CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerpbestemmingsplan Pleysierschool en ISK (toelichtingregelsbijlagen regels)

Commissie Ruimte en Verkeer 19 januari 2023, gemeente DelftBij agendapunt: 2248614 College van B&W - Ontwerpbestemmingsplan Pleysierschool en ISK en ontwerpbesluit hogere grenswaarden Pleysierschool en ISK35.756 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Pleysierschool en ISK

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK

Inhoudsopgave

Toelichting Pleysierschool en ISK

3

Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Opbouw plan

4 4 5 6 7

Hoofdstuk2 Planbeschrijving 2.1 Toekomstige situatie

8 8

Hoofdstuk3 Beleid 3.1 Rijk 3.2 Provincie 3.3 Gemeente 3.4 Hoogheemraadschap Delfland 3.5 Conclusie

16 16 18 25 34 35

Hoofdstuk4 Omgevingsaspecten en onderzoek 4.1 Verkeer en parkeren 4.2 Bedrijven en milieuzonering 4.3 Geluid 4.4 Luchtkwaliteit 4.5 Externe Veiligheid 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Licht 4.8 Flora en fauna 4.9 Bodem 4.10 Archeologie 4.11 Cultuurhistorische waarden 4.12 Water 4.13 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.14 Duurzaam- en natuurinclusief bouwen 4.15 Klimaatadaptatie 4.16 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

36 36 37 40 42 45 49 49 49 51 54 55 56 60 61 64 65

Hoofdstuk5 Juridische planbeschrijving 5.1 Verantwoording planvorm 5.2 Systematiek bestemmingen

66 66 66

Hoofdstuk6

69

Handhaving

Hoofdstuk7 Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid 7.1 Inspraak en overleg 7.2 Financiële uitvoerbaarheid

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 2

70 70 76

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK

Toelichting Pleysierschool en ISK

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 3

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De gemeente Delft is voornemens de locatie aan de Aart van der Leeuwlaan 12-14 te herontwikkelen. Op dit perceel was tot voor kort een basisschool met een gymzaal gevestigd. Het is de bedoeling op de locatie van een vroegere basisschool twee scholen voor middelbaar onderwijs en een sportzaal te realiseren. Het betreft de Pleysierschool en de Internationale Schakelklassen (ISK). De vroegere basisschool met gymzaal zijn inmiddels gesloopt. Aan de westzijde van de scholen worden er twee schoolpleinen ingericht alsmede plekken voor (fiets) parkeren. De nieuwe gebouwen met daarin de twee scholen biedt ruimte aan 250 leerlingen. De Pleysierscholen vallen onder Voorgezet Speciaal Onderwijs (VSO). De onderhavige Pleysierschool is een school met ongeveer 100 leerlingen. De ISK is een regionale voorziening en vangt anderstalige nieuwkomersleerlingen van twaalf tot achttien jaar op die korter dan één jaar in Nederland zijn en niet of nauwelijks Nederlands spreken. De school heeft maximaal 150 leerlingen. De locatie valt onder het huidige bestemmingsplan 'Voorhof' (vastgesteld 11-06-2014). De locatie heeft momenteel de bestemming 'maatschappelijk', waarbij onderwijsvoorzieningen zijn toegestaan. Het nieuwe gebouw past niet binnen de huidige bouwmogelijkheden. Om de herontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt daarom een nieuw bestemmingsplan opgesteld.

Het onderhavige bestemmingsplan Pleysierschool en ISK voorziet in het benodigde juridisch-planologische kader om de ontwikkeling te kunnen faciliteren. Hierbij wordt de huidige bestemming 'Maatschappelijk' voortgezet onder aanpassing van de bouwmogelijkheden. Ook wordt het bouwvlak en het perceel van de scholen aangepast voor een toekomstbestendige inpassing, waarbij aan de noordzijde van het nieuwe perceel een groenzone wordt bestemd en daarmee ook ruimte biedt aan de aanwezige polderkade.

Figuur 1.1: Situering van het plangebied binnen Delft. Bron: Anteagroup.

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 4

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK

Figuur 1.2: Plangebied (rood kader) met daarin de footprint van het gebouw (zwart kader)geprojecteerd op de situatie voorafgaand aan de sloop. Bron: Anteagroup.

1.2

Begrenzing plangebied

De locatie bevindt zich in het zuidwestelijk kwadrant van de wijk Voorhof. De ontwikkeling van het scholencomplex ligt verder in de Aart van der Leeuwbuurt. Dit is een strook met voornamelijk maatschappelijke voorzieningen, verpleegzorg en wonen in hoogbouwschijven tussen de prinses Beatrixlaan en de Roland Holstbuurt. Het plangebied is gelegen ten oosten van de Aart van der Leeuwlaan, ten noorden van het Gerrit Achterbergpad, ten westen van de Beatrixlaan en ten zuiden van het parkeerterrein van het kantoor/woomcomplex aan de Simon Vestdijklaan.

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 5

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK

Figuur 1.3: Ligging plangebied ten opzichte van omgeving. Plangebied is aangegeven met rode kader. Bron: Luchtfoto 2021, © CycloMedia Technologie B.V.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Het vigerende bestemmingsplan is het bestemmingsplan 'Voorhof', dat op 11 juni 2014 is vastgesteld. Op de gronden in het plangebied zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen van kracht: Enkelbestemming 'Maatschappelijk'. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie I'. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie II'. Binnen het bestemmingsvlak zijn twee bouwvlakken opgenomen, de maximale bouwhoogte bedraagt 4 meter en 6 meter. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de aanwezige polderkering in het noordelijk deel van het plangebied. Deze is echter niet in het bestemmingsplan geregeld, maar zal bij een nieuw bestemmingsplan wel ruimtelijk relevant worden en worden opgenomen.

Figuur 1.4: Uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan met daarop projectie van plangebied. Bron: ruimtelijkeplannen.nl (bewerkt door gemeente Delft). Daarnaast is de 'Facetherziening parkeren' (vastgesteld op 31 mei 2018) van toepassing in het plangebied. In dit parapluplan zijn regels opgenomen voor parkeren, stallen, laden en lossen. Tevens is het voorbereidingsbesluit 'Hyperscale Datacenters' (vastgesteld op 16 februari 2022 door de minister van bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 6

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening) van toepassing. Tot slot is er een voorbereidingsbesluit 'Flitsbezorging' (vastgesteld op 10 maart 2022 door de gemeenteraad van Delft) van toepassing.

