?’, in: De slavernij in Oost en West. Het Amsterdam onderzoek onder redactie van Brandon e.a. (Amsterdam 2020) 373-381 Jouwe, Nancy, en Marlise Mensink, Papoea’s. Oja, die bestaan echt, he? (Utrecht 1993) Knaap, Gerrit, De ‘Core Business’ van de VOC. Markt, macht en mentaliteit vanuit overzees perspectief (Utrecht 2014) Kok, Gerhard de, Walcherse ketens. De trans-Atlantische slavenhandel en de economie van Walcheren (Zutphen 2020)

75

Het koloniale en slavernijverleden van Hofstad Den Haag, onder redactie van Esther Captain, Gert Oostindie en Valika Smeulders (Amsterdam 2022) ‘Kwartierstaten van Delftsche vroedschappen, verzameld door Mr. W. van der Lely, medegedeeld door Mr. L.G.N. Bouricius, archivaris der Gemeente Delft’, in: De Nederlandsche Leeuw 1914-1916 (genummerd 1-252) Leur, J.L.W. van, De Indische Instelling te Delft. Méér dan een opleiding tot bestuursambtenaar, 125 jaar verzamelen (Delft 1989) Lintum, C. te, ‘De Kamer der West-Indische Compagnie te Delft’, in: Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië deel 63 (1910) 93-108 Nagtegaal, Luc, ‘Om de eer van de Cnollen’, in: Historisch Jaarboek Delft 2023 (Delft 2023) 27-40 Oostindie, Gert, en Emy Maduro, In het land van de overheerser II. Antillianen en Surinamers in Nederland. 1634/1667-1954 (Leiden 1986) De opkomst van het Nederlandsch gezag in Oost-Indië. Verzameling van onuitgegeven stukken uit het oud-koloniaal archief, J.K.J. de Jonge, M.L. van Deventer en L.W.G. de Roo, ed., 17 delen (Den HaagAmsterdam 1862-1909) Poeze, Harry, In het land van de overheerser I. Indonesiërs in Nederland. 1600-1950 (Leiden 1986) Prud’homme van Reine, Ronald, Admiraal Zilvervloot.

Biografie van Piet Hein (Amsterdam/Antwerpen 2003) Raad voor Cultuur, Koloniale Collecties en Erkenning van Onrecht (Den Haag 2020) Roon, Gerard van, Macht en gewoonte in het Delftse stadsbestuur (1672-1702) (Delft 2014) Rossum, Matthias van, Kleurrijke tragiek. De geschiedenis van slavernij in Azië onder de VOC (Hilversum 2015) Rossum, Matthias van, ‘Chasing the Delfland: slave revolts, enslavement and (private) VOC networks in early modern Asia’, in: Navigating history: economy, society, knowledge and nature. Essays in honour of prof.dr. C.A. Davids Ed. Pepijn Brandon, Sabine Go en Wybren Verstegen (Leiden 2018) 201227 Schatten in Delft. Burgers verzamelen 1600-1750, onder redactie van Ellinoor Bergvelt, Michiel Jonker en Agnes Wiechmann (Zwolle/Delft 2002) Siteur, Ron, ‘Wange van Bali, ca. 1797-1869; een onvrije immigrant uit Oost-Indië’, in: Jaarboek Historische Vereniging Delfia Batavorum 2017 (Delft 2018) 115-132 Slavernij en de stad Utrecht, onder redactie van Nancy Jouwe, Matthijs Kuipers en Remco Raben (Zutphen 2021) Slavernij herbezien. Visuele bronnen over slavernij in de Indonesische archipel en Indische Oceaan, onder redactie van Nancy Jouwe e.a. (Edam 2021)

