Rapport slavernijverleden van Delft
Tekst van het document
In het geval van constapelmaat Jan Philipsz weten we dat zeker; hij voer ook met Ranck mee op een volgende reis in 1636.155 Niet alleen Delftenaren monsterden aan op de schepen die uitgereed werden door de Delftse Kamer. Net als bij de VOC waren er veel mannen uit Duitstalige gebieden die hier werk zochten. Hun verblijf in de stad zorgde voor geld in het laatje van Delftse ondernemers. Zo verleenden hovenier Jan Dircxz en zijn vrouw Mayke Pieters in de Kloksteeg in 1629 onderdak aan Michael Doringer uit Silezië en aan Urbaen Bochmer uit Bohemen. Voordat de mannen als soldaat uitvoeren, legden zij vast dat beiden 100 gulden schuldig waren aan het Delftse echtpaar voor uitredings- en verblijfskosten. Ze maakten hen ook erfgenaam van hun bezittingen, mochten zij de reis niet overleven.156 In de jaren dat de WIC aan slavenhandel deed (1623-1740), reedde Kamer De Maze 197 schepen uit. Hiervan had 25 procent expliciet slavenhandel tot doel. De Kamers Amsterdam en Zeeland namen het merendeel van deze handel voor hun rekening. De Maze had met 37 procent verhoudingsgewijs juist een groter aandeel in de retourvaart: het bevoorraden van de slaveneconomieën en het transport van de daar gewonnen producten. Ook het Intra-Caribisch verkeer (2 procent) was direct gerelateerd aan het slavernijsysteem.
Enkel de kaapvaart (7 procent) en de retourvaart op Afrika (28 procent) waren hier niet automatisch mee verbonden.157 Schepen werden door de verschillende kamers binnen De Maze om de beurt uitgereed. De bewindhebbers van Rotterdam, Dordrecht of Delft waren dan verantwoordelijk voor het hele proces, van het regelen van een schip met kapitein, via de inname en afname van de handelswaar tot en met het officieel weer welkom heten en de lading van het schip registreren bij de terugkeer.158 Bij gebrek aan archiefbronnen van de gezamenlijke Kamer De Maze is slechts via omwegen te achterhalen welke Kamer voor welke reis verantwoordelijk was. Een enkele keer was dat duidelijk omdat een bevrachtingsovereenkomst door drie Delftse bewindhebbers werd opgesteld en afgewerkt. Naast de exclusief door Kamer Delft uitgerede schepen hebben we een aantal vaarten kunnen traceren die door de Kamers gezamenlijk werden uitgereed, waarbij elk voor een derde participeerde.159 Soms kwamen we de schepen op het spoor door indirecte aanwijzingen, bijvoorbeeld als een weduwe van een tijdens de reis overleden bemanningslid bij de Kamer Delft de achterstallige gage kwam innen.
Als basis konden we uitgaan van het overzicht dat Dillon Heuser samenstelde van 202 scheepsreizen die tussen 1621 en 1740 in opdracht van WIC-Kamer De Maze naar het Atlantische kustgebied plaatsvonden.160 Deze lijst hebben we aangevuld en gecombineerd met informatie uit het Delftse en Rotterdamse notariële archief. Dat heeft een overzicht opgeleverd van 46 scheepsreizen waarvan zeker is dat zij (mede) door de Delftse WIC-Kamer zijn uitgereed. Minstens 11 van deze reizen hadden expliciet slavenhandel tot doel: - Swaan (1635, 1644161) - Sint Pieter (1640162) 33
- Wapen van Delft (1640, 1641) - Bruinvis (1642163) - Kater/Duif (1656) - Eendracht (1659) - Delft (1726164, 1732165, 1735) Een top van de ijsberg? Er waren vermoedelijk wel meer schepen die voor Kamer Delft uitvoeren en die aan slavenhandel meewerkten; nader onderzoek zou dat kunnen uitwijzen. 4.3 Leveranciers van goederen en diensten Voor de bouw en uitreding van compagnieschepen waren behalve veel manuren ook enorme hoeveelheden materiaal nodig. Daar werd aan verdiend door toeleveranciers van hout, spijkers, pek, touw, zeilen en ga zo maar door. Koperslager Cornelis Rotshoek op Wijnhaven 6 sloot in 1704 een contract met de gebroeders Van der Leij om samen het koperwerk te leveren voor de uitgaande schepen van de VOC. En op Wijnhaven 20 woonde vanaf 1757 apotheker George van der Boon Mesch, die samen met een collega de leverantie van scheepsmedicijnkisten verzorgde.166 Daarnaast moesten voor de zeelui, soldaten, handelaars, bestuurders en passagiers eten en drinken worden ingeslagen. Al die opvarenden kochten bovendien ook zelf het nodige aan kleding, schoeisel, reisbenodigdheden en leeftocht. Volgens een opgave uit 1756 kostte de standaarduitrusting van een matroos 50 gulden. De helft was bestemd voor kleding, 5 gulden werd besteed aan 20 pond tabak.167 Chique passagiers kwamen hier natuurlijk niet mee uit.
De uitrusting van Gaspar Anthony van Kinschot, die in 1765 uitvoer, kostte meer dan 3200 gulden.168 De omvang en de economische betekenis van deze kant van het VOC- en WIC-bedrijf hebben we voor dit onderzoek niet systematisch in kaart gebracht, nog even afgezien van de vraag of dat wel mogelijk is. Enkele aspecten willen we echter wel aanstippen: de levering van buskruit en de dienstverlening door het notariaat. Compagnieschepen hadden kanonnen aan boord om zich op zee te kunnen verdedigen tegen kapers en vijandige mogendheden. De wapens werden echter ook ingezet om nederzettingen en land te veroveren in het octrooigebied en daar zo nodig met geweld het gezag te vestigen. Aan de Buitenwatersloot ten westen van Delft stond de kruitfabriek van Salomon van der Heul.169 De gecommitteerde raden van Holland bekostigden in het Rampjaar 1672 de bouw van vier nieuwe kruitmolens op zijn terrein, die exclusief produceerden voor het gewest. Zijn vier eigen molens mocht hij voortaan alleen gebruiken voor levering aan de Raad van State, de Admiraliteit op de Maze en de Kamer Delft van de VOC – vermoedelijk deed hij dat al.
Een van de gecommitteerden die deze deal sloten, was de Delftse bewindhebber Adriaan Boogaert van Belois.170 Na het overlijden van Salomon van der Heul verkocht zijn dochter het bedrijf in 1723 voor 45.000 gulden (ruim een half miljoen Euro) aan de Amsterdamse gebroeders Nicolaas en Hendrik van Hoorn. Het contact was wellicht gelegd door Hendriks oudste zoon Nicolaas Hendrik, getrouwd met de Delftse Catharina van Beaumont.171 De firma Van Hoorn was een wereldspeler. De broers gingen in 1697 een compagnieschap aan dat handelde op de Levant. In 1707 kochten zij de helft van een kruitmolen bij Utrecht, in 1713 ook de andere helft. In 1710 verwierven zij een suikerraffinaderij in Amsterdam. Zij maakten deel uit van het groepje Amsterdamse handelaren dat in 1712 de kolonie Berbice kocht voor 180.000 gulden. Zij bezaten er plantages, bewerkt door slaafgemaakten. Door overnames en deelnemingen verwierven zij uiteindelijk belangen in de hele economische keten: buskruit, slavenhandel, plantages, verscheping van koloniale goederen, verwerking van suiker in Nederland en export van suiker via de Rijn naar Duitsland.172 Met de aankoop van de kruitmakerij aan de Buitenwatersloot hadden zij nu ook de levering van buskruit aan de Kamer Delft van de VOC in handen. Zij wisten die positie te behouden, ook nadat in 1742 de acht kruitmolens werden verwoest door een ontploffing.
Het stadsbestuur besloot dat hier nooit meer buskruit mocht worden geproduceerd of opgeslagen en kocht het terrein voor 20.000 gulden. Uit het journaal van Kamer Delft van de VOC over 1768-1772 34
blijkt echter dat de firma Van Hoorn nog altijd de vaste leverancier van buskruit was, al werd het dan niet meer in Delft geproduceerd.173 Een Delftse beroepsgroep die geen goederen maar diensten verleende ten behoeve van slavernijgerelateerde activiteiten was het notariaat. Notarissen vervulden een openbaar ambt en werden daarin benoemd door het Hof van Holland. Ze moesten echter toestemming van het stadsbestuur hebben om zich in Delft te vestigen, om een overschot aan notarissen te voorkomen. Als een notaris zijn praktijk beëindigde of overleed, werden zijn protocollen ter bewaring overgebracht naar het stadhuis. In Delft zijn in de zeventiende en achttiende eeuw circa 130 notarissen actief geweest, dus er was altijd keus genoeg. Mensen uit de stad en de omgeving wisten hen bijvoorbeeld te vinden voor de overdracht van aandelen en obligaties in de compagnieën, of de koop of verkoop van een partij koloniale goederen. Handelaren sloten contracten met vertrekkende zeelui over het afleveren van een bestelling overzee. Wie op het punt stond in dienst van de compagnie uit te varen, machtigde een achterblijvende partner of familieleden om tussentijds zijn gage te innen bij de Kamer Delft. Velen maakten voor vertrek voor de zekerheid een testament. Wanneer een schip met tientallen opvarende vertrok, was dat een lucratieve inkomstenbron.