1.4

Opbouw plan

De toelichting bestaat uit 7 hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk beschrijft Hoofdstuk 2 de toekomstige ontwikkeling van het plangebied. In Hoofdstuk 3 is het beleid beschreven. Hoofdstuk 4, 'Omgevingsaspecten en onderzoek', beschrijft de voor bestemmingsplan uitgevoerde onderzoeken en relevante omgevingsaspecten. In Hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling. Hoofdstuk 6 gaat in op handhaving in dit plangebied. In Hoofdstuk 7 wordt tot slot de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven.

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 7

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt de beoogde situatie van het plangebied beschreven. Het streefbeeld voor de toekomstige situatie volgt uit Planuitwerkingskader (PUK), zoals opgenomen als bijlage 1 bij de toelichting.

2.1

Toekomstige situatie

De ontwikkeling moet ruimte bieden aan twee middelbare scholen: de Pleysierschool (Voorgezet speciaal onderwijs) en de Internationale Schakelklassen (ISK, een regionale voorziening voor anderstalige nieuwkomersleerlingen van twaalf tot achttien jaar die korter dan één jaar in Nederland zijn en niet of nauwelijks Nederlands spreken). De scholen hebben naar verwachting respectievelijk 100 en 150 leerlingen. Beide scholen worden in één gebouw gehuisvest met daarbij een sportzaal. De footprint van het gebouw heeft een oppervlakte van ca. 1.435 m2. Bij een groen dak wordt de bouwhoogte circa 18 meter. Bij de verschillende functies is uitgegaan van de volgende BVO's: Pleysierschool: 1.599 m2. ISK: 1.607 m2. Sportzaal: 1.359 m2.

Figuur 2.1: Impressie van de toekomstige situatie. Bron: NOAHH en gemeente Delft (2022).

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 8

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK 2.1.1

Planuitwerkingskader Pleysierschool en ISK

Het plan voorziet in de herontwikkeling van de locatie Pleysierschool en ISK op het perceel Aart van der Leeuwlaan 12-14. In het Planuitwerkingskader is aangegeven onder welke ruimtelijke en beleidsmatige voorwaarden herontwikkeling mogelijk is op deze locatie. Het Planuitwerkingskader is het document waarin de gemeente Delft vooraf de relevante beleidskaders en randvoorwaarden die voor de locatie in kwestie gelden opneemt, waar de ontwikkelende partij in de verdere uitwerking van zijn plan aan moet houden. Het Planuitwerkingskader geldt als het inhoudelijke eindproduct van de initiatieffase. Een schetsontwerp van de voorgenomen plannen is in onderstaand figuur opgenomen.

Figuur 2.2: Ontwerp voorgenomen woongebied Boschakkers. Bron: NOAHH en gemeente Delft.

2.1.2

Beschrijving voornemen Pleysierschool en ISK

Primair is de opgave op het perceel twee scholen en de daarbij behorende voorzieningen, waaronder een sportzaal (te verdelen in twee gymzalen) te realiseren. Het gewenste programma komt voor uit de aangeleverde Programma's van Eisen van de scholen en de sportzaal. De nieuwe gebouwen met daarin de twee scholen biedt ruimte aan 250 leerlingen. De Pleysierscholen vallen onder Voorgezet Speciaal Onderwijs (VSO). Zij verzorgen specialistisch onderwijs voor een kwetsbare doelgroep die niet in het regulier onderwijs past. Er worden leerlingen onderwezen met (ernstige) gedragsproblemen of met psychiatrische problematiek. De onderhavige Pleysierschool is een school met ongeveer 100 leerlingen. De ISK is een regionale voorziening en vangt anderstalige nieuwkomersleerlingen van twaalf tot achttien jaar op die korter dan één jaar in Nederland zijn en niet of nauwelijks Nederlands spreken. De school heeft maximaal 150 leerlingen. Voor zowel de ISK als de Pleysierschool dient te worden voldaan aan de Programma's van Eisen. Er is bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 9

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK geen sprake van een bandbreedte aan programma. De BVO's zoals genoemd in de Programma's van Eisen dienen passend in het maximale bebouwingsvlak te worden opgenomen, waarbij maximaal 65% van het bouwvlak mag worden bebouwd. Mogelijk kan een deel van het (fiets)parkeren en de schoolpleinen buiten dit bouwvlak worden ingepast. Dit vereist een passende oplossing, waarbij uitgegaan wordt van meervoudig ruimtegebruik en zo min mogelijk verharding. Binnen de ecologische zone is geen verharding toegestaan, noch zijn hier bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan.

2.1.3

Ruimtelijke kansen

Delft heeft een forse ambities voor nieuwbouw van woningen en voorzieningen. Daarnaast ligt de locatie centraal, waardoor ook andere functies en waarden mogelijk een plek moeten kunnen krijgen. In de toekomst kan er veel veranderen in het gebied. Beatrixlaan De locatie ligt dicht bij het centrum van de Voorhof langs de Beatrixlaan. De Beatrixlaan heeft in de huidige situatie een grootschalig karakter. Omdat dit karakter niet bij de stad en de functie van deze verbinding past, is intern een verkennende studie verricht naar de mogelijke toekomstige ontwikkeling van deze laan. In die studie zijn 3 scenario's in beeld gebracht en onderzocht, waarbij de laan wordt teruggebracht tot een "dreef" met 2 x 1 rijbanen in plaats van de huidige 2 x 2 rijbanen. Daarnaast zijn ook scenario's in beeld gebracht waarbij de doorgaande verkeersweg geheel vervalt en plaats maakt voor een nieuw park of nieuw stedelijk gebied met onder andere nieuwe woningen en een scenario waarbij de Beatrixlaan gewoon 2 x 2 rijbanen blijft maar dan wel met een afwaardering naar 50 km/u. Er zijn nog geen concrete besluiten voor de Beatrixlaan, maar in de studie die ten grondslag ligt van onderhavig Planuitwerkingskader is wel onderzocht welke kansen en beperkingen er ontstaan bij de nieuwbouw op het projectgebied voor de Beatrixlaan en vice versa.