76

De slavernij in Oost en West. Het Amsterdam onderzoek, onder redactie van Pepijn Brandon e.a. (Amsterdam 2020) Stipriaan, Alex van, Rotterdam in slavernij (Amsterdam 2020) Streefland, Abel, The Shared History of TU Delft and Bandung Institute of Technology (Delft 2020) Verhoeven, Gerrit, De derde stad van Holland. Geschiedenis van Delft tot 1795 (Zwolle 2015) Vlis, Ingrid van der, Vooruit met veel verleden. Geschiedenis van Delft vanaf 1795 (Zwolle 2016) Vlis, Ingrid van der, ’t Weeshuys binnen Delft. Jeugdzorg in vele gedaanten (Delft 2017) Voort, Jan. P. van de, Westindische plantages van 1720 tot 1795. Financiën en handel (Eindhoven 1973) Wijnaendts van Resandt, W., De gezaghebbers der VOC op hare buitencomptoiren in Azië (Amsterdam 1944) Zandvliet, Kees, De 500 rijksten van de Republiek (Zutphen 2018) Zuiderweg, A.M., Batavia berijmd. Een geschiedenis van de Compagniesliteratuur en een overzicht van de Compagniesdichters in Batavia (diss. Leiden 2017)

77

Noten 1

Van Rossum, Kleurrijke tragiek, 7-18; Baay, Daar werd wat gruwelijks verricht, 255-273. Van Hogendorp, Stukken, 454. 3 ‘Verantwoording’, in: Slavernij in Oost en West, 403. 4 Verhoeven, Derde stad van Holland, 293-294; Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 18; H.E. van Gelder, ‘Scheepsrekeningen van enkele der vroegste Guinea-vaarten’, in Economisch-historisch jaarboek 2 (1916) 239257. 5 Verhoeven, Derde stad van Holland, 298; SAD, 161-1581, f.71 (1617 05 05). 6 Van Stipriaan, Rotterdam in slavernij, 33-34. 7 Verhoeven, Derde stad van Holland, 294-295. 8 Opkomst 2, 240; Schatten in Delft, 31-32. 9 Verhoeven, Derde stad van Holland, 294-295. Notulenboek: NA, 1.04.01-175. 10 Schatten in Delft, 33-37. 11 Huygens ING, VOC-Kenniscentrum, thema ‘Participeren in het kapitaal’, VOC-Kenniscentrum - Thema's (geraadpleegd 8-4-2023). 12 Leendert Valk, ‘Jongens van goeden begripe’, in: De Groene Amsterdammer, 23-6-2022, 32-41. 13 Remco Raben, ‘Kijken naar stilte. Tot slaaf gemaakten binnen en buiten beeld’, in: Slavernij herbezien, 27-32, hier 27. 14 Van Rossum, Kleurrijke tragiek, 24-27. 15 Van Rossum, Kleurrijke tragiek, 49-62. Baay, Daar werd wat gruwelijks verricht, 29-34. 16 Wim Manuhutu, ‘Banda in beeld’, in: Slavernij herbezien, 94-101; Baay, Daar werd wat gruwelijks verricht, 82100; Matthias van Rossum, ‘De VOC, van Amsterdam naar Azië’, in: Slavernij in Oost en West, 52-61 hier 57.

17 SAD, 161-1590, f. 220-221 (1624 12 08); DAS, nr 0249.1 (heen 1620 04 08) en 5161.1 (terug 1623 november). 18 Mieke Beumer, ‘Philippus Baldaeus en Gerrit Mosopatam: een buitengewoon portret’, in: Bulletin van het Rijksmuseum 47 (1999) 145-173. 19 Philippus Baldaeus, Naauwkeurige beschryvinge van Malabar en Choromandel (Amsterdam 1672) 155-156. 20 Erik Odegaard, ‘”Slaafhaalders” op Oostenburg’, in: Slavernij in Oost en West, 97-103. 21 Van Rossum, ‘Chasing the Delfland’, 206-207. 22 Van Rossum, ‘Chasing the Delfland’, 201-215; bestraffing: NA 1.04.02-9407 scan 1007 en 9408 scan 563. 23 SAD, 1-257, f. 327r (1621 09 06) en f. 331v (1621 11 30); Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 30. 24 Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 31; Te Lintum, ‘Kamer der WIC Delft’, 97-98. 25 Den Heijer vermeldt dat pas in 1674 het aantal bewindhebbers halveerde, maar al op 3 maart 1651 werd besloten het aantal te laten afnemen. In 1669 werd er nog eens toe opgeroepen, pas in 1674 werd gehandhaafd (zie resolutie Staten van Holland en West-Friesland 8-4-1669, Te Lintum, ‘Kamer der WIC Delft’, 102-104). 26 Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 97-102, 107-122; Marion S. van Aken-Fehmers en Loet A. Schledorn, Delfts aardewerk. Geschiedenis van een nationaal product. Deel II (Zwolle 2001) 87; SAR, 1-01, inv.nr 3025 (1669 04 08). 27 Te Lintum, ‘Kamer der WIC Delft’, 94 en 105-107.