Op 27 en 28 december 1633 bijvoorbeeld ontving notaris Cornelis Adriaansz de Roon achter elkaar vier WIC-soldaten die met de Gouden Leeuw naar Brazilië uitvoeren. De Delftse jongemannen lieten elk een testament bij hem opmaken, het merendeel met een kruisje ondertekend.174 Diverse door Delftse notarissen opgestelde akten hadden rechtstreeks van doen met slavernij. Vanaf het eind van de zeventiende eeuw kwamen steeds vaker passages over plantages in het Caribisch gebied in akten voor. Ook doken regelmatig obligaties op plantagehypotheken op in de door Delftse notarissen opgestelde akten. Soms lieten familieleden van plantagehouders of van andere werknemers overzee hun zaken via een Delftse notaris regelen, opdat geld uit erfenissen hun kant opkwam.175 Vanuit het WIC-gebied waren er sporadisch vermeldingen waarbij notarissen rechtstreeks refereerden aan slaafgemaakten, zoals notaris Jan Jacob Goeverneur deed. Hij noteerde bij de boedelafhandeling van de familie Koelmeijer dat ‘een neger genaamt Affentuer’ in Paramaribo voor 800 gulden ten gunste van de boedel verkocht was.176 Vanuit het VOC-gebied waren dergelijke verwijzingen veel talrijker. Arnoldus van der Straaten, een gerepatrieerde schipper van de VOC, meldde zich in 1707 bij notaris Adriaan Hoppesteijn van Leeuwen.
Die stelde voor hem een machtiging op voor Johannes Ens, baljuw te Batavia, of Gerard Heij, predikant aldaar, om Van der Straatens ‘slaaf ofte lijffeijgenen’ Fortuyn van Bengalen te verkopen aan ‘een goet, eerlijck man’, zonder de uiterste prijs te bedingen.177 In 1730 verscheen Arij Bak uit Vlaardingen voor de Delftse notaris Pieter Coel om een machtiging te verlenen aan Arij van Boekhorst, die binnenkort als opperzeilmaker voor de Kamer Delft naar Batavia zou vertrekken. Bak had daar bij Cornelia Lodewijx, weduwe van Pieter van Assendelft, zijn ‘slavinne’ Maria van Cochin achtergelaten. Hij machtigde Van Boekhorst om ‘met deselve slavinne zoodanigh te doen ende handelen als eijge’, dus hij mocht haar ook verkopen.178 Bernardus Juffermans, die woonde op de buitenplaats Oversteen aan de Haagweg onder Rijswijk, meldde zich in 1774 bij notaris Jan Jacob Goeverneur in Delft. Hij had in Nederlands-Indië gewoond en bezat in Batavia nog een ‘pedak’ (huisje). Dat liet hij gratis bewonen door ‘een zeekere Antje, weleer slavinne’. Hij had haar indertijd vrijgegeven en in 1756 had zij de naam ‘ontfangen’ van Johanna Benjamins. Zij was intussen overleden en nu machtigde Juffermans de in Batavia werkzame Reijnier de Klerk om het huisje te verkopen aan haar man Philips Cornelis.179 Delftenaren regelden ook zaken betreffende slaafgemaakten op Kaap de Goede Hoop.
Repatriërende schepen maakten hier een tussenstop, aan de uiterste westgrens van het octrooigebied van de VOC. Wie slaafgemaakten mee wilde nemen naar Nederland, moest hiervoor expliciet toestemming hebben van de Heren XVII en bovendien een fors passagegeld betalen. De meesten probeerden hun slaafgemaakten aan de Kaap te verkopen, of lieten ze anders achter bij iemand die daarvoor zorg kon dragen. Zo ook opperstuurman Teunis van der Storm, die in 1709 notaris Cornelis van der Sleyden inschakelde. Die stelde een machtiging op voor Jan Pieterse Sluijs, 35
schipper voor de Kamer Rotterdam, om op Kaap de Goede Hoop zijn Bengaalse ‘lijffeijgen slaeff’ Alexander te verkopen. Hij had Alexander op zijn reis naar het vaderland achtergelaten bij vrijburger Jan Vlock ‘voor kost en kleederen’, tot hij of een gemachtigde hem weer zou opeisen.180 Leentje Steenhuisen uit Maasland, weduwe van VOC-schipper Jan Henrikse Vogelaar, klopte in 1768 aan bij de Delftse notaris Jacobus van Koetsveld. Haar man had aan de Kaap ‘zeekere slavinne genaamt Aliema’ achtergelaten bij Pieter Moelet. Zij machtigde nu Abraham van der Weiden, die binnenkort voor de Kamer Delft naar Oost-Indië zou vertrekken, om bij Moelet het geld te innen dat Aliema bij verkoop had opgebracht.181 4.4 Rekrutering via het Weeshuis Voor de rekrutering van personeel deden de bewindhebbers van de WIC en vooral de VOC regelmatig een beroep op het Delftse Weeshuis. Dat was gevestigd in het voormalige Sint-Barbaraklooster aan de Oude Delft vlak bij het Oost-Indisch Huis. Hier verbleven soms honderden kinderen tegelijk die één of beide ouders verloren hadden. Zij kregen elementair onderwijs, afhankelijk van hun aanleg. Meisjes werden voorbereid op hun toekomstige huishoudelijke taken en eventuele bijverdiensten als dienstbode of naaister. Jongens leerden een ambacht zodat zij later de kost konden verdienen om een gezin te kunnen onderhouden.
De meesten werden ‘besteed’ bij een baas, waar zij een vak leerden in de praktijk. Om met de VOC te beginnen: de bestuurlijke betrekkingen met het Weeshuis waren bijzonder hecht. Van de 57 bewindhebbers die de Kamer Delft heeft gehad, zijn er 13 ook regent van het Weeshuis geweest. In de jaren 1602-1775 was er slechts één periode waarin er geen bewindhebber in het regentencollege zat: 1700-1716. In de eerste helft van de zeventiende eeuw waren de banden nog hechter. Anthonis Hendriksz van der Giessen was bewindhebber van 1621 tot 1650 en Weeshuisregent van 1607 tot 1654. Daarnaast was Ewout van Bleijswijck van 1615 tot 1622 eerst regent en vervolgens tot 1636 rentmeester van het Weeshuis. In deze laatste functie werd hij opgevolgd door zijn zoon Evert, die hem bekleedde tot 1654. Beiden waren tevens bewindhebber van de VOC in respectievelijk 1625-1639 en 1639-1653 (zie bijlage 1). De VOC zat permanent om personeel verlegen en omgekeerd was het Weeshuis steeds op zoek naar opleidingsmogelijkheden voor zijn pupillen. Vanaf 1614 monsterden jongens uit het Weeshuis aan bij de Kamer Delft. In de periode 1620-1793 waren het er in totaal 803 ofwel zo’n 15 procent van de uitstroom van het Weeshuis. Zij verdienden doorgaans beter dan ambachtsjongens, maar liepen ook veel meer risico. In sommige periodes overleed 40 tot 50 procent van de vertrokken jongens onderweg.
In 1628 stuurden de regenten van het Weeshuis eenmalig een groep van zeven meisjes mee naar Azië. De VOC-bestuurders in Oost-Indië vroeg keer op keer aan het thuisfront om vrouwen over te laten komen zodat het personeel met een Nederlandse kon trouwen en een gezin stichten. Het Delftse Weeshuis liet het bij een eenmalig experiment: vier van de zeven meisjes overleefden de overtocht niet.182 Als pupillen overleden, vloeide hun erfenis in de kas van het Weeshuis. De regenten vervoegden zich dan ook van tijd tot tijd een paar deuren verderop aan de Oude Delft bij de Kamer van de VOC om de uitstaande gages van niet-teruggekeerde jongens op te halen. Dat kon soms aardig oplopen. In de jaren 1663-1699 ontving het Weeshuis 16.535 gulden, gemiddeld 447 gulden per jaar. In de jaren 1702-1739 inden de regenten 15.149 gulden, jaarlijks gemiddeld 399 gulden. Meestal vermeldt de rekening alleen het bedrag, slechts een enkele keer staat er een naam bij, of een algemene omschrijving als ‘wegen 6 overleede jongens’.183 Soms leverde een sterfgeval van een voormalige weesjongen ook nog een legaat op. Hendrik Dannenburg groeide op in het Weeshuis en monsterde in 1734 aan als ziekentrooster op het VOC-schip Rust en Werk.184 Hij werkte eerst tien jaar in Cochin aan de zuidwestkust van India en daarna in Colombo op Ceylon. Daar overleed hij in 1754.