Waterstructuur Beatrixlaan en polderkade Ten aanzien van de waterstructuur zijn er kansen om deze van zowel de Hoge als de Lage Abtswoudsepolder te verbeteren. Op dit moment vormt de watertrap behorend bij het viaduct van de Martinus Nijhofflaan over de Beatrixlaan een ingewikkeld systeem. De polderkade volgt dit ingewikkelde verloop. Ook zijn er veel en lange duikers in het systeem aanwezig, die bij voorkeur door open watergangen worden vervangen. Daarnaast is de watergang ter hoogte van het perceel doodlopend, wat niet past binnen een goed en robuust watersysteem. Als het viaduct kan vervallen, dan kan zowel het watersysteem van beide polders als de polderkade worden verbeterd.

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 10

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK

Figuur 2.3: Gewenste aanpassing legger Delfland. Bij de ontwikkeling is daarnaast de (toekomstige) ligging van de polderkade van belang. Met het Hoogheemraadschap is een definitieve ligging van de polderkade overeengekomen.

Figuur 2.4: Definitieve ligging polderkade. Bron: Anteagroup. Energie en duurzaam bouwen bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 11

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK Delft wil in 2050 een energie neutrale stad zijn zodat er geen CO2-emissies meer afkomstig zijn van fossiele energiebronnen én gebruikte energie lokaal wordt opgewekt. Een hoogwaardige ruimtelijke kwaliteit gaat er samen met een lage milieubelasting. Dit sluit naadloos aan op de maatschappelijke trend: zorgvuldig en omgevingsbewust wonen, werken en leven. De ambities zijn opgenomen in en geborgd via het Planuitwerkingskader, zie 2.1.1. Circulaire Economie - Afval In het kader van het streven naar een circulaire economie hebben bedrijven die daar een bewuste inbreng in hebben de voorkeur. Dat kan in de eigen bedrijfsvoering, een goed afvalcontract waarbij diverse grondstofstromen gescheiden worden. Tijdens de ontwikkeling kan worden gekeken naar het gebruik van reeds aanwezige materialen op de locaties. Voor de bouw kunnen herbruikbare materialen gebruikt worden die na demontage ook weer herbruikbaar zijn. Ecologie en biodiversiteit De planlocatie is momenteel voor de helft in gebruik als verharde buitenruimte met een groene zoom eromheen. Uitgangspunt is om bestaande bomen en hagen te behouden en in te passen in de ontwikkeling. Deze dragen niet alleen bij aan een prettiger leefomgeving, maar hebben ook een ecologische verbindingsfunctie op buurtniveau.

Er zijn echter ook kansen om de ecologische kwaliteit bij benodigde compensatie van bomen en groen te verbeteren. Het plangebied ligt deels in de ecologische hoofdzone langs de Beatrixlaan. In de toekomstige ontwikkeling dient hiermee rekening te worden gehouden. Een robuustere ecologische structuur is gewenst langs deze zijde. Door het gebouw en haar omgeving, als onderdeel van de ontwikkeling, natuurinclusief te bouwen en in te richten, wordt bijgedragen aan deze biodiversiteit en natuurwaarden. Klimaatadaptatie In de gemeentelijke strategie voor klimaatadaptatie staan twee inhoudelijke thema's die richting geven aan de wijze waarop bij projecten rekening moet worden gehouden met de klimaatverandering. Zowel de stad inrichten als spons als het hitte-eilandeffect niet laten toenemen vragen om maatregelen die in veel gevallen elkaar versterken. Het is van belang dat de nieuwbouw (met inbegrip van de inrichting van het onbebouwde deel van een perceel) ontwikkeling hieraan een bijdrage levert. Om de warmte-accumulatie in de stad te beperken wordt ernaar gestreefd zo min mogelijk oppervlak te verharden (zowel op percelen van derden als in de openbare ruimte) en zoveel mogelijk water op te nemen en door een groene inrichting te laten verdampen.

Verdamping kan en mag ook op andere manier, maar die van groen heeft een meerwaarde bijvoorbeeld voor de biodiversiteit en het opnemen van CO2. Om groen ook in de drogere zomerperiode te kunnen laten functioneren is voldoende watervoorraad nodig (spons). De stad als spons heeft als hoofddoel om het regenwater op te vangen waar het valt en daar ook vast te houden. Het opgevangen water wordt vervolgens zoveel mogelijk gereguleerd beschikbaar gesteld voor omliggende beplanting, zodat het door middel van verdamping (door de planten) wordt teruggegeven. Dit beperkt het watertekort bij droogte en gaat door verdamping hittestress tegen. Daarnaast is meer groen ook van belang voor de gewenste biodiversiteit. Daarnaast is de gemeente medeondertekenaar van het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Bij het ontwerp van de school en de bijbehorende buitenruimte moet daarom ook het convenant in acht worden genomen..

2.1.4

Ruimtelijk kader

In het ruimtelijk kader worden de uitgangspunten en randvoorwaarden voor de ontwikkeling verder benoemd. Deze komen voort uit de analyse van de omgeving en de gewenste kwaliteiten van deze toekomstige plek. Een goede inpassing is hierbij van belang, aan alle benoemde randen. Daarnaast vormt de gewenste kwaliteit en identiteit van de scholen en sportzaal tezamen een belangrijk uitgangspunt. De noordelijke hoek dient als 'zoekgebied/reservering' voor toekomstige ontwikkelingen. Aangezien deze ontwikkelingen nog niet duidelijk zijn, kunnen zij in onderhavig bestemmingsplan niet worden meegenomen.