28 Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 185-187. 29 Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 35; Te Lintum, ‘Kamer der WIC Delft’, 97. 30 Matthias van Rossum, ‘De discussie over Piet Hein gaat voorbij aan de doorlopende patronen van koloniaal geweld’, in: De Volkskrant, 24-6-2020; Prud’homme van Reine, Admiraal Zilvervloot, 30-37. 31 Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 65-66; Van Stipriaan, Rotterdam in slavernij, 89-90. 32 Prud’homme van Reine, Admiraal Zilvervloot, 175 vermeldt dat Hein woonde op noordhoek Schoolstraat. In de bron staat: ten zuiden van het Charitaathuis, het zuidelijkste deel van het Prinsenhof, nu Oude Delft 173. 33 Matthias van Rossum, ‘De VOC, van Amsterdam naar Azië’, in: Slavernij in Oost en West, 52-61 hier 57. 34 Erik Odegaard, ‘Suiker en slavernij in Nederlands-Brazilië’, in: Slavernij in Oost en West, 151-154; NNBW. 35 H.K. Nagtegaal, ‘Het Delftse geslacht Van der Dussen’, in: Ons Voorgeslacht (2005) 316; NNBW deel 2, 415; SAD, 1-2571, f. 164 (1625 09 27). 36 Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 72-73, 76 en 151; Van Stipriaan, Rotterdam in slavernij, 91. 37 Van Stipriaan, Rotterdam in slavernij, 91-92; De Kok, Walcherse ketens, 25-27. 38 Fatah-Black, Sociëteit van Suriname, 53 en 58-59; ‘Achter de gevels’, Oude Delft 157. 39 Fatah-Black, Sociëteit van Suriname, 72-73. 40 SAA, 5075-4774 (1695 10 26). 2

78

41

Fatah-Black, Sociëteit van Suriname, 49. Cátia Antunes en Ramona Negrón, ‘The Dutch Republic and the Spanish slave trade, 1580-1690’, in: Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 19 nr. 2 (2022) 17-44, hier 26-28; Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 96. 43 Den Heijer, Nederlands slavernijverleden, 65. 44 SAA, 5075-4771 (1685 04 10). 45 Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 140-141. 46 Zie hierover De Kok, Walcherse ketens. 47 Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 185-187. 48 Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 185-187. 49 Van Roon, Macht en gewoonte, 23-34. Zie verder de passages over het stadsbestuur in Verhoeven, Derde stad van Holland en Van der Vlis, Vooruit met veel verleden. 50 NA, 1.10.83-1 (1755 03 04). 51 SAD, 1-101 (1755 03 21). 52 SAD, 1-101 (1758 10 23). 53 Eekhout, ‘Een bedrijf in bedrijf’, 19. 54 Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 27-28 en 116; SAD, 1-2022 (1693 11 13, 1699 11 25). 55 Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 31 en 118. 56 De Kok, Walcherse ketens, 13-14. 57 Te Lintum, ‘Kamer der WIC Delft’, 99. Voor de Haagse inbreng, zie Raymund Schütz en Joëlle Glerum, ‘Den Haag: de koloniale handelsgeest en de bestuurlijke mentaliteit, 1600-1940’, in: Het koloniale en slavernijverleden, 73-89, hier 74-80. 58 Heuser, ‘Maasstad in De Maze’, 22; Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 112.