Blijkens zijn testament was hij inmiddels boekhouder en bezat hij 1600 rijksdaalders (3840 gulden), een huisje ter waarde van 350 rijksdaalders, wat meubeltjes en twee ‘slaafjes’, Lakij en Bastiaan. Hen schonk hij de vrijheid en een bedrag van 200 rijksdaalders elk. Aan het Weeshuis in Delft vermaakte hij 650 rijksdaalders ‘want ik in gedagte huijs ben groot gebragt en waar voor ik ook hier nevens mijne oodmoedige dankbaarheid aflegge’.185 36
In het regentencollege van het Weeshuis zaten ook diverse WIC-bewindhebbers. Van de 28 bewindhebbers waren er 7 op enig moment ook regent of rentmeester van het Weeshuis (zie bijlage 2). Hun aanwezigheid was echter minder continu dan bij de VOC. Van de eerste WIC-bewindhebbers die in 1623 benoemd werden, was Gerrit Adriaansz Vockestaert tevens Weeshuisregent; twee collega-bewindhebbers hadden dit ambt eerder ook bekleed. Hugo Adriaansz van ’s-Gravesande was in 1675 de volgende Weeshuisregent die deze functie tegelijkertijd bekleedde met een bewindhebberschap. Hij deed dat tot aan zijn dood in 1699. Van 1717 tot aan de opheffing van de WIC bekleedde er juist continu een bewindhebber een functie in het Weeshuis. Dat waren achtereenvolgens de drie rentmeesters van de instelling, een functie die tot 1654 door een VOCbewindhebber was vervuld.186 Anders dan bij de VOC is maar van weinig pupillen uit het Weeshuis bekend dat zij bij de WIC aan het werk gingen. Toen de boekhouding van het tehuis aan het begin van de achttiende eeuw werd opgeschoond bleek dat er nog tegoeden openstonden van weesjongens die met de WIC en de VOC waren uitgevaren: respectievelijk 332 en 13.779 gulden. Het verschil is evident. De grote vraag naar militair personeel in de beginjaren van de WIC kan daarbij een rol hebben gespeeld.
In principe leerden de aan de zorg van de regenten toevertrouwde kinderen een ambacht. Dat zou betekenen dat zij met een opleiding tot timmerman, kuiper of zeilmaker aan de slag konden. In de praktijk bleken echter de meeste jongens ook bij de VOC als soldaat aan te monsteren.187 Uit de door het Weeshuis bijgehouden administratie blijkt dat in de periode 1705-1728 negen jongens bij de WIC meevoeren. Twee van hen monsterden aan op de Muscovia (ook wel: Stad Moskou), die namens Kamer De Maze in 1705 uitvoer om slaafgemaakten in Afrika op te halen en te vervoeren naar Essequibo. Het werd een lange, gruwelijke reis. Op de 121 dagen durende oversteek over de oceaan stierven 260 van de 571 ingescheepte slaafgemaakten. Slechts een van de twee weesjongens kon het in Delft navertellen: Jan Isaak Eloim overleed tijdens de reis, Reynier de Wer repatrieerde in 1711.188 4.5 Handelaars in koloniale goederen Iedereen in Delft kwam in aanraking met producten die met de schepen van de VOC en de WIC in Delft werden aangevoerd en dus met hulp van slaafgemaakten waren gewonnen of geproduceerd. Het eten werd gekruid met Oosterse specerijen, suiker verving honing als zoetstof en in plaats van bier dronk men vaker thee en koffie, bij voorkeur uit kopjes van Chinees porselein.
Men ging kleding dragen van katoen of zijde, gekleurd met het piment van brazielhout en wie het zich kon permitteren verzamelde schelpen en andere exotische voorwerpen. Dergelijke artikelen waren te koop in Delftse winkels, dus voor iedereen zichtbaar in het straatbeeld. In de loop der tijd werden ze steeds algemener, goedkoper en voor meer mensen bereikbaar. Een fraaie staalkaart van wat VOC en WIC zoal aanvoerden, bieden de registers van binnenlandse paspoorten, in Delft afgegeven vergunningen voor transport per binnenschip uit 16231626 en 1647-1737.189 Daarin treffen we regelmatig grote hoeveelheden koloniale producten aan als suiker, peper, kaneel, foelie, indigo, kamfer, tabak, tropische houtsoorten, zijde en andere uitheemse stoffen. De meeste werden via naar Amsterdam verscheept, want de Delftse markt was simpelweg te klein om alle door de compagnieën aangevoerde goederen op te nemen. Pieter Laurisz bracht in 1674 zes balen indigo en zestig balen peper naar Amsterdam. Jan Claasz van Aerssen vervoerde in 1687 een kostbare lading gember, kamfer, peper en zijde. Arij Huijbert verscheepte in 1688 honderdveertig balen peper naar Amsterdam, ter waarde van ruim 30.000 gulden. Net zomin als de leveranciers aan de VOC en WIC kunnen we in dit onderzoek de afnemers van de compagnieën grootschalig behandelen.
Er is geen vooronderzoek beschikbaar naar koffie- en theehuizen, handelaren in exotische stoffen of andere middenstanders die koloniale goederen zichtbaar maakten in het straatbeeld. We kiezen er één aspect uit: suiker, een product dat vrijwel niet kon worden geproduceerd zonder slavernij.190 37
In de zestiende eeuw werd suiker via Portugese handelaren een belangrijk artikel voor de Nederlandse voedingsindustrie. Aanvankelijk was suiker afkomstig van de Canarische eilanden en Madeira, later uit Brazilië, het Caribisch gebied en Oost-Indië. In Delft waren omstreeks 1600 al minstens drie suikerbakkers actief. De vroegst vermelde was Cornelis Reijmbrantsz, die uit Schiedam naar Delft verhuisde en zich in 1593 in liet schrijven als poorter.191 De WIC wist de Portugezen als tussenhandelaren uit te schakelen en zorgde door rechtstreekse import voor grotere verspreiding van het suikergebruik. Enkele afnemers komen we tegen in de boedel van Pieter Gerbrantsz Ranck. Hij was eind 1636 als kapitein op de Neptunus in dienst van de WIC vertrokken naar Brazilië, op 6 oktober 1638 onder Engeland overleden en op het eiland Wight begraven. De boedel heeft voor geleverde suiker geld tegoed van de bewindhebbers van de WIC te Delft wegens de portie van Ranck zelf (495 gulden), suikerkoopman Hendrik Lintlage wegens een kist Moscovado (208 gulden), kruidenier Johan van Stralen (110 gulden), apotheker IJsbrant Bijlant (110 gulden) en Adolph van Kelder (77 gulden).
Verder was er tabak geleverd aan Abraham la Mere te Rotterdam (35 gulden) en moest aan de boekhouder van de WIC-Kamer Hoorn impost worden betaald over ingevoerde tabak en katoen.192 De hier genoemde Lintlage verkocht zijn huis met suikerbakkerij in 1640 voor 4000 gulden aan Adriaan Heinsius, die zich ‘raffinadeur’ noemde, net als zijn vader Anthonij. Zij hadden met hun nering fortuin gemaakt en waren lid van de Veertigraad. Adriaans zoon Anthonij Heinsius (16411720) kon mede dankzij het familiekapitaal studeren en een glansrijke ambtelijke carrière opbouwen: hij was secretaris en pensionaris van Delft, bewindhebber van de VOC-Kamer Delft en vanaf 1688 raadpensionaris. Op de grafzerk van de familie in de Oude Kerk wordt zijn bewindhebberschap expliciet genoemd.193 Delftse suikerbakkers sloegen hun vleugels uit naar andere plaatsen. De hier geboren Schalkius van Beeftingh (1682-1771) startte aan het begin van de achttiende eeuw in Rotterdam een suikerraffinaderij die twee generaties later nog in de familie was.194 Van Beeftingh trouwde de Delftse Maria van der Dussen. Hun zoon Frans Schalkiusz van Beeftingh (1713-1791) zat in de Veertigraad van Delft. 4.6 Pronken met koloniaal kapitaal Degenen die fortuin maakten met koloniale handel of carrière maakten als bestuurder in dienst van VOC of WIC pronkten maar al te graag met hun rijkdom.