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 12

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK

Figuur 2.5: Uitgangspuntenkaart toekomstige situatie. Bron: PUK Pleysierschool en ISK, Gemeente Delft, 2021. Voor de twee scholen is op basis van het uitgevoerde onderzoek een nieuwe kavel bepaald, waarmee een goede inpassing op de bestaande en mogelijk toekomstige situatie wordt geborgd. Het perceel heeft een min of meer vierkante vorm, waarbij er aan de noordzijde een nieuwe openbare ruimte ontstaat met enerzijds de polderkade als herkenbaar element en een verbinding voor langzaamverkeer tussen de Beatrixlaan en de Aart van der Leeuwlaan. Hierdoor kan ook een betere groenstructuur worden gerealiseerd. De bebouwing moet binnen het aangeven bouwvlak worden gebouwd. Dit bouwvlak aan de zijde van de Beatrixlaan bepaald op basis van de ruimtelijke structuur waarbij de hoge woonflats worden afgewisseld door iets naar voren geschoven, lagere complexen. Aan de zijde van de Aart van der Leeuwlaan is het bouwvlak afgestemd op de aanwezige bomen. Het lijkt daarbij ook wenselijk dat de bebouwing aan zowel de Beatrixlaan als de Aart van der Leeuwlaan zich duidelijk manifesteert. Aan de noord- en zuidzijde is gezocht naar de uiterste grens in relatie tot de aangrenzende gronden. De maximale hoogte van het volume is 20 meter. Dubbel of meervoudig grondgebruik met een stapeling van functies is voor de hand liggend bij de inpassing van het programma op deze locatie.

De volumes van de scholen en sportzaal tezamen hebben een alzijdige uitstraling. Daarnaast zijn ze speels en autonoom. De scholen zijn aan elkaar gekoppeld voor het delen van het noodzakelijke programma, en hebben een eigen (gescheiden) buitenruimte van 600 m2 elk. Binnen het bouwvlak is maximaal 65% aan bebouwing toegestaan, mede om voldoende open ruimte te behouden. Een goede inpassing aan de verschillende randen is van belang. Langs de Beatrixlaanzone dient de ecologische hoofdstructuur beter ingepast te worden. Hiervoor wordt een ruimte van 10 meter op het perceel gereserveerd, met daarin nieuwe groenstructuren en kleinere, gevarieerde struiken en bomen. Deze groenstrook vormt ook het talud naar de lager gelegen vergrootte waterpartij met plas/draszone. In de ecologische zone mogen geen verharde buiten- of speelruimtes worden toegepast.

2.1.5

Ontsluiting en parkeervoorzieningen

Ontsluiting perceel De locatie wordt ontsloten via de Aart van der Leeuwlaan. Het is van belang dat het autoverkeer een zo kort mogelijke route vanaf de hoofdwegenstructuur richting de locatie heeft. Het is niet de bedoeling dat het verkeer van en naar de school door de woonwijk gaat rijden. Het heeft de voorkeur dat de bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 13

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK verkeersstromen van de verschillende modaliteiten (fiets, auto, taxi) gescheiden worden, zodat een veilige schoolroute ontstaat voor de kwetsbare verkeersdeelnemers. Parkeren Het gemeentelijk beleid gaat er vanuit dat het parkeren bij ruimtelijke ontwikkelingen in principe op eigen terrein wordt opgelost. Omdat het aanleggen van parkeren op eigen terrein slecht inpasbaar is en er in de openbare ruimte nog restcapaciteit aanwezig is, wordt, passend binnen het beleidskader, gekozen voor een oplossing waarbij het parkeren deels in de openbare ruimte wordt opgelost. Er dient voor de ontwikkeling een uitstapzone in het profiel van de Aart van der Leeuw-laan ontworpen te worden, die goed aansluit op de scholen. Daarbij dient rekening gehouden te worden met het type onderwijs van beide scholen en het aantal taxibusjes dat gebruikt wordt voor het halen en brengen van leerlingen. Een strook waar minstens 10 taxibusjes kunnen stoppen is daarbij het uitgangspunt. Buiten de haal- en brengtijden kan deze strook fungeren als bufferruimte voor het parkeren door buurtbewoners. Voor de parkeereis worden de parkeernormen gehanteerd die zijn vastgesteld in de Nota Parkeernormen 2018 van de gemeente Delft. De locatie ligt in het parkeergebied 'Schil Binnenstad'.

Pleysierschool De Pleysierschool heeft ongeveer 100 leerlingen met een gedragsstoornis/psychiatrische problematiek (verdeeld over 14 groepen). De parkeernorm voor de school, exclusief halen en brengen is, 2,6 per 100 leerlingen. Dat betekent dus dat er afgerond 3 parkeerplaatsen voor de school nodig zijn (exclusief Kiss & Ride). De parkeernorm voor fietsen is gerelateerd aan de oppervlakte: 14,0 per 100 m2 BVO voor leerlingen en 0,5 per 100 m2 BVO voor docenten. Door de ruime opzet van het schoolgebouw en het soort onderwijs (praktijkgericht) betekent dit dat er volgens de parkeernorm meer fietsparkeerplaatsen nodig zouden zijn dan dat er leerlingen zijn. Dit vraagt om maatwerk. In ieder geval dient voorkomen te worden dat er sprake is van fietsparkeeroverlast in de openbare ruimte. ISK De ISK heeft maximaal 150 leerlingen. De parkeernorm voor de school, exclusief halen en brengen, is 2,6 per 100 leerlingen. Dat betekent dus dat er afgerond 4 parkeerplaatsen voor de school nodig zijn (exclusief Kiss & Ride). Ook voor deze school geldt een fietsparkeernorm van 14,0 per 100 m2 bvo, respectievelijk 0,5 per 100 m2 bvo voor leerlingen en docenten. Sportzaal De parkeernorm voor de sportzaal is 1,6 per 100 m2 bvo sportzaal. Dubbelgebruik met de parkeerbehoefte van de school is mogelijk. Bij een volledig functionerende sportzaal bedraagt de parkeervraag 20 parkeerplaatsen voor auto's.

Deze vraag manifesteert zich buiten de schooltijden ('s avonds en in het weekend). Voor de sportzaal moeten ook voldoende fietsenstallingen worden gerealiseerd op eigen terrein. Door dubbelgebruik van de stallingen van de scholen kan hierin worden voorzien. Tabel 2.1: Indicatieve inschatting parkeervraag. Bron Bron: PUK Pleysier school ISK, Gemeente Delft, 2021.