Cornelis ten Hove was van 1645 tot 1665 namens De Maze aanwezig op het Haagse Besogne. In notulen wordt hij soms opgevoerd als bewindhebber van Delft, maar zijn benoeming staat niet vermeld in de resoluties van de burgemeesters. NA, 1.10.46, inleiding: hier staat hij als bewindhebber van Rotterdam vermeld. 59 SAD, 1-109, f. 323 (1634 12 10). 60 ‘Achter de gevels’, Oude Delft 126; SAD, 1-406 (1644 12 30). 61 Te Lintum, ‘Kamer der WIC Delft’, 103. 62 Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 116; SAD, 1-110, f. 362-363 (1702 02 04) en 1-101, f. 7-7v (1741 05 23). 63 SAD, 1-101, f. 366v (1759 06 01). 64 Van Es, Familie (Clifford) Kocq. 65 Eekhout, ‘Bedrijf in bedrijf’, 21-22. 66 SAD, Delftenaren in Beeld (Hans Nagtegaal), ‘Reijer Vrancken van der Burch’, ‘Adriaan Andriesz van der Goes’ en ‘Arent Jacobsz van der Graeff’. 67 Verhoeven, Derde stad van Holland, 319. 68 Eekhout, ‘Bedrijf in bedrijf’, 22. 69 SAD, 161-1837, f. 251r (1637 03 01); G.J. van Dillen, ‘De West-Indische Compagnie, het calvinisme en de politiek’, in: Tijdschrift voor Geschiedenis (1961) 159-160; Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 97. 70 Bas van der Wulp, ‘De Weeskamer van de stad Delft tot 1618’, in: Leeuwendeel. Artikelen aangeboden aan H.W. van Leeuwen door zijn collega’s ter gelegenheid van zijn afscheid ven de Gemeentelijke Archiefdienst Delft (Delft 1992) 133-148. 71 SAD, 72-152 (1759 11 28). 72 SAD, 72-80.

73 SAD, 72-152. 74 SAD, 72-301; SAD, 1-100, f. 138. 75 SAD, 72-7577. 76 SAD, 72-8749. 77 SAD, 72-88. 78 Lijst van alle oproepingen van erfgenamen in Nederland sedert 30 jaren gedaan (Amsterdam 1941) 26, 196. 79 SAD, 72-12184, nr 564D (1845 10 23). 80 SAD, 72-12185. 81 Knaap, ‘Core Business’, 7. 82 SAD, 161-1936 (1659 05 02). 83 NA, 1.04.02-14088 A (1747) en B (1755) en 14084 (1768-1772), f. 72-77 (1769), 192-197 (1770, 15 procent), 280-285 (1771, 12,5 procent), 385 (1772, 12,5 procent). 84 Zandvliet, 500 Rijksten, 91 en nrs 17-8, 18-103, 18-248. 42

79

85

Zandvliet, 500 Rijksten, nr 18-87. Zandvliet, 500 Rijksten, nr 18-19 en Riebeeck, Johanna Maria van (1679-1759) (knaw.nl) (geraadpleegd 13-52023). 87 Zandvliet, 500 Rijksten, nr 17-70. 88 Zandvliet, 500 Rijksten, nr 17-26. 89 SAA, 5075-10268, akte 381021 (1754 05 20). 90 Zandvliet, 500 Rijksten, nr 18-94. 91 NA, 1.04.02-14084, f. 51. 92 Huygens ING, VOC-Kenniscentrum, thema ‘Participeren in het kapitaal’, VOC-Kenniscentrum - Thema's (geraadpleegd 8-4-2023). 93 SAD, 1-257, f. 345r (1622 09 12). 94 SAD, 1-257, f. 352r (1623 03 06). 95 Raymund Schütz en Joëlle Glerum, ‘Den Haag: de koloniale handelsgeest en de bestuurlijke mentaliteit, 16001940’, in: Het koloniale en slavernijverleden, 73-89, hier 74-75. 96 Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 33; Te Lintum, ‘Kamer der WIC Delft’, 96-99; C. te Lintum, ‘De oprichting van de Rotterdamsche Kamer der West-Indische Compagnie’, in: Rotterdamsch Jaarboekje 8 (1910) 101-116, hier m.n. 112-116. 97 Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 27-28 en 116; SAD, 1-2022 (1693 11 13, 1699 11 25). 98 SAD, 161-1838, f. 45-47v (1638 02 18), f. 59-61v (1638 02 26) etc.; zijn boedel: SAD, 161-1936 (1659 05 02). 99 J.G. van Dillen, ‘Effectenkoersen aan de Amsterdamsche Beurs 1723-1794’, in: Economisch Historisch Jaarboek (1931) 1-46 hier 9-12. 100 Van Dillen, ‘Effectenkoersen’, 11 en bijlage op 19-46.