Koloniaal kapitaal werd geïnvesteerd in huizen, buitenplaatsen en kunstwerken. In een lijst van 38 belangrijke Delftse verzamelaars uit de zeventiende en de eerste helft van de achttiende eeuw vinden we een bewindhebber van de WIC (Boudewijn de Man) en van de VOC (Paulus Teding van Berkhout).195 Collectioneur Johannes van Steelandt (1659-1716) was gouverneur van Coromandel en lid van de Raad van Indië geweest, tot hij in 1712 het onderwerp werd van een onderzoek naar privéhandel en afpersing. Na repatriëring vestigde hij zich aan de Lakengracht (nu Raam), waar hij een omvangrijke kunstverzameling aanlegde.196 Gaspar Rudolph van Kinschot (1704-1708), secretaris van Delft en bewindhebber van de WIC-Kamer De Maze, liet in het huis Portugal (Oude Delft 75) een kamer betimmeren met Ambonees hout. Samen met de rest van de inrichting kostte alleen dit vertrek al meer dan 9000 gulden.197 Ook mensen die zelf niet bij koloniale handel of bestuur betrokken waren, associeerden zich ermee. Johan de la Faille (1628-1713) was sinds 1672 lid van de Veertigraad en van 1680 tot zijn dood schout van Delft. Hij bezat een vermaarde collectie exotische schelpen en op zijn portret door Johannes Verkolje wordt hij vergezeld door een zwarte bediende.198 Anderen maakten goede sier met koloniaal kapitaal dat door vererving was verkregen.
Stadssecretaris Gerard Cornelis van Riebeeck (1722-1759) was misschien wel de rijkste man van Delft. Hij was een zoon van Johan van Riebeeck, heer van Bunschoten, kleinzoon van gouverneurgeneraal van Oost-Indië Abraham van Riebeeck en achterkleinzoon van Jan van Riebeeck, stichter van de kaapkolonie. Hij woonde aan de Oude Delft en trouwde achtereenvolgens Maria Ernaudina van Schuijlenburch (1726-1750) en Charlotte Beatrix Strick van Linschoten (1732-1795). Van hem en Charlotte zijn portretten bewaard waarop zij poseren voor hun buitenplaatsen Eemwijck en Essensteyn onder Voorburg.199 38
Status en pretenties in de naamgeving van VOC-schepen Veel schepen van de Kamer Delft kregen algemene namen, bijvoorbeeld van vogels of vissen. Sommige werden vernoemd naar Delft, al dan niet met een toevoeging als Het Stadhuis van Delft of Het Wapen van Delft. Enkele schepen heetten Delfland, een grote groep kreeg de naam van een plaats in de regio. Twintig schepen droegen namen die verwezen naar bewindhebbers of hun echtgenotes, buitenplaatsen en heerlijkheden. Eén schip is genoemd naar de buitenplaats van een veertigraad die werkte voor de Sociëteit van Suriname. Zo droegen de bestuurders van de compagnie hun status uit. Een opvallende scheepsnaam is De vrije zee. Die verwijst naar het beroemde traktaat Mare liberum dat Hugo de Groot in 1609 schreef op verzoek van de VOC. Hij betoogde hierin dat de zee van iedereen was en dat de VOC dus het volste recht had om de monopolies van andere landen te omzeilen.200 Jaar 1662 1671 1686 1689 1765 1703 1705 1706 1708
Naam Meerman Den Briel Sion Belois Vrouwe Anthoinetta Koenrardina Boogaert Naters Meerman Arendsduin
Verwijst naar bewindhebbers Frans Jansz en Maarten Meerman Jacob Briel Buitenplaats van Gerard Putmans Heerlijkheid van Nicolaas Boogaert Van Heemskerck, echtgenote Franco Pauw Boogaert van Belois Heerlijkheid Andries van der Goes Jan Fransz Meerman Buitenplaats Maarten van Hoogenhouck; later familie d’Aquet Heerlijkheid Cornelis Spiering Heerlijkheid familie Boogaert (Nicolaas Boogaert getrouwd met Anna Cecilia Boogaert van Alblasserdam) Buitenplaats Paulus Teding van Berkhout Buitenplaats Adriaan van der Goes Buitenplaats Gerard van Vredenburch Van Schuijlenburch, echtgenote Jan Teding van Berkhout Franco Pauw Boogaert, e.v. Nicolaas Kraeyvanger Heerlijkheid Jan Bouwens Buitenplaats Lisse van Willem van Blommesteijn Tijslot de Patot, echtgenote van Thomas van Lidt de Jeude
1724 1725
Spieringshoek Alblasserdam
1745 1747 1764 1765 1767 1776 1784 1785 1791
Pasgeld Deunisveld Vreeburg Vrouwe Kornelia Hillegonda Pauw Vrouwe Everhardina Horssen Houtlust Suzanna Cornelia
1788
Rusthof
Buitenplaats in Maasland van veertigraad Pieter Hendriksz Clifford Kocq, raad en ontvanger Sociëteit van Suriname
1667
De Vrije Zee
Verwijzing naar traktaat van Hugo de Groot
4.7 Zichtbaarheid van koloniaal kapitaal: Oude Delft 95 en Sion Hoe koloniaal kapitaal werd doorgegeven en geïnvesteerd in statige huizen en buitenplaatsen willen we illustreren aan de hand van twee nauw verweven voorbeelden: Oude Delft 95 en buitenplaats Sion, net over de grens met Rijswijk. Het verhaal begint met Joost Jacobsz van Adrichem (1574-1653), telg uit een prominente Delftse familie van brouwers, kooplieden en stadsbestuurders. Hij werd in 1617 bewindhebber van de VOC en in 1620 lid van de Veertigraad. Uit zijn huwelijk met Catharina van der Eijk werden twee dochters geboren. Emerentia trouwde met François Jansz Meerman, Maria met Pieter Gerritsz van Santen. In 1639 deed Joost afstand van het bewindhebberschap; datzelfde jaar werden allebei zijn schoonzoons in dat ambt benoemd. In 1652 maakte hij zijn testament. Hij had twee huizen te vermaken. Zijn dochter Emerentia en haar man François kregen het door hemzelf bewoonde huis Het Wapen van Holland, aan de Oude Delft westzijde, ten noorden van het Weeshuis 39
(nu Oude Delft 69). Zijn dochter Maria was al overleden; haar man Pieter en hun minderjarige dochtertje Maria kregen De Witte Aker aan de oostzijde van de Brabantse Turfmarkt (nu Brabantse Turfmarkt 50-52). Uit zijn boedelinventaris blijkt dat Joost liefst 48.000 gulden aan aandelen in de VOC-Kamer Delft bezat. Aan de muren van zijn huis hingen tientallen schilderijen en twee kaarten, van Brazilië en van Batavia.201 Schoonzoon Pieter van Santen, een telg uit een rijke Delftse brouwersfamilie, was voor zijn huwelijk met Maria van Adrichem in 1636 werkzaam in de overzeese handel. In 1621, toen hij zestien jaar oud was, maakte hij een testament, op de vooravond van zijn vertrek naar ‘Guinea’.202 Hij belandde uiteindelijk voor de VOC in Japan, waar hij in 1633 waarnemend opperhoofd was. Bij terugkeer bracht hij een natuurlijke dochter mee, die ook Maria heette. Hij deed er niet geheimzinnig over: zij staat in de testamenten die hij maakte met zijn eerste vrouw Maria van Adrichem in 1636 en zijn tweede vrouw Anna Spiering in 1640.203 Niet als erfgename, want dat waren zijn vier wettige dochters: Maria uit zijn eerste huwelijk en Catharina, Soethea en Adriana uit zijn tweede huwelijk. Die mochten bijna 75.000 gulden verdelen, de natuurlijke dochter Maria kreeg ‘slechts’ een legaat van 4000 gulden.