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 14

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK 2.1.6

Openbare ruimte

Het projectgebied grenst aan vier zijden aan openbare ruimte en percelen van derden. Bij de voorgestane ontwikkeling zullen alle vier de zijden gaan grenzen aan openbare ruimte, die deels afgestemd zullen worden op de toekomstige nieuwbouw. Aart van der Leeuwlaan (oostzijde) De Aart van der Leeuwlaan vormt de ontsluiting naar de twee scholen. In verband hiermee wordt de openbare ruimte ter plaatse heringericht. Hierbij blijven de volwassen platanen behouden en ontstaat bij de scholen een heldere zone met ruimte voor halen en brengen. Buiten de schooltijden kan deze haalen brengstrook ook voor parkeren worden gebruikt. De overgang tussen openbaar en privé wordt mee-ontworpen in de vorm van hagen. De parkeervakken worden regelmatig onderbroken met een kleine groenstrook voor een betere groene inpassing. Daarnaast worden de plantvakken van de bestaande platanen vergroot voor de levensduur en kwaliteit. Beatrixlaan (westzijde) Aan de kant van de Beatrixlaan wordt indien nodig de bestaande watergang vergroot en bij voorkeur samengevoegd met de zuidelijker gelegen watergang. Over een breedte van 10 meter wordt er een flauw talud met natuurvriendelijke oever aangelegd met beplanting passend bij de ecologische functie van de Beatrixlaan. Polderkade (noordzijde) Aan de noordzijde van het nieuwe perceel ontstaat een ruimte ter plaatse van de aanwezige polderkade.

Het is de bedoeling om langs deze ruimte een verbinding voor voetgangers en fietser van de Aart van der Leeuwlaan naar de Beatrixlaan toe te voegen. Tevens is de bedoeling hier groen aan toe te voegen zodat deze ruimte ook als oost-west verbinding kan fungeren voor flora en fauna. Bovendien biedt het groen een aantrekkelijkere route voor voetgangers en fietsers. De verbinding via het Gerrit Achterbergpad blijft vooralsnog bestaan. Hierdoor wordt de polderkade meer zichtbaar en ontstaat een duidelijkere route tussen de twee lanen. Daarnaast kan een voetgangersverbinding langs de ontwikkeling Marcushof hier ook onderdeel van uit gaan maken. Het is belangrijk dat met de nieuwbouw rekening wordt gehouden met de gewenste sociale veiligheid van deze openbare ruimte. Ook wordt vanaf deze nieuwe verbinding een toegang voor langzaam verkeer naar de noordelijke school en schoolplein mogelijk. Gerrit Achterbergpad (zuidzijde) Het bestaande fietspad blijft behouden en biedt de mogelijkheid voor een ontsluiting van het schoolplein van de zuidelijke school en worden 6 nieuwe langsparkeerplaatsen aan de zijde van de school ingepast. De noodzakelijke verbinding vanaf de Aart van der Leeuwlaan naar het voorterrein van de naastgelegen woonflat blijft behouden.

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 15

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1

Rijk

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050. De visie geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. De belangrijkste keuzes zijn: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit. Ruimte voor overgang naar een circulaire economie. Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden. Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. De NOVI heeft een dusdanig abstractieniveau dat er geen directe uitvoeringsprogramma's op het onderhavige bestemmingsplan van toepassing zijn.

3.1.2

uitgangspunten

of

AMvB Ruimte (Barro)

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening stelt het Rijk een aantal regels met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen betreffen onder andere project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, gronden van defensie, grote rivieren en Waddenzee en waddengebied. Voor de in het Barro genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen. Geen van de in het Barro genoemde onderwerpen hebben echter betrekking op onderhavig bestemmingsplan.

3.1.3

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte werd de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dienen nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard gemotiveerd te worden met behulp van drie opeenvolgende treden. Deze treden borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen. Per 1 juli 2017 is artikel 3.1.6 van het Bro gewijzigd. Deze wijziging heeft als doel de regeling te vereenvoudigen, waarbij de effectiviteit van het instrument behouden moet blijven. Een onderzoek naar de behoefte heeft slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een functie of dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Concreet betekent dit dat met betrekking tot de (economische) behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of economische gevolgen van die vestiging ruimtelijke effecten (bijv. leegstand) relevant zijn. Artikel 3.1.6.

lid 2 van het Bro luidt als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Dat betekent: eerst bepalen of een nieuwe ontwikkeling een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft, vervolgens kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, daarna analyseren of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en tot slot afwegen of de ontwikkeling negatieve ruimtelijke gevolgen tot gevolg kan hebben. De toetsing aan de hierboven aangehaalde Ladder voor duurzame verstedelijking is alleen aan de orde indien sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 16

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK Nieuwe stedelijke ontwikkeling De ontwikkeling betreft twee schoolgebouwen en een bijbehorende sportzaal, te gebruiken voor twee scholen voor middelbaar onderwijs: de Pleysierschool en de Internationale Schakelklas (ISK). De huidige bestemming 'Maatschappelijk' maakt van het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, waaronder gezondheidszorg, zorg en welzijn, jeugd/kinderopvang, onderwijs, religie, bibliotheken, openbare dienstverlening en verenigingsleven met uitsluiting van uitvaart/begraafplaatsen, gevangeniswezen en defensie/militaire zaken reeds mogelijk. Onderhavig nieuwe bestemmingsplan vergroot de bouwmogelijkheden ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Aangezien nog niet duidelijk is in hoeverre sprake is van een uitbreiding van meer dan 500 m2 oppervlakte, waarbij sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is zekerheidshalve een laddertoets opgesteld. De toetsing aan de Ladder is opgenomen in paragraaf 4.13.

3.1.4

Waterwetgeving- en beleid

Waterwet In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van grond- en oppervlaktewater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet richt zich op de zorg voor waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterfuncties (zoals de drinkwatervoorziening). De wet vormt de basis voor het stellen van normen ten aanzien van deze onderwerpen. Verder bevat de wet regelingen voor het beheer van water. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning. De Wet gemeentelijke watertaken is onderdeel van de Waterwet. In deze Wet heeft de gemeente de zorgplicht gekregen voor: Het doelmatig inzamelen en verwerken van overtollig afvloeiend hemelwater; Het doelmatig nemen van maatregelen in openbaar gebied om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Wet milieubeheer is de derde zorgplicht voor de gemeente opgenomen. De gemeente dient zorg te dragen voor het inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater. Wet ruimtelijke ordening en de watertoets De watertoets is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en sinds 2003 wettelijk verplicht.