101 Van Stipriaan, Rotterdam in slavernij, 97; Den Heijer, Geschiedenis van de WIC, 118. 102 NA, 1.11.01.01-2051, f. 8v-9. 103 NA, 1.11.01.01-2051, f. 13v e.v. 104 NA, 1.11.01.01-2051, f. 20v. 105 NA, 1.11.01.01-2051, f. 19v en 21v. 106 ‘Achter de gevels’, Lange Geer 24-26-28. 107 NA, 1.11.01.01-2051, f. 27v-28, 49v-50 en 59v-60. 108 NA. 1.11.01.01-2051, f. 38v. 109 NA, 1.11.01.01-2051, f. 25v. 110 Negrón en Den Oudsten, De grootste slavenhandelaren, 11-12 en 19-21; De Kok, Walcherse ketens, 48-50. 111 ZA, 20-1581, lijst van intekenaars 1720-1721; SAD, 161-2569, f. 131 (1720 09 30). 112 Heuser, ‘Maasstad in De Maze’, bijlage I. 113 Van Stipriaan, Rotterdam in slavernij, 103. 114 TASTD, voyage ID 11822: Cape Lahou-Windward-Ivory-Gold-Benin. 115 Van de Voort, Westindische plantages; Hester van de Kuilen, ‘Een verliesgevend wingewest’, in: OSO. Tijdschrift voor Surinaamse letterkunde en geschiedenis jrg. 21 (2002) 276-288 hier 283. 116 Van de Voort, Westindische plantages, 96-97; Bram Hoonhout, ‘Financiering van de vergeten koloniën in Guyana’, in: Slavernij in Oost en West, 112-119; Van Stipriaan, Rotterdam in slavernij, 267. 117 SAD, 161-3361, f. 260 (1791 04 09). 118 Voor een historisch overzicht van de verschillende plantages, zie het werk van Philip Dikland op surinameheritage-guide.com (geraadpleegd 2-2-2023). 119 SAD, 161-3341, f. 97-167 (1795 07 21).

120 Zie over deze twee plantages Gert Oostindie, Roosenburg en Mon Bijou. Twee Surinaamse plantages, 17201870 (Dordrecht 1989). 121 SAR 1-02, inv.nr 76, (1760 07 20); ‘VOC-opvarenden’, 1756-1758 en 1763-1766; SAD, 161-3281, f. 542 (1806 03 28). 122 SAD, 161-3325, f. 41 (1773 04 22). Over de Deense plantages en de daarop gevestigde leningen: Tim Deahl, ‘Een vergeten parel in de Deense kroon. De ontwikkelingen van de Nederlandse connecties met het Deense eiland St. Thomas, 1770-1807’ (ongepubliceerde MA-thesis 2012). 123 HUA, 34-4, inv.nr 1787, akte 89 (1775 04 03); SAD, 72-3 (1815 06 20, 1815 10 29 en 1817 05 17). 124 SAD, 161-3323, f. 273 (1789 09 11). 125 D. Overgaauw en H.Th.F. van Wijk, Van ‘Den Overgaeu’. 5 eeuwen genealogie en geschiedenis van de familie Overgaauw en (sinds 1782) van de familie Overgaauw Pennis (Simonshaven/Voorburg 1998) 38-41 en 327-331. 126 SAD, 72-7593; 12.000 gulden nominaal kapitaal, terwijl aandelen op de Kamer Amsterdam toen op 404,5 procent stonden, dus totaal ca. 50.000 gulden. 86