Uit de boedelinventaris die na zijn overlijden werd opgemaakt, blijkt bovendien dat zij nog geld moest terugbetalen dat hij voor haar had voorgeschoten, onder meer 400 gulden voor haar wettiging en 800 gulden voor haar ‘uijtrustinghe naer Oostindien’.204 Maria was vertrokken met haar echtgenoot Nicolaas Verburch. Hij was ongetwijfeld een Delftenaar, maar is in geen enkele genealogie in te passen; mogelijk was ook hij een onwettig kind. Zij zochten hun heil in Oost-Indië, waar Nicolaas snel carrière én fortuin maakte. In 1640 was hij onderkoopman in Suratte aan de noordwestkust van India, in 1646-1649 directeur van Perzië en in 1649-1653 gouverneur van Formosa. Vervolgens was hij Raad van Indië in Batavia en in 1667 werd hij directeur-generaal, de op één na hoogste positie in het VOC-gebied. In 1675 keerde het echtpaar terug naar Nederland, met een kolossaal vermogen en hun dochter Adriana (1662-1732).205
Maria en Nicolaas overleden allebei in 1676. Maria kende in haar testament een legaat van 12.000 gulden toe aan ‘neef’ Johan Putmans, die tegelijk met hen was gerepatrieerd, en bovendien benoemde zij hem tot voogd over Adriana.206 Johan was de zoon van Hans Putmans, van 1629-1636 gouverneur van Formosa, en dus een van de voorgangers van Nicolaas Verburch. Hans trouwde na repatriëring in 1638 met Elisabeth van Santen, de zus van Maria’s vader Pieter. Zij kochten in 1639 het huis Oude Delft 134, waar hij in 1654 overleed. 40
Adriana trouwde in 1677, amper een jaar na het overlijden van haar ouders, met Gerard Putmans (1641-1698), een broer van haar voogd Johan. Het was niet verwonderlijk dat de andere voogden meenden dat het de gebroeders Putmans alleen maar om het geld van de pas veertienjarige Adriana te doen was. Blijkens de huwelijkse voorwaarden bezat Gerard 91.000 gulden, waarvan 60 procent bestond uit obligaties en aandelen in de VOC. Adriana bezat de hele boedel van haar ouders, die na aftrek van de legaten nog altijd 508.000 gulden waard was.207 Gerard Putmans was overigens prima in staat zijn eigen brood te verdienen. Hij was in 1672 door Willem III benoemd in de Veertigraad. Hij werd schout, burgemeester, gecommitteerde in de Staten-Generaal, vanaf 1679 bewindhebber van de VOC en vanaf 1689 baljuw en dijkgraaf van Delfland.208 Zijn vermogen groeide nog flink aan en Gerard en Adriana staan te boek als een van de rijkste echtparen van de zeventiende eeuw. Zij betrokken eerst het huis van Gerards ouders Oude Delft 134 en huurden vanaf 1679 Oude Delft 137-139 van Zacharias van Beresteyn.209 Datzelfde jaar kocht Putmans het voormalige klooster Sion, net over de grens met Rijswijk. Hij bouwde het complex van 34 morgen of 29 hectare uit tot een fraaie buitenplaats.
Putmans overleed in 1698 en binnen een jaar hertrouwde Adriana met Willem Hooft (16611740), de baljuw van Woerden, met wie zij al tijdens haar huwelijk een affaire had. Hooft was weduwnaar van Maria de Witt, dochter van raadspensionaris Johan de Witt. Hij vestigde zich nu in Delft, kwam in 1708 in de Veertigraad en werd in 1721 bewindhebber van de VOC. Hij kocht op de hoek van de Oude Delft en de Smitsteeg drie panden op, die hij liet afbreken om er een kolossaal nieuw huis voor in de plaats te laten bouwen, nu Oude Delft 95. Adriana kocht intussen buitenplaats Langerode onder Alphen aan den Rijn. Toen zij in 1724 een testament maakte, kreeg Hooft niet meer dan waar hij krachtens de huwelijkse voorwaarden recht op had. Tot universeel erfgenaam benoemde zij zijn kleinzoon Iman Mogge (1707-1737). Hij was een zoon van Hoofts overleden dochter Wendela Hooft (1686-1721) en Rutger Mogge van Haamstede (1682-1729).210 Zo verhuisde het koloniale kapitaal van de families Verburch en Putmans naar Zeeland. Het huis Oude Delft 95 bleef echter verbonden met Oost-Indië.
Hooft bezat onvoldoende middelen (en aanleiding) om het aan te houden en verkocht het in 1733 voor 43.000 gulden aan Diederik Durven (1676-1740).211 Hij was advocaat voor de VOC-Kamer Delft geweest, vertrok in 1706 naar Batavia, werd lid en later president van de Raad van Justitie, lid van de Raad van Indië en uiteindelijk gouverneur-generaal. Hij werd in 1731 ontslagen wegens ‘het grote verval alomme in Indiën’ en zijn ‘ongebonden en onbetaamelijk levensgedrag’. Hij keerde terug naar Delft en procedeerde tot zijn dood om zijn ontslag aan te vechten. Durven was getrouwd met Anna Catharina de Roo (1699-1741), dochter van de ook uit Delft afkomstige Willem de Roo, directeur van Bengalen.212 Toen zij een jaar na hem overleed, werd een inventaris gemaakt van de boedel, die eindeloze hoeveelheden juwelen, stoffen en porselein bevatte.213 Hun dochter Yda Anna Durven (1725-1766) bleef op Oude Delft 95 wonen, vanaf 1748 met haar echtgenoot Nicolaas Kraeyvanger (1724-1796). Ook hij had een VOC-achtergrond. Zijn gelijknamige grootvader was predikant op Makassar, zijn vader Everhard was advocaat-fiscaal van Indië en hijzelf werd in 1765 bewindhebber van de VOC. Hij bewoonde Oude Delft 95 tot zijn dood in 1796.214 Het huis werd in 1842 de eerste vestiging van Koninklijke Akademie, de voorloper van de TU Delft.
Tot 1864 werden hier behalve burgerlijke ingenieurs ook ambtenaren voor Nederlands-Indië opgeleid. Tegenwoordig zetelt hier het IHE Delft Institute for Water Education. Sion werd enkele jaren na het overlijden van Putmans in 1698 verkocht.215 De buitenplaats kwam in 1710 in handen van de Rotterdamse regent Gijsbert van Hogendorp, ontvanger-generaal van de Unie. Sion vererfde via-via op zijn kleinzoon Willem van Hogendorp (1735-1784), onder voorwaarde dat hij zijn schulden afloste en familieleden uitkocht voor 100.000 gulden. Om het benodigde geld bij elkaar te krijgen, trad hij in 1773 in dienst van de VOC. Hij werd op persoonlijke voorspraak van stadhouder Willem V resident van Rembang aan de noordkust van Midden-Java en in 1777 administrateur van de pakhuizen op het eiland Onrust. Hij was medeoprichter van het Bataviaasch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen en schreef verhandelingen over de gebieden waar hij werkte en over het nut van inenting tegen pokken. Zijn bijzonder lucratieve betrekkingen maakten 41
het hem mogelijk zijn financiën binnen tien jaar op orde te krijgen en Sion te kopen. Hij heeft zijn buitenplaats echter nooit in bezit kunnen nemen, want het schip Harmonia waarop hij in 1784 repatrieerde, is onderweg vergaan. Willems zoon Dirk van Hogendorp (1761-1822) werd militair, mede gedwongen door de geldzorgen van zijn vader. Hij trad in 1785 in dienst van de VOC en vervulde bestuursfuncties in Bengalen en op Java. In 1798 werd hij geschorst en het jaar daarop keerde hij terug naar Nederland, waar de patriotten intussen met hulp van de Fransen de stadhouder hadden verjaagd.216 De familie Van Hogendorp verkocht de buitenplaats Sion in 1800. Dirk werkte als diplomaat voor het Koninkrijk Holland (1806-1810) en na de inlijving daarvan bij Frankrijk voor Napoleon. Toen die in 1815 bij Waterloo werd verslagen, was de positie van Dirk in Nederland onhoudbaar. Terwijl zijn broer Gijsbert Karel de terugkeer van de stadhouder voorbereidde, ging Dirk in vrijwillige ballingschap in Brazilië. Hij bewoonde daar tot zijn dood een kleine plantage die hij de naam Novo Sion gaf.217 Van Sion is niet meer over dan het voormalige koetshuis. In de woonwijk die op het terrein is verrezen, verwijzen straatnamen als Oranjerie, Warmoestuin en Terras van Sion naar onderdelen van de vroegere buitenplaats.
De kunstroute Novo Sion vertelt in zestien ronde reliëfs de geschiedenis van Sion; één daarvan is gewijd aan de plantage Novo Sion van Dirk van Hogendorp.218
42
5 Slaafgemaakten In dit hoofdstuk richten we de blik op de slaafgemaakten. Hoe zij hun levens leefden kunnen we vaak niet uitgeschreven in de bronnen terugvinden. We doen daar wel een poging toe, waarbij we zoeken naar relaties tussen Delftse eigenaren en slaafgemaakten. Waar mogelijk proberen we de slaafgemaakten een stem en soms zelfs een gezicht te geven. Ook onderzoeken we de aanwezigheid van mensen van kleur in Delft in de onderzochte periode. 5.1 Oost In het straatbeeld van Batavia en andere VOC-vestigingen waren slaafgemaakten alomtegenwoordig. Eerder citeerden we Remco Raben, die stelde dat zij in de meeste steden zelfs in de meerderheid waren. Daarbij ging het hoofdzakelijk om slaafgemaakten die eigendom waren van particulieren, zowel VOC-dienaren als vrijburgers, ook Delftenaren. Juist omdat slaafgemaakten juridisch gezien als eigendommen werden beschouwd, kunnen we veel over hen te weten komen uit de bronnen die bij uitstek iets zeggen over iemands bezittingen: testamenten en boedelinventarissen. Daar vinden we informatie over bijvoorbeeld het aantal slaafgemaakten dat iemand bezat, hun namen, hun werkzaamheden, hun lotgevallen bij de boedelverdeling. Waar nodig en mogelijk hebben we deze bronnen aangevuld met andere gegevens.