De watertoets houdt in dat ruimtelijke plannen (waaronder bestemmingsplannen) die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer (bijv. gemeente of projectontwikkelaar) worden afgestemd met de waterbeheerder. In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies. Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022–2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016- 2021. Met de samenvoeging van deze twee plannen wordt geanticipeerd op de Omgevingswet, waarin het programma als een van de instrumenten is opgenomen.

Het Nationaal Water Programma bevat: Een uitwerking van het te voeren beleid (inclusief het nationale ruimtelijke en ecologische beleid) voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer en de bescherming of het behoud van water; Maatregelen vanwege nationale belangen en om wateropgaven te bereiken en daaraan te blijven voldoen. bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 17

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK

3.2

Provincie

3.2

Provincie

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Per 1 april 2019 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. Richtinggevende ambities In de Omgevingsvisie zijn de volgende zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld: 1. Naar een klimaatbestendige delta. Het inrichten van de fysieke leefomgeving op een manier waarop deze klimaatbestendig blijft. Voorbeelden daarvan zijn: meer ruimte bieden aan water en het rekening houden met de impact van klimaatverandering bij nieuwe ruimtelijke projecten. 2. Naar een nieuwe economie: the next level. De stap naar een circulaire economie in 2050, met grote gevolgen voor onder andere het haven-industrieel complex en de glastuinbouw. Er wordt ingezet op bijvoorbeeld digitalisering en een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving. 3. Naar een levendige meerkernige metropool. De stap naar een gezonde, sociale en duurzame samenleving. Er moet een fors aantal woningen worden gerealiseerd en de woonvoorraad dient te worden verduurzaamd.

Ook zullen steden met elkaar verbonden moeten worden tot één metropolitaan gebied. In dit gebied wordt ingezet op het versterken van het leef- en vestigingsklimaat. 4. Energievernieuwing. Zuid-Holland wil de fossiele bronnen vervangen door hernieuwbare bronnen. Er worden maatregelen genomen om energie te besparen en het gebruik van aardgas drastisch te verminderen. Ook wordt ingezet op innovatie: nieuwe mogelijkheden voor energiegebruik uit wind, zon, biomassa, water en aardwarmte. 5. Best bereikbare provincie. De provincie moet optimaal verbonden zijn en blijven met regionale, landelijke en internationale centra. Er worden verkeersknelpunten aangepakt en de mobiliteitssector kan schoner worden gemaakt en verduurzamen. Ook wordt ingezet op OV, gebruik van de fiets en vervoer over water. 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Een groene leefomgeving draagt bij aan een gezonde leefstijl van de inwoners van de provincie, maar het landschap en de biodiversiteit staat ook onder druk door het groeiend aantal inwoners, economische ontwikkeling en klimaatverandering. De kwaliteit van de leefomgeving kan worden versterkt door natuur, water, recreatie, landbouw, cultureel erfgoed en economie in samenhang te bezien. Beleidsopgaven Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden.

Daarnaast wordt vanuit twaalf samenhangende opgaven de zorg voor een goede omgevingskwaliteit ingevuld. Hieronder zijn de voor onderhavig project relevante beleidsopgaven nader toegelicht, te weten het behouden en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, de energietransitie in de gebouwde omgeving en stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. 1. Behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 18

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling. Inpassing.

Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied.

Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat. Ook hierbij kunnen ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

Figuur 3.1: Soorten ruimtelijke ontwikkelingen. Bron: Anteagroup. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 19

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. Ontwikkeling in het licht van de beleidsopgave behouden en versterken ruimtelijke kwaliteit De bescherming van ruimtelijke kwaliteit is ook geborgd in de omgevingsverordening, hier wordt aan getoetst in paragraaf 3.2.3. Energietransitie in de gebouwde omgeving De provincie zet zich in voor energiebesparing en -opwekking in bestaand stedelijk gebied, zoals bij beheer en renovatie van woningen (verduurzaming voorraad), woningbouw en herstructurering van bedrijventerreinen, kantorenlocaties en glastuinbouw. Middelen die hiervoor ingezet kunnen worden zijn: isoleren, aansluiten op een warmtenetwerk, cascaderen van lokale warmte, co-siting (bijeenbrengen en plannen van bedrijven met aansluitende warmtebehoeften) en efficiënter gebruik van energie. Nieuwbouwlocaties bieden de grootste kans om energie-efficiency te realiseren.

In deze tijd is het ondenkbaar dat er niet energiezuinig of zelfs energieneutraal wordt gebouwd al dan niet in combinatie met een decentrale hernieuwbare energievoorziening. De provincie is een groot voorstander van aardgasloze wijken, zowel bij nieuwbouw als renovatie. Onderhavige ontwikkeling voorziet in een energiezuinige bouw met gebruik van decentrale hernieuwbare energievoorzieningen. In de duurzaamheidsparagraaf 4.14 is beschreven hoe omgegaan wordt met de energietransitie. Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied De provincie wil bestaand stads- en dorpsgebied (BSD), ofwel de bebouwde ruimte, beter benutten. De provincie verstaat daaronder: 'het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Volgens de ladder voor duurzame verstedelijking moet de nieuwe stedelijke ontwikkeling primair plaatsvinden binnen het BSD. De ontwikkeling is volgens de ladder voor duurzame verstedelijking een nieuwe stedelijke ontwikkeling aan te merken. De ontwikkeling vindt plaats binnen het BSD. De ontwikkeling is in paragraaf 4.13 getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2.2

Omgevingsprogramma Zuid-Holland

Het Omgevingsprogramma Zuid-Holland bevat de maatregelen waarmee Gedeputeerde Staten invulling geven aan de ambities en beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Aan de beleidskeuzes zijn werkingsgebieden verbonden. Het omgevingsprogramma doet geen uitspraken die specifiek van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