80

127

SAD, 72-7573 en 7575. SAD, 1-4305 t/m 4474. 129 SAD, 445-2429. 130 SAD, 447-818. 131 SAD, 1-100 (1718 09 18). 132 SAD, 201-377 (1687 12 28, 1702 05 30 en 1718 03 24). 133 SAD, 201-378. 134 SAD, 263-69; Verhoeven, Derde stad van Holland, 430-434. 135 SAD, 447-367, f. 16v en 161-1597, f. 231-233. 136 W. Annema, ‘Het Oostindisch huis te Delft’, in: Delft en de Oostindische Compagnie, 119-132 en W.F. Weve, ‘Het Oostindisch pakhuis te Delft’, Ibidem, 133-150. Aankopen Geer: NA, 1.10.83-10, f. 50. 137 Dillo, ‘Over scheepsbouw en scheepvaart’, 37-56. 138 Eekhout, ‘Bedrijf in bedrijf’, 23-31. 139 NA, 1.10.83-10, f 74. 140 Schatten in Delft, 160. 141 Eekhout, ‘Bedrijf in bedrijf’, 24. 142 NA, 1.04.02-14006 f. 2. 143 Eekhout, ‘Bedrijf in bedrijf’, 26. 144 Knaap, ‘Core Business’, 7-8; Dillo, ‘Over scheepsbouw en scheepvaart’, 41, 45. 145 Dillo, ‘Over scheepsbouw en scheepvaart’, 49-50. 146 Dillo, ‘Over scheepsbouw en scheepvaart’, 47-51. 147 ‘Achter de gevels’, Lange Geer 24-26-28; SAD 1-4620, f. 258 (1640 03 27). 148 Heuser, ‘Maasstad in De Maze’, 28-29. 149 SAD, 161-1599, f. 154 (1632 05 14); 161-1822, f. 157 (1638 05 04); NA, 1.11.01.01-2051. 150 Te Lintum, ‘Kamer der WIC Delft’, 103. 151 Naamregister van de Ed. Mog. Heeren gecommitteerde raden in de collegien ter Admiraliteit, alsmede de E.E. heeren bewindhebberen van de Oost- en West-Indische Compagnie, 1781 t/m 1794.

152 Stadsarchief Amsterdam start in 2023 met een project om opvarenden van de (eerste) WIC (1621-1674) in hun notariële archief te indexeren. 153 Zoekhulp ‘West-Indische Compagnie (WIC): militairen uitgezonden naar Brazilië, 1630-1656’, www.nationaalarchief.nl. 154 SAD, 161-1837, f. 139 (1636 10 06). 155 SAD, 161-1839, f. 39 (1639 03 12). 156 SAD, 161-1819, f. 137 (1629 10 08). 157 Van Stipriaan, Rotterdam in slavernij, 98-99. 158 Heuser, ‘Maasstad in De Maze’, 24-25. 159 Voorbeeld hiervan in de boekhouding van de Kamer Delft van de WIC, NA, 1.11.01.01-2051, f. 28 bij uitreding van de Faem (1659). 160 Heuser, ‘Maasstad in De Maze’, 18-19 en bijlage 1; Heuser nam reizen op waarvan minimaal de scheepsnaam, het jaar van vertrek en de bestemming bekend waren. Van deze schepen was van 68 bekend welk van de drie Kamers de uitreding verzorgde; hiervan waren er 17 aan Delft gelieerd. 161 TASTD, voyage ID 11343; SAR, 18-86, akte 313 (1644 02 29). 162 TASTD, voyage ID 11276. 163 TASTD, voyage ID 11335; SAR, 18-86, akte 262 (1642 09 08). 164 TASTD, voyage ID 10097. 165 TASTD, voyage ID 10099. 166 ‘Achter de gevels’, Wijnhaven 6 en Wijnhaven 20. 167 NA, 1.10.83-15. 168 SAD, 847-427. 169 Aart Struijk, ‘Kruitmolenaars in Delft’, in: Historisch Jaarboek Delft 2023 (Delft 2023) 9-26. 170 SAD, 161-1871, nr 3683, f. 337-338v. 171 SAD, 1-1073.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12900498/1