Er komen ook niet-Delftse bezitters van slaafgemaakten ter sprake, meestal omdat hun boedel werd beheerd of afgewikkeld door de Delftse Weeskamer. Dan maakten de slaafgemaakten deel uit van koloniaal kapitaal dat in Delft terechtkwam. Namen en herkomst Hoe kwam iemand in het bezit van een slaaf? In het hele VOC-gebied waren slavenmarkten, met Batavia als de belangrijkste. Hier werden slaafgemaakten aangevoerd door de compagnie zelf of door particuliere handelaren, soms vanaf andere slavenmarkten in Zuid-Azië.219 De handel gebeurde niet altijd op grote schaal of door professionele slavenhandelaren. Er waren ook privépersonen die tijdens een reis één of meer slaafgemaakten kochten als persoonlijke bediende of om ze elders met winst te verkopen. Jan Staats, een timmerman uit Delfshaven, vertrok in 1712 aan boord van het schip Hoedekenskerke voor de Kamer Delft naar Indië. Hij overleed aan boord tussen Coromandel en Batavia. In zijn boedel bevond zich allerlei zogeheten handelswaar die hij kennelijk tijdens tussenstops voor eigen rekening had gekocht en bij aankomst wilde verkopen. Het ging onder meer om 150 sitsen, 32 onderbroeken, 55 neusdoeken, 16 meidenkleden, maar ook om ‘een swarte jongen’.
Die wordt heel terloops genoemd, vermelding van een naam werd niet nodig gevonden.220 Hetzelfde zien we in de boedel van de jurist Simon Boogaert van Belois, administrateur van de suikerpakhuizen in Batavia. Hij overleed in 1758 aan boord van het schip Sloterdijk, onderweg naar Batavia vanuit Cochin, het huidige Vietnam, een belangrijke leverancier van poedersuiker.221 Hij had aan boord niet meer bij zich dan kooigoed (meestal een simpel matrasje en een deken), een kist met kleding en twee niet bij name genoemde ‘slaaven jonge’.222 Ook als slaafgemaakten wel bij naam werden genoemd, was er sprake van depersonalisatie. De eigenaar kon immers de naam bepalen en bij verkoop vond meestal hernoeming plaats. De lijst van meer dan honderd in 1776-1777 verkochte slaafgemaakten van Roeland Palm, gezaghebber van de westkust van Sumatra, is illustratief. Ontong werd hernoemd in Mercuur, een andere Ontong werd Vrolijk, Agim werd Meij, Phutjum werd Augustus, Manille van Nias werd December, Fielejetie werd Juffrouw. Meestal, maar niet altijd, werd een inheemse naam gewijzigd in een Nederlandse.
Sommige namen waren wellicht komisch bedoeld maar in feite mensonterend: Vrolijk Kakkerlak van Nias, Pappegaeij van Nias of Luijsebos.223 Aan de naam van een slaafgemaakte werd meestal een herkomstaanduiding toegevoegd, bijvoorbeeld ‘van Bali’, ‘van Soembawa’, ‘van Boegis’ (op midden Celebes) of ‘van de Kust’ (Coromandel, het zuidoosten van India). Zo’n naam verwees naar de plaats waar de betrokkene ooit tot slaaf was gemaakt of werd gekocht. Kinderen van slaafgemaakten kregen meestal de herkomstnaam van de plaats waar zij geboren werden. Catharina Cornelia van Mijlendonk in Batavia 43
bezat ‘slavekok’ Saue van Soembawa en zijn vrouw Mauar van Mandhaar, die weefster was, en hun zoon Boeang van Batavia.224 Net als bij onroerend goed moest bij overdracht van een slaafgemaakte een transportakte worden opgemaakt. Gerrit van Emmerik, opgegroeid in het Delftse Weeshuis, vermaakte in 1775 in Batavia aan Anna Neelen, minderjarige dochter van de overleden raad van justitie Cornelis Neelen, 1000 rijksdaalders en vier slaafgemaakten. Hij vermeldde ook waar hij hen eerder dat jaar had gekocht: Lakeij Castachego in Cochin en Hector van Soembawa, Tania van Boegis, hernaamd Sitie, en Alida van Kajodoepa in Batavia. De transportakten werden via de notaris aan Anna overhandigd, ten einde ‘met de bovengemelde lijffeijgenen gedaan en gehandelt te worden als haer eigen’.225 Soms kunnen we de onvrijwillige gangen van slaafgemaakten verrassend goed volgen. Kinola, Cadet, December, Jazon en Domingo waren ‘vijff musicanten’ van Roeland Palm (1735-1776). Hij woonde in Padang, waar hij gezaghebber van de westkust van Sumatra was. Zijn kinderen werden door familieleden in Delft opgevoed en zijn boedel werd afgewikkeld door de Delftse Weeskamer. Palm bepaalde in zijn testament dat de muzikanten met Sophia, de moeder van Jazon en Domingo, naar Batavia moesten worden gezonden.
Daar dienden zij te worden getaxeerd en ten verkoop doorgestuurd naar zijn broer Willem Adriaan Palm, onderkoopman en resident te Banjermasin op Borneo.226 In de boedelinventaris die in februari 1776 werd opgemaakt, staan twee doosjes met dwarsfluiten, ‘gehoorende bij de jongens per het schip de Maria Jacoba na Batavia verzonden’.227 De executeurs-testamentair stuurden een briefje naar Willem Adriaan met de mededeling dat de afwikkeling van de boedel nog even duurde, maar dat zij de muzikanten alvast wensten ‘over te maaken’. Op 22 april volgde een brief ter begeleiding van de overige goederen, met het verzoek om bevestiging van ontvangst, ‘soe wel als van de musicanten’. In Batavia werden ze door de Weeskamer geregistreerd op een lijst van goederen van de boedel van Roeland Palm: Mingo en Jasson van de Westcust, violisten, Kinola van Papoea, violist en fluitspeler, en December en Gade van de Westcust, beiden aangeduid als ‘lijfjonge’.228 Het lijkt erop dat Willem Adriaan Palm liever geld dan muzikanten ontving, want al deze slaafgemaakten staan in de rekening van de verkoping van de boedel van Roeland Palm in Batavia. Mingo en Jason werden met hun moeder Sophia en hun zuster Maria verkocht voor 640 rijksdaalders, Kinola voor 200 en Gade en December samen voor 425.229 Een individuele slaafgemaakte die we goed kunnen volgen is Cupido van Nias.
Gezien zijn toenaam was hij waarschijnlijk afkomstig van Nias, een eiland voor de westkust van Sumatra. In 1762 werd hij in Padang op Sumatra door Nicolaas Diederik, korporaal van de VOC, verkocht aan Jacob de Bruijn, stuurman van het schip Deunisveld voor 80 rijksdaalders. Die verkocht Cupido op 15 april 1763 in Batavia aan Jan Adam Huijser voor 100 rijksdaalders. Op 16 mei werd hij doorverkocht aan Jan Tieleman voor 125 rijksdaalders. Op 14 april 1764 verklaarde Tieleman dat hij deze koop had gedaan samen met een zekere H. Terkamp, maar nu afstand deed van zijn aandeel. Daarmee werd Cupido volledig eigendom van Hermanus Theodorus Terkamp, een uit Delft afkomstige opperchirurgijn in Batavia. In 1770 kocht Terkamp op een publieke boedelveiling nog ‘een jonge genaamd Camis van Batavia’ voor 86 rijksdaalders.230 Werkzaamheden In de boedelinventaris van Johannes Cornelis van Massau, overleden in 1792, wordt bij een aantal van zijn 64 slaafgemaakten ook vermeld welke werkzaamheden zij verrichtten. Er waren naaisters, grove naaisters en fijne naaisters en huismeiden; Lea van Bougis en Betrie van Timor werkten als ‘slavenkokkin’. De mannen werkten als ‘huisjongen’, kok, koetsier of smid. Tjiender, April en Minggala, allen van Boegis, waren zogenoemde voorlopers, slaafgemaakten die voor hun eigenaar uitliepen om zijn status aan te geven.