3.2.3

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Per 1 april 2019 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de Omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. In de verordening van Provinciale Staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen die worden gesteld aan gemeentelijke bestemmingsplannen, met als doel het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 20

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. 3.2.3.1 Ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9) Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid van artikel 6.9 (aanvullende ruimtelijke maatregelen); c.

als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Met de nieuwe stedenbouwkundige opzet is ruimtelijke kwaliteit van de transformatie geborgd. Er wordt rekening gehouden met bestaande stedenbouwkundige patronen en hoogteaccenten in de omgeving. De ontwikkeling is met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in lijn met de omgevingsverordening. Beeldkwaliteitsparagraaf De kwaliteitskaart uit de Visie ruimte en mobiliteit bevat de belangrijkste kenmerken (richtpunten) van een gebied. Karakteristiek voor Zuid-Holland zijn de delta-, veen-, rivieren- en kustlandschappen. Deze moeten herkenbaar blijven. Een richtpunt beschrijft hoe de provincie de kwaliteit van een gebied bij nieuwe ontwikkelingen wil behouden of versterken. Bij aanpassingen in het landschap, zoals bij woningbouw of aanleg van wegen, moet de initiatiefnemer hiermee rekening houden.

Een plan dat de kwaliteiten van een gebied versterkt is in ieders belang. Bij kwaliteit gaat het om meer dan alleen 'mooi'. Er moet evenwicht zijn in de functionaliteit, duurzaamheid en de beleving van een gebied. De kwaliteitskaart bestaat uit vier hoofdlagen met daaronder gespecificeerde lagen. In het vervolg van deze paragraaf is nagegaan welke lagen van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling en welke richtpunten daarbij van belang zijn. Per laag is beoordeeld op welke wijze rekening is gehouden met de verschillende richtpunten uit de kwaliteitskaart. I. Laag van de ondergrond Deze laag gaat over de grondslag van de provincie en natuurlijke (landschapsvormende) processen. De laag bestaat uit de bodem, de geomorfologische kenmerken en het water.

Binnen Zuid-Holland is daarbij grofweg een driedeling te maken tussen het complex van de kust (strand, duinen, strandwallen en strandvlakten), de natte veengronden en plassen ten oosten hiervan en de kleicomplexen en wateren van de delta. Ieder complex stelt zijn eigen eisen aan ontwikkelingen. Dit vraagt om een logische relatie tussen de ondergrond en het menselijk handelen. Er is op het plangebied een laag van toepassing zijn op het plangebied. Deze en de bijbehorende richtpunten betreffen de volgende: 1. Rivierdeltacomplex – jonge zeeklei a. Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijk processen en bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 21

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.

Figuur 3.2: Laag van de ondergrond met 'jonge zeeklei' (groen). Bron: Kwaliteitskaart, Provincie Zuid-Holland. Beoordeling van de relevante richtpunten: De onderhavige ontwikkeling heeft geen invloed op de dynamische natuurlijk processen of zoet-zoutovergangen. Daarnaast betreft het een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied en doet daarmee geen afbreuk aan patronen of reliëf in het landschap. In de huidige situatie is het terrein ook bebouwd. Archeologie betreft echter wel een aspect dat van belang is voor het plangebied. In paragraaf 4.10 is het aspect archeologie nader uitgewerkt. Er is een dubbelbestemming archeologie opgenomen. De dubbelbestemming gaat gepaard met een vergunningsprocedure waarin het archeologisch belang kan worden beoordeeld en afgewogen. II. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen De laag van de cultuurlandschappen is de laag van het zichtbare landschap en het (grondgebonden) nut. Het agrarisch landschap is beeldbepalend in het buitengebied van Zuid-Holland. Dicht bij de stad vinden we een veelheid aan verschillende cultuurlandschappen. Naast deze cultuurlandschappen worden delen van de provincie gekenmerkt door natuurlandschappen. Deze gebieden kennen geen agrarisch gebruik en hebben een (relatief) natuurlijk karakter. Deze diversiteit aan landschapstypen wordt als een belangrijke kracht van Zuid-Holland beschouwd.

De Laag van de cultuur- en natuurlandschappen is niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. De landschappen zijn gelegen buiten de stedelijke gebieden. III. Laag van de stedelijke occupatie Deze laag bestaat uit het bebouwde gebied (steden en dorpen) en de doorlopende netwerken van wegen, vaarwegen, spoor en groen. Zuid-Holland is een dynamisch gebied met een veelheid aan steden en dorpen. Steden en dorpen kennen elk hun eigen karakteristiek, ontstaan door ligging in het landschap of bijvoorbeeld verschil in economisch accent. Rotterdam als hardwerkende stad aan de haven, Den Haag als vredesstad aan zee of Delft dat techniek verenigt met cultuurhistorie. Het voortbouwen op de eigen identiteit van steden en dorpen (en het landschap) zorgt voor herkenbare en onderscheidende woon- en werkmilieus. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt aandacht gevraagd voor bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 22

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK het behouden of versterken van de identiteit en gebruikswaarde van stads- en dorpsgebied. In figuur 1.13 is te zien dat er twee er een laag van toepassing zijn op het plangebied. Deze en de bijbehorende richtpunten betreffen de volgende: Steden en dorpen a. Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. b. Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. c. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. d. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. e. Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden). f. Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. g. Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. h. Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. i.

Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht.

Figuur 3.3: Laag van de stedelijke occupatie met stad (roze) ter plaatse van de onderhavige ontwikkeling. Bron: Kwaliteitskaart, Provincie Zuid-Holland. IV. Laag van de beleving De vierde laag bestaat uit de beleving van Zuid-Holland. Deze laag gaat over zorgvuldig omgaan met wat van waarde is in combinatie met het vergroten van de recreatieve gebruikswaarde van de provincie. Het betreft bijzondere plekken van cultuurhistorische waarde, maar gaat ook over het zorgdragen voor een recreatief toegankelijke provincie met een heldere groenstructuur als basis. De Laag van de beleving is niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. De cultuurhistorische en recreatieven waarden liggen niet binnen het plangebied. 3.2.3.2 Stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10) 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 23

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. De ontwikkeling betreft een stedelijke ontwikkeling binnen het bestaande stads- en dorpsgebied. De ontwikkeling wordt in paragraaf 4.13 getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2.3.3 Regionale waterkeringen (artikel 6.22) In het noordelijk deel van het plangebied bevindt zich een waterkering. De locatie is bepaald in artikel 2.2. In de omgevingsverordening is het volgende bepaald met betrekking tot waterkeringen: 1. Een bestemmingsplan voor gronden waarop een regionale waterkering ligt als bedoeld in artikel 2.2, bestemt die waterkering als zodanig. 2. Een bestemmingsplan voor gronden die deel uitmaken van een beschermingszone langs een regionale waterkering, bestemt die beschermingszone als zodanig of duidt die als zodanig aan. 3. Voor het bepalen van de omvang van de gronden, bedoeld in het eerste lid en in het tweede lid, wordt uitgegaan van de door de beheerder van de waterkering vastgestelde legger. 4. Met betrekking tot de gronden waarop een regionale waterkering of een beschermingszone ligt, kan een bestemmingsplan worden vastgesteld dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. 5. Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het vierde lid wordt advies gevraagd aan de beheerder van de waterkering. De relatie van de ontwikkeling m.b.t. waterkeringen en andere wateraspecten wordt behandeld in paragraaf 4.12.

3.2.4

Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2022-2027en andere beleidsdocumenten

Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2022-2027 Het regionaal waterprogramma bevat de uitwerking van het beleid van de provincie Zuid-Holland. Het regionaal waterprogramma beschrijft in ieder geval wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water: de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Grondwaterrichtlijn, de Drinkwaterrichtlijn, de Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. Het omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland wordt gevormd door de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma en de omgevingsverordening. Er zijn drie hoofdthema's bijgewerkt: Kwaliteitsverbetering van het omgevingsbeleid, Klimaatadaptatie en Verandering van wetgeving Andere beleidsdocumenten Het waterbeleid van de provincie Zuid-Holland is naast het Regionaal Waterplan Zuid-Holland opgenomen in de volgende vastgestelde beleidsdocumenten: Het waterbeleid met een ruimtelijke component staat in de Visie Ruimte en Mobiliteit. Vanuit de ambitie om Zuid-Holland een duurzame, concurrerende en leefbare Europese topregio te laten zijn, bevordert de provincie de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Die rode draad door de Visie ruimte en mobiliteit staat centraal in het beleid voor water, bodem en energie. Het beleid voor waterkwaliteit staat in de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2022-2027.

bestemmingsplan "Pleysierschool en ISK" (ontwerp) 24

bestemmingsplan Pleysierschool en ISK Voor een klein aantal onderdelen blijft het provinciale waterplan 2016-2021 ongewijzigd van kracht. Hierin staan de doelen van de provincie met betrekking tot maatregelen voor waterkwaliteit van grond- en oppervlaktewater. De provincie Zuid-Holland heeft in 2019 haar klimaatadaptatiestrategie gepresenteerd. De Uitvoeringsagenda Provincie Zuid-Holland 2021-2023 is een voortzetting van de klimaatstrategie van de provincie.

3.3

Gemeente

3.3.1

Omgevingsvisie Delft 2040

Op 15 juli 2021 heeft de raad de Omgevingsvisie Delft 2040 vastgesteld. In deze visie staat wat voor stad Delft in de toekomst wil zijn. De gemeente geeft in deze visie de gewenste ontwikkeling weer van de leefomgeving binnen de gemeente. Dit is de omgeving waarin de Delftenaar woont, werkt en zijn/haar vrije tijd doorbrengt. De Omgevingsvisie is de eerste stap van de invoering van de Omgevingswet in Delft. De Omgevingsvisie Delft 2040 vervangt de Stadsvisie en de Ruimtelijke Structuurvisie Delft 2030. Belangrijke speerpunten tot 2040 van de Omgevingsvisie zijn het toevoegen van 15.000 woningen en 10.000 banen. De ruimte hiervoor moet binnenstedelijk worden gevonden. De Omgevingsvisie gaat daarom uit van stedelijke verdichting en functiemenging in stedelijke dynamische gebieden. De omgevingsvisie onderscheidt een zestal opgaven, namelijk: Delft als stad van innovatie en technologie; Historie, innovatie en creativiteit kleurt cultuur en toerisme in Delft; Delft, waar het goed en gezond leven is; Duurzaam Delft is klaar voor de toekomst; Delft met voorzieningen voor iedereen; Delft bereikbaar. Daarnaast is Delft opgedeeld in een aantal deelgebieden met elk eigen gedefinieerde koersen. Het plangebied in de wijk Voorhof behoort tot het deelgebied 'wijken'. De sterke en levendige wijken van Delft staan voor gebiedseigen uitdagingen.

Het toevoegen van maatschappelijke waarde aan een gebied en de stad als geheel staat altijd voorop. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de realisatie van de Pleysierschool voor Voorgezet Speciaal Onderwijs (VSO). Dit is een verbrede VSO, met aandacht voor cluster 4-problematiek, een schoolvorm die de stad aangezien momenteel nog mist volgens de eigen visie. De nieuwe Pleysierschool zou zo'n cluster 4 school zijn, en zou daarmee ook kwalitatief bijdragen aan de vraag naar VSO. Het ISK een regionale voorziening en vangt anderstalige nieuwkomersleerlingen van twaalf tot achttien jaar op die korter dan één jaar in Nederland zijn en niet of nauwelijks Nederlands spreken. Op de bestaande VO-locaties is onvoldoende ruimte beschikbaar om de 150 leerlingen in deze onderwijsvorm permanent te huisvesten. Er zal namelijk 1 schoolgebouw gesloopt worden. Daarnaast heeft de gebrekkige huisvesting invloed op de kwaliteit van het onderwijs. Er is daarom behoefte aan een permanente oplossing voor huisvesting van 150 leerlingen op voor het ISK. In de huidige situatie maakt de Pleysierschool mede gebruik van de verouderde gymzaal aan de Slauerhofflaan, waar naar verwachting een hoge druk ontstaat. Er is tevens in de huidige situatie vraag naar tenminste twee extra zaaldelen om aan de ruimtebehoefte te voldoen van de omliggende scholen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12135023/1