Onverwagt van Ambon was schoenmaker, Nicodemus van Batavia pruikenmaker. Apol van Nias was kleermaker en muzikant, net als Kamies Ketjiel van Batavia. Diens vader Maart van Timor was ‘huisjongen’, een aanwijzing dat het woord ‘jongen’ niets zegt over leeftijd, maar over zijn status als slaafgemaakte.231 In de boedelinventaris van Catharina Cornelia van Mijlendonk (1740-1791) staat een lange lijst van 105 slaafgemaakten. Ook hier treffen we veel huishoudelijke beroepen aan, met nog iets meer aandacht voor handwerk: Amaranta van Boegis en Floressie van Java waren kantmaaksters, 44
Rosetta van Bali, Amida van Batavia en Kietjiel van Malakka kousenbreisters en Mauar van Mandhaar was weefster. Eillemijntje van Batavia, de vrouw van koetsier Junij van Boegies, was deurwachtster. Bij de mannen vinden we Simon als broodhaler, Isaak van Bali als ‘slavekok’ en Cupido van Bali als mandoor of opzichter. Ook jonge kinderen werden ingeschakeld in de huishouding. David van Bali was ‘huisjongen’, zijn dochter Moena van Batavia ‘lijfmeisje’, zijn zoon Sabar van Batavia ‘lijfjongetje’ en zijn jongste dochter Porsia van Batavia ‘aankomend meisje’.232 Njai en kinderen Het lukte Gaspar Anthony van Kinschot in Batavia niet om een rijke vrouw te vinden en zo aan geld te komen, zo schreef hij zijn broer. Intussen verwekte hij wel kinderen, al vermeldde hij dat niet in zijn brieven. Maar in zijn testament van 1774 droeg hij de executeurs op om van Johan de Roth ‘sijn slavin Jasmina’ te kopen en in vrijheid te stellen. Zij kreeg bovendien het vruchtgebruik van een kapitaal van 1000 rijksdaalders. Tot universeel erfgename benoemde hij zijn geadopteerde dochtertje Anthonia, in 1773 gedoopt in de buiten-Portugese kerk. Dit met elkaar combinerend mogen we wel stellen dat Jasmina de moeder van Anthonia was. De president van de weeskamer in Batavia, W. Fockens, meldde het overlijden van Gaspar Anthony in januari 1776 per brief aan diens broer Gaspar.
Hij vermoedde dat de dood was veroorzaakt door ‘chagrin’ over het verlies van 10.000 rijksdaalders in een riskante onderneming. Omdat de boedel met schulden beladen was, moest het dochtertje eigenlijk naar het armenhuis. Maar uit achting voor haar vader had Fockens haar bij zich in huis genomen, net als twee jongetjes. Het ene was een broertje van Anthonia, het tweede had een andere moeder. Fockens noemde geen naam; misschien ging het om Gaspar Anthony’s slaafgemaakte Moeliara van Bali, die volgens het testament op kosten van de boedel moest worden vrijgelaten en een legaat kreeg van 500 rijksdaalders. Fockens schreef Gaspar dat hij ook een brief had gestuurd aan diens moeder over het overlijden van Gaspar Anthony, maar daarin had hij alleen het dochtertje vermeld. Daar kon hij niet omheen, omdat zij in het testament stond. Maar over de zoontjes had hij gezwegen, meldde hij aan Gaspar, omdat hij wist ‘hoe ongaarne men kinderen van diergelijke onwettige geboorte in zijne famille heeft of er van hoort’. De jongetjes overleden binnen twee jaar, over het meisje horen we niets meer.233 Europese mannen deden niet moeilijk over onechte kinderen bij een slaafgemaakte vrouw. Talloze VOC-medewerkers in Indië hadden een ‘njai’ of bijzit, al dan niet een tot slaaf gemaakte.
234 David Brouwer, in 1706 in Delft geboren, werkte op Borneo, in China en in Japan voor hij commandeur werd van Bantam op West-Java. Daar maakte hij in 1747 zijn testament. Hij leefde er samen met de slaafgemaakte Tjanpacka van Nias, bij wie hij een ‘huisinboorling’ Jan had. Aan hem vermaakte Brouwer 5000 rijksdaalders en de ‘manslaven’ Maloe en Tjatjoe om voor hem te zorgen tot hij mondig was of trouwde; daarna mochten zij vrij vertrekken met elk 25 rijksdaalders. Tjanpacka kreeg zolang het vruchtgebruik van het kapitaal. Overleed Jan voor hij mondig was, dan ging het naar Brouwers erfgenamen. Daarnaast kreeg Tjanpacka een legaat van 500 rijksdaalders en zou zij worden vrijgelaten na Brouwers dood. Ook tien andere slaafgemaakten zouden dan worden geëmancipeerd.235 Brouwer was niet uniek in het adopteren van een kind dat hij had verwekt bij een njai. Als de verhoudingen niet expliciet worden benoemd, kunnen we soms uit de context afleiden hoe het zit. Eenzelfde geval is Elardus Magnus de Roth, kassier van de bank van lening in Batavia. Hij schonk in 1789 bij testament aan Kananga van Rio, een naam die wijst op een slaafgemaakte vrouw, het vruchtgebruik van een kapitaal van 4000 rijksdaalders. Zijn geadopteerde dochtertje Antje Dorothea de Roth benoemde hij tot erfgenaam van de helft van zijn nalatenschap.
Het ligt voor de hand dat Kananga haar moeder was.236 De Delftse notaris en advocaat Johannes Verklocke regelde de zaken in alle openheid samen met zijn vrouw Theodora Rotgers. Zij testeerden in 1753 samen in Batavia, waar Verklocke ordinair Raad van Justitie was. Hij vermaakte 500 rijksdaalders aan zijn aangenomen dochtertje Sara Catharina en 500 aan haar moeder, de vrije christenvrouw Maria, voorheen zijn lijfeigene.237 Hun zoon Jan Edzardus Jeremias Verklocke testeerde in 1787 als oud-schepen van 45
Batavia. Hij gaf de vrijheid aan Diana, Dorothea en Roosje, met de vermelding dat hij bij alle drie kinderen had verwekt.238 Er waren mannen die zich bekommerden om het lot van een njai na hun overlijden. De Haagse militair Johannes Cornelis van Massau stierf in 1792 in Batavia, waar hij ritmeester was in de lijfwacht van de gouverneur-generaal. Zijn in Nederland achtergebleven vrouw was intussen van hem gescheiden; bij haar had hij een zoon en een dochter die in Den Haag woonden. Volgens een codicil van 1790 had hij ook bij zijn slaafgemaakte Tjiendra van Batavia een kind, waarvan de naam niet wordt genoemd. Hij bepaalde dat Tjiendra moest worden vrijgegeven, met haar moeder Susanna van Makassar en haar vader Jago van Makassar en Mars van Salcijer. Zij mochten al hun kleding, goud, zilver en juwelen behouden. Bovendien moest voor maximaal 600 rijksdaalders een ‘inlandse tuin’ voor hen worden gekocht met een goed woonhuis. Zij kregen het geheel in vruchtgebruik om te bewonen of te verhuren; als de laatste van hen was overleden, moest het geheel worden verkocht ten behoeve van zijn erfgenamen. Tjiendra kreeg een legaat van 500 rijksdaalders en de slaafgemaakte Tina van Makassar, de tweede vrouw van haar vader.239 Catharina Cornelia van Mijlendonk zorgde wel heel goed voor een onecht kind van een familielid dat bij haar verbleef.
Zij schonk de vrijheid aan Dafne van Batavia, de moeder van Cornelis, een ‘speelkind van neef Reijnst’. Het ging om Jacob Theodorus Reijnst, een zoon van haar zuster. Hij kon geen kwaad bij haar doen, want hij kreeg een legaat van 6000 rijksdaalders, een jaar later bij codicil nog eens verhoogd tot 10.000. Van Mijlendonk had zijn speelkind in 1786 geadopteerd en bij de doop Cornelis Arends genoemd. Hij kreeg een legaat van 7000 rijksdaalders. Zijn moeder Dafne moest genoegen nemen met 150 rijksdaalders.240 Verkoop Nergens zien we de zakelijke manier waarop men met slaafgemaakten omging zo duidelijk als bij een openbare verkoping en de afrekening achteraf. Op 10 november 1692 organiseerden de weesmeesters te Batavia in de tuin van wijlen Rijklof van Goens, in leven gouverneur-generaal, zo’n veiling. Het ging om wat zij noemden ‘vercoop der losse goederen’: een partij stenen, dakpannen, een deur, kozijnen en dertien met naam en toenaam genoemde slaafgemaakten, onder wie vijf kinderen. De weesmeesters in Delft, die de opbrengst van de veiling inboekten, spraken van ‘enige kleinicheden’.241 Ook in de boedelrekening van Hendrik Schreuder uit 1759 werden de slaafgemaakten gerekend tot de ‘verkogte losse goederen’.
Tot de verkoop waren zij opgesloten door cipier Albertus Steensma, die 7 rijksdaalders en 4 stuivers ontving voor ‘boeij quastos [kosten] van 5 stux lijffeigen’.242 Sara Westplaten bood in 1758 haar executeur-testamentair Michiel van Millingen de gelegenheid om vijf slaafgemaakten van haar over te nemen voor 450 rijksdaalders of ze te verkopen. In de boedelrekening worden hiervoor geen aparte inkomsten vermeld, dus moeten ze zijn begrepen onder de verzamelpost ‘losse goederen’.243 Cornelis Everaad, in 1703 in Delft gedoopt, vertrok in 1730 als opperchirurgijn naar Batavia. Toen hij in 1752 overleed, was hij eerste administrateur van de ‘medicinale winkel’ van de compagnie, een soort bedrijfsapotheek. Zijn boedel bleek vele malen meer waard dan de 15.000 gulden die hij in dienst van de compagnie aan gage kreeg, dus hij moet flinke bijverdiensten hebben gehad, al dan niet legaal. In de inventaris staat een lijst van liefst 28 slaafgemaakten; 5 van hen worden aangeduid als ‘slavin’, 23 als ‘jonge’. Een aantal bladzijden verderop staat tussen 200 bossen rijst en twee pakken zeilgaren nog achteloos ‘1 manslaaf, genaamd October van Boegis’. In het dossier zit ook het procesverbaal van de veiling van de boedel. Die vond in etappes plaats gedurende tien dagen, deels in de tuin bij het huis van de overledene, deels in het kasteel van Batavia.
De veiling bracht 46.780 rijksdaalders op, waarvan 3253 rijksdaalders afkomstig waren van de verkoop van slaafgemaakten. October van Bengalen bracht het hoogste bedrag op, 247 rijksdaalders, betaald door Robbert Armehault.244 Illustratief voor de wijze waarop met slaafgemaakten werd omgegaan na het overlijden van hun eigenaar, is ook de boedel van Pieter van Heemskerck (1713-1753). Zij vader Jan was fiscaal van de westkust van Sumatra geweest en zetelde na repatriëring in de Delftse Veertigraad. Pieter vertrok in 1733 met het schip Adrichem als onderkoopman naar Batavia en klom op tot directeur van 46
Malakka. Toen hij in 1753 testeerde was hij weduwnaar en zijn vijf kinderen waren naar Delft vertrokken om daar te worden opgevoed. Hij verordonneerde dat al zijn bezittingen inclusief zijn ‘leijfeijgenen’ naar Batavia moesten worden verzonden en te gelde gemaakt door de weesmeesters aldaar. Op 21 maart 1754, een half jaar na zijn overlijden, werd de rekening opgemaakt van zijn goederen in Malakka, ter waarde van 88.639 rijksdaalders. Buiten de rekening bleven ‘slaaven en slavinnen, 37 stux’. Op 1 september werden ’14 stux’ met een sloep voor rekening van de compagnie naar Batavia verscheept; zij werden op 20 november verkocht voor 1316 rijksdaalders. Op 28 januari volgden de overigen, waarvoor aan Thomas Pieter Brohn uit Soerabaja 161 rijksdaalders werd betaald ‘van kost en vragt van 23 stux lijffeijgenen’. Zij werden op 25 februari verkocht voor 2774 rijksdaalders. Buiten de verkoop bleven Amelia van Boegis en haar dochtertje Anna of Johanna van Malacca, die werden vrijgegeven. Hester van Soembawa en haar kinderen Willem en Susanna werden gekocht door Willem Luttenburg voor 100 rijksdaalders en vervolgens vrijgegeven – zou hij de vader van de kinderen zijn? De kosten voor de emancipatiebrieven kwamen ten laste van de boedel.
Termen als ‘verzenden’, en ‘stux’ laten zien dat slaafgemaakten werden behandeld als goederen.245 Vrijlating Net als voor koop van een slaafgemaakte moest ook voor diens vrijlating een akte worden opgesteld. In Batavia moest dat gebeuren ten overstaan van de schepenen tegen betaling van 25 rijksdaalders per persoon. Ging het om christelijke slaafgemaakten, dan werd dat bedrag geheel gestort in de kas van de diaconie, zodat die hen kon ondersteunen als zij tot armoede vervielen. Waren zij moslims of Chinezen, dan ontving de diaconie 15 rijksdaalders per persoon en ging de rest naar de boedelmeesters.246 Catharina Cornelia van Mijlendonk wilde achttien slaafgemaakten ontslaan ‘uijt het juk der slavernije’ en gaf hun legaten mee van 25 tot 150 rijksdaalders. De legaten kostten de boedel in totaal 485 rijksdaalders, de onkosten voor de vrijlating 545 rijksdaalders. Het was slechts een fractie van het totaal, want na aftrek van alle legaten en lasten bedroeg de boedel nog altijd 110.000 rijksdaalders. Ida van Batavia en haar man Adjie van Batavia moesten na hun vrijlating nog wel dienstbaar blijven aan het zoontje van Ida’s zuster Dafne, een ‘speelkind van neef Reijnst’, tot het jongetje tien jaar oud was.247 Er werden wel vaker voorwaarden verbonden aan vrijlating.
Lakij en Bastiaan, slaafgemaakten van Hendrik Dannenburg, zouden volgens zijn testament van 1752 de vrijheid krijgen en samen 400 rijksdaalders. Waren zij dan nog geen 25 jaar, dan bleven zij onder toezicht van zijn executeurs-testamentair. Ook als zij die leeftijd wel hadden bereikt, kregen zij het geld alleen als ‘zij zig selfs en het hunne konnen besteiren’. Zo niet, dan bleef het onder beheer van de executeurs en kregen zij alleen de rente, of er werd een stukje land van gekocht waarop zij konden wonen en werken, maar dat zij niet mochten vervreemden.248 Regina van Mandaer moest na haar vrijlating nog vier jaar zorgen voor Anna Catharina, het dochtertje van Willem de Roo (1662-1712).249 Hermanus Theodorus Terkamp adopteerde zijn onmondige dochter Christina Magdalena Terkamp. Haar moeder Tjindra zou na zijn overlijden worden vrijgelaten, mits zij christelijk gedoopt was, zodat zij voor haar dochter kon zorgen.250 Ook na vrijlating kon een voormalige slaafgemaakte verbonden blijven met zijn vroegere eigenaar. Op 16 oktober 1689 overleed in Batavia Marcus Tawaris, een ‘vrijgegeven lijfeigene’ van wijlen gouverneur-generaal Rijklof van Goens. Zijn vrouw Petronella Pieters maakte een testament en overleed twaalf dagen na Marcus.
Zij had echter verzuimd om de boedel van Tawaris eerst aan te melden bij de Weeskamer Batavia en had daar dus helemaal niet zomaar bij testament over mogen beschikken. Daarom had de Weeskamer de boedel van Tawaris geconfisqueerd en verkocht. De opbrengst ging geheel volgens de regels naar de laatste eigenaar van Tawaris, Rijklof van Goens senior, en nu die was overleden naar zijn erven. Dat betekende dat de Delftse weesmeesters naast de honderdduizenden guldens die zij al uit Batavia hadden ontvangen voor de boedel van Rijklof van Goens junior, nog eens 1231 gulden en 19 stuivers konden inboeken uit de nalatenschap van een voormalige slaafgemaakte. En net zo serieus werd kort daarop een nagekomen bedrag bijgeschreven van 11 gulden, 18 stuivers en 10 penningen.251 47
Goed verzorgd? Sommigen deden pogingen hun slaafgemaakten na vrijlating goed verzorgd achter te laten, al waren de normen voor wat ‘goed’ was uiteraard aan de lage kant. Jacob van der Sleijden (1711-1761), uit een Delftse notarisfamilie, bepaalde in zijn testament dat direct na zijn overlijden zijn lijfeigenen Alexander van Malajo en diens vrouw Pina van Batavia moesten worden vrijgelaten, met een legaat van 150 rijksdaalders ‘om hunne huijshouding te kunnen beginnen’. Hij had voor hen een ‘pedak’ (huisje) gekocht aan de Speelmansgracht. Voor de inrichting legateerde hij aan Pina al zijn meubels, stoffen en kleding. Zijn ‘manslaaf’ Galant van Boegis liet hij niet vrij. Die was namelijk helemaal blind en zou niet voor zichzelf kunnen zorgen. Jacob vermaakte hem aan de opperchirurgijn Jacob Hendrik Moldrecht, die ook executeur-testamentair was, met een bedrag van 400 rijksdaalders om in zijn levensonderhoud te voorzien.252 Gerrit van Breugel vertrok in 1762 als bootsmansmaat met de Overschie, werkte voor de drossaard van de ommelanden van Batavia en ging in 1768 uit dienst als vrijburger. In 1775 maakte hij zijn testament. Hij had geen ouders of kinderen en benoemde twee ambtenaren in Batavia tot erfgenamen. Wel vermaakte hij zes keer 1000 rijksdaalders aan neven in Nederland; deze legaten werden overgemaakt aan de Weeskamer in Delft die ze uitkeerde.